H-alfa waarnemingsprogramma




Overzicht


Inleiding

Sinds Coronado kwaliteitsvolle en relatief goedkope H-alfa filters en telescopen op de markt brengt, beschikken hoe langer hoe meer amateur-zonnewaarnemers over hun eigen H-alfa instrument. Deze trend is ook merkbaar binnen de Werkgroep Zon van de Vereniging Voor Sterrenkunde (VVS).

De nood aan een H-alfa waarnemingsprogramma dringt zich dan ook op. Enerzijds is het wenselijk dat iedereen die over een H-alfa instrument beschikt, op een eenvoudige manier kan instappen in dit programma. Anderzijds moet het programma voldoende flexibel zijn om een uitbreiding toe te laten. Aangezien deze waarnemingen vergelijkbaar zouden moeten zijn met deze van andere internationale werkgroepen, is het eveneens wenselijk dat dezelfde waarnemingscriteria worden gebruikt. Ten slotte is een bijdrage aan de professionele zonneastronomie ook mooi meegenomen.

Het ligt dan ook voor de hand om een waarnemingsprogramma te ontwikkelen gelijkaardig aan dat van de wit licht waarnemingen. Daar is de basis de bepaling van het Wolfgetal, en bestaat er een geavanceerd programma voor de bepaling van de hemisferische Wolfgetallen, Beckgetallen, de Classification Value, posities van zonnevlekkengroepen en Poolfakkelgetallen.

Vertaald naar H-alfa zou er als basis het tellen van de protuberansenhaarden kunnen worden genomen. Een diepgaander programma kan dan de opdeling van het aantal protuberansen volgens hemisfeer en/of zone (polair/hoofdzone) bevatten, de bepaling van het Protuberansengetal, een onderverdeling per grootte, de classificatie volgens Zirin, en breedtebepalingen. Een eventuele professionele bijdrage zou kunnen bestaan uit het bepalen van de optische classificatie en andere bijzondere kenmerken van zonneuitbarstingen, ter ondersteuning van de waarnemingen in het röntgen.

Het spreekt voor zich dat, net als bij wit licht waarnemingen, sommige waarnemers zich nog verder kunnen specialiseren. Meerbepaald wordt er gedacht aan het in beeld brengen van de diverse zonnefenomenen via (hogeresolutie) foto's of zelfs video-opnamen, en studies van chromosferische fakkels en filamenten. Voorlopig worden deze onderwerpen hier echter buiten beschouwing gelaten.

Onderstaande paragrafen bespreken meer in detail het observeren en de verschillende criteria die er gepaard gaan met het waarnemen van diverse chromosferische fenomenen.

Terug naar Overzicht.


Beeldkwaliteit

Alvorens de waarneming te beginnen, is het goed eerst een idee te krijgen van de atmosferische toestand. Enerzijds is er de seeingparameter Q. Dit is een maat voor de atmosferische onrust die gebruikt wordt bij visuele waarnemingen van de fotosfeer. Ze wordt ook gehanteerd door het SIDC, in stappen van 0,5. In de praktijk is de waarde voor Q afgeleid uit visuele waarnemingen ook van toepassing op de waarnemingen in H-alfa. Indien er geen waarnemingen van de fotosfeer worden gedaan, kan niettemin dezelfde benadering gebruikt worden, waarbij er dan naar de scherpte van het chromosferisch netwerk en de spikulen (chromosferische rand) kan worden gekeken. Zie onderstaande tabel.

QBeschrijving wit lichtBeschrijving H-alfa
5Vrijwel perfect beeld. De granulatie is goed zichtbaar over de ganse zonneschijf. Er zijn geen trillingen aan de zonnerand. De fijnstructuur in de penumbra is goed waarneembaar.Vrijwel perfect beeld. De details van het chromosferisch netwerk zijn goed zichtbaar over de ganse zonneschijf. Er zijn geen trillingen aan de zonnerand. Zelfs de fijnste spikulen zijn aan de zonnerand zichtbaar. De fijnstructuur in de filamenten is goed waarneembaar.
4Zeer kleine groepen en fakkels zijn zichtbaar. De granulatie is vrij goed te zien.Zeer kleine details in de filamenten en chromosferische fakkels zijn zichtbaar over de ganse zonneschijf. Het chromosferisch netwerk is vrij goed te zien. De rand van de zon beweegt lichtjes.
3Ook de kleinere vlekken zijn waarneembaar. De vorm van de penumbrae is goed te zien. De grootste fakkels zijn eveneens goed zichtbaar.Chromosferisch netwerk is zichtbaar over de ganse zonneschijf. Spikulen evenals de kleinere filamenten zijn waarneembaar. De vorm van de chromosferische fakkels is goed te zien. De zonnerand trilt, maar dit is nog nauwelijks te zien in de umbrae.
2Alleen de grote vlekken zijn waarneembaar. Zowel umbrae als penumbrae zijn zichtbaar.Alleen de grote filamenten zijn waarneembaar. Hints van chromosferisch netwerk. De chromosferische fakkels vervloeien in de chromosferische achtergrond. De zonnerand beweegt zeer sterk, een beweging die ook te zien is in de umbrae van zonnevlekken.
1Alleen de grote vlekken zijn waarneembaar. Penumbrae zijn niet zichtbaar, enkel de umbrae.Alleen de grootste en donkerste filamenten zijn waarneembaar. Umbrae van zonnevlekken zijn nauwelijks of niet zichtbaar. Volledig golvend beeld.

