De Romeinse Economie

Meer romeinse munten

Romeinse munten

 

Sedert onheuglijke tijden werd Rome overspoeld door een grote massa mensen zonder geld en zonder werk. Met de opeenvolgende oorlogen en veroveringen waren steeds meer mensen van het platteland en uit de provincies naar Rome getrokken in de hoop daar werkt te vinden, maar het stedelijk proletariaat was er alleen maar groter door geworden. Het was een werkeloze massa die men moest bezighouden om oproer en revoluties te voorkomen, vandaar de beruchte “panem et circenses” (brood en spelen). Bovendien betekende deze volksklasse een zware last voor de staatkas. De rest van de Romeinse bevolking was ingedeeld in vermogensklassen. Naast de kleine lieden met beperkte bezittingen, was er de ridderstand waarvan de leden een fortuin van minstens 400.000 sestertiŽn bezaten; bovendien hadden ze de militaire bevelvoering en verschillende burgerlijke functies in handen. Ze waren werkzaam in de handel en het bankwezen en gaven schenkingen aan de staat. Daarenboven konden ze rekenen op de steun van Augustus, want ze waren betrouwbaarder en toegewijder dan de senatoren. Naarmate hun fortuin aangroeide, konden ze opgenomen worden op de senatorenlijst. Op lange termijn was de senaat samengesteld met vertrouwelingen van de keizer. Om deel uit te maken van de senatorenorde moest men een vermogen bezitten van minimum 1.000.000 sestertiŽn. Gewoonlijk waren de senatoren rijke grootgrondbezitters wier bezittingen zich zowel uitstrekten in ItaliŽ als in de provincies. Ze bekleedden hoge civiele en militair ambten, maar bezaten niet zoveel verantwoordelijkheid. En dan was er ook nog een groot aantal slaven wier politieke invloed voortdurend zou toenemen, want talrijke keizers deden een beroep op slaven of vrijgestelden om hen te adviseren bij het staatsbestuur. Na de mislukt revolte van Spartacus hadden de slaven zich weliswaar teruggetrokken maar toch waren er velen die zich vrijkochten en zich bezighielden met winstgevende zaakjes. Vanuit economisch standpunt dacht Rome er enkel aan zichzelf te verrijken ten koste van de provincies; de bezittingen van het keizerrijk werden naar de stad getrokken. Omdat de behoeften van Rome nu eenmaal tamelijk omvangrijk waren, werd alles door geconcentreerd. Aldus maakten de leden van de ridderstand vaak op schandelijke wijze fortuin op de nek van de provincies, die meestal weinig konden inbrengen tegen deze aderlatingen. SiciliŽ- ooit de graanschuur van ItaliŽ- bezweek op het einde van de republiek ten gevolge van de plunderingen die een aantal louche proconsuls er lieten uitvoeren. Anderzijds mogen we niet vergeten dat het slavendom de economische ontwikkeling afremde. Zolang men slaven bezat, volstond het om hun aantal op te drijven om de productie te verhogen; modernisering van de technieken was bijgevolg niet nodig. De grootste slachtoffers van deze concurrentie van goedkope werkkrachten waren de Italiaanse boeren, die machteloos stonden ten opzichte van de grootgrondbezitters. Hun terreinen groeiden voortdurend aan naarmate de landbouwers hun miserabele levensomstandigheden ontvluchtten. De meer lucratieve landbouwtakken waren de wijnbouw, de veeteelt en de verbouw van olijfbomen. Graangewassen werden voorbehouden voor de provincies. Ten tijde van Caesar en Augustus waren het voornamelijk de Romeinse legioensoldaten die profiteerden van de vaak geamendeerde, gewijzigde en verbeterde landbouwwetten van de Gracchen. Bij wijze van beloning ontvingen ze van hun krijgsoversten gronden, afgenomen van de lokale bevolking. Ten tijde van Augustus moesten ze zich evenwel buiten ItaliŽ vestigen. Onder Antonius  werd Vergilius, die in de streek van Mantua leefde, het slachtoffer van deze grondenverdeling. De neerslag daarvan vinden we in de prachtige eerste herderszang: “Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi” “Tityrus, gelegen onder een dichtbegroeide beukelaar”. Rome moest dus buiten ItaliŽ gaan zoeken naar voldoende voedsel voor zijn immense bevolking. Nochtans stimuleerde Augustus de terugkeer naar de gronden, terwijl Vergilius in zijn “Georgica” (het landleven) de deugden van de landbouw prijst. Augustus slaagde er in de staatsfinanciŽn te verbeten dank zij een betere belastingheffing en door een einde te stellen aan het machtsmisbruik van de proconsuls. Hert nieuwe vestuur dat hij had geÔnstalleerd vormde de aanzet tot de ontwikkeling van de provincies en de oprichting van een nieuwe economische orden. Dank zij de “Pax Romana” maar ook dank zij de reusachtige behoeften van de stad Rome, zou de handel zich op spectaculaire wijze uitbreiden. Daarbij speelden niet alleen de zeeroutes en heirbanen naar de Eeuwige Stad een rol, maar eveneens de provincies onderling. Vrijheid van verkeer, zowel voor mensen als voor goederen, een eenheidsmunt, steeds meer wegen, een dicht waterlopennet en tenslotte de Middellandse Zee- de verbinding tussen het Oosten en het Westen- zouden de binnenlandse handel en het ruilverkeer tussen de provincies uiteraard bevorderen. Anderzijds nam de internationale handel met het Verre Oosten en IndiŽ uitbreiding. Zowel op politiek als op economisch gebied was de eenheid van het Romeinse Keizerrijk een feit. Daarentegen was er weinig sprake van nijverheid: Rome bleef trouw aan het ambacht. Augustus is er beslist in geslaagd een nieuwe wereld op te richten. Deze begaafde organisator en bestuurder kon de explosieve toestand in het rijk bedwingen, terwijl het hem door zijn politiek en diplomatiek talent gelukte hervormingen door te voeren zonder opschudding te veroorzaken. De terugkeer naar het verleden, naar de voorouders en de republikeinse tradities was dan wel een echec, het strekt hem niettemin tot eer dat hij de Romeinse wereld tweehonderd jaar vrede bezorgde, een uitzonderlijk feit in de geschiedenis van de mensheid.

copyright Niels.w@skynet.be

 

Terug naar tabellen

Click to Print This Page