Legende of waarheid?
De stad Rome is volgens de overleveringen in het midden van de 8ste eeuw v.C., om precies te zijn in het jaar 753, gesticht. Dat jaar dient als het jaar 1 van de Romeinse kalender, die begint te tellen "Ab Urbe Condita", sinds de stichting van de stad.
Archeologische opgravingen geven aan dat onder de resten van het badhuis van de Palatijnse heuvel zich oudere sporen bevinden dan de 8ste eeuw v.C.. Dat is de periode dat zich hier kolonisten vestigden in het zogenaamde Groot-Griekenland en op SiciliŽ. De eersten die zich in het gebied waar nu Rome ligt gevestigd hadden waren de Indo-europese stammen, dan volgden de Villanova-beschaving.
Romeinse geschiedschrijvers hebben de ingewikkelde werkelijkheid een versie gegeven die meer overeenkwam met hun opvatting over het Romeinse Rijk. Volgens hen is Rome gesticht door de nakomelingen van Aeneas, die het door brand verwoeste Troje was ontvlucht in gezelschap van zijn vader, zijn zoon en een paar trouwe vrienden.
Plutarchus schreef het volgende (samengevat) : "Waar komt de grote naam van Rome vandaan? Waarom heeft men deze stad zo genoemd? De meest voor de hand liggende verklaring is dat Romulus zijn naam aan de stad heeft gegeven.
Ziehier wat er over dit onderwerp is vastgelegd : de opvolging van de koningen die afstamden van Aeneas was op een bepaald moment in handen van twee broers, Numitor en Amulius. Amulius splitste de erfenis in twee delen. Aan de ene kant het koninkrijk, aan de andere kant het geld met inbegrip van het goud dat uit Troje was meegekomen. Numitor koos voor het koninkrijk en Amulius behield de schatten, waardoor hij veel rijker werd dan zijn broer, en deze zonder moeite van de troon kon stoten. Maar omdat hij bang was dat de dochter van Numitor kinderen zou krijgen, dwong hij haar priesteres te worden van Vesta, opdat zij altijd maagd zou blijven.
Sommigen noemen haar Rhea, anderen Silva. Ondanks de strenge regels van de Vestaalse maagden werd zij korte tijd later toch zwanger. Door voorspraak van de koning werd zij niet ter dood veroordeeld, maar zij werd opgesloten in eenzame afzondering. Zo bracht zij haar tweeling ter wereld. Twee jongens, onovertroffen in schoonheid en grandeur. Amulius raakte hierdoor nog meer verontrust en hij droeg een van zijn dienaren op de baby's weg te halen en in het water te gooien. De man nam de kinderen mee in een mand en daalde daarna af naar de rivier, maar toen hij het snelstromende, hoge water zag durfde hij niet dichterbij te komen en hij liet de kinderen achter aan de oever van de rivier. Het wassende water van de rivier nam de mand echter voorzichtig op en de kinderen dreven met de stroom mee naar een zacht glooiend, vlak terrein.
Op die plek dichtbij een wilde vijgenboom, strandde de wieg en hier werden de kinderen gezoogd door een wolvin, die door een specht werd geholpen bij de verzorging van de tweeling. Men meent dat deze dieren gewijd zijn aan Mars en dat zou het gerucht verklaren dat Romulus en Remus kinderen zijn van de god Mars. Tegen de tijd dat de tweeling volwassen was, hielpen de broers hun grootvader op zijn troon en zij besloten zelf een stad te bouwen in de streek waar zij waren opgegroeid.
Romulus en Remus vestigden zich respectievelijk op de heuvels Palatinus en Aventinus en hun handelen werd aanvankelijk door voortekenen beÔnvloed. De hemel begunstigde Romulus door hem een vlucht van twaalf gieren te zenden, terwijl zijn broer slechts zes vogels zag langskomen. Zo kreeg Romulus de eer om een nieuwe stad te stichten en hij trok met een ploeg een voor in de grond rond de Palatijnse heuvel om daarmee een stuk heilige grond af te bakenen."
De verschrikkelijke wijze waarop Romulus reageerde op de provocatie van Remus, die lichtvaardig over de gewijde muur sprong, benadrukt het verlangen om de stad als onschendbaar te beschouwen. Romulus doodde zijn broer terwijl hij uitriep: "Zo zal het ieder vergaan, die in de toekomst mijn muren overschrijdt!!!"

