Sinds Coronado kwaliteitsvolle en relatief goedkope H-alfa filters en telescopen op de markt brengt, beschikken hoe langer hoe meer amateur-zonnewaarnemers over hun eigen H-alfa instrument. Deze trend is ook merkbaar binnen de Werkgroep Zon van de Vereniging Voor Sterrenkunde (VVS).
De nood aan een H-alfa waarnemingsprogramma dringt zich dan ook op. Enerzijds is het wenselijk dat iedereen die over een H-alfa instrument beschikt, op een eenvoudige manier kan instappen in dit programma. Anderzijds moet het programma voldoende flexibel zijn om een uitbreiding toe te laten. Aangezien deze waarnemingen vergelijkbaar zouden moeten zijn met deze van andere internationale werkgroepen, is het eveneens wenselijk dat dezelfde waarnemingscriteria worden gebruikt. Ten slotte is een bijdrage aan de professionele zonneastronomie ook mooi meegenomen.
Het ligt dan ook voor de hand om een waarnemingsprogramma te ontwikkelen gelijkaardig aan dat van de wit licht waarnemingen. Daar is de basis de bepaling van het Wolfgetal, en bestaat er een geavanceerd programma voor de bepaling van de hemisferische Wolfgetallen, Beckgetallen, de Classification Value, posities van zonnevlekkengroepen en Poolfakkelgetallen.
Vertaald naar H-alfa zou er als basis het tellen van de protuberansenhaarden kunnen worden genomen. Een diepgaander programma kan dan de opdeling van het aantal protuberansen volgens hemisfeer en/of zone (polair/hoofdzone) bevatten, de bepaling van het Protuberansengetal, een onderverdeling per grootte, de classificatie volgens Zirin, en breedtebepalingen. Een eventuele professionele bijdrage zou kunnen bestaan uit het bepalen van de optische classificatie en andere bijzondere kenmerken van zonneuitbarstingen, ter ondersteuning van de waarnemingen in het röntgen.
Het spreekt voor zich dat, net als bij wit licht waarnemingen, sommige waarnemers zich nog verder kunnen specialiseren. Meerbepaald wordt er gedacht aan het in beeld brengen van de diverse zonnefenomenen via (hogeresolutie) foto's of zelfs video-opnamen, en studies van chromosferische fakkels en filamenten. Voorlopig worden deze onderwerpen hier echter buiten beschouwing gelaten.
Onderstaande paragrafen bespreken meer in detail het observeren en de verschillende criteria die er gepaard gaan met het waarnemen van diverse chromosferische fenomenen.
Terug naar Overzicht.
Alvorens de waarneming te beginnen, is het goed eerst een idee te krijgen van de atmosferische toestand. Enerzijds is er de seeingparameter Q. Dit is een maat voor de atmosferische onrust die gebruikt wordt bij visuele waarnemingen van de fotosfeer. Ze wordt ook gehanteerd door het SIDC, in stappen van 0,5. In de praktijk is de waarde voor Q afgeleid uit visuele waarnemingen ook van toepassing op de waarnemingen in H-alfa. Indien er geen waarnemingen van de fotosfeer worden gedaan, kan niettemin dezelfde benadering gebruikt worden, waarbij er dan naar de scherpte van het chromosferisch netwerk en de spikulen (chromosferische rand) kan worden gekeken. Zie onderstaande tabel.
| Q | Beschrijving wit licht | Beschrijving H-alfa |
|---|---|---|
| 5 | Vrijwel perfect beeld. De granulatie is goed zichtbaar over de ganse zonneschijf. Er zijn geen trillingen aan de zonnerand. De fijnstructuur in de penumbra is goed waarneembaar. | Vrijwel perfect beeld. De details van het chromosferisch netwerk zijn goed zichtbaar over de ganse zonneschijf. Er zijn geen trillingen aan de zonnerand. Zelfs de fijnste spikulen zijn aan de zonnerand zichtbaar. De fijnstructuur in de filamenten is goed waarneembaar. |
| 4 | Zeer kleine groepen en fakkels zijn zichtbaar. De granulatie is vrij goed te zien. | Zeer kleine details in de filamenten en chromosferische fakkels zijn zichtbaar over de ganse zonneschijf. Het chromosferisch netwerk is vrij goed te zien. De rand van de zon beweegt lichtjes. |
| 3 | Ook de kleinere vlekken zijn waarneembaar. De vorm van de penumbrae is goed te zien. De grootste fakkels zijn eveneens goed zichtbaar. | Chromosferisch netwerk is zichtbaar over de ganse zonneschijf. Spikulen evenals de kleinere filamenten zijn waarneembaar. De vorm van de chromosferische fakkels is goed te zien. De zonnerand trilt, maar dit is nog nauwelijks te zien in de umbrae. |
| 2 | Alleen de grote vlekken zijn waarneembaar. Zowel umbrae als penumbrae zijn zichtbaar. | Alleen de grote filamenten zijn waarneembaar. Hints van chromosferisch netwerk. De chromosferische fakkels vervloeien in de chromosferische achtergrond. De zonnerand beweegt zeer sterk, een beweging die ook te zien is in de umbrae van zonnevlekken. |
| 1 | Alleen de grote vlekken zijn waarneembaar. Penumbrae zijn niet zichtbaar, enkel de umbrae. | Alleen de grootste en donkerste filamenten zijn waarneembaar. Umbrae van zonnevlekken zijn nauwelijks of niet zichtbaar. Volledig golvend beeld. |
Bij de waarneming van protuberansen speelt echter ook de doorzichtigheid van de lucht een rol. Bij een slechte doorzichtigheid (bv. lichte nevel) kleurt de achtergrond in het beeldveld van het oculair rood, waardoor het zeer moeilijk wordt om kleine protuberansen of details in protuberansen nog waar te nemen. B. Wedel [1] introduceerde daarom in 1968 een doorzichtigheidsschaal W die dient te worden gebruikt bij dit soort waarnemingen. Zie onderstaande figuur en tabel.

| W | Beschrijving |
|---|---|
| 1 | Hemelachtergrond is zeer donker, de protuberansen zijn zeer duidelijk te onderscheiden. |
| 2 | Hemelachtergrond is donker, de protuberansen zijn duidelijk te onderscheiden. |
| 3 | Hemelachtergrond is nogal licht, maar de protuberansen zijn nog steeds vrij duidelijk te zien. |
| 4 | Hemelachtergrond is helder, protuberansen met moeite zichtbaar. |
In de praktijk schommelt Q rond 3 en W rond 2,5. Waarnemingen met Q < 2 en W = 4 zijn te vermijden. Waarnemingen met Q = 5 en W = 1 zijn uitzonderlijk, tenzij men waarneemt vanop hoge bergtoppen. De momenten met de beste seeing/doorzichtigheid variëren naargelang de locatie, de seizoenen en natuurlijk de weersomstandigheden.
Terug naar Overzicht.
De oriëntatie van het zonnebeeld gebeurt op dezelfde manier als bij visuele waarnemingen van de fotosfeer ([2]). Zie bijgevoegde figuur.

