| |
Stevige, dikke schelp met ongeveer 24 ribben die door concentrische richels (= ringen, evenwijdig met de rand) overkruist worden. |
| |
Er zijn meestal duidelijke groeilijnen waar te nemen. |
| |
Aan de binnenzijde vervagen de groeven voor ze de mantellijn bereiken. Op de tweede foto duidt de zwarte lijn de mantellijn aan. |
| |
Er is geen mantelbocht. |
| |
Het slot van de rechterklep heeft zowel vooraan als achteraan telkens 2 laterale tanden, de linkerklep heeft er telkens maar één. |
| |
Ze leven op alle soorten zand van gemiddeld water- niveau (= halfweg laag- en hoogwater) tot dieper. |
| |
Aan de vloedlijn liggen er vaak levende exemplaren in witte schelpen. |
| |
Als de kokkel allang dood is, verkleuren de kleppen tot grijs, blauw, bruin of beige. |
| |
Komt zeer algemeen voor. |
| |
Vergelijk met brakwaterkokkel. |