29 Toen bekend werd dat de Duitsers België waren binnen gevallen stond op vrijdagmorgen 10 Mei 1940 gans de Anzegemse bevolking op straat. Reeds heel wat Anzegemse mannen werden in de vroege morgen opgeroepen om hun eenheid te vervoegen. Maar oorlog of geen oorlog, wij moesten toch naar school. Op de speelplaats aangekomen kregen wij bericht dat er geen les zou onderwezen wezen worden en wij naar huis mochten terugkeren. Voor ons, jonge knapen, was het precies alsof  wij een vervroegde vakantie kregen. Omstreeks 16 uur in de namiddag kwamen de eerste Franse soldaten aangereden komende uit de richting van de Heirweg en verder reizende van de Kruisweg naar Wortegem.Zaterdag voormiddag 11 mei kwam een Britse legereenheid naar Anzegem en zij werden bij burgers ingekwartierd. Weeral een gebeurtenis om met de buren te overleggen. Hun vervoermiddelen en ander militair materieel stond onder meer opgesteld in de Kasteeldreef en in de Wilgendreef. In de “boltent” van wagenmaker Emiel Vandendorpe, op de Kruisweg, werd een keuken geïnstalleerd. De jeugd wist niet naar wat eerst gekeken. De Engelse soldaten hadden snoepgoed mee en toen ze de verpakking op de grond wierpen zagen wij dat tussen de omslag en het zilverpapier van de chocoladerepen er een kaartje ingesloten was waarop een filmster werd afgebeeld. Wij die vroeger de foto’s van renner, “coureurs”, en voetballers spaarden hadden nu een nieuwe hobby. Iedereen vergeleek zijn vondsten met de vrienden. Wie een filmster in het dubbel had probeerde deze voor een ander te verwisselen bij een schoolvriend.In de herberg” Sportwereld” op de Kruisweg waren twee Britse officieren ingekwartierd. De herbergierster had bemerkt dat zij sliepen met een zijden pyjama aan. Dat was belangrijk nieuws want de meeste Anzegemse mannen hadden geen pyjama, laat staan een zijden pyjama, want zij sliepen  met hun onderbroek, met lange beenpijpen, aan. Maar het werden onrustige tijden. Vluchtelingen uit Limburg kwamen in de gemeente aan. Meester Gilbert Devos werd door de gemeente aangeduid om hen onderdak bij burgers te verschaffen. Zij waren reeds sedert maanden verwittigd dat, ingeval van ontruiming naar een bestemming in West-Vlaanderen moesten vertrekken. De inwoners van Oostham en Kwaadmechelen kregen de opdracht zich te begeven naar Anzegem of Zingem. Toen zij na 21 uur aankwamen kregen zij voorlopig onderdak in het klooster, eten en drinken, en kregen ’s anderendaags van meester Gilbert een Anzegems adres waar ze zich moesten aanbieden.Vanaf 16 en 17 mei 1940 waren het Belgische soldaten, die uitgeput, met hun legermaterieel naar de richting Waregem trokken. Niemand kon vermoeden dat zij enkele dagen later slag zouden leveren met Duitse eenheden, aan de Leieboorden.Op Zaterdag 18 mei kwam burgemeester Philippe de Limburg-Stirum op elke wijk een bericht uithangen dat iedereen de gemeente  binnen de drie dagen moest verlaten en vertrekken naar de richting van de Belgische kust.Het was als een donderslag aan de heldere hemel. Iedereen had gelezen en was ook overtuigd dat de versterkingen aan het Albertkanaal oninneembaar waren en nu bleek dat de Duitsers met grote snelheid door België trokken.Na de aankondiging van de burgemeester dat Anzegem volledig moest ontruimd worden binnen de drie dagen was elke Anzegemnaar in de weer om zoveel mogelijk goederen in de woning naar de kelder of een andere schuilplaats op te bergen.  Tezelfdertijd moest beslist worden wat men zou meenemen voor deze tocht. De vluchtelingen uit Oostham en Kwaadmechelen  moesten opnieuw vertrekken naar andere bestemmingen. In de garage van Adolf Vandenberghe, Kruisweg 34 was er juist een kindje geboren van ouders uit de streek van het Albertkanaal en met deze kleine baby moesten zij verder naar onbekende oorden. Op het bericht van de gemeente moest men uitwijken naar het westen, de richting van de kust zodat vele Anzegemnaren overtuigd waren dat ze zelfs met de overzetboot naar Engeland of nog verder zouden varen. Daar mijn ouders familie hadden in Amerika werd ik gestuurd  naar de familie Vandevelde in de Kerkstraat om daar de familiale adressen van neven en nichten die in de Verenigde Staten woonden, op te halen. Overal stonden Engelse kanonnen opgesteld: in de Kalkstraat aan de hoeve van Aimé Dewaele, achter het kasteel, aan de hoeve “De barze” en op vele andere plaatsen. Mijn ouders bergden zoveel mogelijk goederen in de kleine kelder. Aan de andere