Treintraject
Transport XX – Proces verbaal
De Sipo-SD in België heeft
een zwaar probleem bij haar transporten naar Polen. Bij hun aankomst in
Auschwitz blijken er heel wat gedeporteerden te ontbreken. Hun collega’s in
Auschwitz kunnen dat vaststellen bij controle van de begeleidende
transportlijst. Bij de vier transporten vóór het XXste
is het aantal vluchters spectaculair gestegen, tot grote frustratie van de
verantwoordelijke SS -officieren in België. Daarom kiezen ze vanaf het XXste Transport voor het vervoer van de gevangenen in
veewagons, terwijl voordien treinstellen voor personenvervoer derde klasse zijn
gebruikt.

Derde klassewagon
Ondanks die voorzorgsmaatregelen breekt het XXste Transport alle records inzake het aantal ontsnapten
(236 gevangenen) en vooral ook inzake het aantal ontsnapten die niet meer
opnieuw kunnen worden opgepakt (120 gevangenen).
Transport XX laat een dodelijk spoor achter op het
treintraject
Leuven-Vertrijk-Roosbeek-Bost-Tienen-Halle-Booienhoven-Wilderen-Sint Truiden-Hoepertingen-Berlingen-Borgloon-Jesseren-Tongeren-Visé.

Treintraject Transport XX 1943
Op het traject tussen Leuven en Tongeren wordt het een
waar slagveld. Weggevoerden worden doodgeschoten in het station van Tienen. Zo
vindt men de zestienjarige Hélène Zylberszac, die
zonder familie op transport is gezet, dood terug tussen de sporen dicht bij de
remise van de locomotieven in de buurt van het station in Tienen. Ze wordt
begraven in Tienen. Na Tienen worden er steeds meer vluchtpogingen ondernomen.
Machinist Albert Dumon die
tussen Tienen en Tongeren de wagons sleept met twee locomotieven vertelt na de
oorlog:
‘Onderweg ontsnappen er voortdurend gevangenen. Ze
worden door de Duitse bewakingsescorte onder vuur genomen, vooral te Jesseren. Het is vollemaan. Als ik met mijn locomotief in
losse dienst uit Tongeren terugkeer, kan ik langs de sporen de lijken zien
liggen. De Duitse bewakingsescorte heeft geen grote moeite gehad om de
vluchters neer te schieten want het is die nacht zo helder als overdag.’
Tegen de ochtend van 20 april 1943 liggen vijfentwintig
lijken naast het treintraject. Deze mensen hebben hun vluchtpoging niet
overleefd. Ook in Korbeek-Lo
valt er een slachtoffer. Het archiefdocument is het Proces Verbaal dat de
stationschef van Korbeek-Lo opstelt naar aanleiding van de doortocht van
Transport XX in de nacht van 19 en 20 april 1943:

Proces
verbaal over <Transport XX door stationschef (27 april 1943)
“In de nacht 19 op 20/4, reed de speciale
trein Da.801 van Muizen naar Duitschland – richting
Muizen-Leuven-Tienen,… (lijn 36 naar Luik). Om 0.29 reed de trein te Korbeek Loo voorbij. Hij was samengesteld uit ongeveer 40
HF., en geladen met Joden. Na de doortocht van den trein werden zowat overal
lijken langs het spoor gevonden, o.m. te Korbeek-Loo,
waar een vrouwelijk werd aangetroffen in de omstandigheden zoals aangehaald in
bijgaande verklaringen.
Om onaangenaamheden
met de bezettende overheid te vermijden, bleef het onderzoek, ingesteld door
Chat. Korbeek-Loo, beperkt op een minimum. Het lijk
bleef onaangeroerd en werd diensvolgens niet
onderzocht. De ligging alsook de bloedvlekken in den omtrek doen besluiten dat
het lichaam verdragen werd en op die plaats werd neergelegd. Volgens Duitsche bedienden zouden verklaard hebben, hadden Joden de
wanden van de wagons doorgezaagd en hebben meerdere inzittenden onderweg de
vlucht genomen. Rijkswacht en parket werden op de hoogte gesteld.”

Station Korbeel-Lo
Fragmenten
uit de getuigenis van Louis Hamels (Herdenking Transport XX -Zondag 21 april
2013 -thema:” In het spoor van Transport XX na 70 jaar”)
“De
gebeurtenis die ik (Louis Hamels) heb ervaren in het oorlogsjaar van 1943
blijft steeds in mijn herinnering smeulend onblusbaar gebrand. Die dag op
negentien april begaf ik mij als zestienjarige vanuit de woning van mijn ouders
in de Dorpsstraat van Boutersem naar het station Vertrijk
om er de trein te nemen naar Tienen, waar ik de lessen volgde aan het
O.L.V.-College……”.
“Plotseling
hoorde ik mijn trein naderen in de verte en zette het op een lopen. Bij mijn
aankomst was de wachtzaal van het station reeds gesloten en ik rende langs de
zijuitgang naar het perron. Vlak voor mij stond er alleen
een locomotief zonder reizigerswagons. Tot mijn grote verbijstering bemerkte ik
op de voorboeg van de stoomketel een hoop op elkander gestapelde lichamen. Het
was een onbeschrijfelijk aangrijpend gezicht: een been stak bovenuit en een
hoofd stak of lag op de buitenkant. Een ijselijke en verlammende confrontatie
voor de schooljongen die ik was en die nog nooit een lijk had gezien. Ook de
anders zo statige en plechtige stationschef, de heer Deriddaux
stond er wezenloos naar te kijken en spoedde zich dan haastig naar zijn bureau.
Het volgend ogenblik werd ik door de machinist die van zijn machine was
geklommen toegesproken: "Gij moogt hier niet zijn," en naar buiten
geduwd. Daar bleef ik wachten tot de locomotief weer vertrok richting Tienen.
In die momenten werd ik overmand door woede en angst en schuldgevoelens. Die
mensen van die trein moesten allemaal dood, dat stond vast, en zouden nooit
meer terugkomen………”
“Er is ook het
verhaal van mijn tante: een oud, klein maar dapper vrouwke - weduwe
Hamels-Sempels - die een kilometer verder in Roosbeek woonde. Zij deed
diezelfde bewuste nacht haar deur open voor drie Joden die hadden aangeklopt.
Ze heeft ze verzorgd, eten gegeven en laten rusten en de volgende dag door haar
zonen naar het station laten brengen. Na de oorlog zijn dezelfde mannen hun
heldin komen bedanken met geschenken en toen ze een paar jaar later is
overleden, waren ze ook aanwezig op haar begrafenis.”