Klik hier voor informatie voor informatie voor T'shirts.


 Home 

 Squash

 Activiteiten

 Je ranking

 Training

 Lessen

 Interclub

 Michel's corner

 Interclublijsten

 Laddercompetitie

 Tarieven

 tornooien

 Jeugd

 AA-drink

 Spalding

 Reglementen


 Basis en spel


 let en stroke


 Games

 Contact


 Foto's



 On-line  squashreservatie


 Links




    Basis en spel.

    Basistactieken.  

Hieronder vind je 8 basistactieken die je in een squashwedstrijd gegarandeerd een voordeel geven ten opzichte van je tegenstander:

1.  Beheers de T-positie

Squash is als een fysisch schaakspel.  De basistactiek bestaat erin het gebied rond de "T" te beheersen en zo je tegenspeler zo veel mogelijk naar de 4 hoeken te laten lopen, liefst in diagonale vorm.  Hoe goed de conditie van je tegenspeler ook is, hij zal vlug uitgeput worden.

2. Maak geen onopzettelijke fouten

Squash is een spel met zowel mentale als fysieke druk.  Om je tegenstander steeds onder druk te zetten is het belangrijk geen onopzettelijke fouten te maken.  De winnaar is niet altijd de speler die de meeste winnende shots slaat, maar gewoonlijk de speler die de minste fouten begaat.


3. Speel de bal goed rechtdoor of sla goede lenghts

Te veel spelers willen te vroeg in het spel winnende shots slaan.  Wanneer je een winnend shot wil slaan, dan moet je eerst je tegenstander dwingen een zwak of minder goed shot te spelen.  Dit is zeer belangrijk.  Je bereikt dit meestal door een goede length naar de achterste hoeken te spelen en zo dwing je de tegenstander om meestal enkel de bal terug te slaan zonder daarom een winnend shot te spelen.


4. Sla de bal met kracht

De bal met veel agressiviteit en nauwkeurigheid spelen kan je tegenstander uit evenwicht brengen.  Deze manier van spelen kan veel efficiënte shots uitschakelen van een tegenspeler die de bal niet met kracht slaat.


5.  Bepaal de snelheid van de bal

Door zelf de snelheid van de bal te bepalen kan de tegenspeler onzeker worden wanneer deze kiest voor een krachtig en dus snel spel.  Als je de bal dicht bij de zijmuren kan spelen, zal de speler die met kracht slaat, gefrustreerd raken en fouten maken.


6.  Speel de bal vroeg en in volley

Een aanvallende speler is niet enkel die speler die met kracht slaat, maar ook de speler die een volley of half-volley speelt wanneer hij ook maar de kans krijgt.  Bij een volley sla je de bal zonder dat deze op de grond botst.  Door zo te spelen zal je tegenstander minder tijd hebben om tussen de slagen door te recupereren.


7.  Verander de snelheid van de bal

Je kan het ritme en evenwicht van je tegenstander breken door jouw shots af te wisselen en door de snelheid van de bal te veranderen tijdens het spel.


8.  Speel shots om het spel te vertragen of om te misleiden

Probeer misleidende en vertragende shots te spelen.  De speelwijze van een speler die altijd volgens een bepaald patroon speelt, wordt vlug doorzien.  Het is bovendien vervelend tegen zo'n tegenstrever te spelen. 


Basistechniek forehand en backhand.

Om een goede squasher te worden, moet je verschillende facetten van het squash beheersen.  Naast een goede conditie en tactisch inzicht, is een correcte techniek noodzakelijk.  Enkel zo krijg je controle over de bal en ben je in staat om de druk van de tegenstander te weerhouden. 

Belangrijk is dat je je racket op de juiste manier vasthoudt. 

 

1. Positie van de vingers?         

duim boven top middelvinger; wijsvinger boven duim en middelvinger.