Door de rotatie van de aarde veranderen de posities van de oostwestlijn en de noordzuidas doorheen de dag. Hierdoor dienen deze 2 lijnen bij elke waarneming opnieuw bepaald te worden. Het gebruik van een kruisdraadoculair verhoogt de nauwkeurigheid aanzienlijk. Er moet steeds op gelet worden dat noord en zuid niet toevallig worden omgekeerd, zeker indien er in een andere telescoop (bijvoorbeeld voor de waarneming van zonnevlekken) noord en zuid verwisseld zijn.
Terug naar Overzicht.
| Protuberansenhaarden | |||||
| Protuberansengetal | Zonnehemisfeer | Zone | Classificatie | Grootte | Breedteligging |
| Hoogte | Oppervlakte | Filamenten | |||
| Zonneuitbarstingen | |||||
Net zoals zonnevlekken groeperen protuberansen zich. Het simpelste waarnemingsprogramma bestaat er dan ook uit om gewoon het aantal protuberansengroepen te tellen. Deze groepen worden ook wel haarden genoemd (naar het Duitse "Herde").
Protuberansen worden samengenomen zodra ze op 5° breedte of minder van elkaar staan. Indien protuberansen verder van elkaar staan, kunnen ze worden samengenomen zolang ze een fysische link lijken te hebben. Deze regels werden afgeleid uit 2 figuren van de Duitse werkgroep Sonne ([3] en [4]). Zie onderstaande figuur voor voorbeelden. De British Astronomical Association lijkt deze parameter te gebruiken in de bepaling van de protuberansenactiviteit (PMDF = Prominence Mean Daily Frequency), terwijl het Duitse Sonne deze gebruikt als basis voor zijn Protuberansengetal Rp.

In de figuur zijn er 6 protuberansenhaarden zichtbaar. De tweede protuberans van rechts bevindt zich op 6° van de eerste, en op 7° van de derde protuberans. Aangezien hij geen fysische link lijkt te hebben met zijn buren, wordt hij als een aparte protuberans beschouwd. In protuberans vier lijkt die link wel aanwezig. Hoewel de twee uiteinden op 8° van elkaar staan, worden ze dus toch als 1 protuberans beschouwd. Een duidelijker voorbeeld hiervan is protuberans vijf, waar de uiteinden nog verder van elkaar staan, maar de fysische link veel opvallender is (de delen van de protuberans raken elkaar bijna). In haard zes bevinden de protuberansen zich op respectievelijk 4° en 3° van elkaar, vandaar dus 1 groep. Een protuberans die los is van de zonnerand wordt als een volwaardige protuberans beschouwd.
Onderstaande figuur geeft een idee wat een onderverdeling van de zonnerand is in stappen van 10°. 5° is een bijzonder kleine afstand (een kwart van een cirkelomtrek te delen door 18). Er wordt verondersteld dat visueel een vrij nauwkeurige indeling mogelijk is mits oefening. Een kruisdraad is natuurlijk een grote hulp.

Het tellen van protuberansengroepen leidt tot interessante inzichten. Uit waarnemingen van de British Astronomical Association (PMDF) blijkt dat het maximum PMDF en de evolutie tijdens het maximum ongeveer 1 tot 2 jaar voorop loopt op de evolutie van de flare-activiteit. Ook blijkt duidelijk dat er tijdens het cyclusminimum steeds enkele protuberansen zichtbaar zijn. Ruwweg bedraagt de verhouding cyclusminimum/cyclusmaximum voor de zonneuitbarstingen 1 op 30, voor het Wolfgetal R 1 op 15, en voor het PMDF 1 op 3!

Terug naar Overzicht.
Een mogelijke uitbreiding van het basisprogramma bestaat in de bepaling van het protuberansengetal Rp. Het is opgesteld naar analogie met het Wolfgetal R. Voor de bepaling van R wordt het aantal zonnevlekkengroepen "g" en het aantal individuele zonnevlekken "f" geteld, voor Rp worden de protuberansenhaarden "H" en de individuele structuren "e" (van het Duitse "einzel") geteld. Ook de formules zijn gelijkaardig. Voor het Wolfgetal geldt R = 10.g + f, en voor het protuberansengetal geldt Rp = 10.H + e.
Hoewel er in de literatuur geen beperkingen werden gevonden voor protuberansen qua grootte of duur, mogen protuberansen toch niet verward worden met spikulen. Dit zijn 500 km brede, draadachtige, op en neer bewegende structuren die een tiental minuten bestaan en een hoogte tussen 3.000 en 9.000 km kunnen bereiken ([5], [6], [7], clip (Movies; clip 7)). Ze worden veroorzaakt door trillingen aan het zonneoppervlak (Bart De Pontieu, [28]). Gezien hun hoogte (1% van de zonneradius) lijkt het aangewezen om geen protuberansen te tellen die kleiner zijn dan 1% van de zonnestraal. In de praktijk betekent dit dus dat een kleine structuur als een protuberans wordt beschouwd indien hij duidelijk en minstens 15 minuten boven de zonnerand uitsteekt.
Er bestaat ook geen beperking op het type protuberans. Protuberansen die los zijn van de zonnerand, worden dus evengoed meegeteld. Er worden wel geen uitstulpingen, verdraaiingen, verhelderingen,... in een protuberans meegeteld.
In bovenstaand voorbeeld waren er 6 protuberansenhaarden, met per haard respectievelijk 3, 1, 4, 2, 4 en 3 (= 17 in totaal) enkelvoudige structuren. Het protuberansengetal is dan Rp = 6.10 + 17 = 77.
Het protuberansengetal Rp werd ontwikkeld door Völker in 1970. Eigenaardig genoeg lijkt het systeem enkel te worden gebruikt door de Duitse werkgroep Sonne zelf. Onderstaande figuur geeft een idee van het verloop van Rp over de laatste 2 zonnecycli ([8]).