De eerste dorpen
Volgens de Romeinse overlevering stichtte Romulus dus op de Palatinus de eerste nederzetting. Het feit dat de overblijfselen op de Palatinus iets ouder zijn dan die op de andere heuvels maakt echter de overlevering geloofwaardig, dat de Palatinus het vroegst bewoonde deel van Rome is geweest.
Het is duidelijk dat de dorpen op de heuveltoppen te overbevolkt werden om er nog aangenaam te wonen, want in de volgende fase (ca. 700 v.C.) werden de heuvelhellingen geleidelijk bewoond en men bouwde hutten op de oudere graven die zich daar reeds bevonden. Op den duur bezette men de ruimten tussen de heuvels, met inbegrip van die welke nadien het Forum Romanum en het Forum Boarium werden. Opgravingen in de laatste streek bewijzen de juistheid van de overlevering dat dit vroeger een moeras was geweest. Het was duidelijk dat deze streek was drooggelegd voordat men er ging wonen.
De grondplannen van hutten kunnen uit in de rots gehouwen gaten worden afgeleid en de opbouw uit gegevens, ontleend aan de hut-urnen. Op de Palatinus zijn sporen van hutten gevonden waarvan de achterkant diep in de rots was uitgehouwen. De vloeren warren van aangestampte aarde en door de deur waren dikwijls kleine door palen gedragen portalen.
De archeologie heeft ons eveneens enig inzicht verschaft in de voeding van de hutbewoners : druivenpitten worden niet voor het laatst kwart van de 7de eeuw v.C. gevonden, hetgeen aanduidt, dat er voordien geen druiventeelt in Latium bestond. Olijven schijnen in dezelfde tijd te zijn ingevoerd  en het is mogelijk dat beide onder Etrurische invloed in Latium terechtkwamen.
De EtruriŽrs schijnen de schakel te hebben gevormd tussen de Griekse en de Voorstedelijke beschaving in Rome.

De Etrurische invloed

De belangrijke bijdrage van de EtruriŽrs tot de Romeinse cultuur in die tijd was de invoering van het alfabet. Men heeft soms beweerd dat de Romeinen het alfabet rechtstreeks uit de Griekse kolonie Cumae kregen, maar men is het er thans over eens dat de EtruriŽrs als tussenpersoon optraden. Deze belangrijke bijdrage betekende dat Rome over de middelen beschikte om een stedelijke gemeenschap  efficiŽnt te besturen.
Volgens de historische overlevering kwam Rome in 616 v.C. onder rechtstreeks Etrurisch bewind toen Tarquinius Priscus koning werd. Het zou gedurende een groot gedeelte van de 6de eeuw onder Etrurische heerschappij blijven tot de laatste Etrurische koning Tarquinius Superbus volgens de overlevering ten slotte werd   verjaagd in 510 v.C..
Gedurende het tijdperk van Etrurisch bewind wijzigde Rome zich van een groep hutnederzettingen tot een werkelijke stad. De hutten werden vervangen door rechthoekige huizen, opgetrokken uit gepleisterde leemsteen die op stenen funderingen rustte. De hutten in het forum werden met de grond gelijk gemaakt en over hun overblijfselen werd een plaveisel van kiezelstenen gelegd. Men bouwde monumentale tempels en heiligdommen van hout, dat met terracotta decoraties werd bekleed.
De gebouwen waren eerst van bescheiden afmetingen, maar bereikten hun hoogtepunt in de tempel van Jupiter Optimus Maximus op de Capitolinus.

