Toespraak van
minister-president Yves Leterme
op herdenking XXste
konvooi
op zondag 6 mei 2007
te Boortmeerbeek
Vandaag herdenken wij bij dit monument, dat twee jaar
geleden werd opgericht, een uitzonderlijke gebeurtenis van ‘lang geleden’. Maar
niet ‘lang geleden’ voor wie het hebben meegemaakt. En ook niet ‘lang geleden’
voor wie niet willen, niet kunnen en niet mogen vergeten. Er zijn trouwens
zaken die we moeten blijven herinneren. Soms ‘moeten’ we blijven herinneren,
omdat we niet ‘kunnen’ vergeten. Dan is herinneren ons ‘lot’. Soms moeten we
blijven herinneren, omdat we niet ‘mogen’ vergeten. Dan is herinneren onze
‘plicht’. “Er bestaat geen recht om te vergeten en om vergeten te worden”, zei
hier vorig jaar de heer Michel Laub. De blijvende herinnering aan de Holocaust
is zowel lot als plicht. Om het te zeggen met de woorden van Leo Baeck,
overlevende van de Holocaust, “de schaduwen leven nog steeds in het heden [lot]
en zullen deel zijn van de toekomst [plicht]”.
Het tot staan brengen op 19 april 1943 van de twintigste
trein uit Mechelen met bestemming Auschwitz was een uitzonderlijke daad. Het
was immers de enige poging in heel Europa om de jodentransporten te boycotten.
Die daad was niet alleen uitzonderlijk omdat hij de enige dergelijke operatie
was, maar ook omdat hij in tegenstelling tot de verzetsdaden van sabotage en
aanslag niet allereerst de vijand als doelwit had, maar als oogmerk de
slachtoffers van de vijand. Het was geen aanvalsoperatie maar een
reddingsoperatie. En daarmee trof die verzetsdaad de bezetter in zijn hart:
namelijk in zijn hoogmoed van Herrenvolk. Toevallig – maar het kan bijna geen
toeval zijn – begon op die zelfde 19de april de opstand van het getto van
Warschau. Die opstand was een schreeuw van vrijheid, al wisten de verzetshelden
heel goed dat hun daad van verzet nooit zou leiden tot een overwinning. Vorige
maand in Antwerpen heb ik bij de herdenking van die opstand gezegd: “Door hun
heldenmoed eisten de opstandelingen hun menswaardigheid op tegenover een regime
dat hun elke menselijkheid wou ontnemen.”
De nazi’s ontnamen sommige mensen hun menselijkheid door
hun naam te vervangen door een nummer en hun identiteit door een etiket, de
gele Jodenster. Door mensen elk respect af te nemen, werd geweld op hen
toelaatbaar. Geweld kan pas en ontstaat op het moment dat respect ophoudt te
bestaan. U begrijpt dus waarom ik, naar aanleiding van de extreme uitingen van
geweld in ons land, onder andere de moorden op Joe Van Holsbeeck en op Bart
Bonroy, al enkele keren heb gezegd en geschreven: “Geweld begint waar respect
eindigt”, en nog meer heb opgeroepen tot een het werken aan een respectvolle en
warme samenleving vanuit de gedachte: “Geweld eindigt waar respect begint.”
Wanneer iemand het respect voor medemensen uitgomt, trekt
hij de lijnen waarbinnen geweld toegelaten wordt, misschien zelfs ‘rechtlijnig’
beredeneerd geweld. Tijdens de paasvakantie vorig jaar heb ik Auschwitz
bezocht. Ik ben mijn bezoek begonnen met een blik over de vlakte vanuit de
mirador boven de toegangspoort van Birkenau. Voor wie eenmaal hierlangs het
kamp was binnengekomen – de treinsporen lopen als laatste getuigen door de
poort – was er maar één uitgang, de schoorstenen van de crematoria aan de verre
overzijde van het kamp. Vanuit die mirador boven de toegangspoort keek ik aan
tegen de ‘rechtlijnigheid’ van het uitsluitingsdenken: lange lanen en
gecompartimenteerde indelingen. Daarvoor hadden ingenieurs al hun rekenkunde
aangewend. Alsof het bevoorradingslijnen en productiestromen betrof, moesten de
aanvoer en de afvoer van mensen zo vlot mogelijk verlopen.