© Stetter H., Sonne 105
Terug naar Overzicht.
Aangezien de zonneactiviteit (Wolfgetal, zonne-uitbarstingen) verschillend evolueert per zonnehemisfeer, ligt het voor de hand om een dergelijke opdeling ook voor de protuberansenhaarden en Rp te maken.
De methode om de zon op te delen in een noordelijke en een zuidelijke hemisfeer werd reeds uiteengezet bij de oriëntatie van het zonnebeeld. Het bepalen van het aantal haarden en de protuberansengetallen gebeurt op dezelfde manier als hierboven beschreven. De getallen worden voorzien van een index "N" of "S" om aan te duiden voor welke hemisfeer ze van toepassing zijn. In principe gaat het dus om HN, HS, RpN en RpS, waarbij uiteraard geldt dat H = HN + HS, en Rp = RpN + RpS.
Terug naar Overzicht.
In tegenstelling tot de zonnevlekkengroepen, die zelden een breedte boven 40° halen, kunnen protuberansen wel op hoge breedten verschijnen. Volgens Sonne is de evolutie van de polaire protuberansen ook grondig verschillend van deze uit de hoofdzone ([9], [10]):
Er wordt dus een opdeling gemaakt in een polaire zone en een hoofdzone. Hier wordt het wat moeilijker, aangezien er geen eenduidigheid bestaat met betrekking tot de grens tussen de twee zones. Sonne ([10]) gebruikt 50° breedte als grens, terwijl "The Astronomer" en BAA 40° gebruiken. Het verschil ligt waarschijnlijk in wat er onder de "hoofdzone" wordt verstaan. Als het enkel gaat over zonnevlekken, dan kan de zone tussen +40° en -40° als de hoofdzone worden beschouwd, aangezien er over de laatste 3 zonnecycli slechts een 30-tal groepen (op bijna 11.000!) zijn voorgekomen met een hogere breedte. Anderzijds verschijnen er wel degelijk vlekken boven 40°, en komen fakkelvelden -de voorlopers van zonnevlekkengroepen- voor tot 55° breedte (daarboven verschijnen er poolfakkels; [13]). Gezien de aangehaalde fysische verbanden, lijkt een onderverdeling op 50° aannemelijk. In geval van twijfel (bijvoorbeeld een protuberans die zich uitstrekt van +45° tot +55°) kan de protuberans beschouwd worden als behorende tot de polaire zone.

Voor de visuele bepaling van deze zones wordt eerst de opdeling per hemisfeer gemaakt zoals hierboven beschreven. Om de twee zones visueel af te bakenen, zijn er volgende manieren:
Onderstaande figuren laten de onderverdeling per zone zien, en illustreren tevens de methodes om deze zones af te bakenen.

Terug naar Overzicht.
Er bestaan 2 grote classificatieschema's.
Het eerste werd geïntroduceerd door Völker in 1969. Het maakt een onderscheid tussen de individuele protuberansen op basis van de hoogte (klein, groot of ongewoon groot), het uitzicht (balk, boog of vol) en of de structuur al dan niet los is ("detached") van de zonnerand ([14]). Het overzicht wordt gegeven in onderstaande figuur en is afkomstig van de website van Anthony & Christopher Seal.

Het probleem met deze classificatie is dat ze eigenlijk dient te worden toegepast op elke enkelvoudige structuur binnen een protuberansengroep. Dit neemt veel tijd in beslag, en ook het nut kan in vraag worden gesteld (behalve voor de hoogte). Het is ook opvallend dat er geen verslagen over deze classificatie zijn, ook niet in Sonne.
Het tweede schema is gebaseerd op de classificatie door Zirin ([15]). Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen rustige ("quiescent") en actieve ("active") protuberansen, resp. QRF en ARF genoemd. QRF worden opgedeeld in 5 types (A tot E), en ARF in 4 types (F tot I). Het zijn vooral de ARF en type E die van belang zijn, aangezien er hier materiaal de ruimte kan worden ingeslingerd. Vooral indien deze deeltjeswolken aan de westkant van de zon worden uitgestoten, kunnen ze een belangrijk geomagnetisch effect hebben. Onderstaande figuur is afkomstig van de website van David Knisely.

Deze classificatie heeft het voordeel dat ze enkel op de volledige protuberansengroep dient te worden toegepast. Bovendien heeft ze een reële fysische link met de chromosferische activiteit. Spijtig genoeg zijn ook voor deze classificatie geen verslagen voorhanden.
Terug naar Overzicht.
Protuberansen kunnen ook onderverdeeld worden volgens hun grootte. Dit kan gebeuren op 3 manieren, namelijk volgens de hoogte die ze bereiken, volgens hun oppervlakte, en volgens de lengte van de overeenkomstige filamenten.
In feite gaat het hier over de groottebepaling volgens het systeem van Völker. Ongeacht het type, wordt de protuberansenhaard onderverdeeld in "klein" ("s", small), groot ("l", large) en ongewoon groot ("xl", extra-large). Dit komt overeen met hoogten boven de zonnerand van respectievelijk (uitgedrukt in de straal van de zon Rzon):
Onderstaande figuur geeft een idee van hoe hoog deze protuberansen dienen te zijn om tot 1 van de 3 bovenstaande klassen te behoren.

