Absolutisme: Onbeperkte
macht in handen van de vorst
Actieve
handel: Vorm van handel waarbij de handelaar of
koopman persoonlijk de schepen en/of karavanen vergezelt
en zelf zijn waren op buitenlandse jaarmarkten koopt en
verkoopt
Aegyptus: Romeinse
provincie: Het huidige Egypte.
Aeschylus: Grieks
tragediescrijver.
Aflaat: Gedeeltelijke
of volledige vrijstelling van straf voor zonden die men
had gebiecht. Het verblijf in het vagevuur kon zo
ingekort of kwijtgescholden worden. De verkoop van
aflaten werd een belangrijke inkomstenbron voor de Kerk.
Aflaatbrief: Schriftelijk
bewijs van de Kerk dat een aflaat verleend is.
Africa: Romeinse
provincie: De huidige noordkust van Afrika+ Egypte
helemaal.
Alfabetisch
schrift: Een teken geeft één klank aan. De
Feniciërs vonden het oudste alfabet uit dat wij kennen
in de 12de eeuw voor christus. De Grieken namen dat ca.
1000 voor Christus over. Zij vervormden een paar letters
en kregen zo het eerste volledige alfabetische schrift.
Ambacht: Groepering
van stedelijke handwerkers uit eenzelfde bedrijfstak. Er
waren leerjongens, gezellen (geschoolde, volwaardige
ambachtslieden) en meesters. De meester was in veel
gevallen een kleine zelfstandige, met een eigen winkel,
terwijl de leerjongens en gezellen in loondienst waren.
Ambtsadel: Dienstadel,
niet addelijke en dikwijls onvrije personen die wegens
bewezen diensten in het bestuur door de vorst in de
adelstand waren opgenomen.
Antropocentrisch:
Gericht op de mens, waarbij dus de mens op de
voorgrond komt te staan.
Aphrodite: Godin
van de liefde.
Apsis: Halfronde
of veelhoekige overwelfde ruimte in een kerk, achter de
plaats van het altaar.
Arcade: Op
twee pijlers of zuilen rustende boog. Arcaden maken
dikwijls deel uit van een bogengaanderij.
Ariaan: Christen
met een afwijkende leer. De arianen ontkenden namelijk
het goddelijke karakter van Christus en werden daarom als
ketters beschouwd.
Aristocratie: De
voornaamste families van een land of stad; ook de
regering van de aanzienlijksten.
Archaïsche
periode: Periode in de beeldhouwkunst van de 7e tot
de 6e eeuw voor Christus in Griekenland: strakke houding,
symmetrie en gezichten met een onnatuurlijke glimlach.
Zie Korè en Kouros.
Ares: God van
de oorlog.
Aristophanes:
Grieks komedieschrijver.
Aristotoles: Grondlegger
van de natuurwetenschappen; deze griek probeerde als
eerste de natuur te ordenen. Gaf les aan Alexander de
Grote.
Athene: Godin
van de wijsheid.
Athene (2): Griekse
stadstaat, bekend om zijn verfijnde kunst, cultuur en
kennis.
Asclepius: God
van de geneeskunde.
Asia: Romeinse
Provincie: het huidige Turkije.
Astrolabium: Instrument
waarmee men de plaats van een hemellichaam kan bepalen
(vooral zijn hoogte boven de horizon)
Ballotagebordjes:
De juryleden in het gerechtshof gebruikten deze
bordjes waar 'schuldig' en 'niet schuldig' op stond.
Banvloek: Excommunicatie,
uitsluiting uit de christeljke gemeenschap.
Barbaren: Niet-Grieken.
Basileus: Hoofd
van de byzantijnse beschaving. Hoofd van regering en
kerk.
Beden: Hulpgelden
(zeg maar belastingen ) waar de vorst zijn onderdanen om
vroeg (bidden = vragen)
Beeldenstrijd:
Van 726 tot 843 tussen iconoclasten
(beeldenvernielers) en iconodoulen (beeldenvereerders) De
inzet wad de verering van iconen die door keizers
verboden werd. Ook de iconen zelf werden verboden. In 843
werden afbeeldingen weer toegestaan, mits zij werden
gebruikt als hulpmiddel om tot meditatie en gebed te
komen en dus niet op zichzelf aanbeden worden.
Begijn: Vrome
vrouw die in een gemeenschap zonder kloosterregel een
semi-religieus leven leidde. Begijnhoven ontstonden in de
12de eeuw en kenden een bloei in de 13de en 14de eeuw
vooral in de Nederlanden en en Duitsland.
Beotië: Streek
in oud-Griekenland met o.a de stad Corinthe.
Beul: Een
gemaskerde man die folteringen of onthoofdingen uitvoert.
Bevolkingsexplosie:
De in vergelijking met de voorgaande eeuwen
spectaculaire aangroei van de Europese bevolking in de
18de en 19de eeuw.
Bevolkingspatroon:
Demografisch patroon, het samenspel van
geboorteniveau en sterfteniveau of van nataliteit en
mortaliteit.
Bezant of
Byzant: Byzantijnse gouden munt (geldeenheid).
Werd in de oudheid heel verspreid aanvaard als
betaalmiddel. Zorgde mee voor de welvaart van de
Byzantijnse handel.
Boeddhisme: Leer
gepredikt door Boeddha (ca. 500 V.C) in Indië;
verspreiding in China vanaf de 2de eeuw.
Brittania: Romeinse
provincie: de huidige zuidkust van het schiereiland Groot
Brittanië.
Caesaropapisme:
Vereniging van de hoogste geestelijke en
wereldlijke macht in één persoon.
Cannulures: Verticale
schaduwgroeven in een zuil.
Canon: Een
verdrag opgesteld in de 5de eeuw voor Christus waarin de
regels stonden die alle Griekse kunstenaars moesten
volgen, om stijlbreuk in het Griekse landschap te
voorkomen.
Capitularia:
Rijkswetten door Karel De Grote uitgevaardigd. Ze waren
mooi in kapittels ingedeeld.
Carthago: Centrum
van het Carthaagse rijk aan de Noordkust van Afrika. Rome
bevocht (en won) Carthago in de 3 Punische oorlogen,
waarvan de 2de de hevigste was.
Celibaat: De
(voor geestelijken verplichte) ongehuwde staat.
Centralisatie:
Bestuurssysteem waarbij de mensen vanuit het
centrum werden bestuurd in plaats van, zoals vroeger,
door lokale gezagdragers (burchtheren) of regionale
gezagdragers (graven, hertogen) die in eigen genaam
optraden. Deze laatsten werden vervangen door ambtenaren
die hun gezag uitoefenden in naam van de centrale
(koninklijke) macht. Deze ambtenaren hadden slechts een
hele beperkte beslissingsvrijheid en waren voortdurend
aan hoger toezicht onderworpen.
