zeepieren
Bij laag tij vind je kleine wormvormige hoopjes of 'tandpastahoopjes'. Dit zijn de uitwerpselen van de zeepier. Aan onze kust kan je twee soorten aantreffen. De woonplaats van beide soorten is vrij gemakkelijk van elkaar te ondesrcheiden:
Arenicola marina (Linnaeus) Arenicola defodiens (Cadman en Nelson-Smith)
De 'leegloper' of 'aasworm' maakt onregelmatige hoopjes en leeft in een U-vormige gang. Aan de kopzijde van de gang vind je een trechtervormig kuiltje op ongeveer 15 cm van het hoopje uitwerpselen.
De hoopjes van de 'Franse of zwarte tap' zijn veel regelmatiger. Deze soort leeft in een J-vormige gang. Vandaar dat je alleen maar de uitwerpselen vindt.
Beide soorten vind je bij laag water. De leegloper leeft wat hoger op het strand dan de zwarte tap.
De leegloper wordt zowat 20 cm terwijl de zwarte tap tot 30 cm lang wordt.
De zwarte tap is donkerbruin tot zwart (vandaar zijn naam), de leegloper purper, groen, donkerbruin of zwart.
'leegloper' of 'aasworm' 'Franse of zwarte tap'
De zeepier slikt het slijkerige zand in (trechtervormig kuiltje) en na vertering van de voedingsstoffen verlaat de rest het lichaam langs de aars en vormt een wormvormig hoopje.
Zeepieren komen in zeer grote aantallen voor. Het zijn erg nuttige dieren. In het zand en de modder is er heel veel afval van gestorven plantjes en dieren aanwezig. Dat wordt door de zeepieren als voedsel gebruikt. Het zijn dus echte schoonmakers! Deze zeepieren worden 'gestoken' door hengelaars om ze als aas te gebruiken bij het vissen. Ze zijn eveneens voor vele vogels een lekkere hap.
In Nederland gebruikt men ook de namen wadpier (Arenicola marina) en zwarte wadpier (Arenicola defodiens)
Bron: Jan Seys schreef een uitgebreid artikel over beide zeepieren in 'De Grote Rede', het informatieblad uitgegeven door het VLIZ, Vlaams Instituut voor de Zee (nummer 3, december 2001)