“HENRI SPORT”  “PETIT HENRI” “LITTLE HENRY”   uit ANZEGEM 1. Jeugdjaren Toen Henri Heffinck op 6 januari 1903 te Anzegem geboren kon niemand vermoeden welk een avontuurlijk leven hem te wachten stond. Hij was het vijfde kind in de rij van acht die vader Jules en moeder Maria Defoirdt groot brachten. Vader Jules was achtereenvolgens bakker, scheerder in een textielfabriek, “gazettenverkoper” van de “Landwacht”, de “Gentenaar” en de “Volksvriend”, en was vooral een groot duivenliefhebber. Moeder Marie hield de herberg “De reisduif” open op de Dorpsplaats te Anzegem. Henri was een vinnig kereltje, niet groot van, gestalte, met veel belangstelling voor al de nieuwigheden die na de eeuwwisseling tot stand kwamen. Door tussenkomst van familie van vaderszijde, die in Frankrijk woonde, volgde Henri opleiding voor   mecanicienelektricien te Roubaix in het instituut St.-Hugo. Na zijn studies kwam hij naar Anzegem terug en werd tewerkgesteld in de fabriek Devos, gelegen aan het station te Anzegem. Toen zijn werkgever een van de eerste bezitters werd van een autovoertuig   werd “Rieten”, zoals hij in de volksmond genoemd werd, zijn eerste chauffeur. Kort daarop kocht dokter Van Cauwenberghe uit Anzegem en kon zijn schoonbroer, de heer Devos, overtuigen om zijn chauffeur af te staan. Rietje reed met dokter Van Cauwenberghe op ziekenbezoek. Het was een open wagen met de “claxon” aan de buitenzijde. Toen de toeterende wagen in aantocht was kwam gans de bevolking vol bewondering op straat om deze snelheidsduivel te zien en te bewonderen. Henri bleef ook nog gedeeltelijk in dienst bij de fabriek Devos. Met een vrachtwagen haalde hij een deel van het personeel op en bracht ze ook terug naar huis. Op zekere dag werd deze vrachtwagen geramd door het “Waregemke”, een stoomtreintje dat reed van Ingelmunster naar Anzegem, aan de onbewaakte overweg van de Krommestraat te Anzegem. Landbouwer Emeric Windels, die vlakbij aan het werk was, had het ongeval zien gebeuren en snelde ter hulp. De vrachtwagen was gekanteld en Henri was spoorloos verdwenen. Was hij meegesleurd met de trein, of lag hij ergens dood in de nabije omgeving? Emeric  Windels trok met zijn paarden de vrachtwagen terug recht en… Henri kwam ongedeerd, zonder één schrammetje, van onder de vrachtwagen te voorschijn. Zijn engelbewaarder had hem gered en zou hem nog dikwijls beschermen tijdens de volgende woelige jaren. Na het overlijden van dokter Van Cauwenberghe werd zijn kabinet overgenomen door dokter Rommens. Henri Heffinck achtte het ogenblik gekomen om zich als zelfstandige te vestigen en huurde een winkel met garage op de Dorpsplaats, eigendom van Ivo Deruyck – Vandenheede. ( nu Dorpsplein 33 bewoond door Derijcke C. – Van Eeckhout I.). Hier vestigde Henri zich als mecanicien  elektricien en fietsenmaker. Achter zijn atelier had hij een kwekerij van kippen en varkens. Om publiciteit te maken voor zijn winkel kwam Henri altijd met iets bijzonders voor de dag. Op de kermis van de Aardappelhoek  liet hij op een stuk grond naast de herberg “Den IJzer een grote tent plaatsen en stelde daar 25 à 30 fietsen te koop, samen met radio’s en ander elektrisch materiaal. Op zekere dag fabriceerde hij een autovoertuig met het koetswerk en de motor van een moto. Dit voertuig had twee wielen vooraan en een wiel achteraan. Op de voorzijde was een kofferruimte voorzien waarin een duivenmand kon geplaatst worden. Om het toestel te testen nam zijn vriend, Adolf Vandendorpe plaats in de kofferruimte vooraan. Blijkbaar was de stuurvastheid beperkt, of werden de remmen onvoldoende, want de bestuurder en de passagier tuimelden in de beek op de wijk Steenbrugge te Anzegem. Op de fietsen die hij verkocht liet hij zijn merk aanbrengen:”Henri Sport”. Hij monteerde een fiets waarvan het zadel en de stuurstang 2,5 à 3 meter boven de begane grond waren en nam hiermede deel aan stoeten en feestelijkheden, begeleid door Maurice Algoet of Oscar Depraetere, die een laddertje bij zich hadden om Henri toe te laten zijn fiets op en af te klimmen. Op de voorkant van de fiets was een plaat bevestigd met de tekst: “De velos Henri Sport: de beste”. Henri Heffinck heeft in 1938 een uitvindingbrevet aangevraagd voor een “Aandrijving mechanisme voor rijwielen”. Dit mechanisme staat algemeen bekend onder de naam van: “Krachtpedaal Henri-Sport”. Rieten was een vrolijke kerel en een echte grapjas. Daar hij ongehuwd was genoot hij te volle van zijn vrijheid en menig uurtje heeft hij gesleten in de talrijke herbergen die de op de Dorpsplaats gevestigd waren, maar vooral in café “Beauraing”, samen met “Mijnheer Adolf”. Niemand kon vermoeden dat dit vreedzaam en landelijk leven voor Henri een totaal andere wending zou aannemen door de nakende oorlogsgebeurtenissen. 