kant van de straat woonde de familie Alfons Beyls, die een ast bezat. In de grote kelders konden zij al hun privé goederen, en deze van hun familie opbergen. Daar er nog plaats over was mochten de inwoners van de Kruisweg ook een deel van hun privé goederen inbrengen. De Engelse soldaten boden zelfs hun hulp aan om met de kruiswagen goederen te vervoeren. Ook een deel van de textielproducten uit de winkel van mijn ouders werden daar opgeborgen. Wanneer alles volzat werd met een tiental mannen en Engelse soldaten een zware bietenmolen voor de opening geschoven zodat het quasi onmogelijk was voor een paar enkelingen om iets te stelen. Maar bij onze terugkomst was de molen toch verschoven en waren de goederen verdwenen. Wie had dat gedaan? De Engelse soldaten werden er later van beticht. Er werd onder de buren gefluisterd dat er kans bestond dat Anzegem nog dezelfde nacht zou kunnen beschoten of gebombardeerd worden. Daarom vertrokken reeds een groot deel van de Anzegemse bevolking op de Zaterdagavond. Mijn ouders besloten om nog een nacht thuis te blijven. Wij moesten wel proberen te slapen met onze kledij en schoenen aan. De fietsen stond vertrekkens klaar. De achterzijde van de fiets van mijn moeder was zodanig geladen dat, wanneer zij niet in het zadel zat, het voorwiel naar omhoog sprong. Ik had een kleine fiets en langs beide zijden van het stuur hingen telkens drie boodschaptassen volgeladen met allerlei spul. Ik zou moeten rijden met mijn benen wijd open gespreid. Mijn vader had zijn fiets  vooraan en achteraan geladen. Intussen had mijn moeder voor elkeen een zakje met een lint genaaid dat we onder aan onze kledij moesten dragen en waarin al het beschikbare geld stak.  Ik herinner mij dat er in mijn zak veel muntstukken staken. Tijdens de eerste kilometer voelde ik daar weinig van maar naargelang we verder en verder fietsten begon dit zakje als lood te wegen. Het was zweten van de eerste tot de laatste minuut. Mijn ouders hadden een eetservies dat zij gekregen hadden bij hun huwelijk ingegraven in een aarden vloer van een bijgebouwtje. Maar toen we terugkeerden was er juist een obus gevallen op deze plaats en was het eetservies naar de vaantjes. Op zondagmorgen stonden we vroeg op om te vertrekken. Mijn onkel Florent, die nevens onze woning woonde had een aantal kippen geslacht en wilde dat wij twee stuks zouden meenemen. Er kon nog een kip opgeborgen worden in een boodschappentas die aan het stuur van mijn fiets hing maar voor de tweede kip was er geen plaats meer vrij om mee te nemen. Ze werd dan ook aan een Engelse soldaat afgegeven. De start van de vlucht was angstwekkend. Koeien loeiden omdat ze niet meer gemolken werden. Landbouwers hadden al hun dieren en vooral varkens op hun weiden losgeladen. Honden blaften angstwekkend. Schapen en geiten renden radeloos rond. Waar gaan we naartoe? Dat was een groot vraagteken. Onze eerste vluchtroute was naar Waregem. Wij stopten bij nonkel Felix en tante Martha. Zij hadden nog geen bevel gekregen om te ontruimen maar mijn ouders besloten om toch verder te gaan. Van Waregem reden we naar Oostrozebeke waar we de richting Meulebeke namen. Wat verder stonden enkele mensen op straat welke ons tegenhielden en een voorstel deden om daar te verblijven. Mijn moeder was nogal  vlug akkoord maar mijn vader zag wat verder afweergeschut staan. Hij had daar schrik van en hij was ook in de overtuiging dat onze eindbestemming Engeland zou zijn. De tocht vorderde zeer langzaam want de straten waren overvol met vluchtelingen, legervoertuigen en ander verkeer. Tussen Koolskamp en Pittem aten we onze boterhammen op langs de graskant. Gelukkig was het goed weer. We waren reeds zeer vermoeid door de zware tocht; bijna meer te voet afgelegd dan per fiets. Maar we konden niet blijven zitten en noodgedwongen zetten wij onze lijdensweg verder naar Lichtervelde tot wij aan de Kruiskalsijde kwamen. Daar namen we de richting Oostende. Het was ongeveer 4 à 5 uur in de namiddag toen we Torhout bereikten. We waren reeds zo moe dat wij besloten naar een slaapgelegenheid uit te kijken. Op de brug te Torhout werd beraadslaagd. Wat verder zagen wij een paar hofsteden maar we durfden daar niet aankloppen. Rechts van de brug was er een herberg en daar traden we binnen. Na enkele tijd vroegen we of we daar mochten overnachten. Ja, dat was toegelaten: wanneer al de klanten naar huis waren mochten we op de vloer van de herberg