Volgens Zirin ([16]) is er een eruptie van elke protuberans (binnen de 48 uur) indien zijn hoogte boven 50.000 km uitkomt, dit is 1,07 . Rzon.
Professionele astronomen (Catania) gebruiken de "Protuberansen Profiel Oppervlakte" (Prominence Profile Area; PPA) om de protuberansenactiviteit te volgen ([17]). Van een H-alfa foto wordt de zonnerand in 360 gebiedjes van 1° opgedeeld. Het aantal boogseconden boven elk gebiedje van 1° waarin een protuberans aanwezig is, wordt dan geteld. Tenslotte worden alle gebiedjes gesommeerd. Dit is natuurlijk een zeer tijdrovende bezigheid.
Een alternatief werd ontwikkeld door Völker ([18]). De methode is analoog als voor de oppervlaktebepaling van fakkels of zonnevlekkengroepen. Een transparant met mm-papier wordt over de foto gelegd, en het aantal mm2 dat volledig gevuld is met protuberansen wordt geteld. De som geeft dan de oppervlakte A. Er moet wel op gelet worden dat deze bepaling gebeurt voor dezelfde zonnediameter. Aangezien deze laatste in de loop van het jaar varieert (beweging van de aarde rond de zon), dient er dus een correctiefactor te worden toegepast. De nauwkeurigheid van de methode (en ook de werklast) vergroot met de grootte van het zonnebeeld, met een minimumdiameter van 15 cm.
Een laatste methode wordt toegepast door "The Astronomer" ([19]) en bestaat erin om de zonnerand op te delen in gebiedjes van 5°. Elk gebiedje waarin een protuberans aanwezig is, wordt de waarde "1" gegeven. Tenslotte worden alle gebiedjes gesommeerd. Niet alle protuberansen komen voor de telling in aanmerking. Bijvoorbeeld, indien een gebiedje (van 5°) wordt overgeslagen door een grote boogachtige protuberans, dan wordt dat gebiedje niet meegeteld. Een protuberans moet dus "vasthangen" aan de zonnerand, en protuberansen mogen niet behoren tot Völker's type "detached" en het mag ook niet gaan over kortstondige, eruptieve protuberansen. Zuiver visueel lijkt deze methode niet nauwkeurig toepasbaar. Aan de hand van een foto (of eventueel een gedetailleerd kruisdraadoculair) kan het tellen wel snel uitgevoerd worden.
Een studie ([20]) van rustige protuberansen (QRF) heeft uitgewezen dat er een uitstekende correlatie bestaat tussen het door Sonne bepaalde protuberansengetal Rp en de door Catania gehanteerde "Protuberansen Profiel Oppervlakte" (Prominence Profile Area; PPA): 96%!
Volgens [21] hebben filamenten met een lengte van meer dan 15° een grotere kans op een geomagnetisch effect (als ze exploderen) dan kleinere filamenten. Het waarnemen van protuberansen kan geen uitsluitsel geven over hun ware lengte, zoals uit onderstaand schema blijkt.

Er bestaan programma's die de lengte van de rustige filamenten (QF; niet-verbonden aan zonnevlekken) meten, maar deze zijn tijdrovend en vereisen eigenlijk het gebruik van foto's ([22]). Een alternatief kan erin bestaan om van elke QF de lengte te schatten en onder te verdelen in groter of kleiner dan 15° lengte. Bij de schatting van de lengte moet er rekening gehouden met het perspectief: filamenten aan de zonnerand zijn langer dan ze schijnbaar zijn (net zoals bijvoorbeeld de lengte van zonnevlekkengroepen). Onderstaande figuur kan van nut zijn: Het toont cirkels met stralen van respectievelijk 15°, 30°, 45°, 60° en 75°.

Terug naar Overzicht.
De breedte van elke protuberansenhaard kan bepaald worden met behulp van een kruisdraadoculair of nauwkeuriger aan de hand van een foto. Enkele mogelijkheden worden besproken in het Solar Astronomy Handbook ([23]). Hoewel alle bepalingen nogal wat tijd in beslag nemen, geven de resultaten een gedetailleerd beeld van de evolutie in aantal en breedte van de protuberansen. Onderstaande figuur geeft het procentueel aantal protuberansen in functie van de breedteligging, voor de jaren 1999 tot 2002. De fyische gebeurtenissen aan de polen (zie Per zone) komen hier nog beter tot uiting.

Terug naar Overzicht.
Het waarnemingsprogramma voor zonneflares is grotendeels een vertaling van het programma opgesteld door het Australische Ruimteweerbureau (IPS; [24]), aangevuld met eigen commentaren. Een gelijkaardig programma wordt beschreven in [25]
Zonneuitbarstingen ("flares") zijn tijdelijke verhelderingen in de chromosfeer die enkele minuten tot enkele uren kunnen duren. De energie die er vrijkomt in een zonneflare kan 1025 joule bedragen (ongeveer 10 miljard atoombommen van 250 kTon elk!). De meeste flares zijn enkel zichtbaar door het observeren met een smalbandfilter van welbepaalde spectraallijnen. Niettemin kunnen de helderste en energierijkste flares gezien worden in wit licht. Deze "wit licht flares" (WLF) zijn echter zeldzaam: een gemiddelde van 5 per zonnecyclus. Een breedbandfilter in het blauwe gedeelte van het spectrum (zoals een Kodak Wratten #47) verhoogt de kansen op het zien van een dergelijke uitbarsting aanzienlijk.
Normaal wordt de waterstof-alfa spectraallijn, op een golflengte van 656,3 nm, gebruikt voor het waarnemen van zonne-uitbarstingen. Meestal wordt een filter met een halfbandbreedte van een kwart tot een halve Ångstrom (0,025 - 0,05 nm) gebruikt. Een afstelbare filter is een handig hulpmiddel voor het volgen van chromosferische bewegingen die dikwijls met zonneuitbarstingen gepaard gaan. Ook de spectrale breedte van een flare kan gebruikt worden als aanwijzing voor de helderheid van de flare indien er been accurate fotometrie beschikbaar is.
Over het algemeen vinden de uitbarstingen plaats in of in de buurt van een actief gebied (zonnevlekkengroep). De enige uitzondering hierop is wanneer de uitbarsting geassocieerd is met een groot, donker filament. Dit zijn de zogenaamde Hyder flares.
Er zijn twee aspecten aan een flarewaarneming: eerst en vooral de eigenlijke detectie van de flare zelf, gevolgd door de parametrisatie van de uitbarsting. Hoewel een flare gedefinieerd is als een tijdelijke verheldering in de chromosfeer, bestaan er bepaalde vormen van chromosferische verheldering die niet als flares geklasseerd worden. Deze zijn verbonden aan zowel de helderheid als de oppervlakte van de verheldering, en het zijn juist deze twee karakteristieken die bepalen of er een flare heeft plaats gevonden.

