Opinie : Het Belgisch pensioenstelsel
Inleiding
Het Belgisch wettelijk pensioenstelsel voor de privé-sector is
een repartitiestelsel (of omslagstelsel). Dit
wil zeggen dat de pensioenen van de niet-actieven betaald worden
door de bijdragen van de actieven.
De andere mogelijkheid is het kapitalisatiestelsel waarbij
men tijdens zijn loopbaan voor zichzelf bijdragen stort op een
individuele rekening. Dit kapitaal wordt belegd en bij
pensionering worden lijfrenten uitbetaald. De lijfrente wordt
maandelijks uitbetaald tot aan de dood. Aangezien de levensduur
onvoorspelbaar en verschillend is van persoon tot persoon, is het
uitbetalen van de lijfrenten een taak voor de
verzekeringsmaatschappijen. Zij kunnen immers dit risico spreiden
over een groot aantal gepensioneerden.
Inhoud
Het repartitiestelsel in de hedendaagse economie
Naar een eenvormig pensioenstelsel
Vervroegde pensionering wordt nu eigenlijk
beloond
Pensioenbijdragen als verkapte belasting
De pensioenen zijn niet welvaartvast.
Maak tijdens de actieve loopbaan een duidelijke
rekening van de pensioenopbouw met jaarlijkse rapportering.
Is het nodig een onderscheid te maken tussen
sociale zekerheidsbijdragen en belastingen?
Zijn eigen pensioenbijdrage kiezen
Waarom niet zijn bedrijfspensioen storten in het
wettelijk pensioen
?
En waarom niet de eigen woning
?
De gepensioneerde die toch nog bijverdient
Vergeet de partner aan het "thuisfront"
en ook de minimumloontrekker niet
Hoe ermee beginnen?
Cijfermateriaal
Links
Het repartitiestelsel in de hedendaagse economie
In een repartitie- of omslagstelsel worden de pensioenen van de niet-actieven rechtstreeks gefinancierd door de bijdragen van de actieven.
Welke eigenschappen heeft een optimaal repartitiestelsel?
Hierbij citeer ik
Prof. F. Spinnewyn (KU Leuven):
"Beschouwen we de organisatie van de pensioenen indien de
toekomst niet langer voorspelbaar is. In een onzekere wereld is
repartitie duidelijk superieur tegenover kapitalisatie (*). Het
welvaartsverlies ten gevolge van schommelingen in het nationaal
inkomen wordt verminderd door de schokken over de actieven en de
gepensioneerden te spreiden. Een optimum wordt bereikt wanneer de
relatieve welvaartspositie van ouderen en jongeren over de
conjunctuurcycli constant wordt gehouden."
"Het niveau van de pensioenen wordt niet op voorhand
vastgelegd, maar wordt in functie van de productiemogelijkheden
bepaald. "
"Indien iemand tweemaal zoveel bijdraagt als zijn buurman,
dan ontvangt hij ook later een pensioen dat dubbel zo groot is.
Het incentievenprobleem zal slechts opduiken indien een
repartitiestelsel alleen instaat voor een gelijk basispensioen
voor iedereen, dat dan door een kapitalisatiestelsel wordt
aangevuld."
"Hierdoor wordt de wederkerigheid afgebouwd en zullen de
bijdragen in het repartitiestelsel als een belasting worden
ervaren."
(*) Met kapitalisatie wordt hier bedoeld: tijdens de actieve loopbaan worden bijdragen op een individuele rekening opgerent tot een kapitaal dat bij de pensioenleeftijd in lijfrenten wordt omgezet. Deze lijfrenten zijn een jaarlijks vast bedrag, dat niet stijgt met inflatie of welvaart. In de praktijk zal men geen (private) verzekeringsmaatschappijen vinden die bereid zijn een lijfrente uit te betalen die evenredig toeneemt met het nationaal inkomen. Het is precies deze eigenschap die het repartitiestelsel uniek maakt.