Chorus: Acteurs
die zingen en dansen bij een toneelstuk. Fleurig gekleed
bij blijspel en somber gekleed bij tragedie. (Zie ook
koor voor Middeleeuwen)
Citer: Snaarinstrument.
Cijns: Vaste,
niet herzienbare grondrente of erfpacht.
Coalitie: Verbond
van staten tegen een gemeenschappelijke vijand.
Colosseum: Romeins
monument, ronde vorm, waarin grootse gevechten gehouden
werden ter vermaak van de bevolking.
Colonia Ulpia
Traiana: Romeinse naam voor het gehucht in
Duitsland dat nu Keulen noemt.
Commune: De
solidaire gemeenschap van stedelingen die streefden naar
onderlinge vrede en die elkaar hulp en bijstand
verleenden.
Conciliarisme:
Opvatting dat een algemeen concilie de hoogste
autoriteit in de Kerk is, waaraan ook de paus
gehoorzaamheid verschuldigd is.
Concilie: Vergadering
van hoge geestelijken waarin beslissingen worden genomen
betreffende de geloofsleer en de organisatie van de Kerk.
Concordaat: Overeenkomst
tussen de paus en een regering van een staat.
Contemplatie:
Innerlijke ervaring van Gods aanwezigheid.
Continentaal: Op
het land gericht.
Corinthe: Griekse
stadstaat gelegen bij de landengte(van Corinthe) die de
Pelopennesos verbind met het vasteland.
Corruptie: Machtsmisbruik
ten bate van persoonljke belangen.
Creta: Romeinse
provincie: het huidige Kreta.
Curia: Romeins
Senaatsgebouw.
Curia Regis /
Regeringsraad: De curia bestodn uit de hoogste
waardigheidsbekleders van het hof, uit hoge edelen (zoals
hertogen en graven) en uit bisschoppen en abten. Allen
waren leenmannen van de vorst. Als zodanig waren zij de
vorst niet alleen auxilium (hulp in oorlogstijd) maar ook
consilium (raad) verschuldigd. De bevoegdheid van de
curia was zeer uitgebreid. Zij beraadslaagde over
problemen van binnen- en buitenlandse aangelelegenheden.
Al was de vorst niet gebonden door de besluiten van de
curia, toch schikte hij er zich meestal naar. De curia
had ook een zeer uitgebreide rechterlijke macht ; zij was
het hoogste gerechtshof van het land.
Cyclopische muren:
Muren van zware steenblokken, zogezegd gebouwd door
reuzen met één oog (cyclopen).
Cyclisch
Tijdsbesef: Beleving van de tijd als een
cirkelvormig gebeuren , de opvatting dat alles zich
steeds opnieuw herhaalt.
Daedalus: Vader
van Icarus en ontwerper van het labyrinth in Knossos.
Daniël: Joodse
raadgever van koning Cyrus van Babylonië.
Danuvius: Latijn
voor de rivier de Donau.
Delisch-Attische
Zeebond: Vereniging van Griekse steden onder leiding
van Athene (Attica); de kas bevond zich oorspronkelijk in
het Apolloheiligdom op het eiland Delus.
Delphi: Stad
in het oude Griekenland waar het orakel van Apollo
gevestigd was.
Demeter: Godin
van de landbouw.
Democratie: De macht
van het volk. Heeft Athene als oorsprong.
Democritus: Grieks
natuurkundige, hij ontdekte dat alles onstond uit heel
kleine ondeelbare atomen...
Desacralitatie:
Ontdoen van het sacrale, van het heilige
karakter.
Dionysus:
God van de wijn: Bachus voor de Romeinen.
Djihad: Heilige
oorlog ter verspreiding en verdediging van de islam.
citaat: 'Met vuur en zwaard'.
Domein: Het
geheel van akkers, weilanden en woeste gronden (o.m
bossen en vijvers) waarop men rechten kan laten gelden of
dat iemand toebehoort.
Domesticeren: Tam
maken, als huisdier telen.
Dorische
bouwstijl: De oudste Griekse bouwstijl:
eenvoudig en koel, zuilen met ondiepe cannulures, een
eenvoudig kapiteel en als versiering Trigliefen en
Metopen+fronton. Voorbeeld: Het parthenon is Dorisch.
Drachme: Griekse
zilvermunt; het dagloon van een roeier bedroeg één
drachme.
Drieslagstelsel: Landbouwsysteem
waarin men de grond na twee jaar begruik een jaar braak
laat liggen om gronduitputting tegen te gaan.
Drogreden: Schijnreden.
Druïde: Keltische
priester.
Dubbele Bijl of
Labrys: Voor het slachten van offerdieren.
Eerste
nacht: Het recht van een heer om als iemand
trouwt van zijn domein de vrouw op te eisen voor een
eerste nacht met haar -in één bed wel te verstaan :-)-
Eforen: Vijf
opzichters in Sparta met de belangrijkste rechterlijke en
politieke macht. Zij werden voor één jaar door de
volksvergadering gekozen.
Enclosure: Lett.
Engels voor omheining; verdelen ,privatiseren en omheiden
van voorheen gemene gronden van de dorpsgemeenschap,
meestal met de bedoeling er schapeneiden van te maken.
Endemie: Ziekte
die geregeld in een bepaalde streek voorkomt; ziekte die
in een bevolking is genesteld en opflakkert wanneer de
weerstand vand ie bevolking is ondermijnd, bv. griep.
Endogamie: Trouwen
met iemand van zijn eigen stand, rang en geloof in zijn
eigen dorp of buurt.
Epidaurus: Griekse
stad waar het orakel van Asclepius gelegen was.
Euripides: Grieks
tragedieschrijver.
Export: Het
verkopen van inlandse goederen aan andere landen.
Exportnijverheid:
Nijverheid producerend voor de uitvoer.
Externe
Kolonisatie: Onder de ploag, in cultuur brengen
van gronden in gebied dat recent is veroverd en waardoor
de grens tussen natuur en cultuurlandschap opschuift, bv.
in Midden-Europa in de periode 1000 - 1300 of in de Far
West in de 19de eeuw.
Falanx: Slagorde van
voetvolk, bestaande uit hoplieten.
Feodaal
systeem: Economische, sociale en politieke
organistatie in agrarische samenlevingen , die gebaseerd
is op persoonlijke banden, waarbij grondgebied en macht
in ahnden zijn van een beperkte groep heren
(krijgers).Zij overheersen een massa boeren die de grond
bewerkt en parasiteren op hun werk.