Bij de waarneming van protuberansen speelt echter ook de doorzichtigheid van de lucht een rol. Bij een slechte doorzichtigheid (bv. lichte nevel) kleurt de achtergrond in het beeldveld van het oculair rood, waardoor het zeer moeilijk wordt om kleine protuberansen of details in protuberansen nog waar te nemen. B. Wedel [1] introduceerde daarom in 1968 een doorzichtigheidsschaal W die dient te worden gebruikt bij dit soort waarnemingen. Zie onderstaande figuur en tabel.

WBeschrijving
1Hemelachtergrond is zeer donker, de protuberansen zijn zeer duidelijk te onderscheiden.
2Hemelachtergrond is donker, de protuberansen zijn duidelijk te onderscheiden.
3Hemelachtergrond is nogal licht, maar de protuberansen zijn nog steeds vrij duidelijk te zien.
4Hemelachtergrond is helder, protuberansen met moeite zichtbaar.

In de praktijk schommelt Q rond 3 en W rond 2,5. Waarnemingen met Q < 2 en W = 4 zijn te vermijden. Waarnemingen met Q = 5 en W = 1 zijn uitzonderlijk, tenzij men waarneemt vanop hoge bergtoppen. De momenten met de beste seeing/doorzichtigheid variëren naargelang de locatie, de seizoenen en natuurlijk de weersomstandigheden.

Terug naar Overzicht.


Oriëntatie van het zonnebeeld

De oriëntatie van het zonnebeeld gebeurt op dezelfde manier als bij visuele waarnemingen van de fotosfeer ([2]). Zie bijgevoegde figuur.

  1. Plaats de zon zo centraal mogelijk in het beeldveld. Kies een oculair waardoor de zon volledig in het beeldveld te zien is.
  2. Laat de kijker onbeweeglijk staan (zet de aandrijving af bij motorgestuurde telescopen). Aangezien de zon dagelijks van oost naar west schijnt te bewegen, zal ze niet langer centraal in beeld blijven staan, maar zich langzaam door dit beeldveld verplaatsen.
  3. De lijn langswaar de zon zich verplaatste, kan nu in gedachten over het centrum van de zonneschijf worden getrokken. Indien de positie van eventuele zonnevlekken goed gekend is, kan dit als bijkomende referentie gebruikt worden. De leidende zonnerand (de rand die het eerst uit beeld verdween) is de westelijke rand, de andere de oostelijke rand. Door de rotaties van de aarde en de zon, evenals de beweging van de aarde rond de zon, zullen nieuwe filamenten en protuberansen langs de oostrand verschijnen, en een tweetal weken (een halve zonnerotatie) later aan de westelijke rand verdwijnen.
  4. De oostwestlijn verdeelt de zichtbare zonnehelft in 2 gebieden: de noordelijke en de zuidelijke hemisfeer. Om te weten welke hemisfeer de zuidelijke is, wordt de zon opnieuw zo centraal mogelijk in beeld geplaatst. Beweeg de (voorkant van de) telescoop langzaam naar beneden. Het gedeelte van de zon dat het langst in beeld blijft, is de zuidelijke hemisfeer. Het gedeelte dat het eerst uit beeld verdween, de noordelijke.
  5. Door een loodrechte te trekken op de oostwestlijn en door het centrum van de zonneschijf, wordt de noordzuidas van de zon gedefinieerd. De oostwestlijn en de noordzuidas staan steeds loodrecht op elkaar. Het betreft bovendien slechts schijnbare lijnen, want...
  6. De rotatieas van de zon staat, net als die van de aarde, echter schuin op het vlak beschreven door de beweging van de aarde rond de zon. Hierdoor maakt de reële zonneas een hoek met de schijnbare noordzuidas, die bovendien verandert in de loop van het jaar. Deze hoek wordt de P-hoek genoemd en varieert tussen -27° en +27°. De hoek wordt positief geteld vanuit het noorden via het oosten. De dagelijkse waarde kan gevonden worden in de Hemelkalender van de VVS, op websites zoals BASS2000, of zelf berekend worden (zie voor de nodige formules Berekening van zonneparameters). Voor de oriëntatie van het zonnebeeld volstaat een nauwkeurigheid van 1° ruimschoots. In het voorbeeld werd een correctie uitgevoerd voor P = +20°.

Door de rotatie van de aarde veranderen de posities van de oostwestlijn en de noordzuidas doorheen de dag. Hierdoor dienen deze 2 lijnen bij elke waarneming opnieuw bepaald te worden. Het gebruik van een kruisdraadoculair verhoogt de nauwkeurigheid aanzienlijk. Er moet steeds op gelet worden dat noord en zuid niet toevallig worden omgekeerd, zeker indien er in een andere telescoop (bijvoorbeeld voor de waarneming van zonnevlekken) noord en zuid verwisseld zijn.