Uit het voorgaande
onthouden we dus twee belangrijke principes:
1) een deel van het nationaal inkomen wordt aan pensioenen
besteed en de relatieve welvaart van actieven en gepensioneerden
blijft constant
2) individuele pensioenen zijn evenredig aan individuele
bijdragen (geactualiseerd volgens de reële economische groei).
Voorbeeld :
veronderstel een land waar men werkt van 20 tot 60 jaar, dan op
pensioen gaat en overlijdt op 80 jaar. In dit land zijn 200
actieven, hun brutoinkomen is 600. Er zijn 100 gepensioneerden en
men heeft besloten dat
het inkomen van de gepensioneerden als groep 25% is van het
inkomen van de actieven voor overdracht naar de pensioenen (33.33%
van het netto).
We rekenen dit uit: de actieven hebben een totaal inkomen van 200
x 600 = 120.000. De gepensioneerden hebben recht op 25% hiervan
of 30.000 hetgeen verdeeld over 100 gepensioneerden, 300 per
gepensioneerde geeft.
Het nettoinkomen van de actieven wordt dan 450, elke actieve
draagt 150 af voor de niet-actieven.
Enkele
consequenties:
1) Als het inkomen van de actieven stijgt bv. met 10% tot 660,
dan stijgt ook het inkomen van de gepensioneerden met 10% tot 330
2) Als de groep van de gepensioneerden aangroeit met 10% bv. van
100 tot 110 dan daalt het nettoinkomen van beide groepen tot 97.56%
van de vorige situatie. Voor de actieven is het nettoinkomen nu
439.02 en voor de gepensioneerden 292.68
3) Als de groep actieven bestaat uit 100 actieven met een
brutoinkomen 800 en 100 actieven met een brutoinkomen 400 met
respectievelijk bijdragen 200 en 100 (equivalent met 200 actieven
aan 600 met bijdrage 150), dan zullen hun individuele pensioen
zich verhouden als 200 tot 100, d.w.z. respectievelijk 400 en 200
bedragen.
Naar een eenvormig en transparant pensioenstelsel
Wat Musgrave en anderen uitgetekend hebben is een ideaal model.
De werkelijkheid is het gevolg van een historische evolutie.
We tellen verschillende pensioenstelsels: privésector, ambtenaren, zelfstandigen.
Dit leidt tot een minder grote transparantie in de arbeidsmarkt.
Een gelijk pensioenstelsel maakt voor nieuwe deelnemers in de arbeidsmarkt de loopbaankeuze alleszins gemakkelijker.
Indien de
pensioenbijdrage individueel zou berekend worden op basis van het
brutoloon, bijvoorbeeld via een verrekening van de belastingen en
indien vervolgens elke burger jaarlijks een afrekening krijgt van
de reeds verworven pensioenrechten, zal de geloofwaardigheid en
de acceptatie van het systeem zeker stijgen te samen met een
groter gevoel de eigen toekomst in handen te hebben.
Een ander heikel
punt zijn de grote werkgeversbijdragen aan de sociale
zekerheid (vaak bijna 30%), waarvan een deel voor de pensioenen
bestemd is.
In theorie maakt het niet veel uit wie betaalt, de bruto kost per
werknemer blijft toch dezelfde voor de werkgever. In praktijk
kent de werkgever of zijn sociaal secretariaat of zijn
personeelsdienst deze bijdrage dus zeer goed, maar de werknemer
is meestal onwetend en kan ook niet nagaan hoeveel van deze
bijdrage bestemd is voor pensioenen.
Eigenlijk is het
een vorm van volksbedrog voor de werknemer - die uiteindelijk ook
een politiek agent is - in het ongewisse te laten.
Een gelijk wettelijk pensioenstelsel voor iedereen maakt vergelijken makkelijker, maakt het ook moeilijker dat bepaalde sociale groepen bijzondere pensioenvoordelen voor zichzelf kunnen opeisen
Vervroegde pensionering wordt nu eigenlijk beloond
Veronderstel dat
men toelaat vroeger dan 60 jaar op pensioen te gaan.
