Toen Duitsland op 4 augustus 1914 de oorlog verklaarde aan België was hiervan tijdens de eerste dagen van augustus in Anzegem weinig te merken. Er waren weliswaar heel wat soldaten opgeroepen en een aantal jongeren hadden zich als vrijwilliger gemeld, maar het leven ging zijn gewone gang. De oorlog was nog ver en de bevolking was er zeker van dat het dappere Belgische leger de Duitsers zou tegenhouden. Toen echter meer en meer onheilspellende geruchten de ronde deden, werd inderhaast de burgerwacht opgeroepen. Deze mannen hadden een driekleurige armband om de arm; sommigen hadden een verroest geweer of een jachtgeweer bij zich. Zij versperden de weg met prikkeldraad, een boerenkar of wagen, maar toen de eerste Duitse soldaten in aantocht waren was er geen enkele burgerwacht te bespeuren[1] . Het gezond verstand haalde de bovenhand en iedereen zag dat deze povere verweermiddelen nutteloos waren. Bij het naderen van de eerste Uhlanen, de gevreesde Duitse ruiters met hun pinhelmen en hun lansen, was de bevolking zeer bevreesd. Alle vensterluiken waren gesloten, niemand vertoonde zich op straat. Twee mannen waren nochtans onbevreesd: Jules De Reycke (1) en zijn gebuur dokter (2) Heylebos[2] Zij woonden in de Kerkstraat naast de pastorie[3]. Onverschrokken staarden zij de Uhlanen aan die Anzegem binnenrukten. Dit kwam hun echter duur te staan want onmiddellijk werden zij meegenomen om als gids op te treden en de weg te wijzen naar Kortrijk en ze werden tezelfdertijd als levend schild gebruikt tegen eventuele sluipschutters. Jules De Reycke toonde onderweg aan de Duitse soldaten zijn trouwring en pleitte voor zichzelf omwille van zijn vrouw en kinderen. Hij werd vrijgelaten op de wijk Engelhoek, tussen Anzegem Heirweg en Vichte. Dokter Heylebos werd vrijgelaten in Kortrijk[4]. De eerste Uhlanen berokkenden de bevolking geen kwaad en de inwoners van Anzegem herademden. De rust was echter van korte duur. Op 24 augustus 1914 stond de ganse streek in beroering. Ontelbare mannen kwamen aangelopen uit de richting van Ingooigem naar de Sterhoek, vandaar naar het klooster, richting kasteelbossen. Anderen liepen langs de Korte Winterstraat naar de Kruisweg, richting Wortegem. Allen riepen met grote angst:”Vlucht, vlucht, de Duitsers pakken alle mannen tussen de 18 en 50 jaar”. Arthur Wallays was juist bezig zijn schoenen aan te trekken. Hij had reeds één schoen vastgesnoerd. Hij liet de andere schoen vallen en vluchtte, half barrevoets, van de Kruisweg naar de Sparrenbossen. Op de Sterhoek was men aan het dorsen op de hoeve van boer Tieghem (thans hoeve Ivan delezie). De dorsers vluchtten weg terwijl de dorsmachine bleef doordraaien. Op de hoeve Delombaerde legden de mannen zich plat op de grond om te luisteren naar de naderende Duitsers. Er gebeurden de gekste dingen: sommigen sprongen in een half lege aalput, anderen verdoken zich in de riolen, terwijl de ratten schichtig weg liepen. De oogst stond nog op het veld. Sommigen verscholen zich tussen de struiken en schoven, anderen in grachten, in een kleerkast en op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen. Wat was er gebeurd? Volgens de aantekeningen van Stijn Streuvels waren er te Avelgem veel Duitse soldaten, die marcheerden in de richting van Doornik. Zij werden er bespot door drie dronken steenbakkers. Die werden door de Duitsers een eind meegenomen totdat ze wat ontnuchterd waren. De inwoners van Avelgem dachten dat het opgeëiste burgers waren. De ene vertelde het aan de andere. De verhalen werden aangedikt zodat iedereen in paniek geraakte en alle mannen angstig op de vlucht