Om als een flare geklasseerd te worden, moet de chromosferische verheldering zowel een oppervlaktelimiet als een helderheidslimiet overschrijden. Voor waarnemingen in H-alfa bedraagt de helderheidslimiet 150% van de chromosferische achtergrond, en de oppervlaktehelderheid 10 miljoensten van de zichtbare zonnehemisfeer (vergelijkbaar met 1 vlekje uit een A-groep). Een verheldering van minder dan 150% van de chromosferische achtergrond (zelfs met een opervlakte groter dan 10 MH) wordt een plage fluctuatie genoemd (een plage is een chromosferisch fakkelveld). Een kleine verheldering die 150% van de chromosferische achtergrond overschrijdt, maar kleiner is dan 10 MH wordt een puntverheldering genoemd.
Eens een flare is gedetecteerd, moeten zijn karakteristieken bepaald worden:
| Waarneming | Chromosferische verheldering | |
| Detectielimieten | Oppervlakte > 10MH | Helderheid > 150% |
| Primaire karakteristieken | Begin | Oppervlakte |
| Maximum | Helderheid | |
| Einde | Locatie | |
| Secundaire karakteristieken | Actief gebied of Hyder flare? | Donkere surge? |
| Bedekking Umbra? | Verdwijnend filament? | |
| Parallel (//) of ineenvloeiend (Y)? | Doppler shift? | |
| Loop systeem? | Sympathieke (simultane) flares? | |
| Enkel- of meervoudige eruptiecentra? | Moretongolf? | |
| Aantal briljante punten? | Zichtbaar in wit licht? | |
Er zijn 6 essentiële parameters waarmee een flare gewoonlijk wordt beschreven. Aan deze kunnen talrijke andere karakteristieken worden toegevoegd. Deze secundaire eigenschappen kunnen immers informatie bevatten over potentiële geo-effectieve gebeurtenissen verbonden aan deze flare. Sommige wijzen op coronale massa ejecties (CME's), andere wijzen op hoge temteraturen in deze flares die gewoonlijk verbonden zijn met de emissie van hoogenergetische deeltjes (protonen,...).
Terug naar Overzicht.
In de praktijk dient een waarnemer zich geen al te grote zorgen te maken over de bepaling van het geometrische centrum van de flare. Meestal is het voldoende om een rechthoek rond de uitbarstingsgebieden te trekken, en dan de coördinaten van het centrum van de rechthoek te bepalen.
De flare-oppervlakte wordt normaal bepaald door het tellen van vierkantjes van een transparant vel mm-papier dat over het beeld (foto of digitaal) wordt gelegd. De bekomen waarde moet echter gecorrigeerd worden voor perspectief, en zeker naarmate het eruptief gebied de zonnerand nadert. Voor de zon betekent dit een behoorlijk probleem, omdat flares ook een redelijke hoogte kunnen bereiken. Hierdoor kan de oppervlakte van een flare aan de zonnerand fel overschat worden als de standaard berekeningsmethode wordt gebruikt.
Om dit probleem te verhelpen, analyseerden Smith & Smith 4700 flares zoals waargenomen vanop het Sacramento Peak Observatory (New Mexico, USA). Door gebruik te maken van statistische technieken kwamen ze tot de volgende correctieformule:
Ac = (Am / 2) / (0,2 . Rv + Ö(1 - Rv . Rv))
waarin:
| Ac de gecorrigeerde oppervlakte voorstelt in miljoensten van de zichtbare zonnehemisfeer |
| Am de gemeten oppervlakte voorstelt in miljoensten van de zonneschijf |
| Rv = r / R de fractionele straal van het centrum van de flare is. Deze mag gemeten worden op de schijf in dezelfde eenheid als de straal van de zonneschijf, aangezien r de afstand is tussen het centrum van de zonneschijf en het centrum van de uitbarsting, en R is de straal van de schijf. |
Noteer dat de factor 2 de schijfoppervlakte omzet in een hemisferische oppervlakte Ah, aangezien de schijfoppervlakte = p R2 en de hemisferische oppervlakte = 2 p R2. De term onder de vierkantswortel is de standaardcorrectie voor het randperspectief, terwijl de term 0,2 . Rv de correctie is voor de van 0 verschillende hoogte van de flare.
De bovenstaande uitdrukking wordt soms ook geschreven als:
Ac = Ah / (0,2 . sin( q) + cos(q))
Deze uitdrukking is in feite identiek aan de eerste, omdat de hoek q de hoek is tegenoverliggend het centrum van de zon en het cirkelsegment gaande door het centrum van de zonneschijf en het centrum van de uitbarsting. De sinus van deze hoek q is gelijk aan r / R .
Wanneer de oppervlakte van de flare bepaald wordt, dan is het die oppervlakte waarvan de helderheid 150% van de chromosferische achtergrond overschrijdt op het moment van de maximale helderheid, NIET op het moment van de maximale oppervlakte (dat laatste gebeurt dus later in de evolutie van de flare). Wanneer de meting gebeurd en gecorrigeerd is, wordt de flare volgens een belangrijkheidscategorie ("Importance") ingedeeld.
| Importance | Ac ( MH ) | Ac ( °2 ) | Ac ( 106 km2 ) |
|---|---|---|---|
| S | 10 < Ac < 100 | 0,2 < Ac < 2,1 | 30 < Ac < 304 |
| 1 | 100 < Ac < 250 | 2,1 < Ac < 5,2 | 304 < Ac < 761 |
| 2 | 250 < Ac < 600 | 5,2 < Ac < 12,4 | 761 < Ac < 1826 |
| 3 | 600 < Ac < 1200 | 12,4 < Ac < 24,7 | 1826 < Ac < 3653 |
| 4 | 1200 < Ac | 24,7 < Ac | 3653 < Ac |
Voor visuele waarnemingen kan de lengte en de breedte van de flare geschat worden en, mits correctie voor het perspectief (zie hiervoor), geklasseerd worden volgens Ac ( °2 ). Ook kan gebruik worden gemaakt van onderstaande figuur, om een schatting van de categorie te kunnen maken. De breedte van de flare is 1°, de lengte is het minimum om tot een van de categorieën 1, 2, 3 of 4 te horen. Indien de flare kleiner is dan de rechter flares, gaat het om een subflare ("S"). Zowel de lengte als de breedte werden gecorrigeerd voor perspectief (berekend voor 15°, 30°, 45°, 60° en 75°). De waarnemer dient er enkel voor te zorgen dat de grootte van de gebruikte figuur overeenkomt met de grootte van de zonneschijf in het beeldveld van het oculair, zodat een gelijkwaardige vergelijking mogelijk is.