Fiaal of
Fioel of Pinakel: (gotische bouwkunst) Slank,
spits toelopend siertorentje bv. als bekroning van een
steunbeer.
Fries: Doorlopende
versiering rond een kamer of gebouw.
Fronton: Driehoekig
gevelveld, meestal versierd met half-verheven
beeldhouwwerk. Is het dak van een tempel.
Furie: Woeste
razernij; geliefde tactiek bij de Galliërs.
Galei:
Mediterraan scheepstype ontwikkeld door Genuezen
en Venetianen, tot 60 meter lang en voorzien van
driehoekige zeilen en roeispanen, gebruikt voor de vaart
op de Middellandse Zee via de straat van Gibraltar naar
de Noordzz; kon 250 à 350 ton vervoeren met een 200 à
250-koppige bemanning; overzeese handel met
Noordwest-Europa werd althans voor luxegoederen
economisch verantwoord.
Gallia:
Romeinse provincie veroverd door (o.a) Julius
Caesar. : het huidige Frankrijk + België.
Gareel:
zie Haam.
Geboortebeperking:
Het bewust beperken van het geboortecijfer od de
natuurlijke vruchtbaarheid door onthaouding van seksuele
betrekkingen of door voorbehoudsmiddelen (condoom, pil)
die bevruchting bij het geslachtsverkeer moeten
voorkomen.
Geboorteoverschot:
Positief verschil, saldo tussen nataliteit en
mortaliteit m.a.w. het aantal van de geboorten in een
bepaalde periode waarmee het aantal van de sterfgevallen
wordt overtroffen.
Geestelijke:
Iemand die een kerkelijke wijding heeft gehad.
Geldadel: Groep
mensen die hun invloed te danken hebben aan geld.
Geldeconomie: Een
economie waarin men geld gebruikt als tussenmiddel bij de
uitwisseling van goederen (ruileconomie).
Gemeen: De
bredere bevolkingslagen in de middeleeuwse stad, de
lagere volksklassen waartoe vooral de ambachtslieden
behoorden.
Gemeente: Middeleeuwse
stad die via een charter of keure een atonoom centrum was
geworden.
Geografisch kader: Geheel van
aardrijkskundige factoren, zoals water, zee, bodem en
klimaat.
Gerousia: Raad
der ouden in Sparta. (30 mannen, 2 koningen)
Gestileerd: Met
eenvoudige, strakke lijnen weergegeven.
Gewelf: (Romaanse
en gotische bouwkunst). Overdekking van een ruimte met
een gebogen, uit stenen gevormd vlak.
Gezalfden: Koningen
die bij hun kroning gewijd en gezalfd werden met de
Heilige Olie. (bv. Clovis, Karel de Grote, de Franse
koningen...).
Gilde: De
vereniging van kooplui uit dezelfde stad
Godsvrede: De
voortdurende bescherming, onder bedreigin g met
kerkelijke straffen, van bepaalde categorieën mensen
zoals pelgrims, geesteljken,vrouwen en kooplieden maar
ook dieren en goederen. Het godsbestand, een soort van
wapenstilstand, kwam die veredesbeweging aanvullen. Het
godsbestand hield de verplichting in om vijandelijkheden
en het uitvechten van veten (vooral adellijke twisten) op
bepaalde dagen in de week en in bepaalde perioden van het
kerkelijk jaar te staken.
Graecia: Romeinse
provincie: het huidige Griekenland.
Grondwet of
constitutie: De wet waarin de grondbeginselen
van de regering ven een staat alsook de rechten en
verplichtingen van de onderdanen vervat zijn in de 13de
en velgende eeuwen zijn in vele landen aketen tot stand
gekomen waarin de vorst tegenover de vertegenwoordigers
van het land plechting de verbindtenis aanging in de
toekomst bepaalde misbruiken te zullen vermijden.
(bestraffing zonder regelmatig vonnis, willekeurige
arrestatie, wellekeurige belastingen, enz) bepaalde
vrijdheden van de inwoners te zullen eerbiedigen en zelfs
een bepaalde medezeggenschap in of controle op zijn
optreden en dat van zijn ambtenaren te zullen
aanvaarden.. Deze akten waren een soort van grondwetten
avant-la-lettere, d.w.z voordat het begrip 'grondwet'
bestond.
Haam of
Gareel: Leren of houten juk om de hals van
trekpaaren; platte band voor de borst van een trekdier;
paardentuig.
Hadj: Pijler
van de Islam godsdienst die zegt dat elke moslim minstens
1 keer in zijn leven een bedevaart naar Mekka moet
ondernemen.
Hallenkerk: (Romaanse
bouwkunst). Meerschepige kerk waarvan het middenschip en
de zijbeuken een ongeveer gelijke hoogte hebben en door
een gemeenschappelijk dak overdekt zijn.
Hallstatt: Kern
van de Keltische samenleving van 800-500 V.C
Hamilcar: Carthaags
veldheer, die om het Carthaagse rijk uit te breiden de
oostkust van Spanje veroverde; Daarbij hoorden vele goud-
en zilvermijnen.
Handelskapitalisme:
Economisch systeem waarbij de kooplui dankzij
hun kapitaal het productieproces controleren, grote
winsten maken in de internationeale handel en hun
kapitaal verder vergroten.
Hannibal: Carthaags
veldheer, die om de Romeinen te verslaan met olifanten de
alpen overstak (2de punische oorlog), een prestatie die
nu nog steeds wordt beschouwd als een van de moeilijkste
operaties ooit. Hij is de zoon van Hamilcar.
Hanze: Vereniging
van kooplui uit verschillende steden, opgericht met het
oog op onderlinge bescherming bij eht handel drijven in
één of meer buitenlandse gebieden. De Hanze der XVII
steden groepeerde steden uit Vlaanderen, Henegouwen,
Brabant en Artesië die handel dreven op de jaarmarkten
van Champagne; de Vlaamse Hanze van Londen groepeerde de
kooplui die handel dreven op Engeland en wol
importeerden; de Duitse Hanze groepeerde voornamelijk
kooplui uit bijna alles teden aan de Baltische Zee en
steden aan de Noordzee en beheerste de handel op die
zeeën.
Heerlijkheid:
Grondgebied waarvan alle inwoners, dus ook de
vrijen, onder het directe overheidsgezag stonden van de
heer der heerlijkheid. Hij oefende het overheidsgezag
(vooral bestuur en rechtspraak) uit in eigen naam. De
heerlijkheden ontstonden uit domeinen van
grootgrondbezitters die zich als lokale machtgebbers
opwierpen, het recht in eigen hand namen en zich bepaalde
koninklijke rechten onrechtmatig toeëigenden.