Terug naar Overzicht.


Waarnemingsprogramma's

Protuberansenhaarden
ProtuberansengetalZonnehemisfeerZoneClassificatieGrootteBreedteligging
HoogteOppervlakteFilamenten
Zonneuitbarstingen

Protuberansenhaarden

Net zoals zonnevlekken groeperen protuberansen zich. Het simpelste waarnemingsprogramma bestaat er dan ook uit om gewoon het aantal protuberansengroepen te tellen. Deze groepen worden ook wel haarden genoemd (naar het Duitse "Herde").

Protuberansen worden samengenomen zodra ze op 5° breedte of minder van elkaar staan. Indien protuberansen verder van elkaar staan, kunnen ze worden samengenomen zolang ze een fysische link lijken te hebben. Deze regels werden afgeleid uit 2 figuren van de Duitse werkgroep Sonne ([3] en [4]). Zie onderstaande figuur voor voorbeelden. De British Astronomical Association lijkt deze parameter te gebruiken in de bepaling van de protuberansenactiviteit (PMDF = Prominence Mean Daily Frequency), terwijl het Duitse Sonne deze gebruikt als basis voor zijn Protuberansengetal Rp.

In de figuur zijn er 6 protuberansenhaarden zichtbaar. De tweede protuberans van rechts bevindt zich op 6° van de eerste, en op 7° van de derde protuberans. Aangezien hij geen fysische link lijkt te hebben met zijn buren, wordt hij als een aparte protuberans beschouwd. In protuberans vier lijkt die link wel aanwezig. Hoewel de twee uiteinden op 8° van elkaar staan, worden ze dus toch als 1 protuberans beschouwd. Een duidelijker voorbeeld hiervan is protuberans vijf, waar de uiteinden nog verder van elkaar staan, maar de fysische link veel opvallender is (de delen van de protuberans raken elkaar bijna). In haard zes bevinden de protuberansen zich op respectievelijk 4° en 3° van elkaar, vandaar dus 1 groep. Een protuberans die los is van de zonnerand wordt als een volwaardige protuberans beschouwd.

Onderstaande figuur geeft een idee wat een onderverdeling van de zonnerand is in stappen van 10°. 5° is een bijzonder kleine afstand (een kwart van een cirkelomtrek te delen door 18). Er wordt verondersteld dat visueel een vrij nauwkeurige indeling mogelijk is mits oefening. Een kruisdraad is natuurlijk een grote hulp.

Het tellen van protuberansengroepen leidt tot interessante inzichten. Uit waarnemingen van de British Astronomical Association (PMDF) blijkt dat het maximum PMDF en de evolutie tijdens het maximum ongeveer 1 tot 2 jaar voorop loopt op de evolutie van de flare-activiteit. Ook blijkt duidelijk dat er tijdens het cyclusminimum steeds enkele protuberansen zichtbaar zijn. Ruwweg bedraagt de verhouding cyclusminimum/cyclusmaximum voor de zonneuitbarstingen 1 op 30, voor het Wolfgetal R 1 op 15, en voor het PMDF 1 op 3!

Terug naar Overzicht.


Protuberansengetal

Een mogelijke uitbreiding van het basisprogramma bestaat in de bepaling van het protuberansengetal Rp. Het is opgesteld naar analogie met het Wolfgetal R. Voor de bepaling van R wordt het aantal zonnevlekkengroepen "g" en het aantal individuele zonnevlekken "f" geteld, voor Rp worden de protuberansenhaarden "H" en de individuele structuren "e" (van het Duitse "einzel") geteld. Ook de formules zijn gelijkaardig. Voor het Wolfgetal geldt R = 10.g + f, en voor het protuberansengetal geldt Rp = 10.H + e.

Hoewel er in de literatuur geen beperkingen werden gevonden voor protuberansen qua grootte of duur, mogen protuberansen toch niet verward worden met spikulen. Dit zijn 500 km brede, draadachtige, op en neer bewegende structuren die een tiental minuten bestaan en een hoogte tussen 3.000 en 9.000 km kunnen bereiken ([5], [6], [7], clip (Movies; clip 7)). Ze worden veroorzaakt door trillingen aan het zonneoppervlak (Bart De Pontieu, [28]). Gezien hun hoogte (1% van de zonneradius) lijkt het aangewezen om geen protuberansen te tellen die kleiner zijn dan 1% van de zonnestraal. In de praktijk betekent dit dus dat een kleine structuur als een protuberans wordt beschouwd indien hij duidelijk en minstens 15 minuten boven de zonnerand uitsteekt.

Er bestaat ook geen beperking op het type protuberans. Protuberansen die los zijn van de zonnerand, worden dus evengoed meegeteld. Er worden wel geen uitstulpingen, verdraaiingen, verhelderingen,... in een protuberans meegeteld.

In bovenstaand voorbeeld waren er 6 protuberansenhaarden, met per haard respectievelijk 3, 1, 4, 2, 4 en 3 (= 17 in totaal) enkelvoudige structuren. Het protuberansengetal is dan Rp = 6.10 + 17 = 77.