Vanuit Mechelen liep een spoorlijn tot aan de ingang van
dat kamp. Negentien konvooien hadden al vanuit België hun ‘vracht’ bij de
vernietigingsfabriek in Polen afgeleverd, toen op 19 april 1943 drie
jongemannen het twintigste konvooi, met 1.636 gevangenen aan boord, in
Boortmeerbeek tot staan brachten met een nagemaakt stopsignaal. Ze hebben het
er levend van afgebracht, maar hun verzetsdaad had hun het leven kunnen kosten.
Ze waren zelfs bereid om hun leven te geven, om het leven van anderen te
redden. “Niemand heeft grotere liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn
vrienden”, staat er in de Bijbel.
Zeventien mensen konden hier in Boortmeerbeek uit de trein
ontsnappen en nog eens 231 op het verdere traject. Met hun daad van verzet én
van menswaardigheid hebben de verzetshelden Jean Franklemon, Robert Maistriau
en Geroges Livschitz niet de Holocaust kunnen tegenhouden, maar op hen is het
joodse gezegde van toepassing: “Wie het leven van één mens redt, redt de hele
mensheid.”
Het redden van de mensheid door de promotie van
menselijkheid en menswaardigheid, dat is de reden waarom we moeten blijven
herdenken en herinneren. De Holocaust laat ons kijken naar het mysterie van het
kwaad (in de wereld en in onszelf). De slachtoffers kijken ons aan, vragend:
Waarom? Maar “alle antwoorden roepen even zovele vragen op”, zei twee jaar
geleden bij dit monument professor Julien Klener, voorzitter van het
Israëlitisch Consistorie. Ze kijken ons aan. Daarom was het een schitterend
idee om Transport XX te reconstrueren door portretten uit dat konvooi te
plaatsen langs de oude Mechelse stadsomwalling. Ze kijken ons aan, de stille
getuigen, en vragen: “Wat doet u om de menselijkheid en de menswaardigheid te
promoten?”
Het is mede vanuit die bezorgdheid dat de Vlaamse
regering, steunend op de tien jaar ervaring van het Joods Museum van Deportatie
en Verzet, van de Kazerne Dossin een uniek memoriaal wil maken: een museum en een
documentatiecentrum over Holocaust en mensenrechten. Kazerne Dossin moet
worden: enerzijds een permanente historische tentoonstelling, aangevuld met
tijdelijke en thematische tentoonstellingen, anderzijds een documentatie- en
informatiecentrum zowel ten behoeve van de wetenschap en de nabestaanden als
van een ruimer publiek dat zich wil verdiepen in de Holocaust en in de
problematiek van racisme en uitsluiting.
Gezien de historische relatie tussen Boortmeerbeek en de
Dossinkazerne wil ik u in kennis brengen van de stand van zaken in het project
Kazerne Dossin. De verkennende studieopdracht over de stedenbouwkundige
inplanting en over de omzetting van de conceptnota in een eisenprogramma is
afgerond. Op de open oproep van de Vlaamse Bouwmeester gingen 108 ontwerpteams
in, een derde buitenlandse. Binnen veertien dagen wordt de shortlist van vijf
overblijvende teams opgesteld en kan de ontwerpopdracht worden gegeven. Eind
dit jaar moet uit de vijf dossiers het definitieve ontwerp worden gekozen. Het
is evident dat bij dat alles overleg wordt gepleegd met de gemeente Mechelen:
de realisatie van memoriaal, museum en documentatiecentrum moet worden ingepast
in het weefsel van de stad. Ondertussen wordt bij decreet de wettelijke basis
gelegd voor de oprichting van een vzw in een samenwerkingsstructuur van Vlaamse
Gemeenschap, Stad Mechelen, provincie Antwerpen en Joods Museum van Deportatie
en Verzet. Wij hopen dat in 2009 het nieuwe museum zijn deuren kan openen. In
afwachting daarvan voorzie ik nu al extra werkingsmiddelen voor een programma
van tijdelijke tentoonstellingen en projecten.
We mogen niet vergeten. Door te ‘her-inneren’ worden we
betere mensen. Soms rest ons niets anders dan te vertellen en te herinneren, om
het wonder van de menselijkheid opnieuw te laten plaatsgrijpen.