slapen op een matras. Mijn ouders gaven “de lombardse hen” van nonkel Florent af aan deze mensen. De herbergier, die een liefhebber was van vechtershanen, vond het jammer dat deze hen gedood werd want ze leek van een goed ras te zijn. Toen al de herbergklanten naar huis waren legden we ons te rusten op de vloer op de matras van de herbergier. Maar alhoewel we oververmoeid waren was het moeilijk om in slaap te geraken. De tabaksrook hing laag tegen de grond, het was er stofferig en een biergeur prikkelde onze neus. He was te veel voor mijn moeder en ze begon te wenen ... Wat stond er ons nog te wachten ? Toen we op maandag 21 mei 1940, na een slapeloze nacht in een herberg in Torhout, opnieuw klaar stonden om verder te rijden was het een heel mooie dag. Mijn vader wenste naar Oostende te rijden met de bedoeling eventueel met een schip naar Engeland te varen. Plotseling kwamen enkele Duitse vliegtuigen in het zicht die bommen wierpen op Oostende. Mijn moeder, die al niet veel zin had om naar Engeland te varen, was er absoluut niet meer voor te vinden om zich in Oostende te laten neerknallen. Na een korte beraadslaging werd besloten om de fiets te keren en uit te wijken naar Frankrijk. Wij reden richting Roeselare waar wij omstreeks de middag aankwamen en aanklopten bij een leverancier die regelmatig aan mijn moeder textielproducten verkocht voor onze winkel. Wij mochten daar aanzitten voor het middagmaal maar er was geen sprake om daar te verblijven want deze familie stond op het punt om ook te vertrekken. Na het middagmaal vertrokken wij, richting Menen. Hetgeen onze aandacht schonk was het feit dat wij tegenstroom reden. Na enige navraag vernamen wij dat de grenzen met Frankrijk gesloten waren. Een Engelse soldaat hield ons tegen en wou ons terugsturen richting Roeselare. Mijn vader vond een list uit en via kleine binnen wegen geraakten wij te Rekkem waar tante Gusta en nonkel Henri woonden. Wij werden er goed ontvangen en mochten daar voorlopig blijven overnachten. Het bleek inderdaad dat de grens, op het einde van de Dronkaardstraat, gesloten was. Wat was er intussen in Anzegem gebeurd? Was iedereen vertrokken? Nog niet want Hilaire Debue, landbouwer uit de Schaagstraat, besloot op maandag 21 mei 1940, omstreeks 13 uur, om ook te vertrekken. Zoon Marcel had het paard ingespannen. De andere kinderen hadden een kar volgeladen. De familie Matthijs, verwanten van Hilaire, maakt de vlucht mee. Maria en Julienne Debue zaten boven op de kar. Op het einde van de Schaagstraat was er een korte bocht. Marcel, die nochtans een goede boever was, was plots zijn paard en de kar niet meer meester en geheel de verhuis tuimelde in de gracht. Hilaire, die altijd een kalme en brave man was geweest, vloekte. De ene tegenslag op de andere: zijn hoeve alleen laten, zijn dieren niet kunnen meenemen en nu waren zijn kinderen bijna verongelukt. Julienne zat gekneld tussen de kar en een wilgenboom. Van het verschieten was vrouw Matthijs onwel geworden. Er was niets aan te doen: de kar moest afgeladen worden en uit de gracht getrokken worden. Toen dit werk gedaan was nam Hilaire de beslissing.... terug te keren naar huis. Voor hem was de vlucht gedaan... zo dacht hij tenminste. Vrouw Matthijs was nog steeds onwel en moest met een kruiwagen teruggevoerd worden door een zekere Verbauwhede uit de buurt. Op dinsdag 21 mei 1940 verbleven we nog altijd bij nonkel Henri en tante Gusta in Rekkem. Mijn vader en moeder waren zeer ongerust over mijn grootouders die in St. Lodewijk-Deerlijk woonden. Zij besloten om eens, met de fiets, naar St. Louis, zoals St. Lodewijk in de volksmond wordt genoemd, te rijden om meer nieuws te vernemen. Niettegenstaande mijn aandringen mocht ik niet mee en moest noodgedwongen in Rekkem blijven. In St. Lodewijk was alles nog rustig en van vluchten was er nog geen sprake. Mijn grootouders drongen er op aan dat mijn vader en moeder daar zouden blijven maar aangezien ik nog een Rekkem verbleef wilden mijn ouders niet ingaan op dit voorstel. Toen zij in Kortrijk over de Leiebrug reden vertelden enkele Belgische soldaten dat zij de Leiebrug zouden opblazen aangezien het Duits leger niet meer veraf was. Niemand kon vermoeden dat er in Anzegem iets vreselijks zou gebeuren. X        X        X Enkele bewoners van de Heirweg hadden besloten om niet te vluchten. Op de hoeve van Cyriel Dendooven, op de buurt “Diepgrond” had men reeds een