Toespraak M. Laub

 

Geachte Dames en Heren  Hoogwaardigheidsbekleders,

Dames en Heren,

Beste Vrienden,

 

Op 6 oktober 1943 hield Heinrich Himmler, de beruchte SS-leider, in Posen (het Poolse Poznan) een voordracht voor de Reichs-en Gauleiter en zei het volgende:

“Kameraden, in deze uiterst beperkte kring ga ik een vraag aanhalen die voor jullie vanzelfsprekend lijkt maar die voor mij de moeilijkste was om op te lossen in heel mijn leven: de jodenkwestie. Dat er in uw provincie geen joden meer zijn is voor jullie bevredigend en evident. Alle Duitsers, op enkele uitzonderingen na, hebben goed begrepen dat we de bombardementen en de moeilijkheden van vier, misschien vijf jaar oorlog niet zouden kunnen verdragen indien deze plaag die alles bederft zich nog in onze middens zou bevinden. Mijne heren, de zin “de joden moeten worden uitgeroeid” bevat weinig woorden en is vlug gezegd. Maar wat het vergt van degene die het in de praktijk omzet is de moeilijkste zaak ter wereld.

 .../...

Ik vraag u uitdrukkelijk gewoon te luisteren naar wat ik hier “en petit comité” zeg en er nooit over te spreken. De volgende vraag werd ons gesteld: wat doen we met de vrouwen en de kinderen? Ik heb het besluit genomen en daarmee ook de voor de handliggende oplossing gevonden. Ik voelde dat ik het recht niet had de mannen uit te roeien en de kinderen te laten groeien, die zich dan op onze kinderen en nakomelingen zouden wreken. Men heeft de ernstige beslissing moeten nemen dit volk van de aarde  te doen verdwijnen. Voor de organisatie die het moest uitvoeren was dit de zwaarste taak.

.../...

De jodenkwestie zal tegen het einde van dit jaar geregeld zijn in de landen die wij bezetten.”                 

 

Einde citaat.

 

Dames en Heren, sedert 1945 kent de hele wereld het resultaat van dit nazi-programma van de endlösung; zoals Himmler het op beknopte wijze op zijn voordracht samengevat heeft:  “Die Juden müssen ausgerottet werden” . Voor het Europese jodendom is dit grotendeels in uitvoering gebracht.

Bij de zes miljoen joden vermoord, waarvan circa anderhalf miljoen kinderen. Denk in dat verband even terug aan de woorden van Himmler. De vrouwen en de kinderen van een volk systematisch elimineren is uiteraard in essentie in het begrip genocide omvat. Voor de nazi’s was de uitroeiing van het joodse volk in de tegenwoordige tijd slechts een gedeeltelijke oplossing; de endlösung betekent “definitieve oplossing”. Men moest dus ook aan de toekomst denken. Daarom was het voor hen imperatief om de vrouwen en de kinderen - vooral de vrouwen en de kinderen - uit te roeien.

Wie dit essentieel element van de genocide van het joodse volk, de Sjoa, niet steeds voor ogen heeft, begrijpt het nazi-opzet slechts heel gedeeltelijk: de joodse aanwezigheid op aarde moest worden uitgewist. Zowel fysisch als geestelijk. Boeken van joodse auteurs werden verbrand. De nazi’s beoogden de verdwijning van het hele jodendom op aarde, zij hanteerden het begrip Das Weltjudentum, het wereldjodendom, dat volgens hun ideologie geëlimineerd moest worden met al zijn componenten: een totale oorlog dus tegen het jodendom. Deze oorlog mocht daarom niet geografisch beperkt blijven. Het ging hier niet om een klassiek conflict, zoals men er sedert het begin van de menselijke geschiedenis aantreft, met als achtergrond de strijd voor een welbepaald territorium.

Het doel van nazi-Duitsland was de uitroeiing van het joodse volk en van het jodendom tout court,

       zo vlug mogelijk : men kan de hele evolutie bestuderen van de nazi-methodes om dit te bereiken, van ruw, in het begin van de oorlog, tot wetenschappelijk en gesofistikeerd vanaf 1942

       en zo grensoverschrijdend mogelijk : de joden gaan halen om hen te deporteren naar de uitroeiingskampen waar, wanneer en hoe het maar mogelijk was: met boten indien nodig, zoals b.v. voor de joodse gemeenschap van het Rhodos-eiland, zelfs vaak ten koste van het vervoer van de eigen Duitse troepen.

