Van EI tot KUIKEN

 

Het ei als een middel tot voortplanting

De kwaliteit van het broedei

De vorm van het broedei

Het bevuild broedei

Een kleurafwijkend broedei

Aan- en verkoop van broedeieren

Het schouwen van verse broedeieren

Het merken van broedeieren

Het bewaren van broedeieren

Duur, opslag en keren van de eieren

Temperatuur en relatieve vochtigheid in de opslagruimte

De donkere kamer in het broedei

Drijvende eieren

Bevrucht en onbevrucht ei

Levensduur van het sperma

Aantal eieren onder de broedhen

Dagelijkse verpozing van de broedende hen

Eischouwing

Uitkomst van de kuikens

De broedse kip heeft diarree

Bij grote hitte broedomgeving besproeien

 

 

Het ei als een middel tot voortplanting

 

Wij verstaan onder “het ei” een bevruchte eicel die in vóór - embryonaal stadium is uitgestoten.  Deze eicel is met zoveel voedingsstoffen uitgerust en zo goed beschermd, dat de embryonale ontwikkeling buiten het moederlichaam kan geschieden.  Hiervoor is echter warmte en vooral ouderwarmte noodzakelijk.  In de tropische gebieden zijn er vogels die hun eieren door de zonnewarmte laten uitbroeden.  De krokodillenwachter bv. begraaft de eieren op zandplaten in een rivier 10 cm diep.  Op het heetst van de dag gaat de vogel boven de eieren zitten, niet om ze uit te broeden, maar om ze tegen de grote hitte te beschermen.  Immers bij een temperatuur van 43° C sterft de kiem.

Zeer interessant is ook het gedrag van de Boshoen, Talegallahoen, ook boskalkoen genoemd.  Deze vogel leeft in Australië.  De haan bouwt een heuvel van rottende stoffen.  De hen legt hierin haar eieren op een diepte van 45 cm.  De haan jaagt nu de hen weg en doet niets anders dan door aan- en afvoer van materiaal de temperatuur in de broedhoop op 35° C te houden.  De kuikens komen uit en groeien dan op zonder enige ouderzorg.

Het ei wordt beschermd door een luchtdoorlatende kalkschaal.  De dikte van deze schaal verschilt naar soort.  Eieren van bv. de parelhoenders zijn haast niet kapot te krijgen; die van de pauwfazantjes haast niet heel te houden.  De oppervlakte van de eischaal kan glad zijn, glanzend, mat of ruw met grove poriën, zoals bij trompetvogels, struisvogels en emoe’s.  De meeste eieren zijn ovaal van vorm, andere zijn kogelrond en de meeste duikvogels leggen langwerpige eieren.

De eischaal is veelal wit of bruin van kleur, maar blauwachtig, zoals bij araucana’s, geel en rood komt ook voor al naar gelang de kleurstof oozyan, ooclorin of ooxantin tijdens de schaalvorming aanwezig is.  De grootte van het ei hangt af van de levenswijze van de vogel.  Bij dezelfde soort vogel komen verschillen in gewicht en afmeting voor; kleine eieren voorspellen niet veel goeds!

Een onderscheid dat men bij de vogels maakt, is dat tussen nestvlieders en nestblijvers.  Onder nestvlieders verstaat men vogels, die zodra de jongen uit het ei zijn, met de kuikens op stap gaan; dit is bij onze kippen en krielen het geval; nestblijvers zijn doorgaans vogels, die hun jongen in het nest verzorgen tot ze vliegen.

Een vogel legt altijd één ei tegelijk omdat binnen een tijdruimte van één tot twee dagen maar één ei tot volledige grootte uitgroeit.

Alle stoffen die in het ei voorkomen, zijn onttrokken aan het lichaam van de hen. Zorg daarom, dat vooral de hennen in de legtijd en ver daarvoor, niets tekort komen. Geef hun het allerbeste voer.

 

Terug naar boven

 

De kwaliteit van het broedei.

 

De kwaliteit van het broedei moet goed zijn, willen we succesvol fokken.  Broedeieren van vogels die slecht gehuisvest zijn en slecht worden verzorgd, zullen van dubieuze kwaliteit zijn.  Er zijn nog heel wat rennen die overbevolkt zijn, waar de grond verzuurd is van mest, waar praktisch geen zon komt en waar de waterbak in geen weken is schoongemaakt en bijgevuld.  Als dusdanig gehuisveste vogels al eieren leggen, dan zullen het hoogstens eieren zijn met een groot tekort aan eiwit, vitamines, mineralen en spoorelementen.  En dit zijn juist allemaal elementen die beslissend zijn voor een goede bevruchting, hoge kiemkracht en goede ontwikkeling van het kuiken.