Neem aan dat slechts 1 van de 200 actieven met pensioen gaat op
55 jaar.
Het totaal aantal actieven-jaren-inkomen was oorspronkelijk 4.800.000
en daalt daardoor tot 4.797.000.
Het totaal aantal jaren gepensioneerden-jaren-inkomen dat 1.200.000
was, stijgt nu tot 1.201.500
Uitgaande van de redelijke veronderstelling dat andere actieven,
noch andere gepensioneerden moeten "opdraaien" voor een
vervroegde pensionering, wat is dan het nieuwe inkomen van deze
"vervroegd" gepensioneerde?
Zijn verstoring in het pensioenstelsel is dubbel, enerzijds een
minderbijdrage van 3.000 wegens een kortere actieve loopbaan en
een meerkost van 1.500 tijdens zijn pensionering. In totaal 4500,
te verdelen over 30 jaar pensionering, betekent dit een
vermindering van zijn jaarlijks pensioen tot 150 (300-150).
Dit voorbeeld verder geëxtrapoleerd leert dat in dat geval een
positief pensioen slechts mogelijk is vanaf 50 jaar.
Dit stelt natuurlijk de vraag naar de vroegst mogelijke
pensioenleeftijd.
Een antwoord kan zijn: het eigen pensioen moet voldoende hoog
zijn om een decent leven te kunnen leiden en minstens zo groot
zijn als het bestaansminimum.
Een ander pragmatisch antwoord kan zijn: een en ander is toch
geregeld door een hogere overheid, nl. Europa.
In het huidige
pensioenstelsel (voor de privé-sector) is bovenstaande -
nochtans zeer natuurlijke - voorwaarde ver te zoeken. Het
pensioen wordt berekend op het inkomen tijdens de actieve
loopbaan. Er wordt echter geen enkele rekening mee gehouden met
het feit dat een iets kortere loopbaan ook een langere
pensionering betekent met tevens een zwaardere last op de rug van
de actieven.
Bovendien is de actualisering van inkomens uit het verleden wel
gecorrigeerd voor inflatie maar is niet gekoppeld aan de gestegen
welvaart zoals van een optimaal pensioenstelsel zou mogen
verwacht worden.
Ook de ambtenarenpensioenen hebben hetzelfde euvel. De berekening
van hun pensioen gaat uit van het gemiddelde inkomen van de
laatste 5 jaar actieve dienst.
Bijkomend merkt
men op - in België en in het buitenland - dat in bepaalde
beroepsgroepen die zich in een monopoliepositie bevinden en sterk
georganiseerd zijn in een vakbond, meestal onder het mom van
"zware arbeid", nu reeds eisen gesteld worden voor
pensioenaanvang ver onder 60 jaar.
Indien aan de eisen tegemoet wordt gekomen zonder aanzienlijke
korting op deze pensioenen, betekent dit een onredelijke
verhoging van de last op de jongeren.
In dit laatste voorbeeld zijn er twee afdoende antwoorden
denkbaar zonder dat "wettelijke" uitzonderingen moeten
gemaakt worden. Enerzijds een hogere wedde die door iedereen op
de arbeidsmarkt gekend is (dus ook voor jongeren die nog een
loopbaan moeten kiezen), en die later een vervroegde pensionering
(conform hogerstaande berekening) met een decent pensioen
toestaat of anderzijds een omschakeling naar een andere functie (bv.
van brandweerman naar instructeur, van onderwijzer naar
administratieve kracht, van militair naar privébewaking,
).
Een duidelijk pensioensysteem, geldig voor iedereen, zou dergelijke afkalving beter kunnen tegenhouden. De duidelijkheid voor iedereen zou automatisch een grotere sociale controle impliceren en het politiek risico op "ingrepen" verminderen.
