TERUG

Waarom een Hollander een Vlaming (halve) is.

De vaderlandse geschiedenis zoals die op onze scholen wordt onderwezen staat vol
verdraaiingen en opzettelijke weglatingen.
Ook het beeld dat van onze noorderburen werd geschilderd door de Belgische historici
daarin gesteund door de katholieke overheid, is steeds negatief geweest en zelfs een
van afkeer.
Hier zal aangetoond worden dat die Hollanders voor een groot gedeelte afkomstig
zijn uit onze kontreien.
1585 was een cruciaal punt in onze geschiedenis, de onzalige scheiding tussen Noord-
en Zuid-Nederland werd toen bezegeld.
In die tijd waren de verhoudingen tussen Noord en Zuid totaal anders. Brabant en
Vlaanderen staken industrieel en cultureel torenhoog uit boven de andere provinciŽn.
Ook qua bevolkingsaantal was de verhouding verschillend.
De bevolkingsdichtheid was veel groter in het zuiden. Trouwens de grondoppervlakte
wegens de aanwezigheid van waterzieke gronden was kleiner in het noorden.


Mistoestanden in de kerk hadden aanleiding gegeven tot het verspreiden van de
geschriften van Luther en later van Calvijn.

Vooral in de Westhoek met Hondschoote, ArmentiŤres, Valencijn en Ieper was een
lompenproletariaat ontstaan.
Dit als gevolg van de crisis in de lakennijverheid en eveneens door het niet behoren
tot de gildenstructuur zoals die bestond in steden zoals Brugge en Gent.
Dit lompenproletariaat was zeer gevoelig voor oproerkraaiers.

Vanuit Hondschoote breidde de beeldenstorm zich uit over de lage landen – 1566.

In Spanje was men met verstomming geslagen. PhilipsII stuurt zijn meest
hardvochtige krijgsman om de puntjes op de i te zetten.
Tallozen worden tot de brandstapel verwezen. Egmont en Hoorn worden onthoofd.
De opstandige bevolking vlucht alle kanten uit.
Nog later na de val van Antwerpen in 1585 wordt de vlucht nog algemener.
Brugge verloor ongeveer de helft van zijn inwoners.
Mechelen ging van 30000 zielen in het jaar 1550 naar 11000 in 1590.
Antwerpen met zijn 100.000 inwoners voor 1585 zakte naar 55000 inwoners erna.
Waar ging die vlucht naar toe en hoe verliep ze.

Vanuit de zeeprovinciŽn Vlaanderen, Zeeland,Holland en Friesland was de vluchtrichting
vooral het nabijgelegen Engeland, waarmee om handelsredenen, zie de wolhandel,
al nauwe betrekkingen werden onderhouden.

Vanuit Brabant en de andere provinciŽn was de vluchtrichting meestal Duitsland.

In Londen kreeg bij koninklijk charter de “Nederduytsche ghemeynte te Londen”
beschikking over de nog steeds bestaande kerk “Auston Friars”, momenteel voor
Nederlands- en Afrikaanssprekenden.
De inwijkelingen waren gegeerd omdat zij technisch onderlegd waren in de voor die
tijd zeer moderne textielsoorten zoals draperie, sajet, baai en saai.
Zij werden strangers genoemd en overtroffen in heel wat steden soms in aantal de
autochtone bevolking.

De meest gegeerde bestemmingen waren Sandwich, Nordwich, Canterbury en Ipswich.
Sandwich ligt even buiten Ramsgate, nog steeds kan men daar “The dutch house” vinden.

In de nabijheid van Ipswich ligt het dorpje Lavenham waar aan toeristen nog steeds met trots “the flemish weavershouses” getoond worden.
In Norwich had de ingeweken calvinistische gemeente een eigen college, dat  “de Politycke Mannen” werd genoemd. Dit college regelde de “gemeyne zaecken der Duytsche Kercke”
Dit college was samengesteld uit 8 Vlamingen en 4 Walen. Er waren heel wat walen gevlucht  uit Waals-vlaanderen, ArtesiŽ en Henegouwen.
 De Engelsen noemden dit college “the eight and four”.

Stilaan sloeg de sfeer van verwelkoming om in een sfeer van afgunst om de welstand van
de ijverige inwijkelingen.

Er werden pamfletten aan de kerkdeuren van de Vlaamse gemeentes gehangen met als tekst:
“2336 prentices and journeymen” stonden klaar om “Flemings and strangers” af te maken.