2. Waar op het racket? 

linkerkant van handvat van racket (voor rechtshandige) zou de natuurlijke lijn tussen duim en wijsvinger moeten volgen
(rechterkant voor linkshandige)

  


3. Positie van de pols?

Breng je pols in een opwaartse beweging omhoog zonder je voorarm te bewegen.





                               

De forehand length en de backhand length zijn de belangrijkste slagen in het squash.  Zo laat je je tegenstander naar de achterste hoeken bewegen.  We geven een kort overzicht van deze basisslagen aan de hand van foto's.  Zo weet je meteen waar je op moet letten. 

Forehand length:



1.  Achterzwaai : Met je schouders richting de zijmuur(schouders evenwijdig met de zijmuur)houd je het blad van je racket
                               open en omhoog en je pols rechtop.  De elleboog moet gebogen blijven en op een beetje afstand van het
                               lichaam.

2. Instappen : Met je linkervoet (voor rechtshandige) en richting zijmuur

3. Evenwicht : Buig door je knieën zodat je stevig staat en je lichaamsgewicht op je linkervoet zetten.




4. Neerwaartse beweging : Tijdens de slag komt de elleboog eerst, dan het onderste deel van het racket en dan het blad van
                                                het racket.

5. Contactpunt : Op een comfortabele afstand tegenover de linkerknie (voor rechtshandige).  Tijdens de slag verplaats je je
                              gewicht van je rechter naar je linkervoet.





6.  Uitzwaai : Hiermee bepaal je de richting van de bal.  Je zwaait je racket door in de richting van de plaats van de bal op de
                        voormuur.  Draai niet mee met je lichaam om de zwaai te versterken. 



Backhand length:




1. Achterzwaai : Belangrijk is dat je je racket terug brengt naar het begin van de achterzwaai voordat de aankomende bal de
                              grond raakt.  Zijwaartse stand met lichaam en schouders parallel met de zijmuur.

2.  Instappen
: Met je rechtervoet (voor rechtshandige) en richting zijmuur.

3.  Evenwicht
: Buig door je knieën zodat je goed stevig staat.  Houd je schouders stil. 









4. Neerwaartse beweging : Hier is het nodig dat je de oorspronkelijke positie van het racketblad en je pols behoudt.  Het
                                                racket wordt naar beneden gebracht met de beweging van de arm, niet van schouders of
                                                heupen. 

5.  Contactpunt
: Op een lijn met je voorste voet of een beetje er voor, ter hoogte van de rechter knie (voor rechtshandige).
                               Verplaats je gewicht van je linker naar je rechtervoet tijdens de slag.







6. Uitzwaai : Het is van groot belang dat de richting van je uitzwaai in dezelfde richting gaat als naar waar je de bal wil slaan.
                       Je moet dus eindigen in de "hoek" die je wenst te maken.  Draai niet mee met je lichaam. 





    Oefeningen:

    De enige manier om een goede lengte te leren spelen is veel oefenen. 

    Dit kan je in het begin best alleen. 

    Probeer van in het servicevak zo veel mogelijk keer na mekaar een goede lengte te spelen (zowel forehand als backhand).  De bal moet steeds in of achter het servicevak botsen.  Zo kan je telkens je "persoonlijk record" verbeteren. 

    Als dit goed lukt, kan je dit ook per 2 of 3 oefenen.  Je speelt om beurten een lengte en keert telkens terug tot aan de T.  Zo oefen je ook het correct inlopen naar de bal (niet in een rechte lijn, maar met een boogje). 

    Andere slagen:

    Naast de forehand en backhand length, worden er in het squashspel nog heel wat andere slagen veelvuldig gebruikt.  We zetten ze even op een rijtje en tonen het belang er van aan:

    Service

    Deze is belangrijk om 3 redenen:

    - de enige slag waar je volledig controle hebt over de bal; alle andere slagen worden gestuurd in een bepaalde richting door je tegenstander

    - je kan alleen punten scoren als je aan service bent

    - een goede service brengt je meteen in een aanvallende positie

    Terugslag van service

    Bedoeling is om je tegenspeler te laten bewegen van zijn positie op de T naar één van de achterste hoeken.  Dit kan door een lengte te spelen ofwel een volley.