sloegen. Na de oorlog werd volgend liedje gezongen in Anzegem en omliggende gemeenten, met betrekking tot de gebeurtenissen van “vluchtersmaandag”. Als men gedenkt den loopersdag Al van het jaar veertien Dan schiet men zeker in een lach ’t Was geestig om te zien Ja, jong en oud en ook getrouwd Iedereen was op de vlucht Want geheel België was benauwd Al van den Duitschen Bucht     Ik zag daar eerst een man in ’t zweet Hij liep zoo rap zoo snel Men vroeg hem “hebt gij pijn of leed? Of scheelt iets aan uw vel?” “Gij zult gauw zien” zoo sprak hij vlug “’k mag geen minuut stilstaan ‘k Loop met de schoenen op de rug Anders ‘k had ze aangedaan” Wat verder kwam er dan nog een Hij was in doodsgevaar Bevuild, beslijkt van kop tot teen En rechte stond zijn haar Als men hem zei “Loopt toch zoo niet Voor U is geen gevaar” Hij sprak”’t staat op mijn voorhoofd niet Dat ik ben zestig jaar” Een garde aanschouwde ook dat spel Met ’t wapen in zijn hand En zei: “Komt iemand aan mijn vel Dan tuimelt hij in ’t zand” Hij dacht:”Ik ben er toch zoo jong En ook nog lang en fijn En gauw met enen grooten sprong Zal ik van vooren zijn”. DE LOOPERSDAG Refrein Men hoort langs wegen en straten Niets dan klachten en wee ’t Zijn de Duitse soldaten Ze nemen alle mansvolk mee Men wordt gekoord en gebonden Gesleurd langs hier en daar Men hoort uit aller monden Wat een vreselijk gevaar Maar al met eens hij hoorde een stem Die riep”Ach vriend, kom hier Anders we zitten in de klem” ’t Was enen herbergier “Ik ben wel dik, maar als gij wilt Dees duikkerke is nog groot En legt maar uw horloge stil Haast U wat sapperloot. Uit de stad kwam een loodgietergast Voor Duitsche volk hier zien Maar al meteen, hij was verrast Als hij zag al die liên Bijkans nu thuis ziet wat abuis Trok men hem verder mee En hij zoo rap als een muis Liep weder naar de steê Men was aan ’t werken bij nen boer Al met de dorschmachien Men hoorde al dat rumoer En iedereen liep zien Maar vrienden ’t was daar ook gedaan Als men hoorde gerucht ’t Machientje bleef alleene staan En elk was op de vlucht Ja vrienden ’t was op onverwacht Dat zulks hier kwam geschiên En sedert heb ik nagedacht Wat toch dit moest bediên Ik meen dat ’t een waarzegging was Dat men moest Frankrijk in Dat men moest lopen bij ons ras Anders ’t kan niet zijn. Door de weerstand van de Belgische soldaten aan de Ijzer, bleef het oorlogsfront in de buurt. Tijdens de stille avonduren kon men tot in Anzegem de kanonnen horen bulderen. Het bezette gebied stond volledig onder de Duitse heerschappij. Anzegem behoorde tot het zogenaamde “operatiegebied” (oorlogsgebied). De voorschriften voor Anzegem waren veel strenger dan voor Wortegem, dat tot het “etappegebied” werd gerekend. De inwoners van Anzegem mochten de gemeente niet verlaten zonder een speciale pas, “Schein” genaamd. Ontelbare Duitse soldaten waren op logement bij de burgers en eisten meestal de beste plaatsen op. Zij kwamen terug van het front om gedurende enkele weken uit te rusten en daarna opnieuw in de loopgraven plaats te nemen, ofwel waren het jonge rekruten , pas uit Duitsland aangekomen, die nog een laatste oponthoud hielden van een drietal weken vooraleer naar de hel van de IJzer te vertrekken. Sommige soldaten waren brutaal, maar anderen dachten met heimwee aan hun dorp en gezin dat zij verlaten hadden en leefden enigszins met het Vlaamse gezinsleven mede. Een jonge Duitse soldaat was ingekwartierd op de Kruisweg. Hij had een vrouw en zoontje dat even oud was als het zoontje van het gastgezin. Urenlang zat hij naast het wiegje en zong; “Berke, Berke, zoete Berke heeft