De Anzegemse oud-strijder 1940 - 1945      Deweer Julien Gentiel  Te Tiegem geboren op 09.02.1920 Gehuwd met Heddebaut Godelieve. Chauffeur en wonende in de Kortestraat.95. Overleden op 31.08.1981. Soldaatmilicien vanaf 03.01.1939 en ingedeeld bij het 2de Linieregiment. Nam deel aan de gevechten te Schilde en te Ronsele met het 2de Linieregiment EM 3de Bataljon. Samen met de eenheid krijgsgevangen genomen op 27.05.1940 tussen Ursel en Knesselare. Overgebracht naar Stalag XVII/B te Krems aan de Donau vanaf 01.06.1940. Heeft daar bij een landbouwer gewerkt vanaf 14.07 tot 15.10.1940. Terug thuis op 15.10.1940. De verschrikkelijke tocht van Julien Deweer van Knesselare naar Stalag XVII/B De Belgische krijgsgevangenen werden in groepen ingedeeld en stapten onder Duitse bewaking richting Nederland. Op 39.05.1940 kwamen ze in Walsoorden aan. Daar aangekomen werd het de militairen al gauw duidelijk dat hun eindbestemming in Duitsland zou zijn. Want hier lagen Rijnaken klaar, bestemd voor hun transport. In dubbele rijen wiegelden zij over een loopplank de Rijnaak op, waar ze eerst één brood per twee man kregen. Op de Rijnaak lag hier en daar een luik open, en langs een fonkelnieuwe ladder moesten de soldaten afdalen. Sedert dagen niet gewassen, ongeschoren, oververmoeid, maar vooral door dorst gekweld, kwamen zij in een duister ruim terecht. De schepen hadden enkele dagen tevoren steenkolen vervoerd; de ruimen zaten nog vol kolengruis, de restanten van het vorig transport, die de ruimte nog donkerder en viezer maakten. Langs de wanden van het ruim lagen al vele kameraden. Sommige waren de avond te voren al ingescheept. Steeds dichter moesten ze aanschuiven en steeds meer bleven soldaten omlaag te komen, totdat het ruim propvol was. Dan werd de ladder opgetrokken. Het leken wel slavenschepen. Nog nooit waren ze zo gevangen geweest als op dat moment. Boven hun hoofden klonken de Duitse bevelen en het gestommel van bespijkerde schoenen. Juist aangekomen andere kudden soldaten werden in een ander ruim gepropt. Vermoedelijk rond een uur of negen in de morgen van donderdag 30 mei begon de reis naar het onbekende. Geen enkele mededeling van het reisdoel werd door de Duitsers gedaan. Regelmatig kwam een Duitse militair met het geweer aan de schouder voorbij, zonder ooit in het ruim te kijken. De honger begon te kwellen; met bevuilde handen werd het brood gesneden of gebroken en gedeeld. Wie nog een klontje boter in zijn veldzak had, deelde dit broederlijk. De slokjes water uit de veldfles smaakten lauw. De tongen kwamen los; je maakte kennis met de soldaat, waar je tegenaan geleund hing. Want van zitten was geen sprake. De Belgen stonden dicht op een gepakt als sardientjes in een blikje. Ze gingen nu en dan gehurkt zitten, tot de kramp in de kuiten ze weer recht joeg. Het werd warm en benauwd in die donkere krocht, want de soldaten waren nog gekleed in hun uniform en de meeste hadden de veldjas aan. Ze vroegen de Duitse bewaker nog een luik open te gooien, maar deze reageerde in het geheel niet op dat verzoek.De spanning deed zich gevoelen; de soldaten voelden zich ziek, treurig en grenzeloos vernederd. De gedachte alleen  al dat de natuurlijke behoeften zó maar moesten worden gedaan, maakte de mannen op zich al misselijk. De dorst kwelde hen ontzettend. Een priesterbrancardier, Jozef van Melckebeke, kon het niet meer harden: hij sloeg omver en bleef met glazige ogen tussen de schouders van twee collega’s hangen. Toen de bewaker passeerde, werd deze nogmaals aangeroepen: es gibt einen Kranken. De Duitser keek eerst in het ruim en schoof even later de ladder naar beneden. De zieke was wat bijgekomen; hij werd door twee collega’s naar de ladder gevoerd. De twee brancardiers volgden  hem naar boven; de ladder werd hierna direct door de schildwacht omhoog gehaald. Eerst nu kon de heer Daem, (2) de priesterbrancardier, van wie dit gedeelte van het verhaal afkomstig is, de situatie goed opnemen.  