schuilplaats, “onderstand” genoemd, gemaakt. Volgens het oordeel van de “achterblijvers” was deze niet sterk genoeg en wilden men er nog verbeteringen en versterkingen aan brengen. André Depraetere, een jonge man uit de Schaagstraat, zou hen daarbij helpen. Intussen zouden zijn ouders en zijn twee broers zich gereed maken om Anzegem te verlaten. De Engelsen hadden overal kanonnen opgesteld. Men voelde dat de Duitsers naderden. Een Duits vliegtuig cirkelde boven de Heirweg. In de Razenheedstraat stond er een afweergeschut dat enkele kogels afvuurde naar het Duits vliegtuig. Het vliegtuig werd niet getroffen en keerde terug. De Engelsen vermoedden dat het een verkenningsvliegtuig was en vertrokken vliegensvlug met hun afweergeschut naar een andere plaats. Hilaire Debue, die enkele uren voordien besloten had thuis te blijven betrouwde de situatie ook niet. In een snel tempo haalde hij zijn paard uit de weide, spande het voor de kar en vetrok met gans de familie. Hij mende zelf het paard en zou er wel voor zorgen dat de bochten goed genomen werden... 14 uur: het was meer dan tijd want de eerste obussen vlogen over. Engelse soldaten gaven signalen om vlug te vertrekken. Cyriel Depraetere besloot om nog even te wachten want zoon André was nog niet teruggekeerd. Buurman , Achiel Van Eeckhout, die negen kinderen had, bleef liever thuis. “Wij kunnen zowel thuis sterven als onderweg, besloot hij. Bovendien had hij van buurman Depraetere een uitnodiging gekregen om met zijn gezin te schuilen in de onderstand Depraetere. Het was méér dan tijd. Om 14u30’ vlucht het gezin Achiel Van Eeckhout-Terras naar de onderstand Depraetere. Martha Demeestere, echtgenote van Cyriel Depraetere was ten zeerste ongerust over het wegblijven van zoon André. Meer en meer obussen vlogen over. Omstreeks 16 uur liepen twee jonge mannen het erf Depraetere op. De doodsangst stond op hun gezicht te lezen. Zij hadden vreselijke uren beleefd. Martha Demeestere vroeg aan Gilbert Putman en Remi Deconinck, de twee jonge mannen, “waar is André ?” Zij zagen naar elkaar en stamelden” Hij is nog op de hoeve van Cyriel Dendooven” Een paar uur later.... Het geschut was precies stilgevallen. Martha Demeestere drong er bij Remi Deconinck en Gilbert Putman op aan dat zij zouden terugkeren naar de hoeve Dendooven en André gaan opzoeken. Zij waren akkoord. Zij vonden Zulma Vandererfven, echtgenote van Cyriel Dendooven, met haar twee dochters Elza en Wiezeke, verscholen onder het ovenbuur. Zulma was gekwetst aan haar arm. Omstreeks 19 uur kwamen voornoemde vrouwen huilend het huis Depraetere binnen gelopen,. Zoon André was nog niet te zien. Enkele tijd later kwamen de mannen, Cyriel Dendooven, Remi Deconinck, Gilbert Putman, Maurice Van Den Heede en zoon Jerome eveneens binnen. Jerome Van Den Heede was gekwetst aan zijn hand. Martha Demeestere vroeg angstig:” Waar is André ? Is hij gekwetst ?”. Maurice Van Den Heede schreeuwde het fatale nieuws uit:       ” Achiel Vangampelaere is als een gek met zijn auto weggereden en al de anderen, die ge niet ziet... zijn dood” Een onbeschrijfelijk verdriet maakte zich van iedereen meester. Zes slachtoffers, zes geburen, door één obusaanval gedood. Wat was er gebeurd ? x        x        x In benarde tijden zoeken de mensen elkaars gezelschap. Verscheidene mensen op de Heirweg hadden besloten om niet te vluchten. De ene buur had naar de mening van de andere gevraagd. De familie Vangampelaere was naar de hoeve Dendooven-Deconinck gegaan, gelegen in de Razenheedstraat (later bekend als “Heirwegfruit”. Cyriel Dendooven was de twee echtgenoot van Zulma Vandererfven. Al de kinderen waren van het eerste huwelijk van Zulma met een Deconinck. Gans de familie was thuis behalve Henri die zijn militaire dienst  uitoefende. Er woonde ook nog een schoonbroer in, namelijk Henri Deconinck. Deze man had maar één arm. Hij had zijn andere arm verloren bij een arbeidsongeval met de dormachien op de hoeve van Maurice Vandendorpe-Vernackt, gelegen in de Grote Leiestraat. Achiel Vangampelaere, een aardappelhandelaar, woonde met zijn vrouw rechtover het stationsgebouw van de Heirweg. Hij had een personenwagen, hetgeen in 1940 iets heel bijzonders was. Maurice Van Den Heede woonde op de hoek van de Vichtsesteenweg en de Razenheedstraat. Ongerust wegens de naderende Duitse troepen was hij met zijn vrouw, Leonie Van Eeckhout en zijn kinderen Jerome, Adolf en Moniqiue, eveneens vertrokken naar de hoeve