Hefaistos: God
van de smeedkunst.
Heiden: Niet-christen:
iemand die volgens middeleeuwse opvattingen niet in de
'ware God' gelooft en niet gedoopt is.
Helena: De
vrouw (een hele mooie vrouw) om wie de Trojaanse oorlog
draaide. Door Paris (Trojaan) geroofd van Menoloaus
(Griek).
Hellinisme: De
cultuur die ontstond door de verovering van het Oosten
door de Griekse wereld.
Heloten: Door
de Spartanen onderworpen bevolking, die als staatsslaven
de akkers van de Spartaanse beroepssoldaten bewerkten.
Helvetia: Romeinse
provincie: Het huidige Zwitserland.
Hercules: Halfgod,
beroemd in de oudheid. In een vlaag van waanzinnigheid
doodde hij zijn kinderen en werd door een koning bevolen
12 schijnbaar onmogelijke opdrachten te vervullen.
Hercules vervulde ze allemaal.
Hermes: Boodschapper
van de goden.
Herodotus: Grieks
geschiedschrijver.
Hidjra: Vlucht
van Mohammed van Mekka naar Medina. (beiden
Soaoudi-Arabië)
Himation: Griekse
mantel.
Hippodameia: Dochter
van Oinomaos, heerser van Elis.
Hispania: Romeinse
provincie: het huidige Spanje.
Hofmeier: Grootgrondbezitter,
de voornaamste adviseur van de koning, enigzins te
vergelijken met een eerste minister.
Hoofse
liefde: De liefdescultus aan de middeleeuwse
addelijke hoven.
Horige: Onvrije,
die gebonden was aan de grond die hij bewerkte, aan zijn
heer prestaties moest betalen en voor zijn heer karweien
moest verrichte, maar die persoonljke rechten (huwelijk
en gezin) en zakelijke rechten (eigen vermogen met
roerende en onroerende goederen ) had.
Hydra: Driekoppig,
draakachtig monster. Als je een van de koppen afhakte,
kwamen er drie andere in de plaats. Het monster werd
gedood door Hercules.
Hypothese: Een
veronderstelling die wetenschappelijk nog bewezen moet
worden.
Icarus: Zoon
van Daedalus. Volgens de legende wou hij samen met zijn
vader van Knossos naar het vasteland vliegen. Ze hadden
veren met was aan hun armen vastgemaakt. De vader bevool
hem niet te dicht bij de zon of het water te vliegen;
maar Icarus maakte zijn veren nat, ze werden zwaar, en
terwijl hij steeg deed de zon de was smelten. Hij stortte
neer.
Iconografie: Beeldbeschrijving
Ideografisch
schrift: Schrift met tekeningen, maar tekeningen
hebben meerdere betekeniseen bv een zon kan voor licht,
warmte of dag staan.
Imperialisme: Streven
naar een wereldheerschappij.
Import: Vanuit
een ander gebied als het moederland goederen uit het
buitenland aankopen.
Inheems: Van
eigen bodem.
Inpoldering: Het
inpolderen of bedijken, indijken; het ingepolderd of
gedijkt, ingedijkt gebied.
Interne
kolonisatie: Onder de ploeg, in cultuur brengen van
de gronden die binnen de West-Europese ruimte na de
oudheid, na de Germaanse migraties en na de vroege
middeleeuwen onontgonnen waren gebleven.
Investituur: Plechtelijke
bekleding met het wereldlijk ambt van graaf of hertog
(=de wereldlijk investituur met scepter), of met het
kerkelijk ambt van bisschop of abt (=geestelijke
investituur met staf en ring). In het systeem van de
rijkskerk ontvingen bisschoppen en abten de dubbele
investituur, waardoor ze tegelijk een kerkelijke en een
wereldlijke functie (bestuur van een vorstendom) hadden.
Ionische
bouwstijl: Griekse bouwstijl: Slank en sierlijk,
zuilen met diepe cannulures, spiraalkapiteel en als
versiering: doorlopende fries (beeldhouwwerk)+fronton.
Voorbeeld: Het Erechteum en de Nikè-tempel.
Italia: Romeinse
provincie: het huidige Italië. Het deel rond Rome (wijde
omgeving) noemde men Latium.
Jaarmarkt:
'Foor' ontmoeting van kooplieden op een welbepaalde
plaats, gedurende een welbepaalde periode en onder
speciale bescherming van de overheid (jaarmarktvrede).
Jacquerie:
Als eigennaam: de boerenopstand op het Noord-Franse
platteland in 1358, afgeleid van het Franse Jacques
Bonhomme, een denigrerende benaming voor de boer; als
soortnaam: elke boerenrevolte.
Jihad:
zie 'Djihad'.
Jupiter: Oppergod
bij de Romeinen, Zeus bij de Grieken.
Ka'aba:
Het heilige middelpunt van de islam in Mekka, waar de
Zwarte Steen wordt vereerd. Oorspronkelijk het eenvoudige
huis van Isma'il, zoon van Abraham.
Kadaster:
Een door de overheid bijgehouden register waarin alle
onroerende goederen goederen worden opgetekend. In het
kadaster van Willem de Veroveraar werden alle landerijen
beschreven en op hun waarde getaxeerd.
Kalligrafie:
Schoonschrijfkunst
Kapiteel: Steen
die de zuil bekroont; hierop rust een dwarsbalk.
Kardinaal: Titel
van de hoogste kerkelijke verantwoordelijken, die samen
de raad van de paus vormen.
Karweien: Herendiensten,
onvergoede diensten voor de grondheer.
Keerbordploeg: Een
ploeg die door middel van een gebogen stuk ijzer of hout
de grond omkeert.
Kerstening: Bekering
tot het christendom.
Ketter: Iemand
die door zijn geloofsgenoten wordt afgekeurd omwille van
zijn afwijkende ideeën.
Klassieke
oudheid: Griekse beeldhouwkunst (5e eeuw voor
Christus) met als kenmerken: weergave in rust of beweging
van ideale mensen, en er zijn geen gevoelens in de
gezichten. Beroemdste werk: Discuswerper van Myron.
Klooster: Plaats
waar monniken of nonnnen zich hebben teruggetrokken om
hun leven aan god te wijden.
Kloosterorde: Groep
van kloosters die volgens dezelfde kloosterregel leven.
Kluizenaar: Iemand
die zich van de wereld heeft afgezonderd om sober en
vroom te leven en boete te doen.
Koepelgraf: Een
stenen grafkamer met een bijenkorfvormig gewelf,
voorafgegaan door een smalle gang en met een aarden
heuvel bedekt.