2. De meidagen 1940 De Duitse troepen hadden de Belgische grens overschreden tijdens de vroege ochtenduren op vrijdag 10 mei 1940. De radio zond vanaf omstreeks acht uur bestendig boodschappen uit. De scholen werden gesloten en een groot aantal jonge mensen kregen een oproepingsbevel om onmiddellijk hun legereenheid te vervoegen. In Anzegem werden een paar verdachten, die de naam hadden Duitsgezind te zijn omdat ze lid waren van het Ferdinaso of het VNV, aangehouden door de rijkswacht. Omstreeks zestien uur reed een colonne van een Franse legereenheid door Anzegem, komende van Vichte naar de Kruisweg, richting “Keer naar Wortegem”. Op zaterdag 11 mei werden Engelse legereenheden over gans de gemeente ingekwartierd. De oorlogsgebeurtenissen waren nog ver verwijderd en tijdens de eerste dagen was het leven met de Engelsen een eerder aangename bedoening. Zij sliepen bij de burgers en iedereen wist elke morgen aan zijn buurman een verhaal te vertellen over de levenswijze van “zijn Engelsman”. De Anzegemse kinderen waren verzot op de Engelse chocolade en nog meer op de chrono’s, die bij elke reep gevoegd waren en een beeltenis vertoonden. De kermis duurde niet lang. Na een viertal dagen doortrokken vermoeide vluchtelingen uit het verre Limburg, de gemeente, richting Noordzeekust. Op donderdag zestien mei werd deze vluchtelingenstoet gevolgd door afgejakkerde Belgische soldaten, die lagen te slapen op de wagens en karren, voortgetrokken door oververmoeide paarden. Het oorlogsgeweld naderde met rasse schreden. Op zaterdag achttien mei liet burgemeester Graaf Philippe de Limburg Stirum op een aantal plaatsen het bericht uithangen dat de bevolking de gemeente moest ontruimen binnen de drie dagen en zich in de richting van de kust moest begeven. Ook Henri Heffinck vertrok uit Anzegem, met zijn auto, samen met zijn vader “op de vlucht”, samen met honderden andere Anzegemnaren. 3. Na de capitulatie Na de capitulatie en de overgave van het Belgische leger vond “Rieten” bij zijn terugkeer zijn woning bezet door de Duitse soldaten. In zijn atelier was een soldatenkeuken ingericht. De Duitse soldaten waren niet de beste vrienden van Henri, vooral toen hij bemerkte dat zij gretig gebruik maakten van zijn elektrische installatie zodat hij vreesde helemaal alleen de dure rekening te moeten betalen. In zijn brein rijpte een eerste sabotagedaad: hij zou de elektrische stroom, vooral het gedeelte dat zijn atelier bediende, uitschakelen. De Duitsers waren verbolgen. Zij konden echter niet vermoeden wat de oorzaak van dit defect, noch wie de schuldige kon zijn. Het was een eerste, quasi onbenullige sabotagedaad, maar die toch een intense genoegdoening verschafte. Dit was ook het geval voor sommige jongens uit Anzegem die stiekem een grijszwart soldatenbrood weggapten uit een Duitse legercamion en dachten dat Hitler hierdoor de oorlog zou verliezen. Henri bleef niet bij de pakken zitten. Op eigen initiatief begon hij Engels legermateriaal, dat door de soldaten was achtergelaten tijdens hun overhaaste vlucht, te vernietigen om te vermijden dat het in handen zou vallen van de bezetter. Hij gooide handgranaten in achtergelaten auto’s, deed twee Engelse kanonnen stukspringen en stak een voorraad benzine in brand. Tijdens het losmaken van een deel van de motor van een legerauto werd hij betrapt door de rijkswacht van Anzegem. Hij werd overhoord en op 15 september 1940 aangehouden door de Duitse militaire politie en drie dagen opgesloten in de rijkswachtkazerne van Anzegem. Vervolgens werd hij voorlopig vrijgelaten maar moest zich elke maandagmorgen gaan aanmelden op de Duitse Kommandatuur te Kortrijk. Na een vijftiental aanmeldingen werd hem op zekere dag opdracht gegeven bij zijn volgend bezoek mondvoorraad mede te brengen voor 48 uren. Henri vreesde te worden aangehouden en gedeporteerd en besloot, na raadpleging van zijn advocaat, Norbert Duponcheel uit Avelgem, naar Engeland te vluchten, via Frankrijk en Spanje. 