Het protuberansengetal Rp werd ontwikkeld door Völker in 1970. Eigenaardig genoeg lijkt het systeem enkel te worden gebruikt door de Duitse werkgroep Sonne zelf. Onderstaande figuur geeft een idee van het verloop van Rp over de laatste 2 zonnecycli ([8]).

© Stetter H., Sonne 105

Terug naar Overzicht.


Per zonnehemisfeer

Aangezien de zonneactiviteit (Wolfgetal, zonne-uitbarstingen) verschillend evolueert per zonnehemisfeer, ligt het voor de hand om een dergelijke opdeling ook voor de protuberansenhaarden en Rp te maken.

De methode om de zon op te delen in een noordelijke en een zuidelijke hemisfeer werd reeds uiteengezet bij de oriëntatie van het zonnebeeld. Het bepalen van het aantal haarden en de protuberansengetallen gebeurt op dezelfde manier als hierboven beschreven. De getallen worden voorzien van een index "N" of "S" om aan te duiden voor welke hemisfeer ze van toepassing zijn. In principe gaat het dus om HN, HS, RpN en RpS, waarbij uiteraard geldt dat H = HN + HS, en Rp = RpN + RpS.

Terug naar Overzicht.


Per zone

In tegenstelling tot de zonnevlekkengroepen, die zelden een breedte boven 40° halen, kunnen protuberansen wel op hoge breedten verschijnen. Volgens Sonne is de evolutie van de polaire protuberansen ook grondig verschillend van deze uit de hoofdzone ([9], [10]):

Er wordt dus een opdeling gemaakt in een polaire zone en een hoofdzone. Hier wordt het wat moeilijker, aangezien er geen eenduidigheid bestaat met betrekking tot de grens tussen de twee zones. Sonne ([10]) gebruikt 50° breedte als grens, terwijl "The Astronomer" en BAA 40° gebruiken. Het verschil ligt waarschijnlijk in wat er onder de "hoofdzone" wordt verstaan. Als het enkel gaat over zonnevlekken, dan kan de zone tussen +40° en -40° als de hoofdzone worden beschouwd, aangezien er over de laatste 3 zonnecycli slechts een 30-tal groepen (op bijna 11.000!) zijn voorgekomen met een hogere breedte. Anderzijds verschijnen er wel degelijk vlekken boven 40°, en komen fakkelvelden -de voorlopers van zonnevlekkengroepen- voor tot 55° breedte (daarboven verschijnen er poolfakkels; [13]). Gezien de aangehaalde fysische verbanden, lijkt een onderverdeling op 50° aannemelijk. In geval van twijfel (bijvoorbeeld een protuberans die zich uitstrekt van +45° tot +55°) kan de protuberans beschouwd worden als behorende tot de polaire zone.

Voor de visuele bepaling van deze zones wordt eerst de opdeling per hemisfeer gemaakt zoals hierboven beschreven. Om de twee zones visueel af te bakenen, zijn er volgende manieren:

Onderstaande figuren laten de onderverdeling per zone zien, en illustreren tevens de methodes om deze zones af te bakenen.

Terug naar Overzicht.


Classificatie

Er bestaan 2 grote classificatieschema's.

Het eerste werd geïntroduceerd door Völker in 1969. Het maakt een onderscheid tussen de individuele protuberansen op basis van de hoogte (klein, groot of ongewoon groot), het uitzicht (balk, boog of vol) en of de structuur al dan niet los is ("detached") van de zonnerand ([14]). Het overzicht wordt gegeven in onderstaande figuur en is afkomstig van de website van Anthony & Christopher Seal.

© Anthony & Christopher Seal

Het probleem met deze classificatie is dat ze eigenlijk dient te worden toegepast op elke enkelvoudige structuur binnen een protuberansengroep. Dit neemt veel tijd in beslag, en ook het nut kan in vraag worden gesteld (behalve voor de hoogte). Het is ook opvallend dat er geen verslagen over deze classificatie zijn, ook niet in Sonne.

Het tweede schema is gebaseerd op de classificatie door Zirin ([15]). Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen rustige ("quiescent") en actieve ("active") protuberansen, resp. QRF en ARF genoemd. QRF worden opgedeeld in 5 types (A tot E), en ARF in 4 types (F tot I). Het zijn vooral de ARF en type E die van belang zijn, aangezien er hier materiaal de ruimte kan worden ingeslingerd. Vooral indien deze deeltjeswolken aan de westkant van de zon worden uitgestoten, kunnen ze een belangrijk geomagnetisch effect hebben. Onderstaande figuur is afkomstig van de website van David Knisely.

© David Knisely

Deze classificatie heeft het voordeel dat ze enkel op de volledige protuberansengroep dient te worden toegepast. Bovendien heeft ze een reële fysische link met de chromosferische activiteit. Spijtig genoeg zijn ook voor deze classificatie geen verslagen voorhanden.

Terug naar Overzicht.


Volgens grootte

Protuberansen kunnen ook onderverdeeld worden volgens hun grootte. Dit kan gebeuren op 3 manieren, namelijk volgens de hoogte die ze bereiken, volgens hun oppervlakte, en volgens de lengte van de overeenkomstige filamenten.

