Voorgesteld op het
Forum "Zorg en Levenskwaliteit", Eurotel Antwerpen 16
maart 2003
De
gepensioneerde beschikt vaak over een kapitaal onder de
vorm van een eigen woning, spaargeld of kapitalen
ontvangen uit een van de extra pensioenpijlers.
Zijn probleem
is echter dat hij (zij) het hem (haar) resterende aantal
levensjaren niet kan voorzien en dus niet weet hoe hij
dit vermogen moet gaan verdelen en besteden over de
komende jaren.
Eenvoudig voorbeeld : neem aan dat iemand op 60 jaar met
pensioen gaat en dat hij 50% kans heeft om binnen 10 jaar
te overlijden en 50% kans om binnen 30 jaar te overlijden.
Hij moet zijn kapitaal (buiten dat deel dat hij aan zijn
erfgenamen wenst te laten) verdelen over 30
jaren als hij op zeker wenst te spelen.
Indien hij slechts 10 jaar overleeft, heeft hij gedurende
die 10 jaren over drie
keer minder inkomen kunnen beschikken dan mogelijk zou
geweest zijn.
In dit eenvoudig voorbeeld is de gemiddelde
overlevingsleeftijd vanaf 60 jaar nog 20 jaren (50% 10
jaren en 50% 30 jaren).
Indien dit risico
zou verdeeld
worden tussen de gepensioneerden, is het mogelijk elke
gepensioneerde een uitkering te
laten genieten die overeenstemt met 20
te verwachten levensjaren.
De gepensioneerde, die anders voorzichtig met zijn
kapitaal moet omspringen over een periode van 30 jaar [het
slechtste geval], beschikt nu over 30/20 of 50%
meer inkomen per jaar.
Het voorstel
behelst het organiseren door de overheid van een
repartitiestelsel (analoog aan het pensioenstel van de
privésector) waarbij de jongeren [in dit geval "jongere
gepensioneerden"] kapitaal inbrengen voor de ouderen.
Een belangrijk verschil is wel dat dit stelsel op vrijwilligheid
steunt. Men moet niet betalen als men niet wil, maar dan
ontvangt men ook geen uitkering.
Een tweede verschil is dat men dit pensioenstelsel kan
organiseren volgens de meest recente inzichten, daar waar
het bestaande pensioenstelsel van de privésector een
aantal mankementen en rigiditeiten heeft.
Meer bepaald kan men de uitkeringen
automatisch laten aanpassen aan de
demografische toestand [zowel het aantal jongeren (betalers)
als ouderen (ontvangers) kan toenemen of afnemen] door de
lasten of de baten te verdelen over de ganse groep.
Een
repartitiepensioenstelsel garandeert dat de ontvangers
een uitkering krijgen die evenredig stijgt met het
nationaal inkomen.
De stijging van het nationaal inkomen bevat een stuk
inflatie en een stuk reële economische groei.
Een dergelijk repartitiestelsel garandeert dus dat
uitkeringen (of pensioenen) welvaartsvast
kunnen zijn.
Voor een
welvaartsvaste uitkering bestaat er geen
valabel alternatief dat kan
aangeboden worden door de privésector.
Het enige wat in die richting gaat, is de lijfrente. Door
inbreng van een kapitaal, kan iemand het recht verwerven
op een levenslange uitkering.
Deze uitkeringen zijn echter nominaal vast, kunnen en
worden dus niet aangepast aan de levensduurte of de
welvaartsstijging.
Een kleine berekening leert dat aan een inflatieritme van
3% per jaar, de koopkracht van een dergelijke uitkering
met 25% vermindert na 10 jaar, met 45% na 20 jaar en met
59% na 30 jaar.
Het is nu precies op hoge leeftijd dat de kosten voor
levensonderhoud sterk stijgen !
Bovendien is de markt der lijfrenten weinig doorzichtig
en het aangaan van een lijfrente gaat gepaard met hoge
transactiekosten.
In ieder geval is er geen gevaar dat de overheid kan
verweten worden [door Europa] dat zij zich in de plaats
stelt van het privé-initiatief. Een beleggingsvorm
waarvan de waarde stijgt evenredig met het nationaal
inkomen kan namelijk niet via privébeleggingen
aangeboden worden.
De kosten voor
de overheid beperken zich tot het organisatorische en
administratieve aspect, bovendien kunnen deze kosten
volledig gedragen worden door de deelnemers aan dit
pensioenstelsel en worden geen andere bevolkingsgroepen
belast.
Wel dient de overheid bij het organiseren van een
dergelijk vrijwillig pensioenstelsel rekening te houden
met en correcties uit te voeren op bepaalde abnormaal
voordelige of nadelige uitkeringen die kunnen ontstaan
tijdens de opstartfase.
Het zou bv. kunnen dat er na een eerste aarzelend begin
van dit project, plots veel nieuwe intekenaars opduiken
waardoor de eerste uitkeringsgerechtigden abnormaal hoge
uitkering zouden ontvangen.