2     3    4  Pastor  R Daem  Het Konvooi bevatte vier Rijnaken. Het eerste schip voer statig voorop in het kanaal van Zuid-Beveland; daarachter kwam de Rhenus 127  (3 & 4) waarop onze Anzegemse oud-strijder Gentiel Deweer zich bevond, dat het schip, waarop Daem zich bevond, aan een stalen kabel meesleepte. Heel ver daarachter volgde de vierde Rijnaak. Op de Rhenus 127 liepen de Belgische soldaten heen en weer, daalden af in het ruim of klommen weer naar boven. Daar kon je nog lachen; je verdreef er de tijd met kaarten of lag in groepjes op het dek te keuvelen of te slapen. Op de kajuit stond een mitrailleur met enkele Duitse soldaten. De twee brancardiers, die de benauwde ruimte hadden weten te ontvluchten, vroegen de schipper of hij niet kon zorgen, dat ook de soldaten die in de ruimen van zijn schip waren geperst, aan dek konden komen. De man beweerde, dat de houten afsluiting te ver versleten was en dat gevreesd werd, dat de luiken onder het gewicht van zoveel mensen zouden bezwijken. Daarom was het ten strengste verboden, de soldaten op het dek te laten komen. Hij wist nog wel te vertellen, dat de eerste halte op de reis te Dortrecht zou zijn. Ze waren op het derde schip wel jaloers op de kameraden van de Rhenus 127, die volop van het goede weer konden genieten, terwijl zij zelf niets anders konden zien dan een langwerpige strook blauwe lucht. Eerst na lang aandringen beval de Duitse schildwacht (een zwaarlijvige Sudeet en vreedzaam huisvader), de ton met drinkwater aan de Belgische soldaten uit te delen: één tonnetje zoet water voor ongeveer 1500 à 1800 dorstige kelen! De veldflessen werden naar beven gegooid, maar een paar vingerhoedjes water konden nauwelijks de dorstige lippen verfrissen. Eindelijk werd toestemming gegeven om in groepjes van twee even het ruim te verlaten, om de behoeften rechtstreeks aan het water van de Oosterschelde toe te vertrouwen. De reddende ladder daalde naar beneden; nog twee brancardiers moesten eerst naar boven komen om met hun collega’s een soort ordedienst te vormen. Maar wie eenmaal boven was, wilde niet meer terug! De Sudeet kreeg het er benauwd van: met de bajonet  voorwaarts gericht, trachtte hij de gevangenen weer in het ruim te krijgen. Maar die hadden geen haast, en wezen naar de Rhenus 127, waar de soldaten wel boven mochten blijven. ZE kregen plotseling wél haast, toen vanaf de Rhenus 127 de mitrailleur begon te ratelen! Alleen vijf brancardiers, waaronder ook Daems, mochten boven blijven; de rest werd weer ingeblikt. Met nog meer afgunst bezagen ze de enkele meters voor hen uitvarende Rhenus 127, met in hun ogen benijdenswaardige kerels, die daar rustig op het dek konden verblijven. “Wij voeren als sierlijke zwanen hoog boven het water het Mastgat en de Zijpe door. Ware ons lot niet zo ellendig, die reis had ons kunnen bevallen. Nu dwars door het Volkerak om in de vroege avond het Hollands Diep binnen te trekken. Met vijf Rode Kruis soldatenpriesters zaten wij keuvelend op het voordek, met de rug tegen de ankerspil. De avond begon te vallen, het werd koeler. Het was na 7 uur”, zo vervolgt het ooggetuigenverslag.   Plotseling, het zal 19 u 20 geweest zijn, deed een dreunende slag het stadje Willemstad op zijn grondvesten schokken. Nauwelijks waren de inwoners van hun ontsteltenis bekomen, of uit de brede vaargeul in de verte klonk een veeltonig gejammer en geschreeuw. De met Belgische krijgsgevangenen volgepakte Rhenus 127 bleek op een magnetische mijn te zijn gelopen. Honderden gewonden en drenkelingen dreven in het ijskoude water, anderen zonken met de opengescheurde boot in de diepte. Tientallen verdronken binnen enkele minuten… Een overboord geslingerde soldaat werd in het zog van het schip ondergedompeld en klotste tegen de boeg van het volgende schip aan. Wanhopig greep hij het anker dat op het waterpeil hing. Klim er op, blijf rustig zitten, wij redden je, riep een van de vijf brancardiers. Doch de schipper van deze Rijnaak had gezien, dat de Rhenus 127 stil viel; hij holde over het dek om een aanvaring met zijn boot te voorkomen. Hij lichtte de klep van de ankerketting, die met de bijna geredde soldaat in één seconde naar beneden ratelde. Wild riepen de brancardiers naar de schipper, dat hij moest