  1. Hoogte
  2. In feite gaat het hier over de groottebepaling volgens het systeem van Völker. Ongeacht het type, wordt de protuberansenhaard onderverdeeld in "klein" ("s", small), groot ("l", large) en ongewoon groot ("xl", extra-large). Dit komt overeen met hoogten boven de zonnerand van respectievelijk (uitgedrukt in de straal van de zon Rzon):

    Onderstaande figuur geeft een idee van hoe hoog deze protuberansen dienen te zijn om tot 1 van de 3 bovenstaande klassen te behoren.

    Volgens Zirin ([16]) is er een eruptie van elke protuberans (binnen de 48 uur) indien zijn hoogte boven 50.000 km uitkomt, dit is 1,07 . Rzon.

  3. Oppervlakte
  4. Professionele astronomen (Catania) gebruiken de "Protuberansen Profiel Oppervlakte" (Prominence Profile Area; PPA) om de protuberansenactiviteit te volgen ([17]). Van een H-alfa foto wordt de zonnerand in 360 gebiedjes van 1° opgedeeld. Het aantal boogseconden boven elk gebiedje van 1° waarin een protuberans aanwezig is, wordt dan geteld. Tenslotte worden alle gebiedjes gesommeerd. Dit is natuurlijk een zeer tijdrovende bezigheid.

    Een alternatief werd ontwikkeld door Völker ([18]). De methode is analoog als voor de oppervlaktebepaling van fakkels of zonnevlekkengroepen. Een transparant met mm-papier wordt over de foto gelegd, en het aantal mm2 dat volledig gevuld is met protuberansen wordt geteld. De som geeft dan de oppervlakte A. Er moet wel op gelet worden dat deze bepaling gebeurt voor dezelfde zonnediameter. Aangezien deze laatste in de loop van het jaar varieert (beweging van de aarde rond de zon), dient er dus een correctiefactor te worden toegepast. De nauwkeurigheid van de methode (en ook de werklast) vergroot met de grootte van het zonnebeeld, met een minimumdiameter van 15 cm.

    Een laatste methode wordt toegepast door "The Astronomer" ([19]) en bestaat erin om de zonnerand op te delen in gebiedjes van 5°. Elk gebiedje waarin een protuberans aanwezig is, wordt de waarde "1" gegeven. Tenslotte worden alle gebiedjes gesommeerd. Niet alle protuberansen komen voor de telling in aanmerking. Bijvoorbeeld, indien een gebiedje (van 5°) wordt overgeslagen door een grote boogachtige protuberans, dan wordt dat gebiedje niet meegeteld. Een protuberans moet dus "vasthangen" aan de zonnerand, en protuberansen mogen niet behoren tot Völker's type "detached" en het mag ook niet gaan over kortstondige, eruptieve protuberansen. Zuiver visueel lijkt deze methode niet nauwkeurig toepasbaar. Aan de hand van een foto (of eventueel een gedetailleerd kruisdraadoculair) kan het tellen wel snel uitgevoerd worden.

    Een studie ([20]) van rustige protuberansen (QRF) heeft uitgewezen dat er een uitstekende correlatie bestaat tussen het door Sonne bepaalde protuberansengetal Rp en de door Catania gehanteerde "Protuberansen Profiel Oppervlakte" (Prominence Profile Area; PPA): 96%!

  5. Lengte van filamenten
  6. Volgens [21] hebben filamenten met een lengte van meer dan 15° een grotere kans op een geomagnetisch effect (als ze exploderen) dan kleinere filamenten. Het waarnemen van protuberansen kan geen uitsluitsel geven over hun ware lengte, zoals uit onderstaand schema blijkt.

    Er bestaan programma's die de lengte van de rustige filamenten (QF; niet-verbonden aan zonnevlekken) meten, maar deze zijn tijdrovend en vereisen eigenlijk het gebruik van foto's ([22]). Een alternatief kan erin bestaan om van elke QF de lengte te schatten en onder te verdelen in groter of kleiner dan 15° lengte. Bij de schatting van de lengte moet er rekening gehouden met het perspectief: filamenten aan de zonnerand zijn langer dan ze schijnbaar zijn (net zoals bijvoorbeeld de lengte van zonnevlekkengroepen). Onderstaande figuur kan van nut zijn: Het toont cirkels met stralen van respectievelijk 15°, 30°, 45°, 60° en 75°.

Terug naar Overzicht.


Breedteligging

De breedte van elke protuberansenhaard kan bepaald worden met behulp van een kruisdraadoculair of nauwkeuriger aan de hand van een foto. Enkele mogelijkheden worden besproken in het Solar Astronomy Handbook ([23]). Hoewel alle bepalingen nogal wat tijd in beslag nemen, geven de resultaten een gedetailleerd beeld van de evolutie in aantal en breedte van de protuberansen. Onderstaande figuur geeft het procentueel aantal protuberansen in functie van de breedteligging, voor de jaren 1999 tot 2002. De fyische gebeurtenissen aan de polen (zie Per zone) komen hier nog beter tot uiting.