Dames en Heren, volgens de overeenkomst van Geneva van 1948 hoort het systematisch uitroeien van een gemeenschap, een volk, tot de definitie van een volkenmoord, een genocide.

 

Een plaatselijk conflict of een klassieke oorlog hebben daar de kenmerken niet van.

De twee met elkaar verwarren is onwelvoeglijk.

 

Slechts enkele slachtingen op grote schaal in de twintigste eeuw, kunnen als  genociden worden bestempeld, waarvan de laatste de Rwandese tragedie was, elk ervan met haar eigen specificiteit.

Dit laatste punt is zowel uit een historisch standpunt, als uit het menselijke standpunt van de slachtoffers, van uiterst groot belang: elke genocide heeft haar eigen specificiteit en verdient haar eigen historisch onderzoek, haar eigen museum, haar eigen getuigenissen. Ze allen door elkaar mengen betekent deze  specificiteit verraden.

 

Wat de Sjoa betreft, moeten we ook steeds voor ogen hebben dat deze genocide niet enkel elders plaats heeft gevonden, maar ook hier, in onze steden, in onze straten. Uit de Dossinkazerne te Mechelen werden meer dan 25000 joden die in ons land leefden naar de uitroeiingskampen weggevoerd.

 

Specifieke kenmerken van de Sjoa hebben we net gedeeltelijk doorgenomen.

 

De belangrijke vraag stelt zich dan: hoe kunnen de overlevenden en de nakomelingen van een volk, dat het slachtoffer werd van de barbarij gevormd door een genocide, die diepe wond verwerken ? Welke bestendige handeling kunnen zij ondernemen om de vloek te bezweren die hen getroffen heeft ? Een waardig antwoord op deze pijnlijke vraag is: gedenken.

Hoe ?

Door musea, onderzoek, getuigenissen en plechtigheden, gewijd aan alle aspecten van de tragische gebeurtenisen, door de mensen die tegen de barbarij in opstand zijn gekomen en een reddende hand hebben gereikt te bedanken en te eren.

Een bijkomend, doch uiterst belangrijk antwoord is: zich totaal inzetten opdat dergelijke barbaarsheid nooit meer mogelijk wordt.

 

Normaal gezien zou iedereen deze initiatieven moeten steunen.

Sommige middens doen dat echter niet.

Welke belangen verdedigen deze laatsten? Die kunnen erg uiteenlopend zijn, maar met een duidelijke grootste gemene deler: het niet verdragen dat de historische feiten tot hun recht komen. Eventueel omwille van schuld i.v.m. met die feiten; soms omdat ze niet in het ideologisch of politiek denkpatroon van die middens passen.

Met welke argumenten ?

       In de eerste plaats, de ontkenning of ook nog het minimaliseren van de feiten: het negationisme. In ons land is dit, in principe, strafbaar voor wat de Sjoa betreft. Hopelijk wordt de wet uitgebreid tot de andere erkende volkenmoorden. Op internationaal vlak hoort men via de media hier en daar dat beruchte  negationisten voor de rechtbank worden gedaagd.

Tegenwoordig maakt zich zelfs een staatshoofd daaraan schuldig, Mahmud Ahmadinejad, president van Iran, die de democratische wereld trotseert, de Staat Israël met vernietiging dreigt en “per toeval” ook de historische realiteit van de Sjoa ontkent.

       Een ander argument is precies de aanval tegen de specificiteit van dit tragisch gebeuren. Wat is daar het mikpunt van in ons land ? Het Joods Museum van Deportatie en Verzet te Mechelen. Opnieuw te joods voor sommigen, dus niet wetenschappelijk genoeg.

 

Waaraan maakt de joodse gemeenschap zich vooral schuldig volgens de aanhangers van deze denkwijze ? Aan “Holocaustuitbuiting”.