Pensioenbijdragen als verkapte belasting
In de privésector is het zo dat een inkomen boven 37.500 Euro per jaar niet meetelt in de individuele pensioenberekening maar dat de sociale zekerheidsbijdragen boven 37.500 Euro per jaar wel onverminderd doorgaan.
Hier wordt
duidelijk misbruik gemaakt van het vertrouwen van de burger.
"Wat niet weet, niet deert".
Onnodig te zeggen dat als men de geloofwaardigheid van de sociale zekerheid wil opkrikken, het beter is deze regel af te schaffen en te vervangen door een zichtbare belasting voor inkomens boven 37.500 Euro per jaar.
Het kan weeral enkel de geloofwaardigheid van het stelsel ten goede komen.
De pensioenen zijn niet welvaartvast.
Eens berekend en de individuele pensioenuitkeringen gestart zijn, gebeuren er natuurlijk wel aanpassingen volgens de index van de levensduurte.
Er zijn geen systematische aanpassingen aan de gestegen (reële) welvaart.
In het voorgestelde stelsel is er automatische aanpassing volgens het nationaal inkomen.
Maak tijdens de actieve loopbaan een duidelijke rekening van de pensioenopbouw met jaarlijkse rapportering.
De roep naar meer duidelijkheid, naar meer veiligheid en de zekerheid van de eigen toekomst wordt alsmaar luider.
Een duidelijk omschrijving van de eigen pensioentoekomst hoort daar als antwoord ook bij.
Is het nodig een onderscheid te maken tussen sociale zekerheidsbijdragen en belastingen?
In beide gevallen gaat het om een "verplichte bijdrage". A priori is dan ook niet duidelijk waarom er twee verschillende inningsinstanties zouden moeten zijn.
Zijn eigen pensioenbijdrage kiezen
Een repartitiestelsel veronderstelt een minimumbijdrage (als een % van het loon), minimumbijdrage die best vrij hoog mag liggen maar die het gevolg is van een politieke consensus en de aangegane solidariteitsverbintenis tussen jongeren en ouderen.
Het is best mogelijk dat deze bijdrage ook hoger kan liggen door hogere stortingen op vrijwillige basis. Wanneer het huidige pensioensysteem gezuiverd wordt van alle ongerechtigheden, de geloofwaardigheid en legitimiteit herwonnen, zullen velen opnieuw leren hoe goed een repartitiesysteem wel is.
Pensioenstortingen via een welvaartvast repartitiesysteem hebben een return die gelijk loopt met de evolutie van het nationaal inkomen, dat wil zeggen hoger dan obligaties, lager dan aandelen (gekapitaliseerd) maar met een betere return/risicoverhouding dan deze laatste.
Waarom niet zijn bedrijfspensioen storten in het wettelijk pensioen ?
Aandelen werden reeds vermeld in de vorige paragraaf.
Naast de vrijwillig hogere stortingen in het wettelijk pensioen, kan een actieve ook beslissen geregeld aandelen of aandelenfondsen te kopen.
De aantrekkelijke zijde daarvan is dat er veel kans is dat deze een hogere waarde hebben bij de pensioenleeftijd. Er is ook een kans dat het niet zo is. Het is dus een persoonlijke keuze waarbij men zich afstemt op zijn eigen risicoprofiel en zijn eigen financiële planning.
Vaak doet de werkgever dit in de plaats van de werknemer en ontvangt deze laatste bij pensionering zijn deel uit het bedrijfspensioenfonds.
Vanaf dat ogenblik stelt zich een probleem. Niemand weet hoe lang hij nog te leven heeft. Hoe moet men de opbrengsten van dit kapitaal gebruiken en in welke mate mag men zijn eigen kapitaal "opbruiken"?
De privésector biedt wel een oplossing nl. de lijfrente, maar deze oplossing is zeer onbevredigend. Deze rente is namelijk een nominaal vast bedrag maar neemt niet toe met inflatie, laat staan met de welvaartsgroei.