Terug naar Overzicht.


Zonneuitbarstingen

Het waarnemingsprogramma voor zonneflares is grotendeels een vertaling van het programma opgesteld door het Australische Ruimteweerbureau (IPS; [24]), aangevuld met eigen commentaren. Een gelijkaardig programma wordt beschreven in [25]



Zonneuitbarstingen ("flares") zijn tijdelijke verhelderingen in de chromosfeer die enkele minuten tot enkele uren kunnen duren. De energie die er vrijkomt in een zonneflare kan 1025 joule bedragen (ongeveer 10 miljard atoombommen van 250 kTon elk!). De meeste flares zijn enkel zichtbaar door het observeren met een smalbandfilter van welbepaalde spectraallijnen. Niettemin kunnen de helderste en energierijkste flares gezien worden in wit licht. Deze "wit licht flares" (WLF) zijn echter zeldzaam: een gemiddelde van 5 per zonnecyclus. Een breedbandfilter in het blauwe gedeelte van het spectrum (zoals een Kodak Wratten #47) verhoogt de kansen op het zien van een dergelijke uitbarsting aanzienlijk.

Normaal wordt de waterstof-alfa spectraallijn, op een golflengte van 656,3 nm, gebruikt voor het waarnemen van zonne-uitbarstingen. Meestal wordt een filter met een halfbandbreedte van een kwart tot een halve Ångstrom (0,025 - 0,05 nm) gebruikt. Een afstelbare filter is een handig hulpmiddel voor het volgen van chromosferische bewegingen die dikwijls met zonneuitbarstingen gepaard gaan. Ook de spectrale breedte van een flare kan gebruikt worden als aanwijzing voor de helderheid van de flare indien er been accurate fotometrie beschikbaar is.

Over het algemeen vinden de uitbarstingen plaats in of in de buurt van een actief gebied (zonnevlekkengroep). De enige uitzondering hierop is wanneer de uitbarsting geassocieerd is met een groot, donker filament. Dit zijn de zogenaamde Hyder flares.

Er zijn twee aspecten aan een flarewaarneming: eerst en vooral de eigenlijke detectie van de flare zelf, gevolgd door de parametrisatie van de uitbarsting. Hoewel een flare gedefinieerd is als een tijdelijke verheldering in de chromosfeer, bestaan er bepaalde vormen van chromosferische verheldering die niet als flares geklasseerd worden. Deze zijn verbonden aan zowel de helderheid als de oppervlakte van de verheldering, en het zijn juist deze twee karakteristieken die bepalen of er een flare heeft plaats gevonden.

Om als een flare geklasseerd te worden, moet de chromosferische verheldering zowel een oppervlaktelimiet als een helderheidslimiet overschrijden. Voor waarnemingen in H-alfa bedraagt de helderheidslimiet 150% van de chromosferische achtergrond, en de oppervlaktehelderheid 10 miljoensten van de zichtbare zonnehemisfeer (vergelijkbaar met 1 vlekje uit een A-groep). Een verheldering van minder dan 150% van de chromosferische achtergrond (zelfs met een opervlakte groter dan 10 MH) wordt een plage fluctuatie genoemd (een plage is een chromosferisch fakkelveld). Een kleine verheldering die 150% van de chromosferische achtergrond overschrijdt, maar kleiner is dan 10 MH wordt een puntverheldering genoemd.

Eens een flare is gedetecteerd, moeten zijn karakteristieken bepaald worden:

WaarnemingChromosferische verheldering
DetectielimietenOppervlakte > 10MHHelderheid > 150%
Primaire karakteristiekenBeginOppervlakte
MaximumHelderheid
EindeLocatie
Secundaire karakteristiekenActief gebied of Hyder flare?Donkere surge?
Bedekking Umbra?Verdwijnend filament?
Parallel (//) of ineenvloeiend (Y)?Doppler shift?
Loop systeem?Sympathieke (simultane) flares?
Enkel- of meervoudige eruptiecentra?Moretongolf?
Aantal briljante punten?Zichtbaar in wit licht?

Er zijn 6 essentiële parameters waarmee een flare gewoonlijk wordt beschreven. Aan deze kunnen talrijke andere karakteristieken worden toegevoegd. Deze secundaire eigenschappen kunnen immers informatie bevatten over potentiële geo-effectieve gebeurtenissen verbonden aan deze flare. Sommige wijzen op coronale massa ejecties (CME's), andere wijzen op hoge temteraturen in deze flares die gewoonlijk verbonden zijn met de emissie van hoogenergetische deeltjes (protonen,...).

Terug naar Overzicht.


Primaire flare karakteristieken

Terug naar Overzicht.


Secundaire flare karakteristieken

Er bestaan talrijke secundaire karakteristieken geassocieerd aan een flare, waarbij verschillende organisaties er dikwijls voor kiezen een variërend deel te rapporteren. Sommige parameters duiden op een hoge temperatuur, sommige zijn verbonden aan coronale massa ejecties (CME's), en nog andere hebben twijfelachtige correlaties met bepaalde belangrijke effecten. Enkele van de meest bruikbare worden hieronder besproken.