 

Dames en Heren, de slachtoffers en hun nakomelingen van de grootste genocide van de recente geschiedenis, die deze tragische gebeurtenis op menselijke wijze in musea, geschriften of media oproepen, worden door sommigen van uitbuiting beschuldigd.

Het gedenken van de Sjoa-tragedie willen transformeren in politieke uitbuiting vanwege de joodse gemeenschap en het daarbovenop met een hele reeks begrippen die bij hedendaagse conflicten horen per se  willen mengen leidt tot een verwatering van de tragedie.

Begrijpe wie kan, maar vooral begrijpe wie wil, met andere woorden: wie daar belang bij heeft ! Een moderne vorm van antisemitisme ligt daar niet ver van afgelegen...

 

Je voudrais adresser ici quelques mots aux survivants pour les remercier de leur témoignage incessant. Nous sommes tous conscients que votre lutte est une contribution essentielle, non seulement à la mémoire de tous ceux qui ont péri et à celle de tous ceux qui ont résisté, mais également à l’avenir de notre humanité tellement malmenée.

Certains, comme on peut le lire dans la presse ou sur de nombreux sites d’internet, trouvent que de cette manière, la communauté juive exploite la Shoa d’une manière intéressée. Heureusement ces accusations, qui rejoignent l’ancien cliché antisémite suivant lequel les Juifs tirent profit de tout, ne vous impressionne nullement et ne vous empêche en aucune manière de continuer à lutter et à témoigner.

Je vous souhaite de pouvoir le faire encore de nombreuses années avec l’enthousiasme et l’efficacité dont vous faites preuve depuis le début.

 

Dames en Heren, Beste Vrienden, de joodse gemeenschap beschouwt de plechtigheid die jaarlijks hier in Boortmeerbeek plaats vindt, als één van de meest aangrijpende, als een lofdicht aan menselijke waarden .

Het verhaal van Boortmeerbeek is een illlustratie dat, zelfs in de meest duistere periode van barbaarsheid, begrippen als naastenliefde en belangeloze actie, voor sommigen niet ijdel waren.

De tragedie van de vermoorde kinderen uit de Sjoa was het onvermijdelijk gevolg van de endlösung die door het Hitlerregime bedacht werd. Ze blijft niettemin bovenzinnelijk voor elke gezonde geest in haar transcendente afgrijselijkheid.

Elk kind is een zon voor zijn ouders, zijn familie, en een bouwsteen van de toekomst van de mensheid.

Anderhalf miljoen afgeslachte kinderen, anderhalf miljoen bouwstenen van de toekomst van de mensheid verwoest.

Het verlies van één enkel kind - om het even welk kind - is een ramp.

Beste Vrienden, de Sjoa is dit, vermenigvuldigd met anderhalf miljoen.

Zouden we nu één minuut stilte aan de nagedachtenis van elk van deze kinderen wijden, dan zouden we hier gedurende iets meer dan 1041 dagen van 24 uren moeten stilstaan om ze allen in herinnering te brengen, twee jaren, tien maanden en zeven dagen...

Deze sinistere cijfers geven ons de maat weer – als het ware - van het onmeetbare en onuitsprekelijke leed dat de nazi-barbaarsheid als gevolg heeft gehad, maar tevens de intensiteit van de bewondering en de erkentelijkheid die al diegenen, joden en niet-joden, die tegen de nazi-wet in opstand zijn gekomen, hebben verdiend.

 

Om al die redenen, en in naam van de joodse gemeenschap, bedank ik u hier nogmaals, Geachte Heer Burgemeester, Dames en Heren van het Schepencollege en de gemeentelijke overheid van Boortmeerbeek, Mijnheer Marc Michiels, organisator, en alle burgers van Boortmeerbeek, voor uw inzet voor deze jaarlijkse plechtigheid en uw trouw aan de nagedachtenis van de unieke heldendaad die hier 63 jaar geleden plaatsvond.

 

En, last but not least, onze oprechte dank aan jullie allen, trouwe aanwezigen, voor het eerbetoon dat u door uw aanwezigheid betuigt.

 

Terug naar keuze toespraken