Koor: ( chorus
in het latijn) Liturgisch gedeelde van een kerk, dat
bestemd is voor voorzangers en geestelijken, aan de
oostkant. Vaak staat het koor in verbinding met een
kooromgang.
Kolonie: Een nieuwe
nederzetting buiten het eigen grondgebied.
Korè: (beeldhouwwerk)
Een jong meisje, rechtopstaand en gekleed in een peplos
(mantel). De houding van de armen is los (Ionisch)
Kosmopolitisme: Geest
van openheid en gerichtheid op contacten met de hele
wereld
Kouros: (beeldhouwwerk)
Een naakte jongeman, rechtopstaand met gestrekte armen en
gebalde vuisten. De ene voet staat lichtjes voor de
andere. (Dorisch)
Kruisboog: Middeleeuws
wapen; werkt met pijlen. In tegenstelling tot een gewone
boog houdt men deze boog horizontaal en lanceert door de
snaar los te klikken een pijl met een hoge snelheid.
Kruisribgewelf: (
gotische bouwkunst ). Een gewelf bestaande uit een
zelfstandig geraamte ven in verband gemetselde ribben,
die elkaar kruiselings snijden. De driehoekige afdekkende
gewelfschilden konden zo in lichter materiaal uitgevoerd
worden.
Kwadrant: Instrument
waarmee men de plaats van een hemellichaam kan bepalen.
(Door de hoek te meten tussen het hemellichaam en een
ander voorwerp.
Laat: Gedeeltelijk
onvrije horige, afstammend van een vrije die zich
vrijwillig onvrij had gemaakt; enkel aan grond gebonden
(zakelijk) en niet aan de heer (persoonlijk).
Labrys: Zie
'Dubbele bijl'
Labyrinth: Doolhof
zoals bv. Labyrinth van Knossos uit de mythe van de
Minotaurus.
Laicisme= Het
streven om de invloed van de Kerk in het maatschappelijke
leven zoveel mogelijk te beperken. Op intellectueel vlak
betekent dit onder andere het afwijzen van de kerkelijke
leer als richtlijn voor het denken.
Laken: Geweven
wollen stof, waarvan de oppervlakte viltachtig is; bv.
een jas van fijn wollen laken. Vlaanderen was in de
middeleeuwen bekend om zijn laken. In de late
middeleeuwen begonnen de Engelsen (van wie ze hun wol
haalden) ook zelf laken te produceren: dat noemden men de
enclosure-beweging.
La Tène: Kern
van de Keltische samenleving (bloeiperiode) van 500-100
V.c
Latifundia: Grote
landerijen van grootgrondbezitters waar het land bewerkt
werd door slaven.
Latium: Rome
veroverde de gebieden rond hun stad rond 338V.C. Dit
gebied werd Latium genoemd.
Legisten: Universitair
geschoolde wetgeleerden die de Romeinse wetten (leges
(latijn)) kennen.
Lekeninvestuur:
Het uit de handen van een leek (bijvoorbeeld de
keizer) ontvangen van een kerkelijke ambt (bijvoorbeeld
dat van bisschop of abt). Dit kwam in feite neer op de
benoeming van geestelijken door leken.
Lepra: Ziekte
(ook melaatsheid genoemd) waardoor ledematen gruwelijk
verrotten en één voor één afvallen, met de dood tot
gevolg. Melaatsheid werd in de middeleeuwen als een straf
van God beschouwd. Een van de beroemdste pioniers op het
gebied van onderzoek en opvang van melaatsen ( leprosen)
was Pater Damiaan, een Belgische priester die begin de
20ste eeuw naar Molokaï trok om daar op dat eiland de
gedumpte melaatsen van de westerse wereld te verzorgen en
voor hen huizen en andere nutsvoorzieningen te voorzien.
Hij stierf zelf ook aan lepra op het eiland.
Leproos: Een
Melaatse.
Lichtbeuk: (Romaanse
en Gotische bouwkunst) De vensterzone in het bovenste
gedeelte van de hoofdbeuk van een kerk.
Lijfeigene: Volledig
onvrije horige, afstammend van slaven; gebonden zowel aan
de persoon van de heer als aan de heerlijke grond.
Linnen of
Lijnwaad: Uit vlasgaren vervaardigd weefsel dat
fijner en zachter aanvoelt dan laken; bv. een linnen
zakdoek, een linnen hemd.
Londinium: Latijns
voor het huidige Londen.
Luchtboog: (vooral
in de Gotische bouwkunst) Boog tussen buitenmuur en
steunbeer. Een luchtboog brengt een zijwaartse druk van
het gewelf over naar de steunbeer.
Lucy: Oudste
vrouw ter wereld, waarvan het skelet in Afrika gevonden
is. De naam heeft zij te danken aan het liedje 'Lucy in
the sky with diamonds' van The beatles, wat een grote hit
was in de jaren '60.
Lugdunum: Latijns
voor het huidige Lyon.
Lutetia: Latijns
voor Parijs.
Lysander: Admiraal
van Sparta. Verdiende faam in de Pelopponesische oorlog
tegen Athene die in 431 V.C begon.
Macedonia:
Het huidige Macedonië; Romeinse Provincie.
Magistraat: Iemand die
gedurende een bepaalde tijd een openbaar ambt (rechter,
priester, legeraanvoerder) bekleedt.
Mandaat:
(latij: mandatum, i) Bevel, opdracht.
Mandarijnen: Staatsambtenaren
in het keizerrijk China.
Manuscript: Met
de hand geschreven tekst; niet enkel godsdienstige
geschriften, maar ook heel wat werken van klassieke
auteurs werden op stevig perkament overgeschreven en
versierd met miniaturen(zie miniatuur).
Maritiem: Op
zee gericht.
Mare Nostrum:
(=onze zee) Zo noemden de Romeinen de
Middellandse zee nadat ze alle kusten ervan bemachtigd
hadden.
Meesterschap:
Graad van meester in ambacht, dat wil zeggen van
iemand die de meesterproef heeft afgelegd.
Megalieten: Rechtopstaande
steenblokken die alleen staan of waaruit grotere
constructies zijn opgetrokken.
Megaron: Oud -
Griekse woonkamer.
Migrant: Iemand
die migreert, die naar een andere streek of een ander
land verhuist.
Mihrab: Gebedsnis
in een moskee, die de richting van de Ka'aba in Mekka, en
dus van het gebed aangeeft.
Minaret: Toren
van een moskee. Vanop de minaret roep te moëddzin op tot
het gebed. (zie Salat).
Miniatuur: Schildering
of tekening in (perkamenten) handschriften.