van Cyrille Dendooven. Er waren daar nog andere buren maar die waren opnieuw vertrokken. Plots werd er geschoten. Iedereen vluchtte weg, maar het grootste deel had zich verscholen in de onderstand Dendooven. Tussen het woonhuis en de onderstand waren enkele ondiepe loopgrachten en een paar diepere putten gemaakt. Het geschut werd heviger. Waren de Duitsers verwittigd door hun vliegtuig dat er in deze omgeving Engels afweergeschut stond opgesteld ? Hadden zij de auto van Achiel Vangampelaere aanzien als een wagen van een Engelse opperofficier ? Niemand zal het weten. De paniek maakte zich meester van de personen die zich in de onderstand bevonden. Men twijfelde aan de veiligheid er van. Zou men niet beter naar de kelder lopen onder het woonhuis ? Toen het geschut wat verminderde sprongen enkelen naar buiten. Maurice Van Den Heede sprong met zijn zoon Jerome in een van de diepere putten. Gilbert Putman en Remi Deconinck in een andere put. Een aantal anderen liepen door de loopgrachten naar het woonhuis. Op dit ogenblik ontplofte een obus vlak boven de grond. Vijf personen werd onmiddellijk gedood: André Depraetere (18 jaar) Rachel Moreels, echtgenote van Achiel Vangampelaere, Leonie Van Eeckhout (38 jaar) en haar kinderen  Adolf(8j) en Monique (7 j). Henri Deconinck was dodelijk gekwetst aan het aangezicht. Hij zou na enkele uren, in de afgrijselijkste pijnen,overlijden. Bleven dus gespaard: Maurice en Jerome Van den Heede, Remi, Elza en Wiezeke Deconinck, Cyriel Dendooven en zijn vrouw Zulma Vandererfven, Achiel Vangampelaere en Gilbert Putman. Woensdag 22 mei 1940. De beschietingen door de Duitsers hadden niet alleen slachtoffers gemaakt bij de burgers maar ook bij de Engelse soldaten. Op de Weedries, dicht bij de hoeve van Odo De Bosschere werden drie Engelse soldaten door het Duits geschut gedood en ter plaatse begraven. Een maand nadien werden ze ontgraven en door Gilbert De Bosschere, zoon van Odo, gevoerd naar het kerkhof van Anzegem. Er was ook een Engels slachtoffer aan de woning van Paul Quatannens en anderen op de Diepgrond. De overlevenden van de ramp op de Heirweg bleven tijdens de nacht van dinsdag op woensdag samen in de kelder en de onderstand van Cyrille Depraetere in de Schaagstraat. Er werd de ganse nacht gebeden. De wonden van Zulma Vandererven en Jerome Van den Heede werden ontsmet met jenever bij gebrek aan een ander ontsmettingsmiddel. Plots stelde Remi Deconinck vast dat hij eveneens gekwetst was aan zijn bil. Door al deze dramatische gebeurtenissen had hij niet bemerkt dat hij een stuk ijzer in zijn achterbil had. Deze wonde werd ook ontsmet met jenever ’s Morgens vroeg Maurice Van Den Heede aan zijn neef Achiel Van Eeckhout en aan Remi Deconinck en Gilbert Putman om de lijken samen te leggen en de bedekken. De oorlog was immers nog niet gedaan. Deze drie mannen voldeden aan het verzoek en bedekten de lijken met stro. Daarna vluchtten allen naar Waregem waar ze verbleven op de hoeve Maes op het Gaverke. Lang konden ze daar niet blijven want de slag aan de Leie was juist gestart. Hilaire Debue uit de Schaagstraat, die naar Desselgem was gevlucht, keerde reeds op woensdag 22 mei, omstreeks 14 uur, naar Anzegem terug. Toen hij omstreeks 16 uur thuis kwam in de Schaagstraat reden de eerste Duitsers per paard voorbij. X            X           X Intussen verbleef ik, samen met mijn ouders, nog in Rekkem. Rechtover mijn tante woonde de geneesheer Bouckaert, in de Dronkaardstraat. Hij was enkele dagen voordien de grens overgetrokken en naar Frankrijk gevlucht. Hij werd daar echter zo slecht ontvangen, kreeg noch eten noch drank, zelfs met het geld in zijn handen. Hij kwam dan ook de woensdagavond terug met de vaste wil om in zijn woning te blijven. Hij had een grote, versterkte kelder en nodigde de buren uit, om in geval van nood, daarin te komen schuilen. In de verte hoorden wij reeds de kanonnen bulderen zodat alles in gereedheid werd gebracht om enkel dagen in de kelder door te brengen. Op donderdag 23 mei was het zover. De kelder zat bomvol met 40 à 50 buren. Dokter Bouckaert verzekerde dat wij veilig waren voor de obussen. Alleen tegen bommen was de woning en kelder niet beschut. Donderdag 23 mei en volgende dagen; Mijn ouders en ikzelf hadden op donderdag 23 mei onze intrek genomen in de kelders van dokter Bouckaert wonende in de Dronkaardstraat te Rekkem. De beschietingen naderden meer en meer. Op vrijdag 24 mei was het