Een grote parallelle ribbon flare - Learmonth Solar Observatory

Basisdocument door John Kennewell. © Copyright IPS - Radio and Space Services.

Terug naar Overzicht.


Waarnemingsrapport

Rapporten van H-alfa waarnemingen dienen aan net dezelfde eisen te voldoen als die voor visuele waarnemingen. Het (maandelijkse) rapport dient dus zo snel mogelijk na het einde van iedere maand naar de werkgroepleider (Franky Dubois) opgestuurd te worden, en dient essentiële zaken te bevatten zoals het waarnemingsinstrumentarium, het adres van de waarnemer en een korte uitleg bij de gebruikte symbolen (bijvoorbeeld gN is het aantal vlekkengroepen op de noordelijke zonnehemisfeer). Tevens wordt het het best direct in het Engels opgemaakt, zodat hetzelfde formulier ook kan gebruikt worden om naar de eventuele internationale werkgroepen te sturen.

Voor H-alfa waarnemingen wordt ernaar gestreefd om de data zoveel mogelijk elektronisch (per e-mail) in tabelvorm (excel-file) over te maken. Dit vereenvoudigt de verwerking aanzienlijk. Eventuele opmerkingen kunnen in de cel zelf ("commentaar") of onderaan de tabel worden toegevoegd.

Hoewel het wenselijk is dat iedereen min of meer hetzelfde formaat gebruikt, is dit waarschijnlijk niet doenbaar aangezien ieder zijn eigen programma heeft. Dat bestaat meestal uit een basisactiviteit waaraan zijn toegevoegd de activiteiten die een persoonlijke voorkeur genieten.

Onderstaande voorbeelden geven een idee van hoe een waarnemingsrapport zou kunnen zijn opgebouwd. Zoals kan worden gezien, kan het waarnemen in H-alfa leiden tot een volledig aparte waarnemingsdiscipline die dan logischerwijze een apart waarnemingsrapport vereist. Het is aan de waarnemer zelf om hierin het onderscheid te maken.


Voorbeeld 1: Basis H-alfa programma toegevoegd aan fotosferische waarnemingen

Solar indices for the month of August 2005
Jan Janssens, Freesiadreef 3 B43, 1030 Schaarbeek BELGIUM e-mail: j.janssens@chello.be
http://members.chello.be/j.janssens/Engwelcome.html
EquipmentCelestron8, 203.2 mm, f/10, 68*, 1000 Oaks Obj. filter, Blue OcfNaked EyeCoronado PST, < 1 Å, 40 mm, f/10, 33*
DayTimeQgngsCVnCVsPFnPFsAWProm NProm SRemarks
1_____________
206:30441647111243X
..._____________
31_____________
_103,353,41,535,821,43,802,300,102,157,25,4_


Voorbeeld 2: Uitgebreid H-alfa programma

Solar indices for the month of August 2005
Jan Janssens, Freesiadreef 3 B43, 1030 Schaarbeek BELGIUM e-mail: j.janssens@chello.be
http://members.chello.be/j.janssens/Engwelcome.html
EquipmentCoronado PST, < 1 Å, 40 mm, f/10, 33*
DayTimeWNorthSouthFlares
PolarMainPolarMain
HeHeHeHe
1___________
206:3021441400616X
...___________
31___________
_102,151,43,05,821,41,82,33,68,7_


Voorbeeld 3: Uitgebreid H-alfa programma

Solar indices for the month of August 2005
Jan Janssens, Freesiadreef 3 B43, 1030 Schaarbeek BELGIUM e-mail: j.janssens@chello.be
http://members.chello.be/j.janssens/Engwelcome.html
EquipmentCoronado PST, < 1 Å, 40 mm, f/10, 33*
DayTimeWNorthSouthFlares
PolarMainPolarMain
slxlslxlslxlslxl
1_______________
206:302100220000420X
..._______________
31_______________
_102,151,10,30,04,11,70,01,10,70,02,61,00,0_

Terug naar Overzicht.