Minotaurus: Volgens
een mythe een half-stier, half-mens die in het labyrinth
bij bij het paleis van Knossos leefde en waaraan elk jaar
de zeven mooiste meisjes en de zeven sterkste jongens van
Athene aan geofferd werden. Theseus maakte hier een einde
aan.
Moederstad: De
(polis) waaruit de (Griekse) kolonisten vertrokken.
Monachisme: Monnikenwezen.
(zie klooster en monnik).
Monnik: Geestelijke
die zich in een klooster aan God wijdt.
Monogamie: Huwelijk
van één man met één vrouw tegenover polygamie of een
huwelijk van één man met verscheidene vrouwen tegelijk
of omgekeerd.
Monotheïsme:
Een geloof waarin maar één god kan bestaan.
Mortaliteit: (latijn:
mors, mortis : dood) Sterftecijfer, sterfteniveau,
meestal uitgedrukt in procent (%).
Moskee:
Gebedshuis van de moslims.
Myron: De
beeldhouwer van de discuswerper. (beroemd klassiek beeld)
Myrtillos: Knecht
van Oinomaos, koning van Elis.
Mysteriegodsdienst:
Eredienst nauw verbonden met leven en dood.
Mystiek: Streven
naar persoonlijke vereniging met het goddelijke.
Mythe: Verhaal
waarin goden en de eerste mensen een hoofdrol spelen.
Nataliteit:
(latijn: nasci, nascor: geboren worden)
Geboortecijfer, geboorteniveau, meestal uitgedrukt in
procent (%).
Nero: Romeinse
keizer. Hij werd er van beschuldigd de grote brand van
Rome aangestoken te hebben. Hij werd vermoord. Hij was
nogal een tiran.
Nieuwe
menselijkheid: (ca. 1200) Opvatting dat de mens
uitdrukkelijk door God is gewild en geschapen naar Zijn
beeld en gelijkenis. Deze opvatting had rechtstreeks te
maken met het nieuwe godsbeeld de ongenaakbare God werd
vervangen door de liefdevolle Vader, die de mens in het
middelpunt van de schepping heeft geplaatst.
Oddyseus: Man
der duizend listen, afkomstig uit Ithaka. Hij bedacht de
list van het paard van Troje.
Oinomaios: Koning
van Elis, met als dochter Hippodameia.
Olympia: Heiligdom
(geen stad) in de Pelopponessos waar om de vier jaar de
Olympische spelen werden gehouden. In Olympia lag ook de
tempel van Zeus met het zeer grote beeld van de oppergod,
een van de zeven wereldwonderen.
Ondervoeding:
Onvoldoende voeding, niet zozeer een tekort, dan
wel een eenzijdige en eiwitarme voeding.
Onder voogdij: Iemand
anders regelt je rechten en plichten in jouw plaats.
Oosters schisma: Scheuring
binnen de christenheid tussen Rome en Byzantium. Hierdoor
ontstond de Grieks-orthodoxe kerk. Dit schisma werd pas
rond de jaren '60 opgeheven door de paus.
Orpheus: Een
mythische figuur die volgens de legende zo mooi met de
lier kon spelen dat alle mensen, alle dieren, zelfs dode
dingen zoals stenen luisterden naar zijn spel.
Orthodoxie: Letterlijk
de rechtzinnigheid; het streng vasthouden aan de kerkleer
als het enige en ware geloof.
Ostia: De
voorhaven van Rome; monding van de Tiber.
Ostraca: Als
de burgers een politicus niet meer zien zitten, krassen
ze zijn naam in een potscherf. Als er meer dan 6000
mensen dit stemmen, moet het slachtoffer voor 10 jaar
Athene verlaten.
Pacht:
Jaarlijkse rente, huurgeld voor het gebruik van
een stuk land.
Palestina:
Romeinse provincie: Ook nu nog het huidige
Palestina, dat gekenmerkt wordt door een voortdurende
golf van geweld..
Palè:
Grieks voor worstelen.
Panhelleens: Voor
alle Grieken.
Pantheon: Godensysteem.
Papyrus: Dik,
glad papier dat van riet wordt gemaakt en uit Egypte
komt.
Parthenon: Atheens
monument (tempel) gebouwd door Perikles op de Akropolis
met geld van de Delisch-Attische zeebond.
Passieve
handel of Residentiële handel: Handel waarbij
de kooplui niet meer meereizen met hun goederen, maar
vanuit hun residentie of verblijfplaats, bv Brugge in de
Late Middeleeuwen, de handel controleren; zij sluiten er
hun handelstransacties af en staan via een drukke
briefwisseling in contact met hun vertegenwoordigers
elders, die voor hen goederen kopen en verkopen; zij doen
hun betalingen met wisselbrieven.
Pater Familias: Hoofd
van een patricische familie.
Pathos: Beeldhouwkunst
waarin de gezichten van de afgebeelde figuren sterke
emoties vertonen.
Patriarch: Hoofd
van het patriarchaat (=verschillende aartsbisdommen)
Bijvoorbijl naast de Basileus in de Byzantijnse
beschaving hoofd v.d staatskerk. Hij benoemde de
Basileus.
Patriciaat: De
geldaristocratie in de middeleeuwse stad; de aanzienlijke
niet-adellijke geslachten die al vele generaties lang
belangrijke functies in het stadsbestuur vervullen.
Patricier-Patres: De
edellieden
Paus: Leider
van de Rooms-Katholieke kerk. Zetelt in het Vaticaan te
Rome.
Peloponnesische
oorlog: De oorlog tussen Sparta (En de
Peloponnesische Bond) en Athene( en de Delisch-Attische
Zeebond) (431-404 v.C)
Pelops: Erfde
de troon van Frygië van zijn vader Tantalos.
Peplos: Mantel
in het Grieks.
Perikles: Grieks
generaal die de opdracht gaf het Parthenon te bouwen met
het geld van de Delisch-Attische zeebond.
Perzische
oorlogen: Oorlog tussen Griekenland en Perzië.
Enkele hoogtepunten: Marathon (Atheense overwinning) en
Salamis (Atheense overwinning) Thermphylen (Spartaanse
nederlaag).
Pharos: Eiland
voor de kust van Alexandrië waarop de vuurtoren (één
van de zeven wereldwonderen) stond.
Phideas: De
man die het parthenon op de acropolis in Athene gebouwd
heefd in opdracht van Perikles.
Phillipus van
Macedonië: Vader van Alexander de Grote,
veroverde Griekenland en ontbond de Delisch-Attische
zeebond in Chaeronea 338 VC. Griekenland kreeg een vreemd
heerser.
Pictografisch
of Beeldschrift: Schrift met alleen tekeningen.
Tekeningen hadden maar één betekenis, dus geen
symbolische betekenis.
Plato: Grieks
filosoof.