De sobere tijden

Hoewel de geschiedenis van Rome dank zij de literaire bronnen geleidelijk beter bekend wordt, zijn er nog kanten van de Romeinse samenleving waarvan de bijzonderheden uitsluitend door de tastbare resten naar voren komen. Men heeft gezegd dat de afmattende strijd van de Romeinen tegen de EtruriŽrs, de Volsci, de Aequi, de GalliŽrs en de Samnieten van de 5de tot de 3de eeuw v.C. hun geen gelegenheid liet tot het beoefenen van de schone kunsten. Strabo zei van de Romeinen in die tijd dat zij 'niets gaven om schoonheid omdat zij te zeer in beslag waren genomen door grotere, meer noodzakelijke dingen'. Het archeologische beeld lijkt de indruk van soberheid die wij aan de hand van literaire bronnen krijgen te versterken.

De Carthaagse dreiging

Door de ineenstorting van de Samnieten verkreeg Rome plotseling de oppermacht in ItaliŽ. Terzelfder tijd breidde de Noord-Afrikaanse stad Carthago de macht in SiciliŽ uit. Door Pyrrhus, koning van Epirus in Noordwest-Griekenland, werden vergeefse pogingen ondernomen om de Grieken uit het westen tegen de twee nieuwe machten te verenigen. Het succes van Rome was hoofdzakelijk te danken aan de gewoonte om bondgenoten politieke beloningen te geven, met name de voorrechten -en verplichtingen- van haar eigen staatsburgerschap. Dit verzekerde wijd verbreide steun tijdens de lange en vernietigende oorlogen tegen het Carthaagse leger onder Hannibal.
De uitslag van de Punische oorlog was dat Rome en niet Carthago over de westerse wereld zou heersen en dat in Rome zelf de senaat de teugels van de macht in handen zou hebben.
 
 
 

De val van de Republiek

Een aantal buitenlandse oorlogen had tot gevolg dat de gebruikelijke Romeinse bron van strijdkrachten -de burgerlijke militie- was verzwakt. Met het invoeren van de betaalde militaire dienst ontstond een nieuw probleem; de generaals waren genoodzaakt de middelen te vinden om hun troepen te betalen en deze bij het beŽindigen van hun diensttijd in kolonies te vestigen. Er was veel politieke onrust, die slechts tijdelijk kon worden gesmoord door het ingrijpen van een machtig militair leider, zoals Marius, Sulla, Pompeius of Caesar. De overwinning van L. Cornelius Sulla op Marius in 80 v.C. betekent een belangrijk stadium zowel in de geschiedenis als in de kunst van Rome, want met zijn bewind ontstond een nieuwe, keizerlijke Romeinse bouwstijl.
De Romeinse samenleving verkeerde in de 1ste v.C. in een staat van onenigheid. In het midden van de 1ste eeuw v.C. ondernamen Cicero en zijn aanhangers een vruchteloze poging om beschaafde en gematigde waarden te behouden, maar zij waren niet sterk genoeg om de krachten van het militarisme, door Julius Caesar verpersoonlijkt, te weerstaan. Deze verenigde  de traditionele Romeinse "deugden": de verovering van GalliŽ tussen 58 en 52 v.C.. Dit was slechts een der aanwinsten van grondgebied die Rome voor 14 v.C. zou verwezenlijken, nog afgezien van Spanje, Illyricum en Griekenland, het Rijnland, het grootste deel van Klein-AziŽ en grote delen van Noord-Afrika. Daar uitsluitend een leger onder een sterk centraal gezag deze landen kon beheren, werd een militaire heerschappij noodzakelijk. De bedreiging van de vrijheid werd door de moord op Caesar in 44 v.C. uitgesteld, maar werd verwezenlijkt door de stichting van een keizerrijk door zijn aangenomen zoon Augustus  in 31 v.C.