Wanneer fotometrie beschikbaar is (hetzij fotografisch of digitaal), kan een flare geklasseerd worden bij een van de volgende 3 categorieën: zwak (F; "faint"), normaal (N; "normal"), of briljant (B; "brilliant") volgens de piekhelderheid van om het even welk gebied groter dan 10 MH (zie bovenstaande tabellen) en dit in % van de chromosferische achtergrond. Noteer dat de intensiteit van de chromosferische achtergrond moet gemeten worden in hetzelfde gebied als waarin de flare optreedt (ter compensatie van de effecten van randverduistering).
Indien fotometrie niet beschikbaar is, maar de H-alfa filter kan off-band gedraaid ("getuned") worden, dan kan de totale bandbreedte van de helderste delen van de flare als een alternatief gebruikt worden om de helderheidsklasse te bepalen. Deze methode kan zo trouwens ook als een detectielimiet gebruikt worden. Een zwakke flare moet dus zeker een oppervlakte van 10 MH bezitten die een bandbreedte heeft van minstens 0,8 Å (O,08 nm). Die bandbreedte mag wel asymmetrisch liggen ten opzichte van de H-alfa lijn (bijvoorbeeld van +0,2 tot -0,6 Å).
De waarnemer dient er ook rekening mee te houden dat de aardatmosfeer en lokale veranderingen in uitrusting (zowel optisch, fotografisch als elektronisch) het lichtniveau van de achtergrond kunnen veranderen. Fotometrie dient dus gestandaardiseerd te worden op de huidige en lokale chromosferische achtergrond.
Tenslotte dient ook opgemerkt dat een zonnebeeld, aangepast voor een optimaal visuele waarneming, meestal een onvoldoend dynamisch bereik (algemene intensiteit) zal hebben om fotometrische metingen van een "onverzadigde" briljante flare uit te voeren. Het kan daarom noodzakelijk zijn om twee types lichtwegen te gebruiken: een "veel licht" lichtweg voor visuele waarnemingen, en een "weinig licht" lichtweg voor de bepaling van de helderheid van de flare. Dit is vergelijkbaar met het gebruik van een fotografisch en een visueel filter bij de waarneming van zonnevlekken.
| Categorie | Helderheid (%) | Bandbreedte | Visueel |
|---|---|---|---|
| F (faint) | 160 < h < 260 | 0,08 nm < b < 0,12 nm | Normaal |
| N (normaal) | 260 < h < 360 | 0,12 nm < b < 0,20 nm | Helder |
| B (briljant) | 360 < h | 0,20 nm < b | Briljant |
Onderstaande tabellen en grafiek geven een idee van het aantal H-alfa flares per oppervlakte en per helderheidsklasse. De data zijn gebaseerd op ongeveer 30.000 flares (data afkomstig van NGDC/NOAA) waarvoor zowel een classificatie in H-alfa als in het röntgen beschikbaar was (van januari 1976 tot december 2004).
Onderstaande tabel laat zien dat het bij de meeste uitbarstingen gaat om een subflare. Deze subflares kunnen nochtans zeer helder worden (SB!). De klassen 3F, 4F en 4N zijn in bijna 30 jaar nog nooit voorgekomen, en er waren slechts 9 4B's! In 60% van de gevallen gaat het om zwakke flares, en slechts 15% bereikt een briljante helderheid.
| Class | F (faint) | N (normal) | B (brilliant) |
|---|---|---|---|
| S | 17368 | 5095 | 1970 |
| 1 | 1276 | 2015 | 1525 |
| 2 | 86 | 294 | 561 |
| 3 | - | 14 | 97 |
| 4 | - | - | 9 |
Bijgevoegde grafiek laat het verloop van de diverse oppervlaktecategorieën (1, 2, 3&4 samen) zien voor de periode 1976 tot 2004. Het aantal flares uit de categorieën 3 en 4 is zeer laag, en de 23ste zonnecyclus produceerde opvallend minder "grote" flares dan SC21 en SC22.

Onderstaande tabel drukt de relatie uit tussen de röntgenklasse van een flare en zijn optische classificatie in H-alfa. De aantallen zijn promille (per 1000). C2 stelt het gemiddelde voor de klassen C1 tot C3 voor, C5 voor C4 tot C6, enz. X5 is het gemiddelde van alle X-flares. "0" wil zeggen dat er sinds 1976 minder dan 14 dergelijke gevallen voorkwamen, en "-" dat een dergelijk geval niet voorkwam. Opnieuw valt het grote aandeel aan zwakke flares op, zowel in het röntgen als in H-alfa. Interessant is ook dat de krachtigste röntgenflares niet noodzakelijk het helderst of het grootst zijn in H-alfa.
| Types | C2 | C5 | C8 | M2 | M5 | M8 | X5 | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| SF | 384 | 88 | 31 | 26 | 2 | 0 | 1 | 532 |
| SN | 111 | 36 | 13 | 17 | 1 | 0 | 0 | 178 |
| SB | 27 | 18 | 10 | 15 | 1 | 0 | 0 | 72 |
| 1F | 17 | 12 | 6 | 10 | 1 | 0 | 0 | 47 |
| 1N | 17 | 17 | 11 | 26 | 3 | 1 | 1 | 75 |
| 1B | 6 | 8 | 7 | 27 | 5 | 2 | 2 | 57 |
| 2F | 0 | 0 | 0 | 2 | 0 | 0 | 0 | 3 |
| 2N | 1 | 1 | 1 | 6 | 1 | 1 | 1 | 11 |
| 2B | 0 | 1 | 1 | 7 | 4 | 2 | 6 | 21 |
| 3N | 0 | 0 | - | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 |
| 3B | 0 | - | 0 | 0 | 0 | 0 | 3 | 4 |
| 4B | - | - | - | 0 | - | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 564 | 181 | 81 | 135 | 18 | 7 | 14 | 1000 |
Terug naar Overzicht.
Er bestaan talrijke secundaire karakteristieken geassocieerd aan een flare, waarbij verschillende organisaties er dikwijls voor kiezen een variërend deel te rapporteren. Sommige parameters duiden op een hoge temperatuur, sommige zijn verbonden aan coronale massa ejecties (CME's), en nog andere hebben twijfelachtige correlaties met bepaalde belangrijke effecten. Enkele van de meest bruikbare worden hieronder besproken.

