
“Mijn vader is vanuit Polen in België aangekomen in 1920. Hij heeft mijn moeder laten overkomen uit Litouwen. Ze zijn getrouwd te Luik in 1923. Ze hebben twee kinderen gehad, mijn zuster Ita, geboren in 1924, en ik, Simon, geboren in 1931.
Mijn ouders hebben zich gevestigd in Brussel. Ze kochten bouwgrond in Etterbeek en hebben dan een huis laten bouwen. Mijn moeder hield een winkel in lederwaren op het gelijkvloers en mijn vader reisde doorheen de provincie om als groothandelaar hetzelfde artikel aan de man te brengen. In 1941 studeerde mijn zuster aan het Lyceum van Elsene. Ikzelf zat in het 5de leerjaar te Etterbeek. Ik was bij de scouts. Wij waren gelukkig en tezamen.
|
Simon met zijn ouders (Louisalaan - Brussel 1942) |
Simon in 1942 |
In september 1942 waren er razzia’s tegen de joden en ook arrestaties. We zijn ondergedoken in een klein appartement te Sint-Lambrechts-Woluwe, Terkamerenstraat 326.
De 17de maart 1943, om 9 uur in de morgen. We zitten aan het ontbijt. Mijn vader is gehospitaliseerd. Er wordt gebeld en twee Duitsers in burger van de Gestapo hebben ons aangehouden. We worden naar de kelder van de Gestapo gebracht aan de Louisalaan. De volgende avond worden we met een 40 à 50 andere personen naar de Dossin-kazerne gebracht te Mechelen. |
Ik ontvang het nummer 1234 en mijn moeder het nummer 1233. Het blijken nummers te zijn voor onze deportatie. Ikzelf én mijn moeder zijn één maand geïnterneerd geweest in de Dossin-kazerne. Daarna zijn we op transport gesteld. Mijn zuster, die op zestienjarige leeftijd voor de Belgische nationaliteit had gekozen, komt niet voor deportatie in aanmerking.
Vanaf de vroege ochtend werd op 19 april 1943 stelselmatig het jodentransport samengesteld. In de namiddag werd ik samen met mijn moeder opgesloten in een beestenwagon met een 50-tal andere personen. De trein vertrok in de avond.
Ik was 11 en half jaar. Ik wist toen niet dat ik ter dood veroordeeld was en vervoerd zou worden naar de plaats van mijn executie: Auschwitz.
Kort na het vertrek is de trein gestopt en heb ik geroep gehoord in het Duits en enkele schoten. Het was de aanval te Boortmeerbeek van drie jonge weerstanders: Livschitz, Franklemon en Maistriau die zeventien personen bevrijd hebben. Ikzelf ben ingeslapen in de armen van mijn moeder. Ze heeft mij gewekt. De schuifdeur stond open en enkele personen sprongen van de trein.
Mijn moeder hield me bij de hand en bracht me bij de geopende schuifdeur. Ze liet me van de wagon glijden tot ik mijn voeten kon plaatsen op de treeplank. Ik richtte mij terug op. Met mijn linkerhand houd ik mij vast aan een verticale staaf; met mijn rechterhand houd ik me vast aan de plankenvloer van de wagon. Terwijl houdt mijn moeder me vast aan mijn kraag. Ik durf niet te springen. De trein gaat te vlug. Mijn moeder zegt me in het Jiddisch: “Der tsug geyt tsu schnell.”
Op een bepaald ogenblik vertraagt de trein en spring ik. Ik wacht op mijn moeder maar de trein stopt en ik hoor schoten met geroep in het Duits. Mijn eerste reflex is om terug te lopen naar mijn wagon om mijn moeder te vervoegen, ook om niet betrapt te worden door de Duitsers. Maar om dit te doen moest ik lopen naar die Duitsers die schoten.
Plotseling ben ik naar links gegaan. Ik heb gedurende de ganse nacht gelopen door een bos. Het had geregend. Ik zat vol slijk.
In de morgen ben ik in een klein dorpje aanbeland. Het was Berlingen, een gehucht van Borgloon. Ik heb gebeld aan een deur. Ik werd doorgestuurd naar de veldwachter van het dorp, Jules Van Hoenshoven. Die bracht me naar rijkswachter Jean Aerts.
Jean Aerts is naar het station gegaan en heeft daar vernomen dat er drie doden gevallen waren. Personen uit mijn wagon waarvan één jonge vrouw. Aerts heeft me in het Frans gezegd: “Ik weet alles, gij zat op de jodentrein, wij zijn goede Belgen, we zullen je niet verraden.”
Ik heb toen heel hard geweend en ben in zijn armen gevallen terwijl ik over mijn moeder heb gepraat. Jean Aerts heeft mij naar het station in Ordingen gebracht, kort bij St Truiden. Daar heb ik de trein genomen tot in het station van Schaarbeek. Dezelfde avond was ik terug thuis.
|
Daarna ben ik ondergedoken bij verschillende Belgische families tot aan de bevrijding. Mijn moeder heb ik nooit meer teruggezien. Mijn zuster is gedeporteerd geworden op 20 september 1943 met het XXII B transport. Ik heb haar nooit meer weergezien. Mijn vader, die gebroken was door verdriet, is gestorven in juli 1945. Ik ben alleen achtergebleven. 30 april 2000 |
Simon in december 2001 |
“Op dit ogenblik ben ik vader én grootvader.” (december 2001) |
Simon Gronowski is advokaat en woont in Brussel.
Terug naar pagina ‘portretten’