Keizerlijke kunst

In de tijd van Augustus was de Romeinse kunst eclectisch. De belangrijkste bronnen voor de beeldhouwkunst waren Grieks en de aanwezigheid van vele geÔmmigreerde Griekse beeldhouwers in Rome stuwde deze kunstbeweging voort. De Romeinen gingen niet alleen voort de richtingen van de meest recente Griekse kunst te ontwikkelen, maar zij grepen eveneens terug naar de klassieke en zelfs archaÔsche Griekse kunst. Het was Augustus die de beslissende veroveringen van Grieks, of beter gezegd Hellenistische landen maakte toen hij in 30 v.C. Egypte bezette; maar de ontwikkeling waarbij Rome en ItaliŽ de Griekse artistieke invloed ondervonden was eeuwen eerder begonnen. De veroveraar Augustus was geboeid door al wat Grieks was en zoals de dichter Horatius ons in een tot de keizer in 15-14 v.C. gerichte brief vertelde: "het veroverde Griekenland nam haar ruwe kaper gevangen en bracht de kunsten naar het boerse Latium."
Een monument waarin alle richtingen te vinden zijn is de Ara Pacis Augustae, die door Augustus in het Campus Martius werd opgericht ter ere van de vrede die hij de wereld rondom de Middellandse Zee had opgelegd. Het werd in 9 v.C. ingewijd en bestond uit een altaar binnen een muur, die op geÔdealiseerde wijze de processie weergaf die had plaatsgevonden op de dag dat het altaar werd ingewijd. De reliŽfs zijn gebeeldhouwd in een klassieke stijl die doet denken aan de Attische ReliŽfs uit de 5de v.C.
De materialen kwamen vnl. van Luna. Dit was een nieuwe vindplaats voor marmer, die waarschijnlijk economischer te benutten was dan de oorspronkelijke groeven in Griekenland. De ontwikkeling van de Luna-groeven kan moeilijk vreemd zijn aan de uitspraak van Augustus, dat hij Rome had aangetroffen als een stad van baksteen en het achterliet als een stad van marmer.

De groei van het imperium

Ten tijde van zijn grootste omvang, onder keizer Trajanus, strekte het Romeinse Rijk zich uit van Marokko, in het westen tot ArmeniŽ in het oosten en van BrittanniŽ in het noorden tot Boven-Egypte in het zuiden. De hele middellandse zeekust stond onder Romeinse heerschappij, evenals de landen in het noorden tot aan de Rijn en de Donau.
Het was een geleidelijke ontwikkeling geweest, die begon toen Rome de macht over Latium kreeg en deze zich kon uitbreiden toen eerst ItaliŽ en SiciliŽ en daarna delen van Spanje, GalliŽ en Noord-Afrika tijdens de Punische oorlog bezweken. Deze ontwikkeling kreeg zijn beslag toen de Hellenistische koninkrijken in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee in de 2de en 1st eeuw v.C. onder de druk van de militaire  macht van Rome uiteenvielen.
MacedoniŽ was, tot eigen verbazing en verdriet, de eerste oostelijke macht die, gevolgd door Griekenland zelf, onder Romeinse heerschappij viel.

Romeinen in de Griekse wereld

Er bestond een diepe culturele kloof tussen de doorsnee Griek en de Romeinse man op de straat. De Romeinen konden wreed met hun Griekse bondgenoten omspringen, vooral als deze weerspannig waren. In 146 v.C. trachtten de staten van Centraal-Griekenland het Romeinse juk af te schudden. Op aanwijzing van de Romeinse regering maakte de Romeinse bevelhebber L. Mummius een voorbeeld van Corinthe, een van de meest beroemde steden van Griekenland.
Het zegevierend Romeinse leger, zo word ons verteld, vermoordde ieder volwassen mannelijke burger die het binnen de stadsmuren aantrof, terwijl de vrouwen en kinderen als slaven werden verkocht. De stad zelf werd geplunderd en de wijze waarop dit gebeurde zegt ook iets over de Romeinen.
De plundering van Corinthe was een uitzonderlijke gebeurtenis, want meestal ging de omgang van Rome met Griekenland gepaard met respect voor een oudere en verfijndere cultuur.