Een grote parallelle ribbon flare - Learmonth Solar Observatory
Basisdocument door John Kennewell. © Copyright IPS - Radio and Space Services.
Terug naar Overzicht.
Rapporten van H-alfa waarnemingen dienen aan net dezelfde eisen te voldoen als die voor visuele waarnemingen. Het (maandelijkse) rapport dient dus zo snel mogelijk na het einde van iedere maand naar de werkgroepleider (Franky Dubois) opgestuurd te worden, en dient essentiële zaken te bevatten zoals het waarnemingsinstrumentarium, het adres van de waarnemer en een korte uitleg bij de gebruikte symbolen (bijvoorbeeld gN is het aantal vlekkengroepen op de noordelijke zonnehemisfeer). Tevens wordt het het best direct in het Engels opgemaakt, zodat hetzelfde formulier ook kan gebruikt worden om naar de eventuele internationale werkgroepen te sturen.
Voor H-alfa waarnemingen wordt ernaar gestreefd om de data zoveel mogelijk elektronisch (per e-mail) in tabelvorm (excel-file) over te maken. Dit vereenvoudigt de verwerking aanzienlijk. Eventuele opmerkingen kunnen in de cel zelf ("commentaar") of onderaan de tabel worden toegevoegd.
Hoewel het wenselijk is dat iedereen min of meer hetzelfde formaat gebruikt, is dit waarschijnlijk niet doenbaar aangezien ieder zijn eigen programma heeft. Dat bestaat meestal uit een basisactiviteit waaraan zijn toegevoegd de activiteiten die een persoonlijke voorkeur genieten.
Onderstaande voorbeelden geven een idee van hoe een waarnemingsrapport zou kunnen zijn opgebouwd. Zoals kan worden gezien, kan het waarnemen in H-alfa leiden tot een volledig aparte waarnemingsdiscipline die dan logischerwijze een apart waarnemingsrapport vereist. Het is aan de waarnemer zelf om hierin het onderscheid te maken.
| Solar indices for the month of August 2005 | |||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jan Janssens, Freesiadreef 3 B43, 1030 Schaarbeek BELGIUM e-mail: j.janssens@chello.be | |||||||||||||
| http://members.chello.be/j.janssens/Engwelcome.html | |||||||||||||
| Equipment | Celestron8, 203.2 mm, f/10, 68*, 1000 Oaks Obj. filter, Blue Ocf | Naked Eye | Coronado PST, < 1 Å, 40 mm, f/10, 33* | ||||||||||
| Day | Time | Q | gn | gs | CVn | CVs | PFn | PFs | A | W | Prom N | Prom S | Remarks |
| 1 | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| 2 | 06:30 | 4 | 4 | 1 | 64 | 7 | 1 | 1 | 1 | 2 | 4 | 3 | X |
| ... | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| 31 | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| _ | 10 | 3,35 | 3,4 | 1,5 | 35,8 | 21,4 | 3,80 | 2,30 | 0,10 | 2,15 | 7,2 | 5,4 | _ |
| Solar indices for the month of August 2005 | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jan Janssens, Freesiadreef 3 B43, 1030 Schaarbeek BELGIUM e-mail: j.janssens@chello.be | |||||||||||
| http://members.chello.be/j.janssens/Engwelcome.html | |||||||||||
| Equipment | Coronado PST, < 1 Å, 40 mm, f/10, 33* | ||||||||||
| Day | Time | W | North | South | Flares | ||||||
| Polar | Main | Polar | Main | ||||||||
| H | e | H | e | H | e | H | e | ||||
| 1 | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| 2 | 06:30 | 2 | 1 | 4 | 4 | 14 | 0 | 0 | 6 | 16 | X |
| ... | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| 31 | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| _ | 10 | 2,15 | 1,4 | 3,0 | 5,8 | 21,4 | 1,8 | 2,3 | 3,6 | 8,7 | _ |
| Solar indices for the month of August 2005 | |||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jan Janssens, Freesiadreef 3 B43, 1030 Schaarbeek BELGIUM e-mail: j.janssens@chello.be | |||||||||||||||
| http://members.chello.be/j.janssens/Engwelcome.html | |||||||||||||||
| Equipment | Coronado PST, < 1 Å, 40 mm, f/10, 33* | ||||||||||||||
| Day | Time | W | North | South | Flares | ||||||||||
| Polar | Main | Polar | Main | ||||||||||||
| s | l | xl | s | l | xl | s | l | xl | s | l | xl | ||||
| 1 | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| 2 | 06:30 | 2 | 1 | 0 | 0 | 2 | 2 | 0 | 0 | 0 | 0 | 4 | 2 | 0 | X |
| ... | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| 31 | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ | _ |
| _ | 10 | 2,15 | 1,1 | 0,3 | 0,0 | 4,1 | 1,7 | 0,0 | 1,1 | 0,7 | 0,0 | 2,6 | 1,0 | 0,0 | _ |
Terug naar Overzicht.
Terug naar Overzicht.
De onderverdeling in zonnehemisfeer of in zones is niet altijd even evident op zuiver visuele gronden. Hulp onder de vorm van een kruisdraad(oculair) kan best gebruikt worden. Onderstaande bespreking is in principe alleen van toepassing op de Coronado PST (40 mm opening, 400 mm brandpuntsafstand, 12 mm Kelner-oculair), tenzij anders vermeld.
Lichtenknecker verkoopt 2 types kruisdraadoculairen. Een 20 mm Kelner voor 56, en een 10 mm Plössl voor 193. De eerste is schappelijk in prijs, maar de vergroting is vrij klein (slechts 20x), de laatste vergroot 40x maar is wel duur. Zoals verderop besproken, kan een 20 mm oculair volstaan voor de indeling in zones.
Een alternatief wordt geboden door Optiek Van Grootven. Voor 15 kan daar een TAL-kruisdraad worden verkregen die in de oculairtube geschroefd kan worden. Er is echter een probleem, namelijk dat de kruisdraad pas scherp wordt gezien in oculairen met een vrij grote brandpuntsafstand (vanaf 25 mm). ***Deze scherpte is onafhankelijk van de focusregeling van de telescoop!*** De TAL werkt dus niet bij het standaard meegeleverde 12 mm Kelner oculair. In feite zou een inkorting van de oculairtube het probleem nog niet volledig oplossen, omdat de focus bijna binnen het kleine lensje ligt en er dus hooguit een nog steeds wazig beeld van de kruisdraad wordt verkregen. De TAL werkte wel redelijk met het Ganymedes Er. 25 mm oculair. De dikte van de draad en de lage vergroting zorgen er echter voor dat het zonnebeeld niet echt goed kan georiënteerd worden. Het 25 mm oculair met kruisdraad kan wel zijn diensten bepalen voor telescopen met grotere brandpuntsafstanden, zoals bijvoorbeeld bij een C8 voor de hemisfeerbepaling bij poolfakkelwaarnemingen.
De ultieme oplossing bestaat erin om zelf een kruisdraadoculair te maken. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van het geëtste glazen kruisdraadplaatje dat kan gevonden worden in de zoeker van telescopen of in microscopen. Met behulp van 2 dichtingsringen kan het plaatje dan zodanig bij de lens worden gepositioneerd dat het beeld uiteindelijk toch scherp wordt, met de kruisdraad centraal in beeld. Eventueel dient het plaatje te worden omgedraaid, of moeten er bijkomende dichtingsringen gebruikt worden tot het beeld scherp wordt. Het geheel van dichtingsringen en het ertussen geklemde kruisdraadplaatje worden op hun plaats gehouden door de oculairtube die zover mogelijk in het oculair geschroefd wordt. Dat laatste is meteen de reden waarom deze methode niet bij het meegeleverde Kelner oculair kan toegepast worden: De tube draait rond het oculair en kan dus niets vastzetten. De methode werd met succes toegepast op een Celestron Ultima 19 mm oculair. De geëtste draad is zeer scherp en veel fijner dan de TAL-kruisdraad.
Welke van de hierboven beschreven methodes ook gebruikt wordt, het oculair kan pas efficiënt gebruikt worden indien er op de buitenkant van het oculair een gradenverdeling wordt aangebracht. Verscheidene oplossingen zijn mogelijk. Het eenvoudigst is gewoon om om de 10°, een merkstreepje in een opvallende kleur aan te brengen aan de oculairrand die rust op het zenitprisma (Blocking filter) van de PST. 10° komt overeen met de omtrek van het oculair (= p . Oculairdiameter) gedeeld door 36. Eens de streepjes getrokken, kunnen ze overplakt worden met (doorschijnende) plakband. Dit vermijdt dat de streepjes worden uitgeveegd tijdens het gebruik van het oculair.
Voor protuberansen die zich bevinden op breedten tussen 45° en 55° ligt het niet voor de hand om ze zuiver op visuele gronden onder te verdelen in polaire of in hoofdzones. Om de breedte van protuberansen te bepalen, bestaat er een nauwkeurige (+/- 1°), doch tijdsintensieve methode gebaseerd op de kruisdraad.