geroepen Berke heeft een tijd gebracht Berke heeft geen koeke g’had”[5] Maurice De Clercq was burgemeester van Anzegem, maar het militaire gezag en in werkelijkheid ook het burgerlijk gezag werden uitgeoefend door een Duitse bevelhebber, de Etappenkommandant Guenther. De burgers noemden hem de “Ortskommandant” De Kommandatur was gevestigd in de Kerkstraat, nr. 15[6]. De kommandant zelf verbleef bij de architect Remi Delarue[7]. Zijn ordanans was een zekere Schmidt. De ortskommandant was gedeeltelijk invalide en hinkte, wat hem waarschijnlijk van het oorlogsfront weghield. In nr. 28 woonde toen Adolf Quatannens, in nr. 26 Remi Delarue en in nr. 24 dokter Heylebos, in nr. 22 Jules De Reycke.   ° ° °  Vanaf 1915 werd er een vorm van verzet genoteerd tegenover de Duitse bezetting. Er werd benzine gestolen op de Kruisweg bij Alfons Beyls en prompt werd de gemeente gestraft. Niemand mocht zich nog op straat vertonen na 6 uur ’s avonds en de zondag na 3 uur ’s namiddags. Op 21 Juli 1915 gaf dokter Heylebos opdracht aan zijn huishoudster Florence Gilbert[8] om de tafel te dekken met de Belgische vlag, dit tot ongenoegen van de ingekwartierde Duitse soldaten. Enkele Anzegemse burgers, vooral vrouwen, gingen werken op de kommandatuur. Dit was niet zozeer uit sympathie voor de bezetter, maar veeleer uit armoede, uit geldnood om toch maar over een inkomen te beschikken om het allernoodzakelijkste aan te kopen. Niettemin werd deze zogenaamde “kollaboratie” door de bevolking met een scheef oog bekeken, zo ver en zoveel dat er “gescharminkeld” werd. Bij valavond werd in de buurt van de “schuldige” voor ketelmuziek gezorgd. Met allerlei tuig werd lawaai gemaakt, vooral door te slaan op emmers, potten en pannen, het knallen met de zweep(met de “djakke”), het geroep door buizen en zo meer. Er werden ook schimpliedjes gezongen, waaronder volgende tekst Brouckie, Brouckie, weet gij dat nog. Van al uw schone meiskies, Overal waar ze gaan of staan Moet er ne Duits meegaan Ze hebben vergeten Dat het oorlog is En dat hun broeder, Op het slagveld is. Onnodig te zeggen dat de Duitse overheid niet tevreden was over deze behandeling van hun “bedienden”, met als gevolg dat er opnieuw straffen werden opgelegd.                  °  °  ° Tijdens de eerste maanden van 1916 begon de Duitse overheid opeisingen te verrichten bij de burgerbevolking, om te gaan werken in de frontstreek. Voor een aantal was de bestemming Haluin en Wervik, voor anderen was het de streek van Sedan. Er moest hard gewerkt worden, ze kregen weinig te eten en de rest kan men raden. Van zodra deze verplicht tewerkgestelde, civielarbeiders genoemd, de kans kregen, vluchtten ze weg en kwamen onderduiken in hun geboortestreek. Anderen gaven geen gevolg aan de oproepen en doken eveneens onder. Er kwam ook meer verzet onder de bevolking. In het beste geval waren het eerder plagerijen, maar er werden ook min of meer erge sabotagedaden gepleegd. De straffen werden bekendgemaakt door middel van aanplakbrieven teneinde de bevolking enigszins af te schrikken. Ten bewijze hiervan de hiernavolgende tekst[9]. 