Romeins Afrika

Een ander gebied van de Griekse wereld dat, na een tijd deel van een Hellenistisch koninkrijk te hebben uitgemaakt, Romeins werd, was CyrenaÔca in Noord-Afrika. De bevolking van de voornaamste stad, Cyrene, telde toen de stad zijn hoogtepunt bereikte ook een behoorlijke gehelleniseerde joodse minderheid en de stad was tijdens de regering van Trajanus in 115 n.C. het middelpunt van een joodse opstand tegen de Romeinen. Deze opstand breidde zich uit tot Egypte, Cyprus, SyriŽ en andere plaatsen in de Levant voordat hij bedwongen kon worden. De Romeinen beantwoordden geweld met geweld en zonden infanterie en cavalerie overzee om de toestand het hoof te bieden. Een late bron vermeldt dat er 220.000 doden vielen, maar wat dit hoge getal betreft is alle voorbehoud geboden. Hoe het ook zij, de opstand werd bedwongen en Romeinse militaire veteranen werden in Cyrene gevestigd om het verlies aan mankracht goed te maken. Een programma van herbouw werd weer in gebruik genomen. Een in de baden gevonden Latijnse inscriptie deelt ons mee dat in 119 n.C. Keizer Hadrianus bevel fan in het heiligdom Apollo te Cyrene "de baden te herstellen, met hun portieken en zalen evenals de omliggende gebouwen die tijdens de joodse opstand zijn verwoest en verbrand".

Carthago

Carthago was gedurende een groot gedeelte van de 3de eeuw v.C. de vijand van Rome gewest. De derde en laatste Punische oorlog bracht de Romeinen tot voor de wallen. De belegering duurde 3 jaar voordat Carthago in 202 v.C. viel.
Carthago, met haar sprookjesachtige haven en rijk achterland, kon niet zeer lang verlaten blijven. De Romeinen zagen zich op den duur gedwongen het weer op te bouwen, hoewel anti-Carthaagse vooroordelen een lang leven hadden. Gaius Gracchus was de eerste die begrip had voor de situatie en er in 122 v.C. Romeinse kolonisten heenzond. Maar het stadsleven bloeide niet werkelijk op voordat Julius Caesar er een aantal van zijn veteranen vestigde. Augustus voltooide het werk van zijn voorganger door Romeinse burgers die reeds in nabijgelegen steden woonden, naar Carthago over te brengen.

Trajanus in Timgrad

Het legioenfort te Lambaesis (in het huidige Algerije), was gebouwd om de weg tegen de invallers vanuit de Sahara te beschermen en was op dezelfde wijze aangelegd als in de Romeinse militaire vestigingen in de 1ste eeuw v.C. gebruikelijk was. In het jaar 100 n.C. besloot Trajanus in Timgrad een Romeinse kolonie te stichten, op een korte dagmars afstand naar het oosten en het Derde Legioen werd met de onderneming belast, onder leiding van de legaat L. Munatius Gallus. De nieuwe bewoners -militaire veteranen en plaatselijke bevolking- verkregen allen het Romeinse burgerrecht. Men poogde nauwelijks de militaire oorsprong van de bouwers te verhelen want het vierkante grondplan van de stad leek precies op dat van een fort. De stad was dan ook bedoeld om in geval van een plotselinge aanval verdedigbaar te zijn. Binnen de wallen was de stad verdeeld in huizenblokken volgens eens strikt roosterpatroon.