 

Terug naar boven

 

De vorm van het broedei.

 

Broedeieren van gemiddelde afmeting leveren doorgaans de beste resultaten. Bij zeer grote of zeer kleine eieren is de verhouding van dooier tot eiwit ongunstig.  Deze eieren komen maar zelden uit. Eieren die een abnormale vorm hebben of die een gebarsten of poreuze schaal hebben (schouwlamp) moet u ook niet als broedei gebruiken, want ook daarmee krijgt u teleurstellingen.

 

Terug naar boven

 

Het bevuild broedei.

 

Bevuilde broedeieren mogen niet worden afgewassen, want dan wordt ook de bacteriewerende slijmlaag van de schaal gewassen.  Raapt u een pas gelegd ei, dan voelt het kleverig aan.  Dat komt door die belangrijke slijmlaag.

Zit er nu erg veel vuil aan een ei, dan kunt u dat voorzichtig met een mesje verwijderen.  Beter is het uw volière zo te onderhouden dat er geen vuil aan de eieren kan komen.  In de vrije natuur zie je ook nooit bevuilde eieren!

  

Terug naar boven

 

 Een kleurafwijkend broedei.

 

De kleur van de eischaal heeft absoluut geen betekenis voor de kwaliteit.  Trek u daar niets van aan.  Leg te bleke of te donker gekleurde eieren gerust bij het broedsel.  Er kan net zo goed een prachtig kuiken uit komen als de normaal gekleurde eieren.

 

Terug naar boven

 

Aan- en verkoop van broedeieren.

 

Vooral kippen- en krielenfokkers handelen in broedeieren. De prijs varieert naar de zeldzaamheid van de soort.  Als u broedeieren koopt, moet u ze eerst 24 uur op een koele plaats tot rust laten komen alvorens ze te laten bebroeden. ( zie Het bewaren van broedeieren’ Aan een nog niet bebroed ei is niet te zien, of het bevrucht is of niet.  Koper noch verkoper hebben hieromtrent enige garantie.  Een ei dat een paar dagen bebroed is, kan bij schouwing tonen dat het bevrucht is.  ( zie ‘Eischouwing’ )

Bonafide fokkers verkopen alleen maar verse, niet bebroede eieren van goede fokvogels die bewezen hebben goede nafok te leveren.  Gaat u rustig eens kijken bij de man die de eieren verkoopt.  De huisvesting van de vogels en de indruk van zijn hele bestand kunnen u al een en ander zeggen over de kwaliteit van de eieren.  Bovendien kunt u dan zelf de eieren transporteren, want broedeieren worden nogal eens bij verzending beschadigd.  Moet u de eieren verzenden, wikkel ze dan één voor één in een papier, zet ze op de punt in het zaagsel of hooi en gebruik een stevige doos.  Onderzoek na ontvangst de eieren eerst met een schouwlamp op barstjes en scheurtjes.

 

Terug naar boven

 

Het schouwen van verse broedeieren.

 

Ieder ei dat u als broedei wil gebruiken moet u van tevoren schouwen met behulp van een schouwlamp. Met behulp van deze lamp kunt u nagaan of er geen scheurtjes en barstjes in de schaal zijn, of de dooier centraal ligt, of er geen vreemde voorwerpen in het ei zitten, of de luchtkamer van goede afmeting is.  Kortom u kunt dan zien of u een goed of waardeloos broedei in handen hebt.  Schouwen doet u in het donker; de lichtstraal richt u op de luchtkamer van het ei; die is gelegen in het stompe gedeelte van het ei. Witte en crèmekleurige eieren zijn zeer gemakkelijk door te lichten; donkerbruine en blauwachtige eieren zijn moeilijker te schouwen, maar op de 6e dag van de ontwikkeling is ook hier het embryo duidelijk te zien.

 

Terug naar boven

 

Merken van broedeieren.

 

Zolang uw vogels aan de leg zijn, raapt u steeds de gelegde eieren.  Hebt u een hen die trouw in het nest legt, vervang dan het ei dat u raapt door een stenen ei.  Zorg dat er steeds twee of drie stenen eieren in zo’n nest liggen.