Naar de Duitse Landen
Tijdens het ancien regime was Duitsland een lappendeken van vorstendommen en ministaatjes.
Uiteraard vertrokken de Nederlandse vluchtelingen vooral naar streken waar een protestantse
vorst aan het hoofd stond.
Het grootste gedeelte van deze vluchtelingen waren Brabanders, voornamelijk Antwerpse
kooplieden.

De steden naar waar gevlucht werd waren Luthers van confessie wat moeilijkheden gaf met de
calvinistische overtuiging van de vluchtelingen.
In Hamburg stichtten de Nederlanders daarom een gemeente in het plaatsje Altona,
aan de Elbe, waar zich nu de beruchte Reeperbahn bevindt.

De Oostfriese stad Emden was ook een geliefd toevluchtsoord.Het raadshuis van Emden
werd gebouwd door Antwerpenaar Laurens van Steenwinkel.
Het is dan ook een getrouwe kopie van het stadhuis van Antwerpen.
Naar Duisburg vluchtte Mercator waar hij ook overleed.

Keulen was de toevlucht vanVanWesenbeke evenals van Jan Rubens, vader Pieter Paul.
Vondel werd in Keulen geboren uit Antwerpse ouders.

Frankfurt am Main
Na de val van Antwerpen verplaatste zich een groot gedeelte van het reusachtige beurs-
en handelsverkeer niet alleen naar Amsterdam maar ook naar Frankfurt.
Daardoor werd deze stad de eerste Duitse geld- en beursplaats.

 Een groot gedeelte van de vluchtelingen kwam uit Antwerpen. Men heeft nagegaan
dat van de 110 grootste belastingbetalers in Frankfurt er 76 uit Zuid-nederland kwamen.
Dus meer dan de helft.
Het ligt voor de hand dat de rijkdom en economische macht van de vreemdelingen tot
veel naijver leidde.
De stedelijke overheid nam maatregelen: alleen vreemden met een vermogen mochten
een beroep uitoefenen.
In 1561 eiste de Lutherse geestelijkheid dat de calvinistische vreemdelingen zich aan
de lutherse confessie zouden onderwerpen en zoniet dat zij de stad zouden verlaten.
Na onderhandelingen met Frederik III , vorst van de Palts en calvinist werd hen
toegstaan zich te vestigen in de verlaten abdij van Gross-Frankenthal.
Als het verzet tegen vreemden toenam vertrokken er steeds meer naar Frankental.
-Vrankendale- waar een calvinistische gemeente werd opgericht.

Frankental werd zo groot dat er een kanaal naar de Rijn moest worden aangelegd.
De bevolking bestond uit lakenmakers,zijdewevers en vooral tapijtwevers.

Er werd zelfs een eigen schilderschool opgericht.
In 1689 werd Frankental grondig verwoest door Franse troepen.

De vluchtelingenstroom naar de bevrijde provincies
Bij de komst van Alva en als gevolg van zijn wrede optreden tegen zij die het gezag van
Spaanse koning afwezen werd gevlucht naar Engeland en Duitsland.
Frankrijk was uitgesloten want daar was een katholieke koning aan het bewind.
Ook niet naar de noordelijke provinciŽn van de Nederlanden want ook daar was
het Spaanse leger actief.
Maar later als door gebrek aan geld voor de huurlingsoldaten en nog later als de
opmars van Farnese na de val van Antwerpen bleek te stoppen, kwamen de meeste
vluchtelingen terug naar de bevrijde gebieden in het Noorden.

Omdat daar hun eigen taal gesproken werd en omdat gebruiken en gewoonten

Meer aanleunden bij de hunne.
DE steden van het noorden hadden behoefte aan de meer bekwame vaklui uit
het zuiden. Vooral wevers waren zeer gevraagd.
De noordelijke Nederlanden op weg naar hun onafhankelijkheid misten een
gedegen handelskennis, ondernemingsdurf en kapitaal. Deze tekorten werden
voor een belangrijk deel aangevuld door de landgenoten uit het zuiden.

Amsterdam – Nieuw Antwerpen.
In 1566 telde Antwerpen 100.000 inwoners en Amsterdam slechts 30.000.

Iets meer dan twintig jaar later was het inwonertal van Antwerpen gezakt naar 45.000

En dat van Amsterdam gestegen in 1622 naar 104.000 .

