Het ovenbuur of  bakhuis Als men Anzegem met de fiets doorkruist, bemerkt men op sommige boerderijen een vervallen gebouwtje dat afgelegen is van de woning en de andere dienstgebouwen. Heden ten dage heeft dat gebouwtje geen specifieke functie meer. Het doet nu meer dienst als berging, kolenopslag en bergplaats voor brandhout en voor vele andere zaken. Dat zal wel zo blijven tot het gebouwtje helemaal vervalt en ten slotte als steenslag wordt gebruikt voor een of andere modderweg. Alleen de naam zegt dat het vroeger een edeler functie heeft gehad in het leven van onze landbouwersgezinnen; men noemde het gebouwtje immers het ovenmuur, ovenbuur, ovenkot en soms bakhuis. Tot na de Eerste Wereldoorlog had bijna elke hoeve in Anzegem hun eigen ovenbuur dat gebouwd was op enkele meters van de woning en stallingen. Dat was door politieverordening bepaald : zoo datter gheen brant of en comme.   Het ovenbuur bestaat uit twee delen: 1. De voorhal ( ook ovenkot genoemd) en de oven.   De voorhal werd in baksteen opgetrokken, ze had een lengte van ongeveer 3 à 3,5 m en de breedte varieerde van 2,5 tot 2,7 m . De zijmuren waren 2 à 2,25 m hoog en werden  samengehouden met drie verankerde balken waarop men de muurplaat vastmaakte. Hierop kwam het zadeldak, dat zeer steil was om de druk op de muren te verminderen. De dakbedekking was aanvankelijk van stro, later van pannen. Een deur van 0,9 bij 1,8 m was in de voorgevel en twee opendraaiende houten vensterluiken (0,6 x 0,6 m ) zorgden voor tocht en deden zo de rook verdwijnen die ontstond bij het stoken van de oven. Tegen de achterwand metste men de schouwmantel en de schoorsteen, die eigenlijk een verkleinde weergave waren van de open haard die eertijds in de boerenwoningen aangetroffen werden. In de voorhal of het ovenkot werden wel eens de bussels hout opgeslagen waarmee men de oven stookte. Ook de werktuigen die bij het bakken gebruikt werden : de trog, de rokkelare ( rakelhaak = rakelijzer diende om de as uit de oven te verwijderen en ook wel eens, als het brood in vormen gebakken werd, om deze uit de oven te trekken), de ovenpale ( bestaat uit een tongvormig houten blad van 25 à 35 cm breed en ongeveer 35 cm lang en met een steel van ongeveer 1,5 à 2,25 lang. Het blad wordt naar voren dunner om het inschieten van het brood te vergemakkelijken en vooral om bij het uithalen het blad gemakkelijker onder het brood te krijgen) en de ton waarin de houtskool uit de oven bewaard werd. Alles had er zijn vaste plaats. 2. De Oven Tegen de achtergevel van de voorhal stond de eigenlijke bakoven. Dat gebouwtje in baksteen (1,8 m lang en 2 m breed) had ook een zadeldak. De achtergevel van de oven vertoonde soms een opening, daarin werd het hout gedroogd waarmee men de oven zou stoken. Bij het gesloten type, dus zonder opening in de achtergevel, liet men dat hout drogen in de oven zelf of in de voorhal. Naargelang van de constructie van het ovenfundament komen er in onze streek vier types voor: 1.             De oven rust op houten bomen: hierbij werden 30 à 45 cm boven de grond een tiental bomen in de beide zijmuren in gemetst. Hierop streek men een laag klei uit, vervolgens zand en dan legde men de ovenvloer. De bouwwijze bood het voordeel dat onder de oven verse lucht kon doorstromen, wat de droogte van de oven ten goede kwam. Dit type komt het meest voort in onze streek. 2.             De oven rust op een gemetste boog, die aan beide zijden tegen de muren duwt en zo de voute steunt. Op die boog kwam een laag zand en vervolgens de ovenvloer. 3.             De oven rust op verscheidene gemetste bogen. 4.             De oven rust op de grond: hierbij steunen de draagmuren van de oven rechtstreeks op de fundering, die in de aarde gedolven is. De ovenvloer ligt op een dikke , aangestampte laag zand.                    