Het ei dat u gaat oprapen voor uw broedmachine of broedse kriel moet u onmiddellijk van een merkteken voorzien.  Doe dit met een potlood en nooit met een ballpoint of viltstift want deze geven chemische stoffen af, die door de poriën van de eischaal heendringen.

Het merkteken moet vermelden de datum van het leggen, de soort van de vogel plus het ouderpaar, bv een ei gelegd op 12 mei door een goudpel van uw tweede ren kunt u merken als volgt:  G.p.II 12-5.

 

Terug naar boven

 

Het bewaren van broedeieren.

 

Tot voor kort was er over het bewaren van siervogelbroedeieren nog maar bitter weinig bekend en alleen ‘het dagelijks een halve slag keren’ werd als belangrijkste factor voor een goede uitkomst na de noodzakelijke broedperiode aangemerkt.  Vervolgens was en is nog steeds van belang, dat de broedeieren niet te lang opgeslagen dienen te worden, omdat de kiemkracht bij een langdurige opslag nadelig beïnvloed.  De natuur leert ons immers, dat bij een opslagduur van 15 dagen reeds 26% en van 25 dagen zelfs 94% der eieren van Bosfazanten, eigenlijk kruisingsproducten van meerdere Jachtfazantsoorten, die bekend staan om hun taaiheid, aanpassingsvermogen, en kiemkracht, niet uitkomt!

 

Terug naar boven

 

Duur van opslag en keren van de eieren.

 

Verstandige fokkers bewaren hun broedeieren zeker niet langer dan 7 dagen in een bak met zand, of strooisel en wel zodanig, dat ze allemaal met hun merkteken omhoog of omlaag liggen.  Iedere dag moeten deze eieren een halve slag gekeerd, gedraaid worden, teneinde de eidooier zoveel mogelijk ‘zwevende’ te houden.  Indien de broedeieren langer dan 3 tot 4 dagen bewaard blijven, is het gunstig de eieren dagelijks ten minste tweemaal te draaien.

De invloed van een te lange opslag toont zich al vroegtijdig door het afsterven der embryo’s, maar indien de ei-inhoud over een hoge vitaliteit beschikt, afkomstig is van prima, onverwante fokdieren, die deskundig zijn gevoerd, hoeft een niet te lange opslag niet te nadelig te zijn voor de embryonale ontwikkeling en uitkomst.  Ook de uitkomstmogelijkheid is in sterke mate afhankelijk van genetische factoren, zodat de afstamming van de vogels van zeer groot belang is voor een uiteindelijk slagen van de gehele broedcyclus.

 

Terug naar boven

 

Temperatuur en relatieve vochtigheid in de opslagruimte.

 

De temperatuur in de opslagruimte is van groot belang voor de broedeieren, die voor een aanzienlijk deel uit water bestaan.

De temperatuur in de opslagruimte moet 50°F ( 10°C.) bedragen, zoals de grafiek duidelijk aangeeft, hetgeen de uitkomstmogelijkheid later beïnvloedt.

Het vochtigheidsgehalte in de opslagruimte is te stellen op 75%, rijkelijk hoog, maar bij deze lage temperatuur vrij gemakkelijk te bereiken en vast te houden met behulp van enige bakken, die met water worden gevuld.  De aanwezigheid van een goed afgestelde, vrij kostbare, maar toch zo noodzakelijke vochtgehaltemeter die zowel de temperatuur als het vochtgehalte nauwkeurig aangeeft, zal een groot hulpmiddel voor de fokkers zijn.  Hij kan immers in één oogopslag de zo belangrijke temperatuur én het vochtgehalte aflezen van de directe omgeving, waarin zijn kostbare broedeieren liggen te wachten op de bebroeding! 

Bij te veel verdamping in de opslagruimte verdampt er ook veel te veel vocht uit de broedeieren, die hierdoor waardeloos worden.  Wilt u aan deze onderdelen van de fok goed aandacht besteden?

 

Effect van opslag van broedeieren bij verschillende temperaturen gedurende een periode van 6-8 dagen vóór bebroeding.

 

Uitkomstmogelijkheid van bevruchte eieren in een opslagruimte gedurende langere tijd bij een temperatuur van 10°C. en 13°C.

 

Aantal dagen                           Percentage uitkomst

van opslag

                                               10°C.                                                  13°C.