In hetzelfde jaar was een derde van alle inwoners afkomstig uit het zuiden

Textielstad Leiden.
Het Spaanse beleg van 1573-1579 had in Leiden een enorme schade aangericht.
Voor de heropbouw en heropleving werden in 1577 Vlaamse textielwerkers uit
Engeland aangetrokken.
Die uit Brugge waren bekend om hun fusteindproductie, uit Rijsel de cangeantenproductie
en uit Duffel de vervaardigers van dekens.
In 1582 kwam uit Hondschoote de saaiÔndustrie en die van de nieuwe draperie.
Dit stadje was grondig geplunderd en vernietigd.
De overstap van de zware wol naar linnen en katoen werd door de komst van deze
vakbekwame werkers mogelijk gemaakt.
De productie steeg van 1000 stuks in 1582 naar 150.000 stuks in 1661.
Ook hier steeg het inwoneraantal in enkele jaren van 12.000 naar 70.000.
Naar Leiden kwamen ook, Plantin als drukker, Dodoens en Lipsius als universiteits-
medewerkers. De Leidse firma Elsevier kwam oorspronkelijk uit Leuven waar men

gevestigd was in een pand met als uithangbord “’t Helse Vier”, vandaar de naam.

Bierstad Haarlem.
Tussen Antwerpen en Haarlem bestonden reeds lang relaties. Bier werd uit Haarlem

aangevoerd per schip. In 1573 werd Haarlem door de Spaanse legers veroverd en
geplunderd.
Na de val van Menen in 1578 kwam van daaruit een grootscheepse volksverhuizing
stand. Voor die datum draaiden in Menen nog 700 weefgetouwen. In 1597 waren er
slechts 53 overgebleven.
Ook inwoners van Kortrijk en Kamerrijk brachten door hun deskundigheid de textiel-

nijverheid in Haarlem op een hoger niveau.
Van de ongeveer 14.000 inwoners in 1570 steeg de bevolking naar 39.000 in 1622.

Meer dan de helft van de leden van de Nederlands hervormde kerk  was afkomstig uit
 Brabant of Vlaanderen.

Zeeland.
In Zeeland begon de opstand der watergeuzen.
Zij veroverden in 1572 de haven van Vlissingen. In deze stad kwam in 1584 de eerste
Waalse kerkgemeente tot stand met vluchtelingen uit Doornik.

Ook Middelburg werd ingenomen. Na de val van Antwerpen ontwikkelde Middelburg zich tot een belangrijke handelsstad. Zij had na die val schepen naar Antwerpen gestuurd om
vluchtelingen op te halen. Haar inwoneraantal verdrievoudigde.

Veere, stapelplaats van Schotse wol, trok oorspronkelijk mensen uit Mechelen aan maar later vooral uit Oostende.

Ook Zierikzee, Goes ontvingen veel vluchtelingen.
Deelname van Brabanders en Vlamingen aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie .
De V.O.C. was de eerste naamloze vennootschap en de grootste multinational van de 17e eeuw.

Ze startte met een kapitaal van 1.500.000 gulden. Daarvan was de Zuid-Nederlandse inbreng
926.460 gulden.

Heel wat van de bewindvoerders en gouverneurs van de VOC waren zuid-nederlanders.
Jacob Lemaire, zoon van een Antwerpenaar, ontdekte de straat Lemaire.

Brabanders zorgden door hun superioriteitsgevoel in Amsterdam voor controverses. Vlamingen, die in groter aantal neergestreken waren in Leiden en Haarlem, waren meer bescheiden dan de Antwerpenaars.
Bredero laat de Spaanse Brabander Jerolimo over het taal gebruik van de Hollanders het volgende zeggen:
“Een ding jammert mij, dat gij zo bot Hollants sprect.
O, de brabantsche taal die is heerlijck modest en vol perfeccy,
so vriendelijke, so galjart en so vol correccy,
want die ons verstaat, verstaat alle talen.
De bijbel: de wortel van het Nederlands
Net zoals de bijbelvertaling van Maarten Luther van bijzonder belang is geweest voor de ontwikkeling van de Duitse taal, is ook de statenbijbel van onschatbare betekenis geweest
voor de eenheid van de Nederlandse standaardtaal.

Bij de vertaling uit het Grieks en hebreeuws werd er gestreefd naar een in alle Nederlandse
gewesten verstaanbare taal.
Vier jaar voor zijn dood werd de vertaling toegewezen aan Marnix van Sint Aldegonde.
Hij kon alleen het eerste boek Genesis voltooien.
De Dordtse synode benoemde een team van bekwame vertalers.

Heel wat vooraanstaande Vlaamse en Brabantse geleerden hebben aan deze onderneming
deelgenomen.

Bibliografie – gelezen boeken:
De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders – Gustaaf Asaert
Eenheid en Scheiding – Prof.dr.L.J.Rogier
Tussen vrijheidsstrijd en burgeroorlog – j.j.Woltjer
Noord- en Zuid – Prof.Dr.P.Geyl


TERUG