4° Armee Etappenkommandantuur nr 6 XIII Gericht Kortrijk (Courtrai), den 26 april 1916 BEKENDMAKING Nadat de gerechtelijke uitvindingen nopens de verstoring van de openbare rust en orde, welke op de Sterhoek, gemeente Anseghem, op Zondag den 2° april 1916 gebeurd heeft, gesloten zijn, heb ik de straf bepalingen, aan de gemeente Anseghem opgelegd, afgeschaft. Deelgenoten van de openbare wanorde zijnde, zijn 1 Florent Vanpoucke 2 Maurice Detollenaere 3 Karel Heffinck ieder met zes weken gevangenis en 4 Cyrille Verbauwheden met drie weken gevangenis gestraft geworden. Ook is vastgesteld geworden dat Victor Algoet het volbrengen van mijne bekendmaking, gedagtekend op den 4 april 1916, bespot heeft, daardoor dat hij voor de gemeente-politieman, die mijne bekendmaking openbaar aanplakte, spotachtig lachende den knie boog. Daarom heb ik Viktor Algoet met zes weken gevangenis gestraft. De geneesheer Dr. Heylebos Honoré is met zes weken gevangenis en met 500 Mark geldboete door mij gestraft geworden, in geval van niet betaling met enen verderen dag gevangenis voor iedere 10 Mark, omdat hij in openbaar duitsch-vijandelijke bedoeling gedurende langere tijd de Belgische nationale kleuren droeg, niettegenstaande hij het verbod kende. Ik maak deze straffen bekend, verhopende dat verstoringen van de openbare rust en orde, gelijk te Anseghem op den 2 April gebeurden en volgens geloofwaardige geruchten op de gemeente Anseghem zouden herhaald worden, in de toekomst volstrekt achterwege blijven, opdat ik niet genoodzaakt ben, op veel strengere manier de gemeente en de enkele gemeenteleden te straffen.   Der Etappenkommandant Guenther Obersleutenant   °  °  °   De vaderlandsliefde van dokter Heylebos geraakte ook bekend buiten de gemeentegrenzen van Anzegem. Hij werd benaderd door de verzetsgroep Edith Cavell. Er werd gevraagd om de nummers op te tekenen van de treinen en wagons die in Anzegem voorbijreden in de richting van het front. Deze aantekeningen gebeurden aan de treinhalte van de “Sterhoek” en het papier met de aantekeningen werd verborgen in de hoge hoed van de dokter. De Duitse politie had lont geroken. Deze Duitsers verplaatsten zich meestal te paard en hadden een armband met de initialen “MP” erop. De bevolking gaf ze de naam van “Markepakkers”. Dokter Heylebos werd gevangen genomen en verbleef eerst zes weken in de gevangenis van Kortrijk en werd vervolgens gedeporteerd naar Duitsland. In het gevangenkamp Sennenlager, waar eveneens Russische krijgsgevangenen ondergebracht werden, had dokter Heylebos er geen melding van gemaakt dat hij geneesheer was. Men verplichtte hem de toiletten te reinigen . Toen op zekere dag een krijgsgevangene zijn polsen had overgesneden en verzorgd werd door dokter Heylebos, kwam zijn werkelijk beroep aan het licht en vanaf dat ogenblik werd hij de dienstdoende dokter van het gevangenkamp[10]. Na de deportatie van dr. Heylebos en het vertrek van Florence werd zijn woning in gebruik genomen door Jules De Reycke, terwijl de woning en het magazijn (3) van Jules bezet werden door de Duitsers. De bovenverdieping werd ingericht als gevangenis. Het waren een soort hokken waarin de gevangenen, voor meestal korte duur, opgesloten werden. Deze gevangenen waren vooral werkweigeraars, civielarbeiders die het kamp ontvlucht waren, en alhoewel hier of daar ondergedoken, toch door de “Markepakkers” weer gevangen genomen werden. Verder waren er ook nog de saboteurs, familieleden die in vervanging van sommige beschuldigden werden aangehouden evenals Duitse soldaten, die het een of zander hadden mispeuterd. Elke morgen werden de gevangenen “gelucht” op de kleine binnenkoer. Zij maakten dan een korte wandeling, in kringvorm, uiteraard onder bewaking van Duitse soldaten,. De familieleden van de Anzegemse gevangenen maakten van de gelegenheid gebruik om door het venster van de keuken van Jules De Reycke, naar hun verwanten te komen kijken. Bij deze gelegenheid gaven zij ook pakjes voedsel en tabakswaren af aan vrouw Jules De Reycke. Deze laatste wist welke bewakers zeer streng waren, maar ze kende ook de “brave” Duitse