    Boast

    Dit is de slag waarbij de bal altijd eerst op de zijmuur gespeeld wordt, vooraleer deze de voormuur raakt.  Een goede boast botst vlakbij één van de voorste hoeken op de grond. 

    Lob

    Deze wordt hoog op de voormuur gespeeld, zodat de bal over de lengte van de court gaat (ook in cross court) en dan dicht bij de achterwand neerkomt. 

    Drop shot

    Dit is voornamelijk een aanvallend shot, dat zachtjes op de voormuur wordt gespeeld zodat het dicht bij de voormuur terugkomt; liefst bij één van de 2 hoeken. 

    Cross court

    Hier speel je de bal diagonaal over het court naar één van de achterste hoeken.  Zo dwing je je tegenstander naar achter en hopelijk verplicht je deze om een boast te spelen. 

    Volley

    Wanneer je de bal niet laat botsen op de grond, maar rechtstreeks terugslaat, spreken we van een volley.  Dit is een aanvallend shot omdat je het spel zo versnelt.  Je geeft je tegenstander minder kans om te recupereren.



    Oefeningen in wedstrijdvorm. 

    Hieronder vind je 4 oefeningen in spelvorm,

    die je eens per 2 moet proberen.  Je zal het merken, na

    een tijdje gaan niet alleen deze oefeningen een stuk

    beter, maar merk je ook heel wat vooruitgang als je

    een echte squashwedstrijd speelt. 

    Veel succes !!

    Spel 1:

    1. Speel volgens de gebruikelijke regels en met de volgende

    extra regels

    2.  Als de bal in de velden met pijltjes belandt, is hij uit.

    3.  Score: 3 winnende sets tot 9 (normale score) of 15 (Amerikaanse score) punten elk.

    Variante: Gebruik een 'Joker'.  Dit wil zeggen dat de bal per rally éénmaal op de grond in de velden met pijltjes mag botsen.

    Opm: Bij dit spel mag de bal ook in volley gespeeld worden.



    Spel 2:

    1. Speler A mag de bal enkel in de velden achter de middellijn spelen (met vertikale pijltjes).
    2. Speler B moet steeds een boast spelen en de bal moet in de velden vooraan belanden (horizontale pijlen).
    3. De bal is uit als hij niet in de afgesproken velden belandt.
    4. Speler B start de rally steeds met het spelen van een boast.
    5. Speler B wint een punt als hij driemaal na elkaar een boast kan spelen in de velden (horizontale pijlen).
    6. Score: 3 winnende sets tot 15 punten (Amerikaanse score).



    Spel 3:

    1. Speler A mag de bal overal op het terrein spelen, maar de bal moet altijd de voormuur boven de servicelijn raken (horizontale pijl).
    2. Speler B moet de bal altijd in de velden achter de middellijn spelen (vertikale pijlen). 
    3. Als speler B 5, 7 of 9 shots na elkaar in de overeengekomen velden kan spelen, wint hij het punt.  Als hij de bal buiten deze velden speelt, verliest hij het punt.
    4. Speler A start elke rally met een boast en samen beslissen ze het spel tot 9 of tot 15 punten te spelen.
    5. 2 of 3 winnende sets. 



    Spel 4:

    1.   Beide spelers spelen een lenght rally in forehand

    2.   De bal moet telkens nadat hij terugkomt van de voormuur eerst op de grond botsen en dan de achterwand raken.  De spelers mogen de bal ook spelen nadat hij op de grond heeft gebotst, op voorwaarde dat de bal na de eerste bots de achterwand zou geraakt hebben indien ze die niet gespeeld hadden.
    3.   De bal is uit als hij zonder te botsen de achterwand raakt.
    4.   Speel naar 2 of 3 winnende sets tot 9 punten (normale score) of tot 15 punten (Amerikaanse score).
    5.   Doe daarna hetzelfde spelletje in backhand