website dokter johan naesens

Huisarts Johan Naesens

Stakendijke 25 - 8340 Sijsele
Tel: 050 35 11 18
riziv: 1-32877-13-004

    e-mail dokter johan naesens    johan.naesens@digitown.be


 huisarts johan naesens
   home
 

LABO ONDERZOEK

 


 

 

TUMORMARKERS

Dikwijls vragen patiënten eens bloed te trekken en eens "alles goed te laten onderzoeken op kanker". Spijtig genoeg bestaat dit niet. Buiten de PSA bestaat er geen enkele kankermerker (= tumormarker) die goed genoeg of specifiek en gevoelig genoeg is om een diagnose te stellen.

De diagnose van een of andere kanker kan dus enkel gesteld worden door een samengaan van de klachten van de patiënt, het klinisch onderzoek, technische onderzoekingen zoals radiografie, endoscopische onderzoekingen, CT ... en soms ook de tumormarker die specifiek is aan die speciale soort kanker.

Het belangrijkste echter in de diagnose van kanker is nog altijd de cytologie: een stukje van het weefsel dat microscopisch onderzocht wordt en de diagnose bijna 100% zeker maakt.

 

WAT

Tumormarkers zijn stoffen die in abnormale hoeveelheden geproduceerd worden door sommige kankers en in het bloed teruggevonden worden. Zo kunnen zij een diagnose richting geven of een bepaalde tumor aanwezig is of bij gekende tumoren de graad van activiteit of de hoeveelheid tumor aanduiden.

Meestal echter worden tumormarkers gebruikt in het opvolgen van de kanker, het effect van de behandeling of het opnieuw actief worden van de ziekte.

En dikwijls is de evolutie van de tumormarker dan nog belangrijker dan zijn titer. Als de tumomarker stabiel blijft, betekent dat vaak dat er geen belangrijke ziekte-evolutie meer is.

Een voorwaarde voor een goede tumormarker is dat hij:

  • gevoelig genoeg is: dit wil zeggen dat hij aanwezig is als er tumorcellen aanwezig zijn; dus geen vals negatieve resultaten oplevert.
  • specifiek genoeg: dit wil zeggen enkel stijgt als die tumor aanwezig is en niet stijgt bij andere ziektes; dus geen vals positieve resultaten oplevert.

En daar schuilt juist het probleem: de meeste tumormarkers zijn of niet gevoelig en/of niet specifiek genoeg. Vandaar dat ze meer een hulpmiddel zijn bij het volgen van de behandeling dan een methode om de diagnose te stellen.

 

SOORTEN

Schema: klik hier voor het schema.

Borst
CA 15.3 , CEA
Follow-up
Colorectaal
CEA
Follow-up
Maag, galweg, panreas
CA 19.9
Follow-up
Prostaat
PSA
Follow-up + Screening
Primair leverkanker
Alfa foetoproteine (AFP)
Follow-up + Diagnose
Ovarium
CA 125
Follow-up
Kiemcel tumoren (testis, ovarium)
Alfa foetoproteine (AFP), Beta HCG
Follow-up + Diagnose
Choriocarcinoma
Beta HCG
Follow-up + Diagnose
Longen:
kleincellig-long-carcinoom (SCLC)
NSE
Follow-up + Diagnose
Thyroid (schildklier):
gediffer. schildklierca
Thyroglobuline
Follow-up


Hier volgt nu een lijst van de meest gebruikte tumormarkers.

CA 15.3: borst (<25U/ml)

Vooral belangrijk in de follow-up na primaire behandeling van borstkanker om tijdig een recidief (terugkomen) of metastasering (uitzaaien) in de lever en in de longen en in nog sterkere mate in het bot vast te stellen en een behandeling op te starten.

  • Weinig gevoelig: veel borstkankers hebben geen verhoging van hun CA 15.3 . Die tumormarker wordt dan ook niet gebruikt in het opsporen van borstkanker.
  • Weinig specifiek: is ook aantoonbaar in serum van patiënten met adenocarcinomen in andere weefsels en organen zoals het ovarium, maag, lever of prostaat, maar ook bij goedaardige gynecologische aandoeningen en nierinsufficientie.