Dit is een technische kwestie die eenvoudig kan opgelost
worden, door een uitkering te garanderen die in een band
ligt (plus of minus enkele procenten) rond de
theoretische uitkering (d.w.z. de uitkering die evenredig
is met het gestorte kapitaal en die in verhouding staat
tot het verwachte resterende aantal levensjaren en
jaarlijks evolueert volgens het nationaal inkomen).
Een dergelijke overheidsgarantie geeft het nodige
vertrouwen en stabiliteit en is vergelijkbaar met de
vertrouwenwekkende maatregelen die t.o.v. het bankwezen
bestaan.
Het is technisch ook niet nodig dat een kapitaalinbreng
eenmalig zou zijn of precies op 60 of 65 jarige leeftijd
zou moeten gebeuren.
Het kan in schijven gebeuren (bv. bij het begin van het
pensioen als een extra pensioen ontvangen wordt en later
wanneer men de eigen woning verkoopt en naar een rusthuis
trekt) en het kan eigenlijk op alle leeftijden, in
principe zou een kapitaalinbreng vóór de leeftijd van
60 of 65 jaar technisch gesproken ook geen enkel probleem
vormen [en zelfs zeer grote voordelen hebben, zie verder].
Een aspect dat
hier niet behandeld kan worden, maar dat zeker ter sprake
moet komen, is het fiscale aspect verbonden aan zowel de
kapitaalinbreng als de uitkeringen.
In dit
pensioenstelsel storten de deelnemers een kapitaal dat
slechts voor een klein deel onmiddellijk gebruikt wordt.
Het grootste deel moet worden belegd. Dit is een
belangrijk verschil met het gangbare verplichte
pensioenstelsel waarbij inkomende geldstromen via de RSZ-bijdragen
onmiddellijk gebruikt worden.
Het feit dat
kapitaal beschikbaar is, betekent dat de organiserende
overheid minimaal en in ieder geval hetzelfde kan
garanderen als een verzekeringsmaatschappij nl. een
lijfrente.
Cijfermateriaal
: het langetermijngemiddelde voor de groei van het
nationaal inkomen bedraagt ongeveer 5.5%, ongeveer gelijk
verdeeld over inflatie en werkelijke economische groei.
Het langetermijngemiddelde voor risicohoudende
beleggingen zoals aandelen en vastgoed is ongeveer 9.5%,
de volatiliteit voor een goed gespreide portefeuille is
ongeveer 20%. De volatiliteit van het nationaal inkomen
is lager en de verhouding groei/volatiliteit is merkelijk
gunstiger bij het nationaal inkomen dan bij aandelen. Een
eigenschap die sommige tegenstanders van het
pensioenstelsel niet schijnen te kennen.
Dat men
uitbetaald wordt in "nationaal inkomen",
betekent dat men niet rijker of armer wordt dan het
gemiddelde van de bevolking. In feite zouden de
volatiliteiten en de gemiddelden (hierboven) beter
berekend worden t.o.v. het nationaal inkomen of t.o.v. de
inflatie. Zo bezien is de kwaliteit van kapitalisatie
volgens het nationaal inkomen van nog veel hogere
kwaliteit.
De organisatie
die deze pensioenen zal verzorgen zal aan hoge
kwaliteitseisen dienen te voldoen en over
gespecialiseerde know-how moeten beschikken : actuariaat,
portefeuillebeheer en langetermijnplanning,
onafhankelijke audit en controle (met democratisch
verkozenen uit de pensioentrekkers?).
De geest van
dit voorstel is van gepensioneerden een welvaartsvast
levenslang inkomen te geven.
Men kan denken aan andere gevallen : de jongere persoon
die na een zwaar ongeval en na langlopende
expertenonderzoeken en rechtspraak eindelijk een kapitaal
toegewezen krijgt...
Men ook denken aan de mogelijkheid om uit één
kapitaalinbreng stortingen te doen tot de langstlevende
van twee personen overlijdt (uiteraard zal dit een lager
bedrag zijn).
Men kan ook verder denken in de richting van
pensioensparen en toelaten dat actieven in dit stelsel
kapitaal storten en niet onmiddellijk een
pensioenuitkering wensen te ontvangen maar deze
kapitaalinbreng wensen te laten kapitaliseren.
Deze laatste
denkpiste is belangrijk want ze kan de
pensioenuitkeringen sterk verhogen.
Indien alleen ouderen in deze pensioenpijler meedoen kan
men verwachten dat jaarlijks misschien 5% , 6% , 7% of
meer van het kapitaal moet uitgekeerd worden, afhankelijk
van de instapleeftijd en de verwachte levensduur van de
deelnemers.
Door jongeren toe te laten kan de jaarlijkse uitstroom
van kapitaal misschien dalen tot 3%.
Dat kan belangrijke en zeer gunstige gevolgen hebben.
We weten ondertussen dat we met dit stelsel extra-pensioen
kunnen betalen die met ongeveer 5.5% gemiddeld stijgen
per jaar.
Indien de afname van het kapitaal bv. maar 3% per jaar
is, zijn er goede redenen om te opteren voor meer
langetermijn risicohoudende beleggingen.