iets stiller geworden zodat wij het risico namen om de kelder te verlaten en naar de woning van mijn tante te gaan die aan de overzijde woonde. Plots begonnen de beschietingen opnieuw en wij renden naar de kelder van mijn tante. Een obus kwam op de veranda terecht en een groot deel van de inboedel was vernield. Van zodra het enigszins mogelijk was liepen wij terug naar de kelder van dokter Bouckaert om er niet meer uit te komen tot dinsdag 28 mei 1940. Ook de villa van dokter Bouckaert werd beschoten en van slapen was er weinig sprake. Het was wel een probleem om alle mensen te voeden die in de kelder verbleven. Toch waren er een paar moedigen die de kelder verlieten, op handen en voeten naar een nabijgelegen hoeve kropen om er melk en boter en ander voedsel te gaan halen. Een van deze moedigen werd door een kogel gekwetst en moest door dokter Bouckaert in de kelder verzorgd worden. Op maandag 27 mei 1940 kwamen enkele Duitse soldaten de kelder onderzoeken maar ze lieten alle burgers gerust. In Anzegem had schrijnwerker Achiel Van Eeckhout (Aveza) op vrijdag 24 mei 1940 vlug zes bakken gemaakt om de lijken te bergen van de oorlogsslachtoffers. Emiel Hondekyn, uit de Stientjesstraat, voerde met zijn wagen, getrokken door twee paarden, de slachtoffers naar het kerkhof op de Heirweg, waar ze voorlopig begraven werden. Op dinsdag 28 mei 11940 werd de akte van de stopzetting der gevechten ondertekend en konden wij per fiets naar Anzegem terugkeren. Langs de wegen zagen wij vele dode dieren liggen Aangekomen op de Kruisweg stond de voordeur van de woning van mijn ouders volledig open en was gans de inboedel geplunderd. Behalve enkele meubels was er niets overgebleven. Mijn moeder had haar fiets aan de voorgevel laten staan en toen ze terug buiten kwam zag ze dat een Duitse soldaat de fiets had meegenomen. Ik had nog juist gezien dat de soldaat met de fiets de garage van Adolf Vandenberghe (nu Florini) binnen reed. Mijn moeder ging er naar toe en met de echtgenote van Adolf Vandenberghe werd een klacht neergelegd bij een Duitse officier. Deze riep de soldaat ter verantwoording en mijn moeder kreeg haar fiets terug. De achtergebouwen van onze woning waren stukgeschoten. Vooraleer de vlucht te nemen had mijn vader een eetservies in de aarden vloer van het waskot weggestopt. Er viel echter een obus op deze schuilplaats en het servies was volledig vernield. Stilaan kwam de ene familie na de andere terug naar huis na het ondertekenen van de wapenstilstand. Wij zagen onze vrienden terug en wij waren gelukkig dat ze nog allemaal in goede gezondheid waren. Het was nog geen school en samen gingen we op zoektocht. Aan de hoeve van Aimé Dewaele (nu Frans Dewaele) in de Kalkstraat hadden de Engelsen in kanonnen achtergelaten. Hetzelfde beeld kregen wij aan de hoeve “De Barze” gelegen achter het kasteel Hemsrode. Eer lag nog veel munitie verspreid in de buurt en wij vulden onze zakken met niet afgeschoten kogels. Iemand had een spelletje uitgevonden. Wij namen een lege jerrycan waarin nog een klein overschotje benzine in was. Het waren jerrycans die zeer licht waren en uit zink gemaakt.. Wij trokken de koppen van de kogels af en met de springstof die er uit kwam legden we in een streepje, zo ongeveer twee meter ver. Dan ontstak iemand met een lucifer het poeder en de vlammen krinkelden naar de jerrycan. Daar aangekomen was er een steekvlam van de benzine overschotten en met een luide knal vloog de jerrycan in de lucht. De buren waren erg geschrokken en omdat dit spelletje niet ophield verwittigden zij na enkele dagen de rijkswacht. Deze kwamen dreigend af en verboden ons dit spel nog verder te doen. Wat nu gedaan? Een “jonge uitvinder “ van de Kruisweg stelde het volgende voor: wij trokken de punt van de kogel af en lieten het poeder op de grond vallen. Daarna werd met een metaaldraad de kogel langs de achterkant gedrukt op de niet afgeschoten pin. Wij wierpen het geheel omhoog en toen het voorwerp op de grond viel drukte de kogelpunt op de pin, op dezelfde wijze zoals men dit met een geweer zou doen, en er volgde opnieuw een klein knalletje. Dit spelletje duurde niet lang en er werd iets nieuw bedacht. Langs de hoeve van Ernest Vandendriessche, gevestigd aan de vroegere melkerij in de Heuntjesstraat, was er een beek die gevoed werd met het water van de vijver van Hemsrode. Ernest had de beek afgedamd en had er zijn aalkuip ingelegd om het hout te laten zwellen