
Zie ook “Archieven”
Hena Wasyng immigreert samen met haar ouders in 1930 vanuit
Polen naar België. In 1932 huwt ze met Unyl Tzwern, een handelaar in lederwaren. Ze hebben twee
kinderen, Bernard (1934) en Maurice (1939).
“Mijn man wordt verraden door een
Joodse collaborateur van de Gestapo in Brussel “le
gros Jacques” en wordt gearresteerd in januari 1943. Tijdens zijn aanhouding
probeert mijn man te ontsnappen maar hij wordt neergeschoten door
Gestapoagenten. Ik heb hem bezocht in het Sint-Pietersziekenhuis toen hij al
stervende is. Hij overlijdt kort daarna op 18 januari 1943.
Vrienden hebben me gewaarschuwd:
“Vertrek, verberg u, de Duitsers weten dat u bestaat, ze zoeken uw kinderen die
al verborgen zijn! In Gent heb ik een dame, een klant van mijn man die ons
heeft gezegd: “Wanneer u ongelukken overkomen, dan kan u bij ons terecht, ik
zal u verbergen”. Ik heb er dus het volste vertrouwen in maar toen ik mij naar
Gent begeef, blijkt deze dame niet thuis te zijn. “Ze komt terug, binnen een
uurtje”, bezweert me een verkoopster. Ik blijf dus in een café in de buurt om
haar op te wachten. Als het uur voorbij is, ga ik terug. Nog is er niemand
thuis. Ik laat een boodschap achter dat ik binnen het uur nog eens zal
terugkomen. Om 17 uur, een nieuwe poging. “Ja, mevrouw is thuis, ze is boven”.
Ik wil naar boven gaan maar de geluiden doen me schrikken. Het zijn geen
stappen van een vrouw maar de laarzen van de Gestapo. Ik word opgepakt en
meegenomen naar de gevangenis van Gent op 12 februari 1943. Ik ben verraden
door die vrouw. Die wordt trouwens in 1945 opgesloten wegens collaboratie.
Zeven dagen later word ik meegenomen naar Mechelen, het transitkamp voor Joden
in België. Ik krijg er het transportnummer 736. Daar heeft men me lange tijd
ondervraagd. “Geef ons de adressen van uw medeplichtigen!!” Ik heb hen veel
adressen gegeven, adressen waarvan ik wist dat er niemand meer was, want de Gestapo
had zijn noodlottig werk al gedaan!
In werkelijkheid worden we in
Mechelen nog redelijk goed behandeld. Er is wel een commandant die ons
terroriseert met zijn hond. Maar we krijgen goed te eten, we hebben contact met
de buitenwereld en we denken dat we er langere tijd kunnen blijven. Onze hoop
is dat het kleine aantal arrestanten geen nieuw konvooi zal rechtvaardigen.
Ongelukkigerwijze heeft een vluchteling die is teruggekeerd van Polen ons
gewaarschuwd: “Jullie hebben geen enkele kans, ze zullen jullie meenemen naar
Auschwitz en niemand van jullie zal terugkeren.”
|
De avond van Pessach 1943, om 18u30, heeft men ons aan boord gebracht van het beroemde twintigste transport; uiteraard weten we nog niet dat het transport zou worden aangevallen door weerstanders. Desondanks zijn er onder ons, de jongsten, die in een atelier werktuigen hebben gemaakt, in zichzelf denkend “men weet nooit …” |
|
Het was Pessach,
we wenen, denkend aan onze kinderen. Een jonge kerel heeft zich aan het raam
gezet. Hij droomt weg om te ontsnappen. Hij kijkt naar buiten, zijn blik op oneindig,
op het moment dat de trein stopt, rond 21u30. We weten niet waar we zijn. We
weten niet wat er gebeurt. Geschreeuw, geduw, plotseling roept een jongeman aan
het raam: “Langs hier, langs hier!” en een jonge weerstander opent de deur van
onze wagon. Hij geeft ons geld en roept naar ons: “Red jullie”. Ik heb schrik,
durf niet te springen maar bedenk me: als ik nu niet spring, dan blijven mijn
kinderen helemaal alleen achter. De Duitsers beginnen te schieten, ik spring en
verberg me in een talud wanneer een man roept: “Blijf niet samen, wees stil en
verspreidt u!”.
Ik ben dus alleen vertrokken. Na
wat gewandeld te hebben, ontdek ik in de verte een stal waar ik gebleven ben,
zonder dat ik durf bewegen of iemand roepen. Om 5 uur ’s morgens ben ik beginnen
stappen. Van op een hoger gelegen plaats sprak een man me aan: “Vrees niet,
zegt hij, ik heb het rode licht daar niet geplaatst gisteravond, het is het
verzet geweest. Ik zal u niet verraden, volg deze weg en u zal bij een
tramhalte komen.” Meerdere vluchtelingen van het XXste
transport staan daar te wachten in dat kleine stationnetje, vlak bij Haacht. We durven niet naar mekaar te kijken, en zeker
mekaar niet aan te spreken. De jongeman die door het raam heeft gekeken in de
trein, heeft zich vermomd op z’n Vlaams. Later verneem ik dat hij zich heeft
laten doorgaan voor een Engelse parachutist. Ik ben teruggekeerd naar Brussel
en heb me kunnen verbergen dankzij een weerstandsnetwerk. In mijn schuilplaats
beloof ik mezelf dat ik niet meer buiten zal komen. Ik kan niet weerstaan aan
mijn drang om te gaan wandelen. Op een dag komt diegene die me heeft verborgen,
terug van de kerk. Hij weet niet dat ik Joods ben. Hij zegt me: “De pastoor
heeft ons gezegd: de oorlog, dat is de schuld van de Joden.” Ik moet veranderen
van schuilplaats.
Vandaag denk ik nog vaak terug aan
die gebeurtenissen. Ik denk aan hen die geen kans hebben gekregen om het XXste transport te ontvluchten. Ik denk vooral aan mijn
kinderen die ik heb kunnen redden.
|
Hena bij haar eerste huwelijk met Mr Unyl Tzwern |
Hena Wasyng en haar twee zoontjes hebben de oorlog overleefd. Zij is in 1946 hertrouwd met Benjamin Moszkowitz. Hena Wasyng is overleden op 28 november 1996. Haar kinderen, Maurice en Bernard Tzwern wonen nu in Brussel. |
Bron:
Getuigenis van Hena Wasyng op 15 februari 2002
Lewkowicz J.,
Revue Regards, Des témoins racontent. Avril 1981.
Terug naar pagina ‘portretten’