Noé Nozice - N° 1551 van het XX ste transport

 

1
Noé Nozice

1.jpg

2.jpg

3.jpg

Gis Nozice

Marthe Lasar

Robert Nozice

 

 

N Nozice zal een belangrijke rol spelen in de deportatie van de Joden naar Auschwitz. Nozice , geboren in 1904, is een pelshandelaar van Poolse origine (Cieszy). Op 27 juli 1928 emigreert hij naar België. Op dat ogenblik verblijft zijn zuster Lotta al in ons land. Zij was samen met haar echtgenoot David Jutrzenka in september 1925 geëmigreerd vanuit Polen. In de loop der jaren zouden de broers Markus en Ignace en zijn zuster Mina ook naar België over komen. Wanneer de oorlog uitbreekt is hij een welgestelde bonthandelaar. Nozice is gehuwd met Marthe Lasar (XX/1552) en heeft twee kinderen: Gisèle (XX/1553) en Robert (XX/1554). De familie woont in Chenée vooraleer te verhuizen naar de Rue Neuvice nummer 27 in Luik. Voor 1940 is er geen spoor van enige activiteit die hij zou hebben ontplooid bij Joodse verenigingen in de Luikse regio. Dat hij op 22 december 1941 officieel aangesteld wordt als directielid van de “Vereeniging van Joden in België” (VJB , zie Archieven: Registratie Jodenraad)) én als verantwoordelijke van het plaatselijke comité in Luik is verrassend en heeft mogelijks te maken met het feit dat hij de schoonzoon is van David Lasar (Lazer). Deze is ondervoorzitter van de orthodoxe gemeente van Brussel en voorzitter van het centrale Israëlitische hulpfonds (OCIS -Oeuvre centrale israélite de secours).

 

De verhouding tussen Nozice en Kurt Asche van de Sicherheitsdienst en zaakgelastigde voor Joodse aangelegenheden in Brussel,  is gespannen. Op 22 september 1942 bv. worden Nozice en Benedictus (administrateur van het VJB) vijandig ontvangen op de Louizalaan door Kurt Asche. Aanleiding is het massaal onderduiken van de Joden en de VJB-tussenkomst bij koningin Elisabeth om Belgische Joden vrij te stellen van deportatie.

 

Nozice staat aan het hoofd van verschillende commissies en afdelingen binnen het VJB. Hij is o.m. tot december 1942 hoofd van de afdeling “bemiddelingen”. Naast tussenkomsten voor individuen houdt deze afdeling zich bezig met meer algemene onderhandelingen en met algemeen overleg met de bezettingsautoriteiten.  

 

Begin 1943 wordt de toestand kritiek. Leden van het VJB worden opgepakt tijdens razzia’s en naar Auschwitz gedeporteerd ook al was er de afspraak dat zij vrijgesteld zijn van deportatie. Nozice duikt onder. Samen met zijn vrouw, de twee kinderen en zijn schoonzuster wonen ze in een villa in Remouchamps. Op 13 april 1943 wordt Nozice Noé in Sprimont aangehouden onder de valse naam “NISET” en opgesloten in de gevangenis Saint Léonard. Daarna wordt hij overgebracht naar de citadel van Luik. Ook zijn vrouw, zijn zoon en dochter  worden twee dagen later ook aangehouden.  In dezelfde periode delen zes leden van het plaatselijk comité van Luik hetzelfde lot onder hen Erwin Koschminski, de directeur van de Joodse school. Het comité van Luik is dan volledig ontmanteld en zal niet meer vervangen worden.

 

Op 19 april 1943 wordt Noé Nozyce samen met zijn gezin weggevoerd met het XX ste Transport. Op 20 juli 1943 schrijft Nozice een brief aan zijn schoonvader David Lasar vanuit Monowitz, een nevenkamp van Auschwitz met de melding: “Ik ben goed aangekomen. De moraal en de gezondheid zijn excellent. Ik ben in goede gezondheid en ik werk“. De brief moet gezien worden in het kader van de “Briefaktion”. De SS had een operatie opgezet waarbij ze gedeporteerden vlak na hun aankomst brieven liet sturen naar het VJB  om de geruchten van massa-vernietiging tegen te gaan die vanaf eind 1942 de ronde deden in België.  Noé Nozice doorloopt opeenvolgend de kampen Auschwitz, Mittelbau-Dora, Fretheit-Osterode(een commando in Buchenwald) en Baubrigade in Neusoltstedt.

 

Hij wordt gerepatrieerd op 21 maart 1945 en is het enige lid van de familie dat uit Auschwitz terugkeert. Zijn zuster Mina Nozice wordt ook gedeporteerd met transport XVII en zal samen met haar echtgenoot Mayer Zygrajch Auschwitz niet overleven. Zoon Nathan (1934) die ondergedoken is, overleeft de nazi-vervolging wel.

 

Vlak na de oorlog worden de VJB-leiders verdacht van collaboratie met de vijand. Belastend voor Nozice is het mede ondertekenen van een oproep van 1 augustus 1942 van de VJB die bij de tewerkstellingsbevelen wordt gevoegd. Daarin wordt er bij de Joodse gemeenschap op aangedrongen gevolg te geven aan de oproep van de nazi’s. De slotalinea van deze oproep bevat een onverholen dreigement. “[…] het niet in acht nemen van het tewerkstellingsbevel kan leiden tot onaangename gevolgen, zowel voor de leden van uw familie als voor de gehele Joodse bevolking van het land”. Het plaatselijk bestuur van Luik stuurde op eigen initiatief een brief per post naar alle Joden die in aanmerking kwamen voor tewerkstelling. De betrokkenen werden daarin aangemaand zich binnen de 24 uur te melden op het kantoor van de VJB van Luik  om daar persoonlijk hun oproep voor Mechelen af te halen. (zie “De curatoren van het Getto” p. 257)

 

Het is verwonderlijk dat wanneer na de oorlog het gerechtelijk vooronderzoek aanvangt, Nozice met rust wordt gelaten. Hij is nochtans een heel actief lid geweest van het directiecomité door verschillende functies te cumuleren. Hij heeft zich zelfs kandidaat gesteld voor het voorzitterschap en is één van de ondertekenaars van de beruchte oproep van 1 augustus 1942. In juli 1949 verkrijgt Noé Nozice tot ieders verbazing het statuut van politieke gevangene op grond van zijn “vaderlandslievend” en “onbaatzuchtig” optreden.  

 

Bron:

Van Doorslaer ,R., Schreiber, J.P.,De curatoren van het getto. De vereniging van de joden in België tijdens de nazi-bezetting,Lannoo 2004, pagina 299.

Rozenblum, T., Une cité si ardente. Les juifs de Liège sous l’occupation (1940-1944), Luc Pire, 2009.

 

 

Terug naar pagina portretten