7                                             80.4                                                    80

14                                           77.0                                                    72.1

21                                           60.1                                                    60.4

28                                           50.0                                                    26.3

35                                           22.2                                                    5.9

42                                           6.4                                                      0.0

 

 

De onderstaande tabel geeft een indruk van het broedresultaat betreffende100 eieren met afwijkingen.

 

Ongewenste broedeieren                                           Onbevrucht                Goede kuikens

 

Licht gescheurd                                                           25                               40

Extra groot                                                                 34                               47

Klein model                                                                51                               39

Misvormd                                                                   31                               34

Dunschalig                                                                  28                               34

Vreemde luchtkamer                                                   28                               23

Misplaatste luchtkamer                                                22                               23

Bloederige eieren en grote bloedvlekken                      21                               56

Gemiddelde voor ongewenste eieren                           30                               41

Gecontroleerde eieren zonder fouten                           18                               72

 

 

De tabel leert ons, dat van de ongewenste broedeieren slechts 70% bevrucht is met een gemiddelde uitkomstmogelijkheid van slechts 58%, terwijl de gecontroleerde broedeieren gemiddeld voor 82% bevrucht zijn met een gemiddelde uitkomstmogelijkheid van 90%.  Uitgedrukt in kuikens betekent dit, dat 31 meer goede kuikens kunnen worden verwacht van ieder 100 gecontroleerde broedeieren.

Broedeieren met een grote uitkomstmogelijkheid worden gelegd door vitale, kerngezonde ouderdieren, wie het aan niets ontbreekt gedurende een langere tijd voor de eiafzetting!

 

Terug naar boven

 

De donkere kamer in het broedei.

 

Aan de luchtblaas in het ei kunnen we zien of we met een goed broedei te maken hebben of niet.  Goede broedeieren hebben een zeer kleine luchtblaas zoals aangetekend op de afbeelding bij streep 0.  De luchtblaas is ook het middel om tijdens het broeden de zaak in de gaten te houden.  De hygrometer in de broedmachine kan afwijkingen vertonen, zodat controle aan de hand van eieren wel gewenst is.

De fokker moet iedere 4 dagen met behulp van de schouwlamp de grens van de luchtblaas op één ei aantekenen.  Bij goede bebroeding met de grens van de luchtblaas dan tegen het einde zijn aangegeven zoals op de tekening bij 23 ( dagen).  Kippen en krielen hebben een broedtijd van 21 dagen!

 

 

Is de luchtblaas te groot, dan wordt er te droog gebroed en is de schade onherstelbaar.  Is de luchtblaas te klein, dan wordt er te vochtig gebroed.  Dit is te herstellen, door enige dagen droger te broeden.

 

Terug naar boven

 

Drijvende eieren.

 

Onbebroede eieren blijven in een bak met lauw water op de bodem liggen; na een bebroeding van 3 dagen richt een broedei zich met het stompe einde iets naar boven en na 6-8 dagen bebroeding staat het ei op zijn punt.  Na 8-11 dagen bebroeding zweeft het ei loodrecht onder de waterspiegel, na 16 dagen steekt het ei met de stompe einde iets boven het water uit en na 23 dagen zwemt het ei loodrecht met de stompte pool over de wateroppervlakte, zoals afbeelding aangeeft.  Dit geldt voor eieren met een broedduur van 24 dagen.  Een dergelijke broedtest is niet nadelig voor het embryo, mits het ei spoedig uit deze positie wordt genomen en onmiddellijk verder bebroed wordt.  Omtrent eventuele bevruchting betekenen drijvende eieren in het beginstadium der bebroeding weinig, of niets; drijvende eieren, die schoksgewijs voortbewegen in het water zijn bevrucht!

 

                        

 

Terug naar boven

 

Bevrucht en onbevrucht ei.

 

Een bebroed ei is met behulp van een schouwlamp na 4 dagen bebroeding te schouwen; de ontwikkeling der kiemschijf is dan al te zien.

De temperatuur van een onbevrucht ei is lager dan die van een bevrucht ei, terwijl een onbevrucht ei ook veel sneller afkoelt.  Is het ei, na een broedduur van ¼ der totale broedtijd nog geheel doorzichtig, dan is het ei onbevrucht.  Vertoont het ei een donkere vlek zonder adertjes, dan is de kiem afgestorven.  Is de donkere kern beweeglijk en vertoont het ei een spinrag van adertjes, dan is het ei bevrucht!  In het midden van de broedcyclus kan de liefhebber weer schouwen; vertoont een ei een donkere grote vlek met een min of meer donkere ring, of andere onregelmatigheid, zoals bijvoorbeeld een te grote luchtkamer, dan is de kiem afgestorven.  Een normaal ontwikkeld broedei is dan geheel geaderd met de luchtkamer aan het stompe einde.