4. De reis door Frankrijk De reis die Henri zou ondernemen zou niet van een leien dakje lopen. Frankrijk was verdeeld in drie sectoren. Vooreerst had men “la zone rouge”, die de departementen, palende aan de Belgische grens, omvatte. Hier kon men zich niet verplaatsen zonder in het bezit te zijn van officiële documenten afgeleverd door de Duitse autoriteiten. Daarna had men de departementen die paalden aan de Atlantische oceaan tot tweehonderd km ten zuiden van Parijs. Dit was de “bezette zone”. Zuid-Frankrijk was het onbezette gebied, bestuurd door de regering gevestigd te Vichy. Vooraleer Engeland te bereiken was men verplicht clandestien vijf grenzen te overschrijden: van België naar “la zone rouge”, daarna de grenzen over naar “bezet Frankrijk” en vervolgens naar “onbezet Frankrijk”. Langs bergwegen of over zee trachtte men de Spaanse grens te overschrijden en vervolgens moest men van uit het Duitsgezinde Spanje het vrije Portugal of eventueel Gibraltar kunnen bereiken. De Belgen werden in Frankrijk als erge vijanden beschouwd, vooral na de anti-Belgische en anti-Leopoldistische radiorede uitgesproken in de ochtend van 28 mei door Paul Reynaud, de minister-president van Frankrijk.. Hij beschuldigde Koning Leopold III van verraad omdat deze aan het Belgische leger het bevel had gegeven om de wapens neer te leggen daar onze troepen moesten wijken voor de overmacht en tevens om de miljoenen burgers samengetroept in de Westhoek van het land te sparen. De Belgische regering in ballingschap, die gevlucht was naar Limoges, ontkende deze lasterpraat niet. Het gevolg was dat de Fransen elke Belg als een landverrader beschouwden en geen enkele hulp, zelfs geen glas water, meer wilden verstrekken aan de op de vlucht geslagen burgers, de Belgische soldaten in Frankrijk en ook niet aan de “verzetslieden” die Engeland wilden bereiken. Om “la zone rouge” te bereiken had Henri weinig moeilijkheden. Hij kende een aantal onbewaakte binnenwegen in Zuidwest Vlaanderen om zonder problemen de grens over te steken en zijn familie te bereiken te Roubaix. Veiligheidshalve had hij toch de identiteitskaart en een aantal papieren op zak op naam van een vriend, een zekere Messiaen uit Gijzelbrechtegem, die werkte aan de Duitse versterkingen aan de Noordzeekust in Frankrijk en daardoor gewettigde doorgangspapieren bezat. In Roubaix kon Henri zijn Belgisch geld omwisselen in Franse munt en Duitse “marken”. Dank zij de hulp van familieleden van vaderzijde kon Henri zonder grote problemen overgebracht worden van “la zone rouge” naar “bezet Frankrijk” Hij verplaatste zich te voet door gans het bezet gebied en kon met veel listen het onbezet gebied bereiken na vooraf zijn voorzorgen te hebben genomen om zijn Duitse “marken”, die niet geldig waren in onbezet Frankrijk, om te wisselen. Om van hieruit Spanje te bereiken had men twee mogelijkheden: ofwel kon men zich begeven naar Montpellier waar een Belgisch militair bureau gevestigd was, en hopen dat men daar de nodige hulp kreeg, ofwel via bezet Frankrijk, met de hulp van een geheime organisatie de Spaanse grens oversteken. Henri Heffinck verkoos de vluchtroute via Marseille en bereikte met een klein bootje het Spaanse grondgebied. Hij had tot nog toe met veel behendigheid en geluk elke arrestatie in Frankrijk kunnen vermijden, maar pas aangekomen in Spanje werd hij aangehouden door de Guardia Civil en tenslotte opgesloten in het concentratiekamp van Miranda op 19.03.1941, na opsluitingen te Llansa, Figureras, Castello en Cerbera. Het rechthoekig kamp van Miranda, 200 op 300 meter groot, was omgeven door een muur van twee meter hoog, die om de 50 m bewaakt was door een gewapende bewaker., zodat elke ontvluchtingpoging verijdeld werd. De buitenlandse gevangenen, ongeveer tweeduizend personen, waren ondergebracht in twaalf gebouwen. Een vierde van het aantal waren Belgen. Zij logeerden meestal per vier personen. Henri verbleef negen maanden in het kamp van Miranda en heeft daar, zoals zoveel andere gevangenen, ontberingen geleden, honger en dorst gehad en al zijn hoop zien verzwinden om nog ooit Engeland te bereiken. Na negen maanden gevangenschap werd Henri eindelijk, door tussenkomst van de Belgische ambassadeur te Madrid vrijgelaten op 31.12.1941. Hij wilde via Portugal Engeland bereiken, maar was toch verplicht nog twee maanden in Lissabon te verblijven vooraleer naar Engeland te kunnen varen via Gibraltar en Schotland. 5. Eerste verblijf in Engeland Na de aankomst in Engeland werd de reis verder gezet met de trein en met de dubbel dekbus naar Londen. In Londen werden alle vreemdelingen ondergebracht in een groot huis, de “Patriotic School”, in afwachting dat hun officiële papieren in orde kwamen. Pas aangekomen in Londen begaf Henri zich naar de Belgische burelen, gevestigd op Eaton Square en gaf zich aan als vrijwilliger geheim agent bij de Special Forces Mission. Een van de eerste formaliteiten die te vervullen waren was het aanduiden van een schuilnaam die steeds werd gebruikt tijdens de harde opleiding van parachutist en geheim agent. Wanneer een van de agenten tijdens een opdracht gevangen genomen zou worden door