Romeins GalliŽ

Het hedendaagse Frankrijk komt overeen met het Romeinse GalliŽ, dat, samen met Spanje, een van de eerste niet-Italiaanse streken was die werden geromaniseerd. In de 1ste eeuw v.C. door Julius Caesar verslagen in een reeks oorlogen waarvan hij een levendige beschrijving heeft nagelaten, aanvaardden de GalliŽrs spoedig een vreedzame Latijnse beschaving. De eenvoudige hoofdsteden van hun verschillende stammen worden steden met al de verworvenheden van de Romeinse beschaving -door effectvolle aquaducten van water voorzien en door een indrukwekkend wegennet met elkaar verbonden. De vrede werd in GalliŽ verzekerd door de aanwezigheid van een Romeinse leger die de Rijn bewaakten tegen invallen uit het noorden door Germaanse stammen. Een groot gedeelte van de bevolking moet op het platteland geleefd hebben, hoewel er tot voor kort weinig archeologisch bewijsmateriaal voor hun levenswijze beschikbaar was. Doch in de laatste jaren heeft door R. Agache uitgevoerde luchtkartering van de vruchtbare vlakten van Artois en PicardiŽ in Noord-Frankrijk de aanwezigheid  van meer dan 1000 Romeinse villa's onthuld.

Romeins BrittanniŽ

Strikt gesproken had, wat de doorsnee Romein betreft, het eiland BrittanniŽ, in de Oceaan gelegen tegenover de kust van de bewoonde wereld, er niet moeten zijn. Deze opvatting lijkt tot op zekere hoogte te verklaren waarom het de Romeinen zoveel tijd vergde om BrittanniŽ bij het Rijk in te lijven. Julius Caesar had in 55 en 54 v.C. een mislukte poging gedaan het eiland te veroveren en pas vrijwel een eeuw later ondernam keizer Claudius, die triomfen in oorlogen buitenslands nodig had, in 43 n.C. de invasie van BrittanniŽ. Het zuiden werd spoedig onder de voet gelopen, waarop de stichting van de provincie BrittanniŽ volgde, met de hoofdstad te Londinium, waarvan de overblijfselen onder de huidige City of London liggen. Zelfs de opstand van de Iceni onder hun koningin Boudicca, hield de Romeinen niet tegen in hun pogingen -die nooit volledig succes hadden- het gehele eiland in hun macht te krijgen.
 
 

De grenspolitiek van Augustus

De vorm van de noordelijke grens van het Romeinse Rijk op het continent was in grote mate de schepping van Augustus, hoewel zijn oorspronkelijke plan al te ambitieus bleek te zijn. Dit beoogde de onderwerping van alle landen zo ver noordelijk als de Elbe in het westen en de Donau in het oosten. De streken tussen de alpen en de Donau, Raetia en Noricum, werden het eerst veroverd en toen keerde Augustus zijn aandacht naar de Balkan. Eerst Agrippa en daarna Tiberius voerden veldtochten, die Pannonia onder Romeins gezag brachten. Een grote opstand werd in de Balkan in 7 - 8 n.C. door Tiberius neergeslagen, maar nauwelijks was in die hoek orde op zaken gesteld of er kwamen berichten over een grote ramp die het Romeinse leger in GermaniŽ had getroffen.
Het staat niet volkomen vast of, toen  Augustus in 12 v.C. besloot de grens van de Rijn naar de Elbe te verleggen, het alleen zijn bedoeling was een betere alternatieve grenslijn voor de Rijn te vinden, of dat dit een stap naar grotere ondernemingen gold. Hoe dan ook, hij vergiste zich in de grootte van de taak. Hoewel tegen 5 n.C. de Romeinse legers een groot gedeelte van het gebied tussen de Rijn en de Elbe beheersten, was de streek lang niet geromaniseerd. De Kelten uit GalliŽ, met hun bestaande stammencentra waren er makkelijk toe gebracht een stadse levenswijze te aanvaarden, maar in het land ten noorden van de Rijn waren er geen dergelijke nederzettingen en de tijd was nog niet rijp om deze te scheppen.
Door de poging om de romanisering ten noorden van de Rijn te bespoedigen, wakkerde Varus ongewild de anti-Romeinse gevoelens van de stammen aan. Een vroeger lid van de hulptroepen, Arminius genaamd, het hoofd van de Cherusci, smeedde met naburige stammen plannen om de Romeinen eens en voor altijd te verdrijven en slaagde in deze opzet met goed gevolg.
Het verlies aan mannelijke mankracht dwong de Romeinen zich te verschansen en de Rijn werd als de uiterste grens in het westen gekozen. Men bleef de streek ten zuiden dan de Rijn romaniseren en de politiek van verstedelijking werd naarstig voortgezet. Maar het verschijnen van een geweldige militaire leider in DaciŽ, in de persoon van koning Decebalus, maakte een einde aan alle hoop die de Romeinen konden hebben gekoesterd.