Een onbevrucht ei noemt men ook wel een ‘schier’ ei, en in Zeeland een ‘lot’ ei!

 

Terug naar boven

 

Levensduur van sperma.

 

Sperma, manlijk zaad, kan in de eileider circa 14 dagen in leven blijven en zijn bevruchtingskracht behouden.  Een jonge haan bevrucht in het voorjaar meestal vroeger dan een oude haan.  Meerdere hanen in een kleine stam vechten te veel en bevruchten slecht!

 

Terug naar boven

 

Aantal broedeieren onder de broedse hen.

 

Het aantal ter bebroeding te geven eieren hangt af van de eiafmeting der siervogelsoort, maar steeds zodanig, dat de hen alle eieren gemakkelijk onder zich kan verstoppen!  Het volproppen van het nest leidt altijd tot grote teleurstelling; de eieren kunnen wegens ruimtegebrek door de kip niet ( ieder uur ) worden gekeerd en de buitenste eieren ontvangen veel te weinig warmte, ontwikkelen zich slecht, komen te laat uur, indien daar nog sprake van is. De fabel, dat er toch wel ruimte komt, omdat verscheidene eieren onbevrucht blijken te zijn en worden weggenomen, getuigt van grote onkunde van de fokker; hij spant het paard achter de wagen!  Een middelgrote kip, zoals bijvoorbeeld een Wyandotte hen, kan ruim 12 van haar eigen eieren bedekken, krielhennen leggen verhoudingsgewijs tot hun afmetingen vaak flinke eieren, maar zijn slechts in staat 7-9 van hun eigen eieren uit te broeden!

  

Terug naar boven

 

Dagelijkse verpozing van de broedende hen.

 

Dagelijks krijgt de broedende hen gelegenheid zich enige tijd te verpozen, te ‘ontlasten’ en voedsel en water tot zich te nemen; loopt zij niet vanzelf van het nest af bij opening van de frontzijde en terugslaan van de jute zak, dan tilt de fokker de kip voorzichtig van het legsel af.  De rechterhand schuift de fokker uiterst langzaam en behoedzaam onder de borst van de kip, de linkerhand pakt de beide vleugels en langzaam heffend wordt de vogel van het legsel getild en vóór het hokje op de grond geplaatst.  Deze handelingen moet de broedse kip leren, maar zij zal dit spoedig weten en niet tegenspartelen.  Ter controle kan de fokker nu even met de steeds meer geoefende hand voelen, of alles eieren gelijkmatig verwarmd zijn en eieren, die koel aanvoelen, in het midden van het legsel leggen.  De eieren worden tijdens de verpozing niet afgedekt; enige afkoeling is zelfs bevorderlijk voor de ontwikkeling!  De eieren behoeven niet door de fokker gekeerd te worden; ook ’s nachts keert de kriel de haar toevertrouwde eieren prima!  De voerpauze duurt doorsnee 15 minuten en mag tegen het einde der broedcyclus 20 minuten bedragen, of bij warm weer zelfs nog langer.

 

Terug naar boven

 

Eischouwing.

 

Op de 16e en 18e dag van de broedcyclus schouwt iedere fokker zijn legsel met een schouwlamp en verwijdert alle broedeieren, die afwijkingen in de embryonale groei vertonen.

Op de 6e dag der bebroeding heeft zich in bevruchte eieren al een klein embryo ontwikkeld, dat zich bij het doorlichten als een rode vlek in het ei bevindt met een van daaruit uitstralend systeem rode adertjes, in fokkersjargon ‘rode spin’ genaamd.  In onbevruchte eieren zijn op de 6e dag geen duidelijk zichtbare veranderingen op te merken en deze eieren zijn precies als onbebroede eieren helder gebleven.  Dergelijke eieren worden natuurlijk nooit als broedei meer verkocht, want dit zou de reinste oplichting beteken!  Dergelijke eieren worden vernietigd.  Ook uitgesorteerd worden die eieren, wier embryo’s zich wel enigszins hebben ontwikkeld, maar later zijn afgestorven.  Veelal vertonen die een donker vlekje en zijn niet helder rood.

