Als we de oude postkaarten aanschouwen van rond de eeuwwisseling, begin 1900, zien we nog geen enkele elektrische leiding in het straatbeeld. Alhoewel men reeds elektrische verlichting had in de “ Comptoir Central des Grandes Laiteries Belges” waar vele boeren van Anzegem en omgeving hun melk naar toe brachten voor verdere verwerking. Deze plaatselijke melkerij vroeg al in oktober 1901 om een dynamo te mogen plaatsen, teneinde haar gebouw elektrisch te verlichten. Haar verzoek werd uiteraard ingewilligd. Ernaast zien we nog beelden van de toenmalige “ Laiterie d’Anseghem” met de ons nog bekende personen zoals de heer Debeurme Benoni  de toenmalige directeur, aan de deur rechts de heer Delarue Remi als bediende en ernaast Vercruysse Achilles. Rechts de stoommachine waarmede machines werden aangedreven met onder andere de dynamo waarmede de elektriciteit werd opgewekt dienende voor de verlichting in de donkere wintermaanden. Het dorp Anzegem zelf is slechts in 1914 op het elektriciteitsnet aangesloten. “Société d’Electricité de l’Ouest de la Belgique” plaatste er dan een transformatorpost die vanuit de centrale van Zwevegem werd gevoed. De onderneming had twee jaar vroeger met het gemeentebestuur een overeenkomst gesloten voor elektrische verlichting en het leveren van drijfkracht. Voordien, in 1909, had de gemeente al toelating gegeven aan de Gentse ingenieur Gustave De Poorter om een elektrische straatverlichting in te richten. Die verkocht zijn concessie echter aan de voornoemde onderneming. De inwoners van Gijzelbrechtegem, dat door Anzegem in 1970 werd geannexeerd, dienden te wachten tot 1924 vooraleer Quest er het net onder stroom kon plaatsen. De onderneming zorgde ook voor de elektrificatie van de deelgemeenten Ingooigem, Kaster, Tiegem en Vichte. De twee laatste gemeenten hadden in navolging van Anzegem ook al in 1909 een akkoord gesloten met de reeds voornoemde Gustave De Poorter. Ook hier droeg de man zijn rechten aan Quest over. In Vichte werd de nieuwe overeenkomst al einde 1911 ondertekend. De provinciale overheid maakte echter enkele opmerkingen, waardoor het contract slechts het jaar daarop werd goedgekeurd. Op 15 augustus 1912 stroomde er elektriciteit door het net. De gebroeders Steverlynck hadden daar niet op gewacht. In oktober 1900 plaatsten zij reeds zelf een dynamo voor de elektrische verlichting van hun weverij. In Kaster en Tiegem, die in 1912 een overeenkomst hadden goedgekeurd, konden de werken echter pas na de oorlog worden uitgevoerd. Beide netten waren in oktober 1921 gebruiksklaar. Ingooigem tenslotte werd einde 1922 op het hoogspanningsnet aangesloten. Op de vierde prentkaart, genomen na de eerste wereldoorlog in 1918, met de afgeschoten toren, zien we de eerste elektrische leidingen die het mogelijk hebben gemaakt de straten te verlichten en de woningen aan te sluiten op het net. Te dien tijde bestond een huisinstallatie uit enkele lampen en een prise de courant zoals men toen zegde. Hieronder  kunnen we nog een bericht zien van de elektriciteitsmaatschappij hoe men de mensen aanspoorde tot het aansluiten op het net. Hieronder binnenzicht van de elektriciteitsfabriek van Flobecq waar bij middel van stoommachine de dynamo’s aangedreven werden. En rechts een satirische prentkaart rond de lichtbron zonder vlam. En hoe ging dat vroeger ? Veel vroeger gingen mensen slapen wanneer het donker werd en begonnen hun dagtaak bij het opkomen van de zon. De open haard zorgde voor een minieme verlichting en pas later kwamen de eerste verlichtingsmogelijkheden zoals de olielamp, de kaarsen, de petroleumlampen en de gas verlichting met carbure. Romeinen verlichtten hun huizen met fakkels, kaarsen of olielampen. Kaarsen werden op kandelaars geplaatst, waarvan hier een fraai bronzen exemplaar te zien is. een kandelaar in brons van in de middeleeuwen een olielamp eveneens van uit de middeleeuwen en is gemaakt uit  gebakken aardewerk. een drietal olielampen op voet Benzine lamp Système pigeon Een sponsachtig weefsel zorgt voor de voeding van de vlam. De lamp is voorzien van een stop voor het verdampen te beletten Verlichting met plantaar-dige olie.  Système cardan. Gedeeltekijk zicht van een uurwerklamp in tin van de XVIII de eeuw. Het verbruik van de olie liet toe dank zij de meetlijnen het juiste uur aan te duiden van 5 uur s’morgens tot 7 uur s’avonds. Ze kreeg de naam Jésuitelamp Petroleumlamp werd in gebruik genomen omstreeks 1860. We kunnen er op wijzen dat petroleum een minerale olie is tegenoverstaand de plantaar-dige olie. Snuiters en dovers waren toen hulpmiddelen voor het onderhoud van de lampen. Er bestonden enkele typische metalen werktuigen om deze lichtbronnen te onderhouden, zoals de dover, de pittentrekker en de snuiter. De dover had een kegel- of vingerhoedvorm waarmee kaarsen op een propere manier konden gedoofd worden.  Om het walmen van de vlam zoveel mogelijk te voorkomen werden de verkoolde pituiteinden met een snuiter afgeknepen. Pittentrekkers tenslotte dienden, zoals de naam het zegt, om te korte pitten in olielampen vrij te trekken. Deze pincetvormige voorwerpen zijn vaak versierd. Olielampen op voet zoals onze grootouders einde 19 de en begin 20 ste eeuw gebruikt hebben. Er bestonden eveneens hangende olielampen die midden in de woonkamer werd opgehangen. De slechte geur en de soms zwarte rook moest men er bij nemen. Wekelijks kwam de olieventer langs voor het verkopen van lampolie en nieuwe oliewieken.. Quinquet met vier lampen. Niet iedereen had een dergelijke luchter, want dit vergde heel wat onderhoud  voor het schoonmaken en opvullen. Hierboven drie verschillende carbuurlichten.  Werden gebruikt in de werkplaatsen, scholen en dan bij de paardenkarren, auto’s en fietsen. Men moeste steeds voorzien zijn van carbuur en water. Hieboven verschillende petroleum-lantaarns zoals onze generatie ze heeft zien gebruiken aan de karren en op de werven,  voor seingevers en in huis. Het vervelende was de reuk en de zwarte walmende rook.  Ook deze lantaarns vergden veel onderhoud. 10