Jos
Janssens (Boortmeerbeek 9 november 1927)

“In het begin
van de oorlog was ik 13 jaar en half en moest ik gaan werken. Om zes uur stond
ik op en om zeven uur moest ik bij een boer in het gehucht Kampelaar zijn. Ik moest
werken in het witloof. Ik kreeg van de boerin eerst spek met een boterham. ’s
Middags, in de namiddag rond vier uur en ’s avonds rond zeven uur kreeg ik te
eten. Dat was toen voor mijn familie belangrijk want we konden nauwelijks
overleven. Mijn vader verdiende iets
meer dan 5 Frank (0,12 Euro) per uur. Een brood op de zwarte markt kostte toen
40 Frank (= 1 Euro) Je moest één dag werken om een brood te kunnen kopen .
In april 1943
was ik 15 jaar en half. Ik was berichtenbesteller bij de Belgische Spoorwegen
van 20 december 1941 tot eind 1944. Ik werkte in het station van Boortmeerbeek.
Nadien ben ik tijdelijk klerk geworden.
De eerste
transporten van vooral Joodse gedeporteerden gebeurden in
reizigerstreinen. Er waren toen drie
verschillende klassen. De luxueuze 1ste klassewagons met zachte
zitplaatsen tot de eenvoudige 3de klassewagons met harde houten
zittingen. Voor de Jodentransporten
werden treinwagons gebruikt van derde klasse. Elke wagon had verschillende
compartimenten. Elk compartiment had een deur. Je kon die deur openen van de
binnen- en de buitenkant. Binnen was dat een gewone grendel. Van buiten werd de
deur met een klep dichtgedaan omwille van de veiligheid. Door het schuifraam
naar beneden te duwen kon je die klep oplichten en kon de deur geopend worden.
Zo konden gedeporteerden makkelijk ontsnappen. Aan ieder rijtuig was voor- of
achteraan een overdekt remhokje dat links en rechts open was. Die remhokjes
waren er om de handrem te bedienen. Bij de Jodentransporten zaten op die plaats
Duitse schildwachten om het transport te bewaken. Die schildwachten zegden me
dat het begeleiden van die wagons een taak was waar ze niet naar uitkeken. Ze
zaten er in de wind en de kou met enkel een afdak boven hun hoofd. Die wagons
bestaan nog. Ze zijn te bezichtigen in het treinmuseum van Leuven.
In 1943 heeft
de Duitse overheid beslist om het transport niet meer te laten gebeuren met
reizigerswagons. Ondanks de bewaking steeg het aantal ontsnappingen uit de
trein. Er werden van dan af goederenwagons gebruikt (het XXste transport was
het eerste transport vanuit België met goederenwagons) . Op het einde van elke
goederentrein was er toen altijd een goederenpakwagen waar de “chef-garde” zat.
Daarin was verwarming voorzien. Er was een kachel geplaatst en in het station
werd daarvoor hout klaar gemaakt en een kolenbak gevuld met kolen. De Duitse bewakers konden zich daar
verwarmen. Vlak achter de locomotief was er een reizigerspakwagen die ook
verwarmd kon worden met de warmte uit de locomotief. Het XXste transport moet
ook zulke goederen – en reizigerspakwagen gehad hebben waar Duitse
schildwachten verbleven tijdens het transport.
Als
berichtenbesteller moesten wij telegrammen en ‘expressbrieven’ bestellen. Zo
reed ik ook dikwijls met de fiets langs het spoor tussen Hever en
Boortmeerbeek. Ik had een toelating om langs het spoor te rijden. De
gedeporteerden wierpen briefjes uit de wagons in de hoop dat ze hun
familieleden of vrienden nog konden informeren over hun vertrek. Ik weet nog
goed hoe we briefjes vonden tussen de sporen in het station maar ook langs de
spoorlijn waar veel huizen stonden. Daar was de kans groot dat ze gevonden
werden. De eerste briefjes die ik gevonden heb lagen in het station van
Boortmeerbeek. De stationschef van Boortmeerbeek, Alfons Van Look, had veel
schrik van de Duitsers. De eerste brieven heb ik aan hem moeten afgeven. Daarna
is het anders gelopen. De eerste twee brieven heb ik in de brievenbus gestoken
van de post in het dorp. Toen was de post gehuisvest in een huis gelegen tussen
het Brouwershuis en het hoekhuis waar nu de begrafenisondernemer Gooris woont.
De post was een gesloten huis. De postmeester was Florimond Guldentops. Ze
noemden hem toen “Flore Salle”. Die moet mij gezien hebben dat ik brieven van
gedeporteerden postte. Ik moest
regelmatig in de post om postzegels voor de spoorwegen of om de
afrekening binnen te brengen van de telefoon- en telegraafrekening. Florimond
sprak mij aan. “Als je nog zulke brieven hebt, geef ze dan aan mij.” Bij die
brieven zaten gefrankeerde maar ook ongefrankeerde brieven. Ik heb ongeveer
vijftien brieven aan de postmeester bezorgd. Ook werkmannen aan het spoor deden
dat. Er werd over die dingen niet gesproken uit vrees om moeilijkheden te
krijgen met de bezetter. In die tijd had iedereen schrik.

Jos Janssens na
de oorlog (september 1944)
En dan het
verhaal van de ontsnapping van Regine Krochmal. Ze denkt dat ze zich verstopt
heeft in de buurt van een klein stationnetje. Ik heb daar lang over nagedacht.
Ze heeft de trein horen remmen zegt ze. Vermoedelijk was het in de buurt van
overweg 15 dat Regine Krochmal uit de trein gesprongen is en zich verstopt
heeft in de nabijheid van het wegwachtershuis. Dat moet gestaan hebben waar nu
de glascontainers geplaatst zijn aan de groothandelszaak Derua (nu Delhaize).
De
wegwachterhuisjes van toen zijn allemaal afgebroken. Aan iedere overweg vroeger
stond er een wegwachterswoning. Elke overweg had een nummer. Om van
Boortmeerbeek naar Hever – Berg te rijden was er overweg nummer 13. Daar woonde
Perremans René. De overweg in Boortmeerbeek is overweg nr 14. Overweg 15 was de
overweg aan de dreef waar Regine
Krochmal zich volgens mij verstopt heeft. Waar de Wespelaarse baan dicht bij de
spoorlijn loopt was er ook een overweg. (nr 16). Daar waren geen slagbomen
en “zwart Lowieke” woonde er als
wegwachter. Die moet het XXste transport gezien hebben hoe het tot stilstand
werd gedwongen.

Jos Janssens is
gepensioneerd en woont nog steeds in Boortmeerbeek.
(Februari 2006)
Bron
Interview met Jos Janssens (februari 2006)
Terug naar pagina ‘Portretten’