CEA: colon / borst / long (<3,4 ng/mL)

  • Roken doet de CEA stijgen, maar niet zo erg als een CEA producerende tumor. (maximaal tot 10)
  • Als hulpmiddel bij diagnosestelling van colon-rectale tumoren en differentiële diagnostiek van levertumoren en levermetastasering.
  • Follow-up van colorectale tumoren en mammacarcinoom waarbij vooral metastasen een sterke verhoging geven. De preoperatieve uitgangswaarde van CEA heeft prognostische betekenis. Operatief verwijderen van een CEA producerend tumor leidt in enkele weken tot lage CEA waarden. Nieuwe stijging van het CEA duidt op hernieuwde activiteit van de tumor vóór dit klinisch manifest is.
  • Een daling van CEA tijdens chemotherapie wijst meestal op tumorrespons.
  • De follow-up van patiënten met mammacarcinoom is zinvol met het oog op opsporing van botmetastasen (voor de follow-up van borstcarcinomen is CA 15.3 een goed alternatief).
  • Levermetastasen van maag-, darm- en pancreascarcinomen geven in meer dan 50% van de gevallen een CEA-stijging tot boven 8-10 x de bovengrens van normaal. Veelal bevatten metastasen meer CEA dan de primaire tumor.
  • Lage specificeit: CEA is zeker niet specifiek voor colorectale tumoren: het wordt ook gevonden bij andere tumoren zoals borst- of longtumoren, maar ook bij tumoren van maag, pancreas, cervix, blaas,
  • Lage gevoeligheid: Sommige darmtumoren veroorzaken helemaal geen CEA-stijging. Dit is vooral het geval voor weinig gedifferentieerde darmtumoren. Vooral de matig of goed gedifferentieerde darmtumoren produceren CEA. Tevens moet gewezen worden op het feit dat in het beginstadium de tumor niet noodzakelijk aanleiding geeft tot een verhoogd serum CEA. Omwille van die lage gevoeligheid heeft CEA bepaling geen enkele plaats in de screening voor colorectale tumoren.

CA 19.9: pancreas (< 37 kU/l)

  • Vooral bij de follow-up van patiënten met pancreascarcinoma. CA 19.9-analyses zijn ongeschikt voor screening
  • 7-10% van de bevolking is per definitie negatief voor CA 19.9.
  • Lage specificeit: CA 19.9 is verhoogd bij galwegcarcinoma (67% ), maagcarcinoma (41%), colorectale carcinoma (34%), slokdarmkanker (22%). Ook levercirrose en acute cholangitis kunnen hoge waarden van CA 19.9 geven.
  • Lage gevoeligheid: bij beginnende kleine pancreasca is bij minder dan 30% de CA 19.9 gestegen.

PSA: prostaat (0.0 - 4.4 ng/mL)

Prostaatspecifiek antigeen (PSA) is een stof die bijna uitsluitend in de prostaat voorkomt.

  • Opsporen en follow-up van prostaatcarcinoom. Het effect van therapie kan met bepaling van PSA uitstekend gevolgd worden
  • Door beschadiging van de prostaat zoals door prostatitis (= prostaatonsteking), langdurig fietsen, prostaatcarcinoma komt deze stof in het bloed waar ze kan gemeten worden.
  • Ook bij het ouder worden kan het PSA-gehalte in het bloed stijgen zonder dat er afwijkingen aan de prostaat worden gevonden maar enkel te wijten aan de vergroting van de prostaat.


  •  Leeftijd  Waarde
     40 tot 49 jaar  2,5
     50 tot 59 jaar  3,5
     60 tot 69 jaar  4,5
     70 tot 79 jaar  6,5
  • Voor een goed interpreteerbare uitslag bij randwaarden is het belangrijk 3 dagen voor de test niet te fietsen of seks te hebben.
  • Ook de PSA snelheid en de PSA-verdubbelingstijd kunnen helpen in de juiste interpretatie. Zie artikel PSA en prostaatkanker.
  • Bij randwaarden kan de verhouding tussen vrij PSA en totaal PSA (free ratio) gemeten worden. Als deze waarde kleiner is dan 0,25 dan neemt de waarschijnlijkheid voor prostaatkanker toe.
  • Aanvullend dient bij gestegen PSA zeker een rectaal onderzoek te gebeuren.
  • Bij nieuw-gediagnosticeerde patiënten wordt een PSA waarde beneden 10 bewijzend geacht voor de afwezigheid van botmetastasen.