soldaten. Wanneer deze laatste van dienst waren, wachtte zij het gepaste moment af om deze pakjes binnen te smokkelen en aan de gevangen af te geven[11]. Volgende namen zijn nog bekend van gevangenen die in dit “prison” werden opgesloten: Theo Eggermont, Georges Destoop, Victor Vercruysse, Alberik Vanbraeckel, Florent Vanpoucke, August Delaere en zijn moeder Wilza Vandamme. Victor Vercruysse, beenhouwer op de Dorpsplaats, was opgeëist om te gaan werken als civielarbeider. Bij zijn aanbieding in de “Kommandantur” gaf hij plots een stomp op de deur van de hall, liep naar de tuin en vluchtte weg. Toen echter zijn vrouw in zijn plaats aangehouden werd, kon hij niet anders dan zich vrijwillig aangeven[12]. Jules De Reycke wist echter een middel om Victor Vercruysse vrij te krijgen. Toen hij op zijn binnenkoer aan het werk was, zong hij een liedje in het Anzegems dialect, dat de Duitsers niet verstonden, maar Victor natuurlijk wel. In dit liedje kwamen telkens de woorden voor die Victor Vercruysse kon gebruiken voor zijn verdediging en vrijlating.                                                                        °  °  ° De binnenmuren van de gevangeniscellen zijn thans afgebroken. De woning werd na de oorlog 1914 – 1918 door Jules De Reycke gebruikt als magazijn voor zijn groothandel in voedingswaren. Op de overblijvende muren zijn nog tekeningen (4 & 5)en opschriften zichtbaar, die door de gevangenen werden aangebracht in houtskool, potlood en zelfs met verf. Nog duidelijk leesbaar staan de namen vermeld: Vansteenbrugge Maurice en Verschuere Anseghem. Er is ook een mooie gekleurde tekening van een jonge vrouw op de muur aangebracht, waarschijnlijk uitgevoerd door een gevangen Duitse soldaat. Er zijn ook nog een paar rijmpjes leesbaar, o.a.   Beyerisch Bier und Leberwurst Stilt den Hunger un der Durst (get. Schmits) Een ander rijmpje is minder netjes Die hier moet lossen Is wel te beklagen Want hij heeft geen papier Om zijn g.. af te vagen   °  °  ° Tijdens het laatste jaar van de wereldoorlog is er nog een drama gebeurd. Leo Alberik Vanbrackel, textielarbeider[13], wonende op de Heirweg en echtgenoot van Zozima Detollenaere, weigerde om als civielarbeider te gaan werken. Hij werd aangehouden en in de “bak” van Anzegem opgesloten. Op zondag 16 april 1918,; even na het middaguur, slaagde hij er in om uit zijn cel te ontvluchten, dwarste de Kerkstraat, rende naar de Buyckstraat, liep door de kleine weide waarin enkele jaren nadien de “gaaipers” van de schuttersvereniging werd geplaatst, en liep in de richting van de huidige Kouterstraat. Hij had echter tegenslag: in de Buyckstraat werd op dit ogenblik de aflossing van de Duitse wacht van het “operatiegebied” uitgevoerd. Een onderofficier  “Gefreiter” riep Alberik toe te stoppen, maar deze luisterde niet. Een Duits soldaat gaf zijn geweer aan de “Gefreiter”. Deze loste twee waarschuwingsschoten boven het hoofd van Alberik en toen deze nog verder liep schoot hij hem met het derde schot neer. De onderpastoor Kint, die de schoten had gehoord en nevens de huidige herberg “Het Zangershof”, ook genoemd “Beauraing” woonde liep op zijn kousen haastig naar Alberik toe om hem de laatste H. Sacramenten toe te dienen. De Duitsers wilden dit beletten, maar onderpastoor Kint liet zich niet onbetuigd. De neergeschoten was erg gekwetst, maar leefde nog. Hij was gekleed in een zwarte broek en een trui met rolkraag. Hij werd weggedragen op een ladder en vervolgens met een kruiwagen naar het Klooster van Anzegem vervoerd[14], waar een soort noodhospitaal “lazaret” genaamd, was ingericht. Van hieruit werd hij overgebracht naar de kliniek in de Voorstraat in Kortrijk, waar hij ’s anderendaags om 5 uur ’s morgens stierf. Enkele minuten vooraleer hij stierf zong hij enkele zinnen van de “Vlaamse Leeuw”[15]. Toen zijn echtgenote, Zozima Detollenaere in Kortrijk aankwam was hij overleden[16].   