en waterdicht te maken. Daar het water hoger stond dan gewoonlijk dachten wij dat het mogelijk was om er in te zwemmen. Maar wij hadden geen badkostum. Geen probleem. Er lag daar ook munitie en een groot aantal zandzakjes. Wij sneden die open en verwijderden het zand. Aan de onderkant sneden wij de twee hoeken af, zodat onze benen er doorkonden en wij hadden zo een zwembroek. Wij deden, in open lucht, onze klederen uit, trokken naakt het “moderne?” zwembroekje aan, namen plaats boven aan de aalton van Ernest, en sprongen in het water. Wij kwamen op onze buik terecht want het water stond maar 50 à 60 cm hoog. Na beraadslaging werd overeengekomen om met een spade de dam van de beek te verhogen. Om meer water te bekomen zou een van onze vrienden naar de vijver gaan en proberen een plank, die het vijverwater afsloot, te verhogen, om meer water door te laten. Jammer genoeg kon hij de schuif niet bedwingen, het kwam los en de vijver stroomde leeg. Wij vreesden voor deze misdaad gestraft te worden en iedereen liep naar de ouderlijke woning en bleef zeer braaf binnen. Wij wisten zogezegd van niets. Niemand werd verraden en na een paar dagen werden de koppen opnieuw bijeen gebracht om iets nieuw te bedenken. Zoals wij tijdens de eerste dagen van de oorlog rondslenterden in de omgeving van de Engelse voertuigen en oorlogsmateriaal zo waren wij nu nieuwsgierig naar hetgeen de Duitse soldaten mee hadden gebracht. Aan de kasteelpoort stond er een verlaten Engels voertuig. Burgers hadden waarschijnlijk de motor en voornaamste onderdelen reeds verwijderd. Maar wij hadden thuis een schroevendraaier gevonden, een hamer en een beitel en wij begonnen met vijzen los te maken en het voertuig verder te pluimen. Maar veel was er    niet uit te halen. Dan maar onze nieuwsgierigheid gericht naar de Duitse voertuigen. Plots vonden wij achter aan een voertuig een bruin Duits brood. Wij pleegden diefstal en op een verborgen plaatsje sneden wij stukken van dat brood en wilden het op eten.. Maar wij spuwden het vlug uit want het was slecht en ons Anzegems  brood was duizendmaal beter. Wij hadden bemerkt dat sommige Duitse vrachtwagens ’s avonds vertrokken en ’s morgens terug in de Kasteeldreef stonden. Waar waren ze naar toe gereden? Voorzichtig slopen wij naderbij, konden het zeil achter aan een beetje op heffen en zagen... een aantal lijken van gesneuvelde Duitse soldaten die waarschijnlijk ontgraven werden aan de boorden van de Leie. Deze werden nadien begraven op het Duits kerkhof gelegen in de Landergemstraat. Dit kerkhof was aangelegd na de eerste wereldoorlog. Wij hadden het reeds bezocht, niet zozeer om naar de grafzerken te zien maar voor...  de meikevers. Wat had dit met elkaar te zien? De jeugd van de Kruisweg  probeerde bij het vallen van de avond meikevers te vangen aan de ingang van de kasteelpoort. De dag nadien brachten wij de meikevers mee naar school en op de speelkoer werden de kevers op hun zijkant geplaatst tegen een kever van een andere leerling. De diertjes wriemelden tegen elkaar en dikwijls viel er een op zijn rug. Deze was verloren en de eigenaar van de winnende kever, die op zijn poten was terechtgekomen, kreeg de andere kever als prijs. Met wat geluk kon men met het dubbel kevers naar huis terugkeren. Meikevers verouderen zeer vlug en het zijn meestal de jongste, die pas uit de grond gekropen waren, die de overwinning behaalden. Onze vrienden van de Sterhoek hadden kevers gevangen op het Duits kerkhof. Heel dikwijls behaalden zij de overwinning en wij waren overtuigd dat de kevers die uit de grond kwamen uit de omgeving van de Duitse begraven soldaten veel sterker waren dan onze kasteelkevers. Het was natuurlijk een utopie. Hetgeen nog in het geheugen blijft zijn de groepen Belgische krijgsgevangenen die te voet, uit de richting van Waregem, naar de Anzegemse Dorpplaats trokken. Soms was er een bekende bij en die probeerde soms, op een plaats waar de Duitse begeleiders hem niet konden zien, weg te vluchten en onderdak te vinden bij kennissen of familie. Anderzijds kwamen uit omgekeerde richting grote Duitse groepen die de richting Waregem volgden. De soldaten zongen krijgsliederen en zij hadden oorlogsmateriaal mee want zij zouden naar “Engeland fahren”. Dat is hen echter niet gelukt. Een groot deel van de Duitse soldaten hadden hun verblijf op het kasteel Hemsrode. Op 31 augustus brak echter brand uit in het kasteel, waarschijnlijk veroorzaakt door een niet gedoofde sigaret van een Duitser, en alles werd vernield. Samen met veel Kruiswegnaren hebben wij naar deze uitslaande brand staan zien van af de achterkant van de kasteelvijver want dichterbij gaan was verboden. Er logeerden ook Duitse soldaten bij burgers. Er waren praktisch geen problemen. Herbergiers van de Kruisweg  namen het initiatief om een accordeonist en een zanger of zangeres in te huren op een zondagavond. De Duitse jongeren kwamen naar de herberg, maar ook een aantal Anzegemse meisjes. Voor de jeugd was er geen sprake van “bezetter of vijand”. Soms werd een koppeltje gevormd dat buiten ging om te gaan wandelen (?)  