stoppen, omdat er een man aan het anker hing. Maar het was al te laat…. Met het roer stuurde de schipper in loodrechte ligging tegenover de Rhenus 127. Gedurende enkele minuten was er een hels tafereel te zien: de Rhenus 127, aan de kiel gespleten, zonk 700 meter ten noorden van Willemstad en ongeveer 300 meter uit de wal, zachtjes in het zand. De voorsteven richtte zich omhoog, en vormde met de achtersteven een winkelhaak, waarvan de toppen boven de wateroppervlakte uitrezen. Er ontstond paniek op het zinkende schip: gehuil, getier, angstkreten; daarbovenuit minutenlang het noodgegil  van de basklanken van de scheepstrompetten. Op dit moment kon Gentiel Deweer, welke zich op het dek bevond, in het koude water springen en een drijvend stuk hout waaraan hij zich vastklampte was zijn redding. De brancardiers zagen nu een bruine massa rondspartelend in het schuimende en golvende water, de dichtsluitende soldatenjassen en de loodzware soldatenschoenen beletten een langdurige inspanning; zij spoelden verder mee met de verschillende stromingen van de watergeulen. Men stond machteloos: er was geen hulp te bieden. De priesters prevelden herhaalde malen de woorden van absolutie: Ego te absolvo…Zij mochten geen houten luiken, nog ladder omlaag gooien. Touwen of reddingsboeien waren er niet; zij moesten hulpeloos toezien hoe hun kameraden verdronken.   De soldaten in de ruimen van de volgboot wisten nog niets; zij hadden alleen de oorverdovende ontploffing gehoord; daaruit hadden z kunnen concluderen dat er iets vreselijks gebeurd moest zijn. Zij werden doodsbenauwd tot razend toe; ze wilden weten wat er gebeurd was en zo mogelijk hulp bieden. Enkelen van hen wierpen hun dekens naar de brancardiers om de drenkelingen in te wikkelen.   Doch daar naderde hulp…Goddank! De ontploffing was natuurlijk ook in Willemstad en nog ver daarbuiten , tot in Fijnaart toe, gehoord en waargenomen: ze deed de huizen schudden en de ramen rinkelen. Men hoorde een scheepssirene op het Hollands Diep loeien. Velen snelden naar de haven, en ook zij werden getuigen van een afschuwelijk schouwspel. De spontane reactie was: hoe kunnen we helpen? Het eerste alarm werd gegeven door het hoofd van de Willemstadse luchtbeschermingsdienst, dokter M.G. Schiphorst; het gehele personeel van die dienst werd met al het beschikbare hulpverleningsmateriaal opgeroepen. De tweede actie werd ingezet door de Ortskommandant  te Willemstad, die ook onmiddellijk alarm sloeg; de motorbootjes, die hij ter plaatse tot zijn beschikking had, werden naar de plaats van de ramp gedirigeerd. Maar ook de Willemstadse vissers met hun schepen schoten toe om te redden, wat nog te redden viel. Vanuit de bootjes leek de toestand nog hopelozer dan vanaf de wal; de drenkelingen waren zo talrijk, dat de redding een schier onmogelijke taak scheen. Daarbij kwam nog, dat de meeste drenkelingen dik besmeurd waren met de uitstromende olie van de Rhenus 127, waardoor reddingswerk werd bemoeilijkt. Vaak moesten de drenkelingen aan de kleren worden opgehesen, omdat de uitgestoken handen te glad waren om ze zo in de boten te trekken. Die zwemmen kon en ongedeerd was gebleven, zwom naar de wal, en redde zo zijn leven. Zo heeft Gentiel Deweer zijn leven kunnen redden. Op de Rhenus zelf was de toestand na de ontploffing afgrijselijk. De compartimenten, waaronder de mijn was ontploft, bevatten verschillende soldaten. Door de spleet drong het water binnen, terwijl door de opheffing van de voor en achtersteven de opening van het dek toe gewrongen werd. Een grote groep soldaten, in dit kegelvormige gebinte gevangen, moet er een verschrikkelijke verdrinkingsdood hebben gevonden. De zich op het dek bevindende mannen wisten niet, waar ze naar toe moesten vluchten of wat ze moesten doen: ieder vocht instinctief voor zijn eigen leven. Velen gleden door de openliggende luiken naar de bodem, vertrapten neerliggende makkers of vielen van angst of uitputting in zwijm. Zij werden zo vlug mogelijk van het schip gehaald en gered. Velen bleken niet meer in staat op eigen kracht het schip te verlaten, daar ze door de schok