Ik neem het cijfervoorbeeld van aandelen of vastgoed :
Kapitaal van het pensioenfonds groeit met gemiddeld 9,5%
per jaar en de afname is 3% per jaar, netto is dit een
aangroei van 6,5% per jaar, hoger dan de eerder vermelde
5,5%.
Hierdoor kan de gepensioneerden een merkelijk hoger
bedrag per jaar uitbetaald worden.
"Adverse
Selection"
Een bedreiging voor elk verzekeringssysteem is dat
sommige klanten over meer informatie beschikken [over
zichzelf] dan de verzekeraar en daardoor kunnen beslissen
van juist wel of juist niet een verzekering af te sluiten.
In dit geval zullen personen die menen nog een lang en
gelukkig leven te hebben zulk een pensioenstelsel
interessant vinden en personen die weten dat ze niet lang
meer te leven hebben [bv. 6 maanden] liever niet
deelnemen.
Mijn inschatting is dat op het ogenblik dat men moet
beslissen om toe te treden tot het pensioenstelsel, deze
laatste groep vrij klein in aantal is en weinig invloed
heeft op het mechanisme.
Een ander kenmerk is het geslacht, het verschil in
levensduur tussen beide geslachten is ongeveer 6 jaar.
Het zou er kunnen op neer komen dat leden van de ene
sekse gemiddeld over de duur dat zij van dit extra-pensioen
genieten, gemiddeld een groter bedrag zullen ontvangen.
Toch denk ik dat een overheid zich niet moet inlaten met
het discrimineren tussen de deelnemers [zoals een
verzekeringsmaatschappij wel zou doen] en de
pensioenberekening voor iedereen identiek moet houden.
Vergeet niet dat dit pensioenstelsel twee aspecten heeft
: vermindering van het risico tussen de deelnemers
waardoor hogere pensioenen kunnen betaald worden maar
anderzijds een deelname aan de economische groei via
dividenden uit het nationaal inkomen.
Dit laatste maakt dat de pensioenuitkeringen stijgen
volgens een exponentiële [bv. 5.5% per jaar gemiddeld].
Zelfs al zou men qua levensverwachting benadeeld zijn
door geslacht of andere kenmerken en gegeven dat dit
slechts gemiddelden zijn en dat er heel wat spreiding zit
op deze gegevens, maakt deze langetermijngroei van de
pensioenuitkeringen deelname nog erg interessant.
Voorbeeld van
een eenvoudig pensioenstelsel waar 1 deelnemer per jaar
toetreedt en de deelnemers twee jaar overleven.
De kapitaalinbreng is 100 bij het begin en stijgt met 5%
per jaar, kapitaal dat niet uitgekeerd wordt kan belegd
worden aan 4% per jaar.
In dit geval is de uitkering zeer eenvoudig gehouden en
gelijk aan het kapitaal van het pensioenfonds gedeeld
door het aantal gepensioneerden en gedeeld door het
aantal levensjaren [2]. De pensioenuitkeringen en de
rente worden berekend uit het kapitaal van de vorige
periode, dus uit de vorige lijn. In dit geval merkt men
enige onstabiliteit bij het pensioenbedrag in de eerste
jaren omdat de spelregels hier te eenvoudig zijn. Nadien
is de groei wel stabiel met 5% per jaar.
Jaar
Gestort
n Pensioenen
Pensioen
Tot. Pensioen
Rente
Kapitaal
groei pensioen
0
100.00
0
0.00
0.00
0.00
100.00
1
105.00
1
50.00
50.00
4.00
159.00
2
110.25
2
39.75
79.50
6.36
196.11
0.80
3
115.76
2
49.03
98.06
7.84
221.66
1.23
4
121.55
2
55.42
110.83
8.87
241.25
1.13
5
127.63
2
60.31
120.62
9.65
257.90
1.09
6
134.01
2
64.48
128.95
10.32
273.28
1.07
7
140.71
2
68.32
136.64
10.93
288.28
1.06
8
147.75
2
72.07
144.14
11.53
303.42
1.05
9
155.13
2
75.85
151.71
12.14
318.98
1.05
10
162.89
2
79.74
159.49
12.76
335.14
1.05
11
171.03
2
83.78
167.57
13.41
352.01
1.05
12
179.59
2
88.00
176.00
14.08
369.67
1.05
13
188.56
2
92.42
184.84
14.79
388.19
1.05
14
197.99
2
97.05
194.09
15.53
407.61
1.05
15
207.89
2
101.90
203.81
16.30
428.00
1.05
16
218.29
2
107.00
214.00
17.12
449.41
1.05
17
229.20
2
112.35
224.70
17.98
471.88
1.05
18
240.66
2
117.97
235.94
18.88
495.48
1.05
19
252.70
2
123.87
247.74
19.82
520.25
1.05
20
265.33
2
130.06
260.13
20.81
546.27
1.05
extra pensioen ... de vijfde
pensioenpijler
2650 Edegem.