de Duitse politie kon hij de werkelijke identiteit van zijn collega’s, zelf na het ondergaan van mishandelingen, niet bekendmaken. Hiermede werden de familieleden in het bezet gebied voor veel onheil gevrijwaard. Henri Heffinck koos de schuilnaam van “Petit Henri”, gelet op zijn kleine gestalte. Hij was slechts 1,60 meter groot. In Engelse verslagen werd hij nochtans aangeduid als “Schrew”. De opleiding werd gegeven aan een Schots meer, omgeven door bergen. Na een zware ochtendcross en een flink morgenmaal werd de opleiding vervolgd met telegrafie, morsetaal, schietoefeningen met revolver, geweer en mitraillette en het werpen van granaten. ’s Nachts werden oefeningen gehouden, genaamd “Silent killing”. Er werd geoefend met explosieven, het aanbrengen van ontstekers, het vernietigen van spoorwegen, het aanvallen van wachters door gebruikmaking van een mes, het oversteken van rivieren met touwen, enz. Hiernaast kreeg Henri een volledige opleiding als valschermspringer. Na deze harde opleiding, voor een man die bijna veertig jaar oud was, zou weldra de eerste opdracht toevertrouwd worden. 6. Eerste parachutage in België “Petit Henri”werd voor de eerste maal geparachuteerd, samen met zijn overste, kapitein Durieux (schuilnaam Caracal) tijdens de nacht van 19 op 20 december 1942 om tien minuten na middernacht. De landing was voorzien tussen Nijvel en Tubize, maar Henri landde op twee kilometer ten oosten van Havré en op zeven kilometer van bergen, achter een rij huizen. Caracal landde 2,5 kilometer verder in een open veld en brak hierbij zijn been. Henri moest meer dan twee uur zoeken om zijn overste terug te vinden, maar aangezien deze laatste zich niet meer kon verplaatsen gaf hij Henri de opdracht hulp te zoeken in een nabijgelegen dorp. Dat was gemakkelijker gedaan dan gezegd, want overal waar Henri aanklopte weigerden de bewoners, uit vrees voor de Duitsers, hulp te bieden. Eindelijk vond Henri een kruiwagen op het erf van een boerderij en hiermede vervoerde hij de gekwetste Caracall zo ver mogelijk van de landingsplaats. De gekwetste Caracal moest dringend medische verzorging bekomen en Henri klopte opnieuw aan bij een van de landbouwers die hij enkele uren vroeger reeds om hulp had verzocht. De landbouwer herkende Henri, joeg hem weg met een vork en riep: “Ik zal u onmiddellijk helpen door de politie te verwittigen”. Ontmoedigd keerde Henri naar Caracal terug om zijn wedervaren te vertellen. Deze laatste wilde niet dat Henri ook zijn leven in gevaar zou brengen en gaf hem de opdracht zich te begeven naar Remi Heffinck, broer van Henri, die in Charleroi woonde. Het lukte Henri niettemin Caracal onderdak te verlenen bij landbouwer Reviel op de hoeve “Ferme de la Bruyère”. Alvorens zich naar zijn broer te begeven zocht hij naar contactadressen en drie verzetstrijders, nl. Leon Metz, Lucien Creplet en Paul Ugeux zouden een poging doen om de gekwetste kapitein naar een kliniek over te brengen. Hiertoe namen zij contact op met Joseph Destrebecq, caféhouder van de herberg “Au Cocq  de Jemappes” gelegen in de Haringstraat te Brussel op 23 december 1942 om 18 uur. Destrebecq begaf zich op 24 december naar Havré maar stelde vast dat de gekwetste kapitein Durieux niet kon vervoerd worden per auto. Hij keerde terug naar Brussel en slaagde erin, om samen met drie andere personen, nl. de heer Metz, mevrouw Dirikx en juffrouw Louise De Landsheere, een ziekenwagen van de kliniek van Longchamps naar Havré te sturen. Intussen had landbouwer Reviel de hulp gevraagd van een geneesheer, oud-officier van het Belgisch leger. Deze officier had een goede bekendheid, maar toen hij vernam dat hij een parachutist moest verzorgen, komende uit Engeland, weigerde hij om hulp te verlenen. Daar Joseph Destrebecq vreesde dat de voornoemde geneesheer de gedropte kapitein Durieux zou verraden bij de Duitsers hield hij gedurende vijf uren de wacht bij het huis Reviel terwijl de kapitein de eerste zorgen ontving. Nadien werd de kapitein Durieux vervoerd naar de kliniek van Longchamps waar zijn been geamputeerd werd. Na verzorging te Longchamps verbleef de kapitein Caracal nog vier maanden in Frankrijk vooraleer opnieuw Engeland te bereiken. “Petit Henri” had Caracal verlaten om zes uur ’s morgens. Caracal, die in het bezit was van de opdrachten die moesten uitgevoerd worden, verzekerde Henri dat hij binnen de tien dagen verder nieuws zou vernemen indien Caracal zich uit de slag zou kunnen trekken. Op 27 december gaf Caracal aan Joseph Destrebecq en Riquier, leden van de verzetsgroep “Isoumis”, opdracht Henri Heffinck op te zoeken en samen een landingsplaats voor