Ook hier komt het repartitiestelsel weer ter hulp. Jonge gepensioneerden kunnen kapitaal storten in het pensioenstelsel dat hen, en berekend op basis van hun verwachte levensduur, een welvaartsvast extra pensioen kan bezorgen. Ook hier zijn het de jongeren die zorgen voor de ouderen, zij het dat de jongeren nu "ongeveer 60 jaar oud zijn".
Hierbij stellen zich wel een aantal praktische vragen: vrijwillig of gedeeltelijk verplichte deelname; de fiscaliteit die thans verschillend is voor pensioenuitkeringen en inkomsten uit kapitalen; de politieke geloofwaardigheid op lange termijn moet voldoende hoog zijn.
Welke groepen gepensioneerden zullen geïnteresseerd zijn? Waarschijnlijk alle in zekere mate, een deel zal zeker gereserveerd worden voor de erfenis maar er is ook een grote en groeiende groep alleenstaanden en kinderlozen waarvoor deze optie wel degelijk de enige optie is, zeker als men kijkt naar de prijzen van rusthuizen en als men bedenkt dat de vraag (en de prijzen wellicht) nog zal stijgen.
En waarom niet de eigen woning ?
Nu we het toch over rusthuizen hebben, kunnen we ook denken aan de overgang van de eigen woning naar een rust- of/en verzorgingstehuis.
Het is typisch de periode waar medische kosten en kosten voor verzorging nog verder toenemen.
Als op dat ogenblik de eigen woning verkocht worden, kan men zich eveneens inbeelden dat de opbrengst hiervan geheel of gedeeltelijk in een repartitiepensioenfonds gestort wordt,
Qua gedachtengang is er niet veel verschil met de vorige paragraaf.
In het vorige geval werd gestort op het einde van de loopbaan, een beetje alsof men tijdens zijn laatste actief jaar zeer goed geboerd had. Hier gebeurt de storting tijdens de pensionering, mogelijk op 70 of 80 of pas op 90-jarige leeftijd.
De vernieuwing in dit en voorgaand voorbeeld is dus dat men zowel tijdens zijn actieve loopbaan als zijn pensioen ook vrijwillige bijdragen kan storten op de eigen pensioenrekening bij de overheid volgens de eigen noden of mogelijkheden.
Bij dit en vorig voorbeeld kan men wel volgende bedenking maken.
Het is best mogelijk dat bij vrijwillige bijdragen er autoselectie plaats vindt.
Wie zichzelf een hogere levensverwachting toedicht heeft er meer belang bij dan anderen dergelijke bijdragen te doen.
Dergelijke voorkennis kan bestaan uit de leeftijd die de eigen ouders en andere familieleden bereikt hebben. Het geslacht speelt ook een belangrijke rol, de gemiddelde levensduur van mannen en vrouwen verschilt 6 tot 7 jaar.
Een punt om zeker over na te denken maar mijn persoonlijke afschatting is dat de globale maatschappelijke nutswinst door de implementatie van dit voorstel veel groter is dan de individuele voordelen die hiermee gecreëerd worden.
De gepensioneerde die toch nog bijverdient
Het pensioen is verworven.
Er is geen enkel bezwaar of nadeel voor anderen later nog "bij te verdienen", en men kan ook nog pensioenstortingen uit dit inkomen te doen, zoals reeds bleek uit bovenstaande voorbeeld.
Vergeet de partner aan het "thuisfront" en ook de minimumloontrekker niet
In een huwelijk of andere samenlevingsvorm heeft de partner die zich aan huishoudelijke taken kwijt en geen "geldelijk" inkomen heeft, ook geen stortingen gedaan in het pensioenstelsel.
In bovenstaande voorstelling van zaken werd er immers van uit gegaan dat een zeker percentage van het loon (als dat er is) gestort wordt in het pensioenstelsel.