De verdere bouw van de oven geschiedde als volgt: als de ovenvloer gelegd was, spreidde men er een grote hoop aarde op uit met juist dezelfde vorm en grootte die de ovenruimte moest hebben. Op die aarde metste men dan met bakstenen de ovenzoldering of ovenvout. Hierbij legde de metser de stenen van voren naar achteren, min of meer in de vorm van een cirkel. De eigenlijke koepel had een zeer eigenaardige vorm, die min of meer aan een halve peer herinnerde: als men door het ovengat keek, kwamen de stenen immers vooraan samen, liepen in het midden uiteen en vloeiden naar achteren weer samen. Vooraan was de ovenruimte ongeveer 45 cm hoog en in het midden ongeveer 60 cm. Met het metselwerk ging hij door tot in de nok van de oven nog een peervormig gat overbleef. Daarin werd een steen gestampt, waardoor de koepel onder een enorme spanning kwam te staan. Vooraan liet men echter een opening - het ovengat of de ovenmuil - die 40 à 50 cm breed en 25 à 35 cm hoog was. Hierdoor "schoot" men het brood in de oven en haalde men het er weer uit. Nadat het metselwerk gedroogd was, verwijderde de metser via de ovenmuil de aarde uit de ovenruimte en de oven was "bakkensklaar". Als men dan ging bakken, werd de ovenmuil dichtgemaakt met een plank (de ovenplank) die aan de zijkanten nog eens extra met klei, modder of eertijds ook koeienmest bestreken werd. De moderne ovens hadden echter een ijzeren deurtje met twee lenen (scharnieren) en een klink (kruk). Als bij het bakken de oven aan de buitenkant wit "uitsloeg", was de ideale temperatuur bereikt; werd hij echter rood, dan stond de oven te heet en moest men proberen de warmte te "lossen". Hiertoe maakte men met een stokje een opening in de klei die aan de zijkanten van de ovenplank gestreken was; men hoorde dan de warme lucht ontsnappen. Het metsen van een oven was dus wel degelijk een hele karwei en werd uiteraard aan vaklui overgelaten. Bibliografie: Dr.J. Weyns Bakhuis en broodbakken in Vlaanderen De bakoven van het dorp   (Le four communal)   Tijdens een van onze reizen in Zuid-Frankrijk hebben we meerdere keren een goed bewaarde gemeenschappelijke bakoven gezien. Hierbij een woordje uitleg over deze ovens.   Tot in het begin van de XXste eeuw kwamen de dorpsbewoners vooral samen rond de gemeenschappelijke voorzieningen zoals: de waterfontein of pomp, de wasplaats, de molen en de oven. Voor de Franse revolutie waren de meeste broodbakovens  eigendom van de Heer (Seigneur) die een taks vorderde voor het gebruik van de oven. De inwoners waren verplicht de oven te gebruiken: het was een féodaal recht: la banalité, vandaar de naam ‘four banal’, zoals de mensen van heden de oven nog noemen. Dat men nergens anders brood mocht bakken was ook uit veiligheid tegen brand, de grote vijand in de oude tijd, gevaarlijk voor de wijk die gebouwd was met houten woningen en om te blussen slechts beschikten over zware houten emmers om water te halen bij de fontein. Na het afschaffen van dit voorrecht in 1793 werden de bakovens gemeenschappelijk en werden ze verhuurd aan een inwoner van het dorp die de oven moest open houden en onderhouden. De verhuurder kreeg een tegenwaarde in natura (de overblijvende as die hij gebruikte als meststof voor zijn land). De dorpen hebben nog vele jaren deze manier van brood bakken verder gezet. Om technische redenen (goede constructie) en economische (zo weinig mogelijk brandhout gebruiken) werkten de mensen samen om nieuwe en betere ovens te bouwen. Pas in de XIX de eeuw begonnen de eerste zelfstandige bakkers zich te vestigen, eerst met een oven dicht bij de woning en pas later met een oven in de woning Hierboven een paar foto’s van een goed bewaarde ‘four banal’ 2