| bs = Bgcos[(delta - totaal/2)/(totaal/2)] |


Voorbeeld
Op 18 augustus 2005 bevindt er zich een protuberans aan de zuidoostelijke rand. Na correctie voor de P-hoek lijkt deze protuberans zich rond 50° breedte te bevinden. Tijdsmeting dient uitsluitsel te brengen.
Na de kruisdraad correct georiënteerd te hebben, worden de volgende tijdstippen gemeten:
Hieruit volgt dat delta = 90 seconden, en totaal = 132 seconden, zodat
bs = Bgcos[(90 - 66)/(66)] = Bgcos(0,3636) = 69°.
Correctie voor de P-hoek (+17°; zie Hemelkalender) voor het zuidoostelijke kwadrant resulteert dan in de ware breedte voor deze protuberans: bp = bs - P = 69° - 17° = 52°. De protuberans behoort dus tot de polaire zone.
Interessant is nog dat vergelijking met beelden van de Solar Monitor uitwijst dat de breedte van de protuberans slechts 45° is, maar na verificatie met een Ha-foto van Meudon (via het Global Ha-network) blijkt de breedte wel degelijk 52° te zijn. Het grid zoals toegepast door de Solar monitor is niet nauwkeurig en dus louter indicatief!
Terug naar Overzicht.
Terug naar Overzicht.
E-mail van 5 november 2006 aan werkgroepleider Franky Dubois; Verscheen eveneens in de Nieuwsbrief van de WG Zon van November 2006.
Na de werkgroepvergadering begin oktober 2006 heb ik met Marlyn Smith (BAA) gecorrespondeerd over dit onderwerp. Ter herinnering: Bij het opstellen van het H-alfa programma verleden jaar had ik de BAA (Mike Beales) ook gecontacteerd, zonder enig antwoord. Als input van de BAA gebruikte ik dan maar wat op hun website stond.
De bijlage beschrijft de manier waarop de BAA-leden het protuberansengetal bepalen. De voornaamste verschillen zijn:
Ik besloot om voor mijn waarnemingen (Dec 05-Mar 06, Jun-Aug 06) na te gaan wat de invloed was van de laatste 2 verschillen. De eruptieve protuberansen waren tijdens deze periode van geen invloed, ik telde er misschien 1. De invloed van eruptieve protuberansen kan misschien wel groter zijn tijdens het zonnemaximum. Ik vraag mij echter af waarom je dit soort protuberansen zou weglaten uit het protuberansengetal: Bijvoorbeeld 's morgens zou je hem wel tellen als een "rustige" protuberans, maar 's namiddags niet omdat hij "eruptief" is! Het protuberansengetal is toch een maat voor de chromosferische activiteit, niet?
Mijn oorsponkelijk gemiddelde over de betrokken 7 maand was 6,6, tegenover 3,9 voor de BAA. Na mijn herevaluatie daalde mijn H-waarde naar 4,6: 1,4 was op rekening van de kleine protuberansjes tussen 1 en 3% zonneradius, 0,6 voor de loshangende ("detached") protuberansen.

Prima nieuws is dat de algemene evolutie van H niet veranderde na de herevaluatie: hetzelfde verloop, maar gemiddeld ongeveer 2 eenheden lager. Wat mij betreft is dit een aanwijzing om niet direct iets te veranderen aan de manier waarop we protuberansen tellen.
4,6 is nog altijd iets hoger dan 3,9. Ik wijt dit echter aan het feit dat ik zelf slechts een paar waarnemingen doe per maand, en er dus een zekere bias kan bestaan. Ik zie ook nogal wat protuberansen van matige grootte, maar zeer lichtzwak.
Gebaseerd op het bovenstaande, denk ik niet dat we iets moeten veranderen aan de manier waarop wij protuberansen tellen. Onze maandelijkse H-waarden zullen wel hoger blijven liggen dan die van BAA, maar we weten nu waarom dat zo is en ook dat we perfect in overeenstemming zijn met de manier waarop de werkgroep Sonne haar protuberansengetal bepaalt.
Terug naar Overzicht.