parachutisten in te richten te Ittre. Intussen was Henri Heffinck bij zijn broer te Charleroi aangekomen aan wie hij alles moest vertellen. Toen Remi Heffinck dit verhaal had gehoord verbood hij Henri gedurende twaalf dagen om zijn woning re verlaten omdat hij vreesde dat zijn broer in groot gevaar verkeerde. Na een week zoeken vond Joseph Destrebecq eindelijk de schuilplaats van Henri Heffinck. Caracal had echter nagelaten om aan Joseph Destrebecq het paswoord mede te delen. Remi Heffinck had geen vertrouwen in de zaak en zond Joseph Destrebecq weg zonder dat deze de gelegenheid had gehad om “Petit Henri” te spreken. Toen Henri echter vernam van zijn broer Remi dat er iemand met hem contact had willen nemen, sloeg hij alle raadgevingen in de wind en liep naar buiten om Joseph Destrebecq in te halen? Hij luisterde naar de boodschap van Destrebecq en samen keerden ze naar de woning van Remi Heffinck terug om overleg te plegen over de uit te voeren taken. Gedurende een dag en een nacht werd alles besproken en overwogen. ’s Anderdaags gingen beiden Caracal opzoeken in de kliniek van Longchamps. Henri, die normaal de taken zou uitvoeren volgens de bevelen en met de medehulp van Caracal, stond dus vanaf zijn eerste parachutage alleen voor alle opdrachten. Hij kreeg een valse identiteitskaart en een arbeidskaart op naam van een chefmecanicien. Hij kreeg ook de foto van een Duits soldaat, gesneuveld aan het Oostfront. Hij droeg die foto altijd bij zich en bij herhaalde controles kon hij zich hiermede goed uit de slag trekken. In januari 1943 richtte Henri Heffinck, samen met Joseph Destrebecq de verzetsgroep “Nola” op die heel wat sabotagedaden zou verrichten. 7. Brandstichtingen Na het inrichten van een landingsterrein te Ittre nam Henri, via de radio, contact op met Engeland. Engelse vliegtuigen dropten op deze plaats explosieven, ontstekers, wapens, documenten, strooibrieven, enz. Het grootste deel van al dit sabotagemateriaal werd opgeborgen in de herberg van Joseph Destrebecq, genaamd “Au Coq de Jemappes” en gelegen in de Haringstraat, te Brussel, in volle centrum, in een zijstraatje van de grote markt. Deze herberg was door talrijke verzetstrijders gekend en Henri Heffinck heeft er dikwijls verbleven. De herberg werd ook bezocht door de Duitsers die op sommige dagen letterlijk met hun achterste op de explosieven zaten die onder de herbergbanken verborgen waren. Teneinde de verzetslieden te waarschuwen dat er onraad was had de herbergier een eenvoudig middel bedacht. Vóór het herbergraam stond er een verkleind model van het oorlogsmonument van Jemappes, namelijk een piramide met bovenop een Waalse haan. De verzetslieden die afgesproken waren om naar het “cavietje” te gaan kwamen eerst rustig voorbij gewandeld. Stond de Waalse haan met zijn bek gericht naar het glas van het uitstalraam was er gevaar. De cafébazin Philo moest “toevallig” haar Waalse haan afstoffen telkens wanneer een onbekende haar herberg binnentrad. Indien er gevaar dreigde was de haan met zijn bek en kam geplaatst in de richting van de straat. Bij het geparachuteerde materiaal waren ook postduiven. Deze werden losgelaten met een kleine boodschap rond hun poot gewikkeld, hetzij om de uitslag van de landing bekend te maken, hetzij om nieuwe opdrachten te vragen. Henri Heffinck heeft meer dan 350 sabotagedaden gepleegd, waarvan hieronder een beschrijving volgt van de voornaamste gepleegd tijdens zijn eerste verblijf in België. a.    Werbestelle te Tubize Begin maart 1943 drong Henri met twee andere verzetslieden het Arbeidsamt” binnen door de vensters geluidloos te verbrijzelen zoals hij het honderdmaal had geleerd tijdens zijn opleiding in Schotland. In twee kamers trokken zij 40.000 dossiers uit de laden, die zij overal verspreidden. Vervolgens werd in elke kamer acht kilo brandpoeder vermengd met de dossiers en brand gesticht met twee brandbommen. Het huis brandde volledig uit en de Duitsers beschikten niet meer over de namen en adressen van de personen die zij in Duitsland verplicht wilden tewerkstellen. b.     