Willy
Berler - N° 1058 van het XX ste transport

Willy Berler
is op 11 april 1918 geboren in het Roemeense Czernowitz
in de Bukovina. Zijn vader is handelaar. Samen met de
oudere broer van Willy hebben ze een bloeiende handelszaak waardoor ze kunnen
gerekend worden bij de hogere middenklasse. In 1936 trekt Willy als lid van een
Zionistische jeugdorganisatie naar het Brits mandaatgebied Palestina waar hij
studeert aan een landbouwschool. Zijn ouders willen dat hij scheikunde studeert
en in 1938 komt hij als scheikundestudent in Luik terecht. Als de oorlog uitbreekt en België in 1940
bezet wordt door de nazi’s, probeert hij samen met twee vrienden via
Zuid-Frankrijk terug Roemenië te bereiken. Dat lukt niet en hij keert naar Luik
terug. Om zijn studies te bekostigen geeft Berler
bijles Duits aan Pierre Ernens, een vertegenwoordiger
van de champagnefirma Lanson. Hij wordt verklikt door
Ernens. Die heeft banden met zowel het verzet als met
de Luikse SS , waaraan hij heel veel champagne kan slijten. Willy Berler had veel vertrouwen in Ernens
want via hem heeft hij een vals Zwitsers paspoort kunnen bemachtigen. Maar om
de verdenking van medewerking met het verzet af te wenden, verklikt Ernens Berler aan de SS.
“Ik word op 1 april 1943 gevangen
genomen in Luik en wordt er opgesloten in de citadel. Op 17 april zijn we
klaarblijkelijk met genoeg Joodse gevangenen en we worden op transport gesteld
naar de Mechelse Dossinkazerne.
Het is hier dat ik werkelijk de schok aanvoel van mijn arrestatie. In de
citadel werd ik goed behandeld maar nooit geslagen. Het verzamelkamp in
Mechelen is een wereld van verschil. De bewakers zijn SS-ers
gewapend met zwepen. De kampoverste houdt er de orde in met een “matraque” en is zelf Jood. Het is Dagobert
Mayer, een gewezen Oostenrijkse operazanger. Ik heb weinig tijd om mij veel
vragen te stellen want mijn verblijf eindigt na 48 uur. Ik krijg de gelegenheid
mijn uurwerk en mijn valies terug te sturen naar Luik. Dan volgen de
gebeurtenissen elkaar zeer vlug op. Ikzelf en Michel Zechel,
tandarts en mijn medegevangene uit Luik, wij worden op het laatste nippertje op
de transportlijst van het XX ste transport geplaatst.
Ik krijg het nummer 1058 toegekend.”
“Op 19 april 1943 worden we in
beestenwagens geduwd en verlaten we Mechelen richting Oost Europa. Er zijn twee
jonge Joden in mijn wagon (één van hen noemt zich Friedel).
Ze zijn ontsnapt tijdens een vorig transport maar werden terug gevangen
genomen. Die twee zijn de enigen die echt weten waar we naartoe gaan. Reeds van
bij het begin hebben zij beslist om terug te vluchten uit de trein. Tamelijk
vlug slagen zij erin het luchtrooster te verwijderen. Plots stopt de trein in
het midden van de natuur en we horen geweerschoten.”
“Natuurlijk weet ik op dat moment
niet wat er juist gebeurt. De aanvallers zijn niet tot aan onze wagon geraakt.
We beginnen terug aan onze ontsnappingspoging. We moeten te koste van alles
springen uit de wagon terwijl het transport nog op Belgisch grondgebied rijdt.
Vlug, met vijf of zes spreken we af in welke volgorde we gaan springen. We zijn
overeengekomen dat ik als laatste aan de beurt zal komen. Ik kijk hoe de jongen
voor mij verdwijnt in het verluchtingsluik en ik bereid me voor om hetzelfde te
doen. Op het moment dat ik me wil laten vallen krijg ik een afschuwelijk
tafereel te zien. De jongen voor mij heeft zijn sprong gemist en is blijven
haken aan de trein. Zijn hoofd is terecht gekomen tussen twee schokbrekers en
is als een meloen uit elkaar gespat. Ik spring niet. Ik trek me terug en blijf
zitten in de wagon. Uiteindelijk zeg ik bij mezelf: ”We gaan naar een werkkamp
en ik ben jong en sterk.” Indien ik het honderdste, het duizendste geweten had
van de realiteit van Auschwitz, was ik zeker gesprongen, ondanks die levensgevaarlijke
sprong.”
Willy Berler
komt op 22 april 1943 aan in Auschwitz en wordt geselecteerd voor dwangarbeid.
Tijdens de twee jaar gevangenschap ontsnapt hij verschillende keren aan de
dood. Hij is ziek geweest, verzwakt, vernederd. Hij heeft honger geleden, hij
is geslagen, hij heeft andere gevangenen zien sterven in verschrikkelijke
omstandigheden. Van Auschwitz-Monowitz via Gross-Rosen tot Buchenwald, heeft Willy
Berler het ergste meegemaakt. Zijn jeugd en zijn
uitstekende conditie en gezondheid hebben hem gered uit de gaskamers en tijdens
de dodentocht. Ook zijn vriendschap met de tandarts Moïse
Zechel heeft hem verlost uit zijn lijden. Dankzij het
biljet van 100 USD dat verstopt zit in de anus van Moïse
Zechel kunnen ze samen in Buchenwald
van het “kleine kamp” naar het “grote kamp” verhuizen en zo een zekere dood
vermijden.
Op 11 april 1945, Berlers verjaardag, wordt Buchenwald
bevrijd door de Amerikanen. Hij is dan 27 jaar.

Bevrijding van Buchenwald (12 april 1945)
Willy Berler staat helemaal achteraan. (Archief: Willy Berler)

Willy Berler met zijn
echtgenote, 2002 (Archief :Marc Michiels)
Willy Berler keert na de oorlog terug naar België, samen met zijn broer die gevochten heeft in het Rode Leger. De ouders in Roemenië hebben dank zij omkoping van officiële overheden de oorlog kunnen overleven. De beide broers laten hun ouders over komen naar België.
Willy
Berler is gehuwd
in 1947 met Ruth Dickstein (verzetsnaam Renée Denies). Ruth werd als Joodse verzetsstrijdster
aangehouden in Nice en gedeporteerd met het 74ste transport vanuit Drancy. Zij overleeft het concentratiekamp Bergen-Belsen. Na de bevrijding is Willy Berler
een geslaagd zakenman geworden. Hij heeft vlak na de oorlog een bedrijf gehad
dat ritssluitingen produceerde en is daarmee schatrijk geworden. Ik heb Willy
en zijn vrouw Ruth persoonlijk ontmoet in hun villa in Watermael-Bosvoorde.
Het echtpaar heeft geen kinderen. Willy is overleden in 2008. Zijn vrouw Ruth
enkele jaren voordien.
Bronnen
Berler, W., Itinéraire
dans les Ténèbres, L’Harmattan,1999
https://www.google.be/#q=wollheim+memorial+berler
Interview 2002, Watermaal-Bosvoorde
Terug naar
pagina ‘portretten’