Referenties

  1. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.9.4.1, Willmann-Bell Inc., 1995
  2. Taylor P.O., Observing the Sun pp. 73-74, Cambridge University Press, 1991
  3. Beck et al., Solar Astronomy Handbook Fig. B.9.17-18 pp. 344-345, Willmann-Bell Inc., 1995
  4. Roth G.D., Compendium of Practical Astronomy Vol. 2, Fig. 13.23-24 pp. 36-38, Springer Verlag, 1993
  5. Zirin H., Astrophysics of the Sun, pp. 161, 169, 187, Cambridge University Press, 1988
  6. Solar Terrestrial Dispatch, Internet Spaceweather Forecasting Course §2.3, 1996-1999
  7. Beck et al., Solar Astronomy Handbook pp. 323-324, Willmann-Bell Inc., 1995
  8. Stetter H., Sonne 105, pp. 8, VdS, Maart 2003
  9. Roth G.D., Compendium of Practical Astronomy Vol. 2, pp. 39, Springer Verlag, 1993
  10. Stetter H., Sonne 101, pp. 10-11, VdS, Maart 2002
  11. Altrock D., "Rush-to-the-Poles", NOAO, Maart 1999
  12. Phillips T., The sun does a flip, Science@NASA, Februari 2001
  13. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.6.3.3, Willmann-Bell Inc., 1995
  14. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.9.4.3, Willmann-Bell Inc., 1995
  15. Zirin H., Astrophysics of the Sun, Table 9.1 pp. 266, Cambridge University Press, 1988
  16. Zirin H., Astrophysics of the Sun, pp. 267, Cambridge University Press, 1988
  17. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.9.4.5.1, Willmann-Bell Inc., 1995
  18. Roth G.D., Compendium of Practical Astronomy Vol. 2, §13.6.5, Springer Verlag, 1993
  19. Meadows P., Persoonlijke e-mail berichten, 28 juli 2005
  20. Stetter H., Sonne 72, pp. 236-238, VdS, December 1994
  21. Solar Terrestrial Dispatch, Internet Spaceweather Forecasting Course §12.5, 1996-1999
  22. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.9.4.6.1, Willmann-Bell Inc., 1995
  23. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.9.4.7, Willmann-Bell Inc., 1995
  24. Kennewell J., Solar Flare Patrol, IPS Radio and Space Services, ©2001
  25. Beck et al., Solar Astronomy Handbook §B.9.5, Willmann-Bell Inc., 1995
  26. Nitta N., Moreton waves and Coronal waves, Yohkoh Science Nuggets MSU, Februari 2002
  27. Zirin H., Astrophysics of the Sun, Fig. 11.8, pp. 390-391, Cambridge University Press, 1988
  28. De Pontieu B. and Nelson B., Scientists explain mysterious plasma jets on the sun, Lockheed Martin Solar and Astrophysics Lab, 29 juli 2004

Terug naar Overzicht.


Bijlage 1: Kruisdraadoculair

De onderverdeling in zonnehemisfeer of in zones is niet altijd even evident op zuiver visuele gronden. Hulp onder de vorm van een kruisdraad(oculair) kan best gebruikt worden. Onderstaande bespreking is in principe alleen van toepassing op de Coronado PST (40 mm opening, 400 mm brandpuntsafstand, 12 mm Kelner-oculair), tenzij anders vermeld.

Terug naar Overzicht.


Bijlage 2: Bijzondere richtlijnen WG Zon

Terug naar Overzicht.


Bijlage 3: Vergelijking met de BAA

E-mail van 5 november 2006 aan werkgroepleider Franky Dubois; Verscheen eveneens in de Nieuwsbrief van de WG Zon van November 2006.

Na de werkgroepvergadering begin oktober 2006 heb ik met Marlyn Smith (BAA) gecorrespondeerd over dit onderwerp. Ter herinnering: Bij het opstellen van het H-alfa programma verleden jaar had ik de BAA (Mike Beales) ook gecontacteerd, zonder enig antwoord. Als input van de BAA gebruikte ik dan maar wat op hun website stond.

De bijlage beschrijft de manier waarop de BAA-leden het protuberansengetal bepalen. De voornaamste verschillen zijn:

Ik besloot om voor mijn waarnemingen (Dec 05-Mar 06, Jun-Aug 06) na te gaan wat de invloed was van de laatste 2 verschillen. De eruptieve protuberansen waren tijdens deze periode van geen invloed, ik telde er misschien 1. De invloed van eruptieve protuberansen kan misschien wel groter zijn tijdens het zonnemaximum. Ik vraag mij echter af waarom je dit soort protuberansen zou weglaten uit het protuberansengetal: Bijvoorbeeld 's morgens zou je hem wel tellen als een "rustige" protuberans, maar 's namiddags niet omdat hij "eruptief" is! Het protuberansengetal is toch een maat voor de chromosferische activiteit, niet?

Mijn oorsponkelijk gemiddelde over de betrokken 7 maand was 6,6, tegenover 3,9 voor de BAA. Na mijn herevaluatie daalde mijn H-waarde naar 4,6: 1,4 was op rekening van de kleine protuberansjes tussen 1 en 3% zonneradius, 0,6 voor de loshangende ("detached") protuberansen.

Prima nieuws is dat de algemene evolutie van H niet veranderde na de herevaluatie: hetzelfde verloop, maar gemiddeld ongeveer 2 eenheden lager. Wat mij betreft is dit een aanwijzing om niet direct iets te veranderen aan de manier waarop we protuberansen tellen.

4,6 is nog altijd iets hoger dan 3,9. Ik wijt dit echter aan het feit dat ik zelf slechts een paar waarnemingen doe per maand, en er dus een zekere bias kan bestaan. Ik zie ook nogal wat protuberansen van matige grootte, maar zeer lichtzwak.

Gebaseerd op het bovenstaande, denk ik niet dat we iets moeten veranderen aan de manier waarop wij protuberansen tellen. Onze maandelijkse H-waarden zullen wel hoger blijven liggen dan die van BAA, maar we weten nu waarom dat zo is en ook dat we perfect in overeenstemming zijn met de manier waarop de werkgroep Sonne haar protuberansengetal bepaalt.

Terug naar Overzicht.