Werbestelle te Charleroi-Marcinelle Einde maart 1943 wenste Henri Heffinck de Werbestelle van Charleroi op te blazen. Samen met zijn twee medewerkers deed hij vooraf enkele verkenningen . Tijdens een van deze tochten werden zij gevolgd door twee Duitse politieagenten. Henri Heffinck verborg zich op een zeker ogenblik achter een muur terwijl zijn twee vrienden hun weg vervolgden. Een van de Feldgendarmen achtervolgde zijn twee gezellen terwijl de tweede gendarm naar Henri zocht. Toen hij dicht genoeg  bij Henri genaderd was doodde hij de Duitser met een geluidloos schot. Vervolgens sloop hij naar de tweede gendarm en doodde hem op dezelfde manier. De twee lichamen werden in de rivier geworpen. Tijdens een van deze verkenningstochten lukte “Petit Henri” er in een afdruk te nemen van een sleutel en liet op basis van deze afdruk een valse sleutel maken. Er werd beslist tijdens een bepaalde nacht de Werbestelle in brand te steken. Ter plaatse aangekomen bemerkte men dat het personeel nog aan het werk was. Het was derhalve niet mogelijk via de buitendeur binnen te dringen. Terwijl Henri en zijn gezellen aan het overwegen waren hoe ze zouden te werk gaan opende een van de bedienden een keldervenster terwijl hij in de kelder een dossier moest opzoeken. Henri stelde vast dat in een andere kelder ook een venster openstond. Bij nader toezicht bleek dat het grootste aantal dossiers in de twee kelders van 8 op 4 meter ondergebracht waren. Henri besliste de dossiers te vernietigen zonder het gebouw binnen te dringen. In elke kelder werd acht kilo brandpoeder geworpen en vervolgens twee brandbommen in elke kelder. De twee kelders brandden volledig uit en alle dossiers werden vernietigd. De rest van het gebouw bleef ongedeerd. Het getuigt van de stoutmoedigheid van Henri om deze brand te stichten terwijl het personeel aan het werk was. c.     Brussel – Maison du Peuple De brandstichting uitgevoerd in april 1943 door Henri Heffinck en vier verzetstrijders was een van de stoutmoedigste daden door Henri verricht. Daarbij werden 3.500.000 dossiers vernietigd. Engelse vliegtuigen parachuteerden voor deze operatie veertien brandbommen en vijftig kilo fosforpoeder. Deze werden verborgen in de herberg “Au Coq de Jemappes”. Henri had vooraf het plan van het gebouw in handen kunnen krijgen. Dit gebouw omvatte eveneens een cinema en een magazijn. Op zekere dag konden Henri Heffinck en Louis Mabille binnendringen in de cinema en Louis Mabille liet zich opsluiten in de cabine waar de filmen afgerold werden. Daarna keerden Henri naar de herberg “Au Coq de Jemappes” terug. ’s Avonds, omstreeks 22 uur vertrok hij samen met Joseph Destrebecq en de gebroeders Mabille uit Tubize, met hun gevaarlijke lading in een zak op de rug, dwars door de stad, naar het Marollenkwartier, waar het “Maison du Peuple” gelegen was. Zij ontmoetten een patrouille Feldgendarmen, maar deze dachten dat zij met gewone smokkelaars te doen hadden en lieten hen gerust. Op het afgesproken uur kon Louis Mabille binnendringen in de Werbestelle en opende een buitendeur om Henri en zijn gezellen binnen te laten. Plots stelde men vast dat er twee bewakers in het gebouw aanwezig waren. Het was opnieuw Henri die hen in een hinderlaag lokte, ze ontwapende, hen vastbond en ze dan in een kelder onderbracht. Daarna werd er koortsachtig gewerkt om alle dossiers uit de laden te trekken, terwijl Joseph Destrebecq buiten de wacht hield. Henri had vooraf de bewakers ondervraagd en vernomen dat tijdens de vroege ochtenduren werklieden de verwarmingsinstallatie kwamen in werking stellen. In de kamers van 30 m op 12 m en 20 m op 8 m werd 40 kilo fosforzuur en 14 brandbommen gebruikt om de brand te veroorzaken. Tijdens deze werkzaamheden klopte een van de werklieden aan de deur. Henri wist dat deze zou vergezeld zijn van een Feldgendarm of een politieagent. Hij was zo snugger een van de bewakers uit de kelder te halen, hem van zijn koorden te bevrijden en hem te leiden, met de revolver in de rug, naar de buitendeur. Toen de werkman binnentrad gooide Henri de deur, waarachter hij zich verborgen hield, dicht. Hij gaf ze alle twee een trap op hun achterste, bond ze vast en wierp ze in de kelder. Omstreeks vijf uur ’s morgens was het werk teneinde. Het vuur werd aangestoken en 3.500.000 dossiers werden vernietigd door het vuur of door het water van de blussing werken. Het heeft vele maanden geduurd vooraleer de Duitsers de lijsten konden hersamenstellen en vele Belgen werden definitief gevrijwaard van een verplichte tewerkstelling in Duitsland. 8. Uitdelen van propagandamateriaal Enkele dagen na deze brand werden te Ittre 500 kilo strooibriefjes en ander propagandamateriaal gedropt. Deze werden allemaal overgebracht naar de herberg van Joseph Destrebecq. Henri Heffinck en Joseph Destrebecq rekruteerden in een aantal steden personen die bereid waren dit materiaal onder de bevolking te verspreiden. Deze groepen verdeelden de gedropte stukken o.a. te Charleroi, bergen, Tubeke, Nijvel, Halle, Kortrijk, Roeselare, Kasteelbrakel, Zinnik, ’s Gravenbrakel, Eigenbrakel en in een aantal kleine plaatsen. Henri deed zelf een deel van de verdeling in Brussel en tijdens zijn een van zijn tochten ontmoette hij Maurits Algoet uit Anzegem die hem herkende. Henri overtuigde zijn vriend om aan niemand iets te vertellen over deze ontmoeting, zelfs niet aan zijn familieleden. Er werden voornamelijk drie soorten propagandamateriaal verdeeld: 1.    