Plautus: Romeinse
komedieschrijver. Onder hem kende de Romeinse komedie
(200 V. Christus) een korte maar intense bloeiperiode:
zijn stukken waren ontzettend populair en werden
eeuwenlang gespeeld. Samen met hem kende de Romeinse
tragedie ook een korte bloeiperiode in menig Romeinse
theaters.
Plebejer-Plebs: Het
gewone volk.
Pithagoras: Grieks
wiskundige.
Pnyx: Heuvel
waar de Volksvergadering bijeenkomt. Pas als er 6000
burgers zijn kan een wet worden aangenomen.
Polis: Een onafhankelijke
gemeenschap van overwegend landbouwers, die een klein
grondgebied bestrijkt met een stad als middelpunt.
Polytheïsme:
Een geloof waarin je meer dan één god kan
hebben.
Poorter: Oorspronkelijke
bewoner van een 'portus' , de handelsnederzetting van de
kooplui, in tegenstelling tot de burgers, de bewoners van
het gebied omheen de 'burgus', de burcht; stadsingezetene
die het poorterrecht bezit. Later werden poorter en
burger synoniemen, nl. bewoners van een middeleeuwse
stad.
Portus:
Nederzetting ontstaan uit een overnachtings- of
overwinteringsplaats naast een pre-stedelijke kern, zoals
een burcht, een bisschopstad of een versterkte abdij.
Potagie: (Franse
'potage') Sterk doorgekookt eten; groenten- of vleessoep
of groentenbrij.
Prima nocte: zie
'eerste nacht'.
Profaan: Niet
religieus.
Proletariër:
Iemand die niets anders heeft dan zijn kinderen.
Ptolemaeën: De
generaals van Alexander de Grote die na zijn dood het
stuk Egypte van zijn veroveringstocht kregen.
Pythia: De
waarzegster in het orakel van Apollo in Delphi. Apollo
'sprak' door haar mond een sterveling toe.
Rationalisme:
Denkrichting die meent dat men door het gebruik
van de ratio (= het verstand) tot kennis van de waarheid
kan komen, ook de religieuze waarheid.
Regalien:
Koninklijke rechten, meer bepaald de uitoefening
van bestuur en rechtspraak en de heffing van bepaalde
belastingen.
Rekenkamer:
College belast met het toezicht op de inkomsten
en uitgaven van de staat.
Relatieve
overbevolking: Toestand waarin de bevolking
groeit voorbij de bestaansmiddelen en de landbouw- en
voedselproductie de bevolkingsgroei niet kan bijhouden.
Relikwie: Door
gelovigen vereerd overblijfsel van een heilige of een
voorwerp dat met Christus of een heilige in aanraking is
geweest.
Renaissance: Letterlijk:
'wedergeboorte'. Renaissance (hoofdletter !) slaat op de
14de tot de 16de eeuw een periode in de
cultuurgeschiedenis waarin werd teruggegrepen naar de
kunstvormen en opvattingen van de Grieks-Romeinse
beschaving. Het begrip renaissance wordt ook toegepast op
vroegere perioden die gekenmerkt worden door een
culturele heropleving, bijvoorbeeld de Karolingische
renaissance en de renaissance van de 12de eeuw.
Rendement: Productiviteit;
in de middeleeuwen bv: de landbouwopbrengst per hectare
(ha).
Republiek: Bestuursvorm:
Res Publica: Zaak van het volk. Gehanteerd door de
Romeinen na verdrijving van De Etruskische koningen.
Rhenus: Romeins
voor de rivier 'de Rijn'.
Rhodanus: Latijns
voor de Rhône.
Rijksgroten: Degenen
die een hoog ambt bekleedden. Tot de geestelijke
rijksgroten behoorden de bisschoppen en de abten; tot de
wereldlijke rijksgroten behoorden de hertogen en de
graven.
Riten: Symbolische
handelingen om contact te leggen tussen het menselijke en
het goddelijke.
Romanisering:
Overname van de Romeinse cultuur door
niet-Romeinen.
Rome: Centrum
van het Romeinse rijk aan de rivier de Tiber. Ook Roma
in het latijns.
Romulus en
Remus: Tweelingbroers in de legende van het
ontstaan van Rome. Romulus werd gedood door Remus in een
twist.
Ruraal: Landelijk,
plattelands, met betrekking tot het platteland.
Sacrament:
Symbolische handeling waarin een gelovige, door
bemiddeling van een priester, de zegen van God krijgt.
Salat:
Een pijler van de Islam-godsdienst die zegt dat
moslims 5 maal per dag naar Mekka gericht hun gebeden
moeten opzeggen.
Saum:
Pijler van de Islam die zegt dat de moslims
moeten vasten in de negende maand. Dit noemen we de
'ramadan'. Ze mogen niets eten totdat ze een witte draad
van een zwarte niet meer kunnen onderscheiden. 's Nachts
mag er gegeten worden, maar overdag niet.
Schachtgraf: Graf
waarvoor een smalle schacht in de grond gegraven is.
Schatting: Belasting
door een veroveraar opgelegd.
Schiereiland: Langs
verschillende zijden door zeeën omgeven.
Schuldslavernij: Slavernij waarin
de ontlener terecht kwam wanneer hij de schulden,
waarvoor hij zichzelf en/of zijn gezin in pand had
gegeven, niet kon terugbetalen.
Scholasticus:
Letterlijk schoolmeester; beoefenaar van de
scholastiek, een methode om op een systematische (vandaar
schoolse) wijze de leer van Aristoteles in
overeenstemming te brengen met het christelijk geloof.
Senaat: De
Eerste Kamer.
Senaat-Senex: (Oude
man): De raad van oudsten.
Seluciden: Bevolking
van Syrië na de dood van Alexander de Grote.
Shahada: Geloofsverklaring
in de Islam: 'Er is geen god buiten Allah en Mohammed is
zijn profeet'.
Sicilia: Romeinse
provincie: het huidige Sicilië.
Sjiieten: (lees:
sji - ieten) Aanhangers van de sji'a,
'partij' van Ali, de neef en schoonzoon van de profeet
(Mohammed) en in hun ogen zijn rechtmatige opvolger. Hun
weigering om de drie kaliefen en de Omajjaden en
Abbasieden als opvolgers van de profeet te erkennen,
leidde tot een scheuring. Zij werden dan ook vervolgd.
Skeletbouw: In
tegenstelling tot massieve bouw (vgl. de Romaanse
kerken). Constructiesysteem waarbij de dragende functie
van de muren wordt overgenomen door een raamwerk van
stijlen en balken. Skeletbouw is in de hedendaagse
architectuur gebruikelijk (bv. in de hoogbouw). In de
gotische bouwkunst draagt dat skelet de last; zo konden
de muren opengewerkt worden voor grote ramen in
glas-in-lood.