van de ontploffing in het ongeveer drie meter lager gelegen ruim waren gestort. Door deze val was hun wervelkolom beschadigd, tengevolge waarvan ze niet meer konden gaan of staan. Een kwartier nadat de bootjes waren uitgevaren, kwamen de eerste weer aan de steiger terug, volgepropt met menselijke wezens, druipnat, vuil en zwart van de olie en het kolengruis. Alle handen gaven hulp. Met brancards, ladders, deuren en karren werden de geredden naar de Voorstraat gebracht. Alle autobezitters van het stadje kwamen spontaan met hun auto om het vervoer te verzorgen. In de Voorstraat werd strop gelegd om er de gewonden op neer te leggen. De zwaargewonden werden in particuliere woningen, in het noodhospitaaltje , het gebouw Bethel, de openbare school, het verenigingslokaal  achter de gereformeerde kerk, het R.K. militair tehuis en in een leegstaand herenhuis in de Voorstraat gebracht. Waar een goed bed hen wachtte. De vrouwen ontdeden de ongelukkige van hun natte uniformen; zij ontpopten zich als echte moeders voor de Belgische soldaten. Linnenkasten werden leeggehaald om ze aan de nodige kleding te helpen. Jonge meisjes zetten thee en koffie en liepen rond met grote schotels vol kopjes en kannen en smakelijke boterhammen en sigaretten. Huismoeders zorgden voor warme soep. Urenlang bleef de stroom van gewonden vanaf de haven naar het stadje voortduren. Het brede middenpad van de Voorstraat lag weldra vol. De ramp was van dien aard, dat een klein stadje deze niet alleen kon opvangen. Hulp van elders was dringend noodzakelijk. Maar de telefonische verbindingen waren nog steeds niet hersteld, dus moesten ordonnansen per motor naar de omliggende plaatsen worden gezonden om artsen, ziekenhuizen en ambulances op te roepen en groot alarm te slaan. Tegen 12 uur ’s nachts waren alle zwaargewonden inmiddels afgevoerd. Dit waren er ruim 50. Vrijdag 31 mei 1940   De morgen, volgende op de ramp, droegen de priesters brancardiers in het katholieke kerkje van Willemstad een Heilige Mis op voor de zielenrust van hun gevallen kameraden en voor de goede afloop voor de overige krijgsgevangenen. Na de mis zette de huishoudster van de pastoor ze een stevig ontbijt voor. Daarna gingen zij zich melden bij de Ortskommandant. Deze vroeg wat het kleine kruisje op de vestzak van het uniform te betekenen had ( de Rode Kruisband droegen de brancardiers links op de bovenarm). Toen hij hoorde, dat zij priesters waren, prees hij hun ijver bij de hulp te water en te land en zei dat hij ook rooms-katholiek was.   Op deze vrijdag stuurden de Duitsers ook nog een afdeling Feldgendarmerie, die tot taak kraag de niet gewonde krijgsgevangenen op te sporen en terug te brengen naar de boten, doch dat was allesbehalve bevorderlijk voor de stemming van de burgerij. We hebben gezien, dat de eerste dag al verschillende Belgen waren ontsnapt (sommigen van hen waren met hulp van Willemstadters zelfs over de vest gezwommen!), en dat er zich nog een klein aantal in de Willemstadse wallen schuil hield. De Feldgendarmerie klopte  - overigens tevergeefs – aan bij de vele woningen om te informeren of er nog Belgen waren. Op een gegeven moment botsten drie leden van de Feldgendarmerie op de priesters brancardiers  en gelasten hen naar de boten te gaan. Ook Gentiel Deweer werd opgepakt en naar de boten gebracht.   Tegen de middag vertrokken de twee aan de steiger liggende boten met de Belgische soldaten voor de verdere reis naar Duitsland. De krijgsgevangenen werden te Wesel of Emmerik verzameld om van daaruit hun reis voort te zetten per trein. Ze belandden vervolgens in een Durchgangslager, vanwaar ze na enkele dagen werden afgevoerd naar een Stalag. Gentiel Deweer werd overgebracht naar Stalag XVII/B te Krems aan de Donau vanaf 01.06.1940. Hij heeft daar bij een landbouwer gewerkt vanaf 14.07 tot 15.10.1940. Terug thuis op 15.10.1940.   Nota: De balans van de ramp met de RHENUS 127: in totaal 166 waarvan: 42 Walen, 97 Vlamingen en 27 onbekend.   De ramp met de Rhenus 127  op 30 mei 1940 te Willemstad door: Const. Van Nispen  Oud-gemeentesecretaris  Van Willemstad         27