De Dacische oorlogen

Decebalus wenste de Grieks-Romeinse beschaving in zijn land (dat ongeveer overeenkomt met het huidige RoemeniŽ) te introduceren en ten einde op gelijke voet met Rome te staan, begon hij de Romeinse krijgskunst te leren. Zijn plannen waren verreikend en hij trad zelfs in onderhandelingen met de Parthen, de aloude vijand van Rome en AziŽ. In 85 n.C. waren zijn voorbereidingen voltooid en bracht hij Rome haar eerste slag toe door Moesia binnen te vallen. Generaal Julianus had meer succes dan zijn voorganger Cornelius Fuscus, en bracht de DaciŽrs een gevoelige slag toe door grote aantallen hunner te doden op zijn weg.
Op 25 maart 101 n.C. werden in Rome offers gebracht voor het welslagen van de eerste expeditie van Trajanus tegen DaciŽ en hij vertrok vrijwel terstond naar de Donau, die hij aan het hoofd van een leger van 60.000 man overstak. De overwinning van de Romeinen te Tapae was het grootste succes van de veldtocht van het eerste seizoen.
In het tweede seizoen hervatten zij hun opmars naar de Dacische hoofdstad Sarmizegethusa, waardij zij sterke tegenstand ondervonden. De DaciŽrs kregen versterking van de bereden Sarmatische boogschutters. Vredesonderhandelingen leidden tot niets en pas toen de Romeinen voor de poorten van Sarmizegethusa een overwinning behaalden, gaf Decebalus zich onvoorwaardelijk over. Hem werden voorwaarden opgelegd die van hem een onderworpen koning in een federatie met Rome maakten.
Toen de Romeinen zich echter eenmaal hadden teruggetrokken, werd spoedig duidelijk dat hij niet van zins was zich aan de hem opgelegde voorwaarden te houden en dat hij wederom met zijn buren tegen Rome aan het intrigeren was. Daarom besloot Trajanus in 104 n.C. Decebalus af te zetten en van DaciŽ een Romeinse provincie te maken. Hierna handelde hij tegen het voorschrift van Augustus in, dat geen provincies meer aan het Rijk moesten worden toegevoegd, maar Trajanus was duidelijk van mening dat de van Decebalus' uitgaande bedreiging zijn gedragslijn rechtvaardigde. Voor de tweede Dacische oorlog werden er zelfs nog meer troepen bijeengebracht.
In 106 n.C. in het beslissende gevecht werden de DaciŽrs hopeloos verslagen, maar Decebalus ontsnapte. Hij werd in een hoek gedreven en pleegde zelfmoord.
Van beide Dacische oorlogen komen op de ReliŽfs van de Zuil van Trajanus afbeeldingen voor, die de schaarse literaire verslaggeving aanvullen.

©Ivan moerman

Terug naar Rome

Terug naar Tabellen

Click to Print This Page