Als jonge spionnen achtervolgden wij in het geniep deze verliefden en wat we gezien hebben, onder meer in een korenveld, wordt niet op schrift gesteld. De meeste Anzegemse ‘vluchtelingen” waren in goede gezondheid teruggekeerd maar een sterke bekommernis van de bevolking was de onwetendheid over de Anzegemse krijgsgevangen soldaten. Spoedig kon men zich verheugen in het terugzien van enkele soldaten die niet langer in krijgsgevangschap moesten verblijven. Van zodra wij vernamen dat ex-krijgsgevangenen afgestapt waren in het station van Anzegem probeerde de jeugd om hun namen te kennen en van zodra er iemand vernoemd werd die op onze wijk woonde liepen wij naar de familie om hen te verwittigen. Zo herinneren wij ons nog de terugkeer van Adolf D’Haene  die op de Kruisweg woonde en Ernest Vandendriessche die in de Heuntjesstraat woonde. De echtgenote van Ernest liep haar man tegemoet en de innige omhelzing, waar wij bij stonden met open mond, bleef gedurende vele jaren in het geheugen van onze jonge vrienden. Ere was ook minder goed nieuws. Zo kwam het nieuws dat Jozef Vanderstede, 27 jaar oud, gesneuveld was in Mopertingen-Limburg tijdens de eerste dagen van de oorlog. Ook Gustaaf Depraetere, eveneens 27 jaar oud, was te Bologne-sur-Mer in Frankrijk dodelijk getroffen door vijandelijk geschut. Gustaaf woonde in de Kerkstraat in de woning nevens onderwijzer Prudent Devogelaere. Hij was gehuwd met Marcella Goemaere en had een zoon. Begin 1941 zouden we nog vernemen dat Jules-Gerard Decock, 30 jaar oud, op 27 januari 1941 was verongelukt bij een spoorwegramp in Isenbuttel, Duitsland, toen hij uit krijgsgevangenschap terugkeerde naar Anzegem. Hij was ongehuwd en woonde met zijn ouders in de woning op de hoek van de Kerkstraat en de Landergemstraat. Maar het leven moest verder. De burgemeester, Graaf Philippe de Limburg-Stirum, was met zijn familie en met pastoor Auban Roose, naar Frankrijk gevlucht. Ze waren steeds verder naar het Zuiden gereden en in onbezet gebied terechtgekomen. Zo duurde het nog weken vooraleer zij konden terugkeren. De gemeenteraad van Anzegem vergaderde voor de eerste maal op 31 mei 1940 onderleiding van de schepenen Marcel Debakker en Basiel Devos. Er moest beslist worden om een lening van 150.000 Belgische frank aan te gaan om dringende schulden te betalen. Bij de volgende zitting op 12 juni 1940 was de burgemeester nog steeds afwezig. Er moest opnieuw leningen aangegaan worden om de dringende noden te lenigen. Niet alleen de wedden van het personeel moesten betaald worden maar 200 gezinnen op de 900 hadden steungeld gevraagd. Zo werd aan het provinciebestuur van West-Vlaanderen een lening van 64.000 frank gevraagd. De regering stelde 25.200 BEF ter beschikking voor de noodlijdenden en Achiel Coppens was bereid om een lening van 50.000 BEF toe te staan. De pastorij stond leeg. Pastoor Roose verbleef nog in Frankrijk en op 11 juni 1940 werd priester Parmentier voorlopig als pastoor aangesteld in Anzegem. De Anzegemse dorpskerk was ook fel beschadigd. Er waren drie obussen ingeslagen in het dak. De dakgoten waren doorzeefd. Zeven vensters waren uitgeslagen en de andere waren beschadigd. Henri Dewaele van de Kerkstraat herstelde het dak in 1941-42, Charles Beel van de Dorpplaats herstelde de goten en Emiel Delrue, van de Kruisweg, reed met zijn vrachtwagen naar de steengroeven om schaliën te halen die dan door schaliedekker Georges Valcke uit Tiegem op hun plaats gelegd werden. De vervuilde kerk moest ook geschuurd en gereinigd worden. Dit werd uitgevoerd onder leiding van Marguerite Windels, de gekende juffer van de Dorpplaats, en 50 BJB meisjes. Tijdens de afwezigheid van de pastoor verbleef de familie Vanhulle, waarvan het huis onbewoonbaar was, in de pastorij. F. Speleers-25/11/2006