Socrates: Grieks
filosoof.
Soennieten: (lees
soe - oe - n - nieten)
Meerderheidsbeweging in de islam. De soennieten volgen
naast de koran ook de 'soenna' , de levenswijze
van de profeet Mohammed. Zij erkennen de eerste drie
kaliefen van Medina en later de Omajjaden en de
Abbasieden als leiders.
Solidariteit: Bereidheid
tot samenwerking.
Sophocles: Grieks
tragedieschrijver.
Sparta: Griekse
stadstaat die bekend stond om zijn gedisciplineerd leger
en zijn strenge opvoeding.
Stand: Een
groep in de maatschappij waarvan leden door geboorte,
beroep of bezit dezelfde rang in de samenleving bekleden.
Stapelplaats:
Handelsplaats, in de vroege Middeleeuwen
havenplaats waar goederen werden heengevoerd en
opgeslagen voor verder vervoer.
Staten-Generaal:
In Frankrijk tijden het Ancien Régime de naam
van de gezamenlijke vergadering van de vertegenwoordigers
van de Kerk, de adel en de steden (de drie standen). De
Staten-Generaal werden in 1302 voor het eerst
bijeengeroepen door koning Filips IV (de vierde) de
Schone.
Statussymbool: Teken
van aanzien.
Steunbeer: (vooral
in de gotische bouwkunst). Een uitsrpingende
schraagpijler die de over de luchtboog geleide,
zijwaartse druk van het gewelf opvangt.
Straalkapel: (Romaanse
en gotische bouwkunst). Kapel die uitkomt op een
kooromgang.
Tantalus: Hakte
volgens de legende zijn zoon in kleine stukjes en offerde
dit aan de goden.
Termen: Openbare
baden.
Tetis: Moeder
van Achilleus.
Thalassocratie: Een
heerschappij die op zeemacht berust.
Thebe: Griekse
stadstaat in Beotië.
Themistocles:
Belangrijk Atheens generaal tijdens de Perzische
oorlogen. Bouwde de beroemde lange muren langs de weg van
Athene naar Piraeus en de nieuwe havens.
Theocratie: (Grieks
Krateo: heersen). Staatsvorm waarin alle gezag regelrecht
van God afgeleid wordt en door geestelijke gezagdragers
uitgeoefend of gecontroleerd; het streven van de
Middeleeuwse pausen sinds Gregorius VII (de zevende)
(1073 - 1085) naar een overkoepelend gezag over heel de
Latijns-christelijke gemeenschap van volkeren. in
Byzantium (later Constantinopel) werd de basileus
beschouwd als de plaatsvervanger van God op aarde en als
dusdanig gewijd.
Theologie: Godgeleerdheid,
wetenschap die zich bezighoudt met de kennis van God en
de christelijke godsdienst en hiervoor steunt op de
bijbel.
Tiend(e)(n): Belasting,
meestal 1/10 van de veldgewassen, vruchten of de jongen
van dieren (blatende of krijtende tiend), dat men aan de
Kerk moet afstaan voor het onderhoud van de plaatselijke
pastoor en van de kerkgebouwen alsook ter ondersteuning
van de armen.
Timpaan: Een
halfcirkelvormig vlak boven een toegangspoort, met
belangrijk beeldhouwwerk als decoratie.
Tribune: Boven
een zijbeuk aangebrachte gaanderij, van de middenbeuk
afgescheiden door arcaden.
Thucydides: Grieks
geschiedschrijver.
Tiber: De
rivier die dwars door Rome stroomt en uitmond in de
Middelandse zee. In het latijn Tiberis genaamd.
Tiran: Alleenheerser
die aan de macht kwam door het bestaande aristocratische
gezag omver te werpen.
Tol: Belasting
voor het gebruik van openbare landwegen, waterwegen, enz.
Transept:
Dwarsschip dat het langwerpige deel van de kerk snijdt en
de beuk van het koor scheidt. De kruising of viering
bevindt zich op het snijpunt van het middenschip en het
transept is meestal bekroond met een vieringtoren of
-koepel.
Triforium: (gotische
bouwkunst:). Een smalle, in de muur uitgespaarde loopgang
onder de ramen van de middenbeuk en door boogopeningen
zichtbaar van het schip uit. Een triforium is een element
in de wandgeleding.
Triumvaraat: Een
heerschappij waar 3 mensen regeren.
Troje of
Troia: Volgens de legenden werd deze stad door
de Grieken die hadden samengezweerd tegen de rover van
Helena (mooiste vrouw op aarde), Paris en die de stad 10
jaar belegerden tot Odysseus met de befaamde list van het
houten paard op de proppen kwam. Troje lag aan de
westkust van het huidige Turkije.
Tumulus: (Tumuli)
Aarden heuvel, waarin zich een graf bevindt.
Tweeslagstelsel:
Landbouwsysteem waarin men de grond om het jaar
braak laat liggen om de gronduitputting tegen te gaan.
Vagevuur:
Plaats waar de zielen door het vuur gezuiverd
worden van zonden waarvoor op aarde niet volledig boete
is gedaan.
Vetorecht: Het
recht om een beslissing door de ene consul van de andere
tegen te houden.
Vierendelen: Een
reeks pijnlijke folteringen uit de Middeleeuwen, meestal
met de dood tot gevolg.
Vorstendom: Met
het uiteenvallen van het Karolingische keizerrijk in
verschilllende koninkrijken voltrok zich ook in ieder van
die koninkrijken een territoriale verbrokkeling in
vorstendommen, d.w.z. gebieden die niet aan het gezag van
een hoger overheid onderworpen waren.
Vuistrecht: Wraakrecht,
recht van de sterkste, het recht om zichzelf genoeg
voldoening te verschaffen.
Wimbergen:
(in de gotische bouwkunst) Steile 'driehoeken'
boven portalen en ramen, doe de verticaliteit versterken.
Zij zijn meestal bekroond met een fiaal.
Zakat:
Pijler van de Islam die zegt dat elke Moslim de
moeite moet doen om almoezen te geven aan armen en
behoeftigen. Deze mogen wel niet de goedkoop zijn: 'Kies
om als aalmoes te geven niet dat wat waardeloos is'.
Zendgraven:
(lat: missi dominici ) Koningsboden; zij
waren de belangrijke tussenschakel tussen de kroon en de
plaatselijke besturen. De zendgraven reisden altijd met
twee: een geestelijke en een edelman.
Zeus: Oppergod
bij de Grieken: Jupiter voor de Romeinen