strooibrieven tegen de verplichte tewerkstelling in Duitsland?. Deze werden onder de deuren gegleden en ook verdeeld in fabrieken. 2.    Strooibrieven opgesteld om Duitse troepen te demoraliseren. Zij werden achtergelaten in herbergen en in de treinwagens. Henri en zijn gezellen waren zo stoutmoedig ze zelfs in de zakken van de soldatenmantels te stoppen in     herbergen en feestzalen. 3.    Verdeling van het Belgisch staatsblad. Dit werd meestal per post verstuurd aan de vrije beroepen. Henri vond zelfs een drukker die bereid was 500 exemplaren te drukken, die vervolgens verdeeld werden 9.  Sabotagedaden a. Station van Saint Ghislain Samen met twee helpers legde Henri vier explosieven onder twee waterpompen, twee motoren en een elektrische cabine in het station van Saint Ghislain. Hierdoor was de waterbevoorrading van de stoomtreinen in het station onderbroken van maart tot september 1943. Henri had deze sabotagedaad op eigen initiatief uitgevoerd zonder hiertoe opdracht te hebben ontvangen. Hij kreeg dan ook in eerste instantie zware verwijten te horen van zijn oversten in Engeland, maar achteraf waren ze toch verplicht het succes van deze sabotagedaad te erkennen. b. Dynamiseren van spoorlijnen Teneinde de Duitse troepenbewegingen te hinderen werden verscheidene spoorlijnen opgeblazen: In november 1943: * te Neufvilles op de lijn Brussel – Parijs * te Charleroi op de lijn Brussel – Charleroi In december 1943: * vernietiging van de spoorlijnen te: * Havré op de lijn Charleroi – Bergen * tussen Glabecq en Tubeke op de lijn Brussel – Parijs * te Lembeke op de lijn Brussel – Parijs. In januari 1944: * te Charleroi op de lijn Brussel – Charleroi * te Lembeke op de lijn Brussel – Parijs * te Tubeke op de lijn Brussel – Parijs. Bij elke ontploffing werd er voor gezorgd dat alle spoorrails in beide richtingen vernietigd werden, zodat elk spoorverkeer onderbroken werd. Elke herstelling duurde ongeveer 12 à 14 uren. Te Tubeke ontspoorde een Duitse trein, geladen met oorlogsmateriaal. Drie wagons waren volledig vernietigd en het oorlogsmateriaal dat vervoerd werd was zwaar beschadigd. De herstelling van de spoorlijnen duurde 48 uren. De Duitsers namen als weerwraakmaatregel 200 radiotoestellen in beslag te Tubeke. c. Vernietiging van vlasmijten Henri kreeg opdracht dicht bij Tubeke twee grote vlasmijten in brand te steken tijdens de maand oktober 1943. In december 1943 werden drie vlasspinnerijen vernietigd. Hierbij gingen 2.500.000 kilo vlas in de vlammen op, samen met de spinmolens en de gebouwen. 10.    Andere onverschrokken daden a. 11 november 1943 Henri Heffinck ontving een Belgische vlag van 3 m2 . Tijdens de nacht van 10 op 11 november klom hij op het dak van de toren van Tubeke, genaamd “le phare de Tubize” en bevestigde daar de Belgische vlag. Tussen de top van de toren en het platform plaatste hij een steen die omzwachteld was met aarde zodat dit voorwerp van op de begane grond op springstof geleek. Daarna schreef hij op een plaat, zichtbaar van op de straat: “doodsgevaar voor al diegene die de vlag aanraken” (danger de mort tous ceux qui touchent au drapeau). ’s Anderendaags was de bevolking van Tubeke in volledige opwinding. De vlag wapperde nog op de toren toen Henri Heffinck op 26.02.1944 terug naar Engeland vertrok.     b. Inrichten van een nieuw landingsterrein Henri Heffinck vond een beter geschikt landingsterrein op drie kilometer van Limal, met een oppervlakte van 1500 op 800 meter. De ene zijde paalde aan een bos. Hij stuurde een codeboodschap naar de BBC, die de ontvangst bevestigde met een nieuwe boodschap: “Bericht voor Petit Henri” (Notice to Little Henry). Tijdens een van deze parachutages bleven twee containers hangen in een boom. Door het laag vliegen van de vliegtuigen was er in de buurt van het landingsterrein veel lawaai geweest en Henri vreesde dat er spoedig een onderzoek zou volgen door de Feldgendarmen. Met zijn tegenwoordigheid van geest kon Rieten twee houtakkers uit de buurt overhalen om de boom onmiddellijk om te hakken. Henri verborg de containers in het nabijgelegen bos en de inhoud werd nadien overgebracht naar de herberg van Joseph Destrebecq. 11.    