Ter zake ken ik niet de huidige wetgeving, maar in een nieuw stelsel kan men zich best voorstellen dat een gedeelte van het gezinsinkomen op basis van een wettelijke regeling naar de pensioenregeling van de niet werkende partner vloeit.
De zwakste partner loopt immers steeds het risico, in geval van scheiding, geen voldoende pensioenkapitaal meer te kunnen opbouwen.
Tenslotte wat de minimumloontrekker betreft, stelt het probleem zich enkel bij de pensionering zelf.
Het is best mogelijk dat over het geheel van de loopbaan er voldoende "goede jaren" zijn geweest om een redelijk pensioen te garanderen.
Is dat toch niet het geval, dan kan op dat ogenblik nog altijd een "lump sum" toegevoegd worden aan het pensioenkapitaal, zodat een decent of alleszins minimumpensioen verworven is.
De eenvoudigste manier lijkt met een nieuwe lei te beginnen en in jaar N alle 18 jarigen volgens het nieuwe systeem te laten storten, in jaar N+1 alle 18 - en 19 jarigen enz
Daarbij moet met de financierbaarheid van het huidige stelsel rekening gehouden worden.
Verder betekent deze overgang alleszins een aanpassing van het weddesysteem van de (nieuwe) ambtenaren, vermits zij van dat ogenblik ook uit hun brutowedde zullen moeten bijdragen aan hun eigen pensioen.
Ook denkbaar is van meteen of in een tweede fase alle aktieven in het systeem te betrekken en niet te wachten tot de eerste cohorte van 18-jarigen zowat 60 jaar is geworden.
Cijfermateriaal
Het weddestrookje van een actieve in de privésector vermeldt
steevast 13.07% als RSZ bijdrage. In werkelijkheid betaalt de
werkgever meer dan tweemaal zoveel.
De werkelijke % RSZ bijdrage benadert eerder 30%
!
In het huidige wettelijk pensioenstelsel (privé-sector)
betalen werknemer en werkgever samen maandelijks 16.36% van het
brutoloon aan pensioenbijdragen, daarvan komt 7.5% van de eigen
RSZ bijdrage van de werknemer en 8.86% van de werkgever.
(4 mei 2002)
__________________________________________________________________________________
Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu
Typ
hugo_harth gevolgd door @ en gevolgd door hotmail.com (truukje
tegen automatische spam)
Ecrivez hugo_harth suivi de @ et suivi de hotmail.com (petit
artifice contre les messages spam automatiques)
Address is hugo_harth followed by @ and followed by hotmail.com (little
trick against spam)
Wettelijk
pensioen, ambtenaren, kapitalisatie of repartitie,
repartitiestelsel of kapitalisatiestelsel, pensioenberekening
toekomst, zekerheid, toekomst van de pensioenen
Rijksdienst voor de Sociale zekerheid, pensioenberekening,
spaarpotje voor de oude dag, pensioen heden en toekomst
Zelfstandigen, middenstand, middenstanders, pensioenvoorziening,
groepsverzekering
Groepsverzekeringen en bedrijfspensioenen, tweede en derde
pijler, pensioenrechten België
Pensioenregeling, pensioenplan, spaarplan, pensioensparen,
gewaarborgd inkomen
Pensioengerechtigde leeftijd en rustpensioen, toegelaten arbeid
als gepensioneerde
Lijfrenteverzekeringen, minister van pensioenen Frank
Vandenbroucke.
Kabinet van Sociale Zaken, Rijksdienst voor Pensioen (RVP)
Sociale bijdragen, vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen,
volledige loopbaan
Bedrijfsleidersverzekering, individuele verzekering, werkloze of
werklozen
Werknemersregeling, gewaarborgd inkomen voor bejaarden,
werknemers in rijksdienst of parastatalen
Een beroepsbezigheid uitoefenen tijdens het pensioen,
wetsvoorstel Fientje Moerman
Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der
Zelfstandigen (RSVZ)
Zuidertoren Brussel