Op de 18e dag zijn bij eischouwing de eieren al volledig donker en ondoorschijnend, indien ze goed bebroed zijn en de embryo’s zich normaal ontwikkelen.  Slechts de lichte luchtblaas tekent zich af aan het stompe eind van ieder ei.  Een vergelijkend onderzoek zal ook de nog onervaren fokker spoedig leren, welke eieren dan in ontwikkeling zijn achtergebleven en welk aan de beste verwachtingen beantwoorden.  Op de laatste dan van de ontwikkeling, al naargelang de broedtijd van de vogelsoort, is het embryo zodanig ontwikkeld, dat binnen de volgende 24 uur de uitkomst zal plaatsvinden.

Het aanpikken begint en het kuiken breekt met behulp van de eitand boven op de bovensnavel eerst een gat ter grootte van een speldenknop in de eischaal, om beter te kunnen ademen.  Het kuiken ademt nu al door de longen en niet meer door de eihuid.  Langzamerhand verwijdt zich het ademgat tot erwtgrootte, zodat men het snaveltje kan zien bewegen. 

 

 

                           

 

In deze toestand blijven de embryo’s  nog wel 12-14 uur, zodat hulp dan absoluut niet nodig is!  Pas wanneer de embryo’s sterker zijn geworden door de gemakkelijkere ademhaling, snijden ze de eischaal rondom door er barsten de beide eischalen uit elkaar.  Dit opensnijden van de eischaal en de uitkomsthandelingen duren soms wel 3 uur, zodat ook hier de fokker geduld moet betrachten.

 

Terug naar boven

 

Uitkomst van de kuikens.

 

Ook op de laatste broed- en aanpikdag krijgt de broedse kriel de gelegenheid zich te verpozen gedurende circa 10 minuten; daarna blijven ze op het nest, totdat alles kuikens zijn geboren.  Sommige broedse krielen worden nerveus gedurende de uitkomst der kuikens, staan op, wanneer ze onder zich dat piepen en krabbelen hoeren en voelen, of hakken zelfs op de uitkomende kuikens in met de harde sterke snavel.  Ook trekken ze soms kuikens tevoorschijn, zodat deze buiten het nest verkleumen en sterven, of eten de vrij gekomen kalkschaaldeeltjes op en pikken op de gehele kalkschaal af, waarbij het kuiken vaak dodelijke verwondingen oploopt.

Teneinde deze eventuele moeilijkheden vóór te zijn, maakt de fokker een noodnest klaar van zacht hooi, waarboven hij een infrarooddonkerstraler hangt, die vlak boven het nest een warmte afstraalt van 38°C en waarin het kuiken wordt gelegd. Bij een gunstig verloop van uitkomst zijn de volgende dag alle kuikens droog en monter en kunnen in de opfokruimte met of zonder broedse kriel, die nu kloek is, worden overgeplaatst. De lege eischalen worden verwijderd. Pas geboren kuikens mogen nooit op een zandbodem worden geplaatst. Alleen luiers, dweilen, papier of gaas als bedekking zijn te gebruiken. Jonge kuikens eten zand hetgeen funest is voor hun spijsvertering en groei.

 

Terug naar boven

 

De broedse kip heeft diarree.

 

Ondanks goede voorzorgsmaatregelen komt het voor dat de broedse kip toch te dunne ontlasting heeft, deze niet kan ophouden totdat zij aan haar dagelijkse broedpauze toe is en zo het nest bevuild heeft.

De kip wordt terstond van onderen met warm water (40°C) gereinigd en drooggehouden met een haardroogapparaat. Aan het graanvoor wordt gepulveriseerde houtskool toegevoegd, die de darmen desinfecteert.

Bevuild stro in het nest wordt door vers, droog stro vervangen en bij zwakke bevuiling van de broedeieren probeert de fokker het droge vuil van de eischalen af te schaven. Afwassen vergroot de kans op infectie en is gevaarlijk! Sterk bevuilde eieren zijn verloren, omdat deze de embryo's verstikken.

 

Terug naar boven

 

Bij grote hitte broedomgeving besproeien.

 

Bij grote hitte krijgt de broedse kip last van de hoge temperatuur en een tekort aan relatieve vochtigheid. Ze wil van het nest aflopen, met alle gevolgen vandien. Besproeiing van nestomgeving, binnen- en buitenwand van het broedhokje brengt de nodige verlichting. De hygrometer vertelt vervolgens hoe het staat met de relatieve vochtigheid vlak bij de eieren (55% tot 65% bij uitkomst).

 

Terug naar boven