In 1919 werd te Anzegem een bevrijdingsstoet (6 & 7)ingericht. Aan talrijke huizen hingen opschriften met een verwijzing naar de oorlog. Een van de opschriften had betrekking op de Duitse Etappenkommandant Guenther en luidde[17]:   “Schiet hem nu maar dood Die lelijke mankepoot”   Frans Speleers [1] Interview Michel Wallays op 11.11.80 [2] Heylebos Honoré, geboren te Geraardsbergen op 18.07.1887, werd in Anzegem ingeschreven op 17.10.1912, komende van Geraardsbergen. De plaats van geneesheer was vrij gekomen na het vertrek van dokter Juliaan Vanlerberghe (geboren te Avelgem op 16.07.1882) naar Dendermonde op 08.10.1912. [3] Bewoond door pastoor Corselis. [4] Interview met Lucien De Reycke (°21.08.1911 + 01.02.1981); zoon van Jules, op 28.09.1980 [5] Interview met Michel Wallays. Waarschijnlijk een half geslaagde vernederlandsing van het Duitse wiegeliedje: “Backe, backe Kuchen, Der backer hat gerufen, ….”enz. [6] Huidig woonhuis Gabriël Devroe. [7] Het vroeger woonhuis van Adolf Quatannens – Windels. [8] Florence Gilbert(geboren te Ingooigem op 07.01.1847) was in Anzegem bekend als de vroegere huishoudster van pastoor Hugo Verriest. In werkelijkheid is zij nooit op het adres van pastoor Verriest ingeschreven geweest, zoals de bekende meid Pauline Vandeputte. Na zijn opruststelling verhuisde Hugo Verriest van de pastorie naar een huis op de dorpsplaats, Pontweg nr. 20. Florence Gilbert woonde op dat ogenblik in het huis aan de overkant, Pontweg nr. 21. Wellicht heeft zij de meid Pauline regelmatig geholpen bij het een of ander bezoek voor Hugo Verriest. Florence Gilbert is te Anzegem ingeschreven op 23.10.1913, komende van Moorslede, Slijpstraat, 130. Zij is afgeschreven, na de deportatie van dokter Heylebos op 15.11.1916, naar Ingooigem, Plaats, en aldaar afgeschreven voor Hamme, Hoogstraat, 13, op 16.04.1919, waar zij opnieuw huishoudster werd van dokter Heylebos. [9] Origineel in bezit van mevr. Heylebos te Hamme. [10] Dokter Heylebos verbleef tot 1919 in Duitsland en wilde niet naar België terugkeren vooraleer de laatste gevangene uit het kamp naar zijn vaderland kon terugkeren. Door bemiddeling van een gevangen genomen onderpastoor vestigde hij zich te Hamme op 14.04.1919, in de Hoogstraat, 13. Hij was een harde werker en vooral een sociaal voelend mens. Hij stierf op 3 juli 1967. Uit dankbaarheid heeft het gemeentebestuur van Hamme zijn naam bestendigd in de “Dr. H. Heyleboslaan”. [11] Interview Lucien De Reycke [12] Interview José Vercruysse, zoon van Victor, op 07.10.1980 [13] Echtgenoot van Zozima Detollenaere, te Vichte geboren op 14.05.1894 en te Anzegem geschoten bij het vluchten uit het gevang te Anzegem en overleden in het gasthuis te Kortrijk op 08.04.1918. Was gevangen genomen omdat hij weigerde te werken voor de bezetter [14] Interview Jeanette De Reycke, dochter van Jules op 10.10.1980 [15] Interview Maria Vanbraeckel, dochter van Alberik op 08.12.1980 [16] “Hij moest voor de Duitse overheid werken, maar hij weigerde. Hij werd alhier in ’t gevang gestoken… hij vluchtte weg, en een dodelijk schot kwam hem te treffen op zijn vlucht; hij stierf ’s anderendaags en zijn vrouw die hem ging bezoeken, vond hem maar in lijke meer….” ( uittreksel uit het doodsprentje van de overledene). [17] Interview Paul Quatannens op 17.10.1980       28