Simon Gronowski, advocaat - N° 1234 van het XX ste transport

 

 

 

Moeder Chana Kaplan met Simon en Ita Gronowski (Etterbeek, 1932).

 

In 1920 komt mijn vader naar België vanuit Polen. Hij heeft mijn moeder nagenoeg onmiddellijk laten overkomen uit Litouwen. Ze zijn getrouwd te Luik in 1923 en krijgen twee kinderen: mijn zuster Ita, geboren in 1924, en ikzelf, Simon, geboren in 1931.

 

Mijn ouders hebben zich gevestigd in Brussel. Ze kopenbouwgrond in Etterbeek en laten dan een huis bouwen. Mijn moeder houdt er een winkel in lederwaren op het gelijkvloers en mijn vader reist doorheen de provincie om als groothandelaar hetzelfde artikel aan de man te brengen. In 1941 studeert mijn zuster aan het Lyceum van Elsene. Ikzelf zit in het 5de leerjaar te Etterbeek. Ik ben bij de scouts. Wij zijn een zeer gelukkig gezin en altijd te samen.

 

 

image019

Simon met zijn ouders

(Louisalaan - Brussel 1942)

image021

Simon in 1942

In september 1942 zijn er vele razzia’s tegen de Joden en ook arrestaties. We zitten ondergedoken in een klein appartement te Sint-Lambrechts-Woluwe gelegen in de  Terkamerenstraat 326.

 

Het is de 17de maart 1943, om 9 uur ‘s morgens. We zitten aan het ontbijt. Mijn vader is niet aanwezig want gehospitaliseerd. Er wordt gebeld en twee Duitsers in burger van de Gestapo komen ons aanhouden. We krijgen even tijd om onze valiezen te maken. Mijn zus Ita neemt één of twee jurken uit de kast en de Duitse politieman zegt: “Nehmen Sie schöne Kleider, Fraulein.” En op dat ogenblik is er een zonnestraal. Mijn zus zegt tegen me: “Je ziet, Simon, de zon schijnt, maar niet voor ons.”

We worden naar de kelder van de Gestapo gebracht aan de Louisalaan. De volgende avond worden we met een 40 à 50 andere personen naar de Dossinkazerne gebracht te Mechelen.

 

Ik ontvang het nummer 1234 en mijn moeder het nummer 1233. Het blijken nummers te zijn voor onze deportatie. Ikzelf én mijn moeder zijn één maand geïnterneerd geweest in de Dossinkazerne. Daarna zijn we op transport gesteld. Mijn zuster, die op zestienjarige leeftijd voor de Belgische nationaliteit heeft gekozen, komt niet voor deportatie in aanmerking.

 

Vanaf de vroege ochtend wordt op 19 april 1943 stelselmatig het XXste Jodentransport samengesteld. In de namiddag wordt ik samen met mijn moeder opgesloten in een beestenwagon met een 50-tal andere personen. De trein vertrekt in de avond.

 

Ik ben 11 jaar. Ik weet op dat ogenblik niet dat ik ter dood veroordeeld ben en vervoerd wordt naar de plaats van mijn executie: Auschwitz.

 

Kort na het vertrek is de trein gestopt en heb ik geroep gehoord in het Duits en enkele schoten. Het is de aanval te Boortmeerbeek van drie jonge weerstanders: Livschitz, Franklemon en Maistriau die zeventien personen bevrijd hebben. Ikzelf ben ingeslapen in de armen van mijn moeder. Ze heeft mij gewekt. De schuifdeur staat open en enkele personen springen uit de trein.

 

Mijn moeder houdt me bij de hand en brengt me bij de geopende schuifdeur. Ze laat me van de wagon glijden tot ik mijn voeten kan plaatsen op de treeplank. Ik richt mij terug op. Met mijn linkerhand houd ik mij vast aan een verticale staaf; met mijn rechterhand houd ik me vast aan de plankenvloer van de wagon. Terwijl houdt mijn moeder me vast aan mijn kraag. Ik durf niet te springen. De trein gaat te vlug. Mijn moeder zegt me in het Jiddisch: “Der tsug geyt tsu schnell.”

 

Op een bepaald ogenblik vertraagt de trein en spring ik. Ik wacht op mijn moeder maar de trein stopt en ik hoor schoten met geroep in het Duits. Mijn eerste reflex is om terug te lopen naar mijn wagon om mijn moeder te vervoegen, ook om niet betrapt te worden door de Duitsers. Maar om dit te doen moet ik lopen naar die Duitsers die schietend op me af komen.

 

Plotseling ben ik naar links gegaan. Ik heb gedurende de hele nacht gelopen door een bos. Het heeft geregend. Ik zit vol slijk.

 

In de morgen ben ik in een klein dorpje aanbeland. Het is Berlingen, een gehucht van Borgloon. Ik heb gebeld aan een deur en wordt doorgestuurd naar de veldwachter van het dorp, Jules Van Hoenshoven. Die brengt me naar rijkswachter Jean Aerts.

 

Jean Aerts is naar het station gegaan en heeft daar vernomen dat er drie doden gevallen zijn langs de spoorlijn. Joden uit mijn wagon waarvan één jonge vrouw. Jean Aerts zegt me in het Frans: “Ik weet alles, jij zat op die Jodentrein, wij zijn goede Belgen, we zullen je niet verraden.”

 

Ik heb toen heel hard geweend en ben in zijn armen gevallen terwijl ik over mijn moeder heb gepraat. Jean Aerts heeft mij naar het station in Ordingen gebracht, kort bij St Truiden. Daar heb ik de trein genomen tot in het station van Schaarbeek. Dezelfde avond ben ik terug thuis.

 

Daarna ben ik ondergedoken bij verschillende Belgische families tot aan de bevrijding. Mijn moeder heb ik nooit meer teruggezien. Mijn zuster is gedeporteerd geworden op 20 september 1943 met het XXII B transport. Ik heb haar nooit meer weergezien. Mijn vader is van verdriet gestorven in juli 1945. Ik ben alleen achtergebleven.

image022

Simon in december 2001

“Op dit ogenblik ben ik vader én grootvader.”  (december 2001)

 

Simon Gronowski is advokaat en woont in Brussel.

 

 

 

toespraakiko

fotoiko

Toespraak in Hasselt

Condorcet-prijs

 

 

 

Terug naar pagina ‘portretten’