Alfa foetoproteine (AFP) : lever / testis/ ovarium (0-20 mg/mL)

  • Diagnose en follow-up van primaire levercelcarcinomen en testis- en ovariumtumoren
  • Kiemceltumoren van de testis (testistumoren zijn voor 95% kiemcel) en ovariumtumoren. De bepaling van AFP met die van hCG is belangrijk in de diagnosestelling en bij de follow-up. (AFP alleen is verhoogd bij ongeveer 75% van deze tumoren, in combinatie met hCG is AFP en/of hCG verhoogd bij ongeveer 90%). De AFP-concentraties kunnen ingeval van een actief ziekteproces zeer hoge waarden (tot meer dan 100.000 ) bereiken. In het algemeen is er een duidelijk verband tussen de markerconcentratie en de uitgebreidheid van het tumorproces.
  • Primair levercelcarcinoom : geeft meestal zeer sterk verhoogde AFP-concentraties (meer dan 100.000). Follow-up na resectie van de tumor
  • Screening van risicogroepen. Zo kunnen bv. cirrosepatiënten of HBsAg-positieve patiënten worden gescreend op de ontwikkeling van primair levercelcarcinoom en patiënten met cryptorchisme op het ontstaan van kiemceltumoren.
  • Pas op : bij zwangere vrouwen is er eveneens een verhoogde alfa foetoproteïnegehalte. Abnormaal hoge titers van alfa foetoproteïne in het vruchtwater of in het bloed van de moeder kunnen wijzen op meerlingzwangerschap, dreigend miskraam of neuraalbuisdefecten (open rug)

CA 125 : ovarium (0-35 kU/l)

  • Follow-up van behandeld ovariumcarcinoom: een stijging van CA 125 na behandeling is een sterke aanwijzing voor recidief van de tumor. Deze stijging gaat in veel gevallen maanden tot jaren vooraf aan enig klinisch symptoom
  • Lage specificeit : gezien CA 125 ook stijgt bij andere aandoeningen van de ovaria (zwangerschap, Pelvic Inflammatory Disease (PID), uterus myomatosus, endometriosis, benigne ovariumtumoren en -cystes ) kan het als diagnose middel niet gebruikt worden. Eveneens stijging bij endometriumca, longca, borst en maagdarmca.
  • Lage gevoeligheid: slechts 80% van de ovariumcarcinomen hebben gestegen CA 125.


Beta HCG : choriocarcinoma / testis/ ovarium
(< 5 IU/L)

  • Diagnose en folluw-up van trofoblast tumoren (m.n. persisterende trofoblast, 'placental site trophoblastic tumour' en choriocarcinoom) : bij deze tumoren heeft hCG zowel een specificiteit als gevoeligheid van 100%.
  • Kiemceltumoren van de testis en vergelijkbare ovariumtumoren. De bepaling van hCG (samen met die van alfa foetoproteïne, AFP) wordt hierbij toegepast als monitor van het effect van de therapie en in de follow-up.

NSE (Neuronspecifiek enolase) : long (7,5-15 mg/mL)

  • Follow-up en mogelijks differentieel diagnose van patiënten met kleincellig-long-carcinoom (NSE is positief in 60-80%)( 25 % van het totale aantal longkankers) en neuro-endocriene tumoren (neuroblastoom, carcinoïd, melanoom). Niet voor andere longkankers.
  • Normaliseren van de NSE-waarde na chirurgie geeft het succes van de operatie aan of het effect van de chemotherapie.

Thyroglobuline (Tg)

  • Bij follow-up van van gedifferentieerde schildkliercarcinomen.
  • Bij gedifferentieerde schildkliercarcinomen (folliculaire of papillaire carcinomen) is een verhoogde afgifte van Tg aan het bloed meetbaar. Niet Tg-secreterende gedifferentieerde carcinomen of metastasen komen echter voor. Niet-gedifferentieerd schildkliercarcinoom en het medullair schildkliercarcinoom produceren geen Tg.
  • Bij de acute fase van thyroïditis, congenitale TBG-deficiëntie, TRH-toediening, hoge jodiumopname, endemische struma, multinodulair struma, de ziekte van Graves en benigne schildklieradenomen is Tg ook verhoogd.

 



© Dossier labo tumormarkers - created by digitown webdesign   

Deze advertenties van Google vallen buiten mijn verantwoordelijkheid