Aanhouding van Henri Heffinck Door de vele activiteiten was Henri bijna dag en nacht op het oorlogspad en een al dan niet toevallige aanhouding was quasi onvermijdelijk. Op 31 januari 1944 begaf hij zich van Charleroi naar Halle. Aangekomen in het Zuidstation in Brussel ging hij naar het Rouppeplein om de tram te nemen die naar Halle reed. Aan het Zuidstation stonden er echter 6 Feldgendarmen, versterkt met drie politieagenten in burger. Henri droeg een valies, gevuld met aardappelen, maar onderaan waren er springstoffen verborgen. De gendarmen deden het valies openen en vonden de springstof. Henri kreeg een vuistslag en verscheidene slagen in het aangezicht. Zij namen hem zijn portefeuille af. Henri was echter zo voorzichtig om twee geldbeugels bij zich te hebben: een gemakkelijk te overhandigen geldbeugel met zijn geld, en een andere, meer verborgen, met zijn identiteitspapieren. Het was de eerstgenoemde geldbeugel die de Duitsers afgenomen hadden. Vervolgens werd Henri op een vrachtwagen geworpen, waarop nog zeven andere aangehouden Belgen zaten. Henri had het zodanig geregeld dat hij op het einde van de vrachtwagen zat. Terwijl een van de Feldgendarmen zich voorover boog om iets toe te roepen aan de vrachtwagenbestuurder en de ander bezig was met zijn soldatenmantel te schikken sprong Henri in een bocht uit de vrachtwagen. Hij viel met zijn aangezicht op de straatstenen en kwetste zich met een diepe snijwonde aan zijn rechterarm . De gendarmen vuurden naar hem maar misten hun doel. Henri liep vlug weg en verborg zich in de kleine zijstraatjes? Hij bewees hiermede nogmaals dat zijn onverschrokkenheid en zijn vlugge reacties hem het leven hadden gered. 12.     Terug naar Engeland Na deze aanhouding en de geslaagde ontsnapping vroeg Henri om naar Engeland terug te keren. Het werd waarlijk te gevaarlijk voor hem. Hij vertrok op 26 februari 1944 naar Parijs met een valse Belgische identiteitskaart. Alhoewel hij adressen bezat waartoe hij zich kon wenden in Parijs waren meerdere hiervan onbruikbaar. Na het bezoeken van talrijke ontmoetingsplaatsen kon hij in een herberg een Franse identiteitskaart bekomen. Hij verbleef tot 2 maart 1944 in Parijs. Tijdens zijn verblijf in Parijs werd hij door de Gestapo aan een onderzoek onderworpen, maar zij lieten hem gaan. Op 2 maart 1944 verliet hij Parijs per trein en reed naar St. Jean de Luz via Bordeaux en Dax. Tussen Bordeaux en Dax werden zijn identiteitspapieren nagezien door twee Duitsers. Henri verklaarde dat hij de begrafenis van een van zijn broers ging bijwonen. Het toeval wilde dat in dezelfde coupé een vrouw zat met een rouwkrans bij zich. Zijn tegenwoordigheid van geest en zijn sluwheid hadden Henri opnieuw gered, want de Duitsers geloofden zijn verghaal. Toen Henri op 3 maart 1944 te St. Jean de Luz uit de trein stapte inspecteerde op hetzelfde ogenblik generaal Rommel, met gans zijn staf, de versterkingen rondom de stad. Op de trein had Henri Kennis gemaakt met een vrouw die in St. Jean de Luz woonde en die hem verklapte dat haar man een gids was die personen over de Spaanse grens smokkelde. Henri kon bekomen dat hij bij deze dame kon verblijven?. Haar echtgenoot weigerde echter om Henri naar Spanje over te brengen, maar gaf het adres van een andere gids. Deze gids kon , tegen betaling natuurlijk, twee begeleiders aanduiden die Henri tot aan het Brits Consulaat te St. Sebastiaan zouden brengen. Zij vertrokken op 5 maart om 18 u. ’s avonds en bereikten St. Sebastiaan om 9 u. ’s morgens. Hij verbleef tot 16 maart te St. Sebastiaan en reed dan verder naar Madrid. Hier verbleef hij één dag en begaf zich naar Lissabon. In Lissabon nam hij een vliegtuigbiljet naar Engeland waar hij aankwam op 22 maart 1944. Deze reis was van veel kortere duur dan de eerste reis die gepaard ging met veel ontberingen en gevangenschap. Terug in Engeland werd hij op 1 april 1944 ondervraagd door de Officer Cameron. Hij verklaarde dat hij zo spoedig mogelijk naar België wenste terug te keren om nieuwe sabotagedaden te plegen. 13.    Tweede verblijf in Engeland Het verblijf in Engeland zou van korte duur zijn, amper voldoende om nieuwe instructies te ontvangen en enkele vrienden terug te zien. De meeste Belgen ontmoetten elkaar in Londen in de herberg “ Chez Rose” in Greekstreet. Rose kon in haar restaurant typisch Belgische gerechten klaarmaken die in de smaak vielen van iedereen. Henri maakte er kennis met Walter Ganshof van der Meersch die in Londen aankwam in juli 1943 en in de besluitwet van 29.07.1943 werd benoemd tot Hoog Commisaris van ’s Rijks Veiligheid. Henri ontmoette er eveneens Jan Moedwil die de propaganda-uitzendingen van de BBC verzorgde, bestemd voor de Belgen in de bezette gebieden? Hij had verscheidene boodschappen voor Henri in codetaal uitgesproken en na zijn berichten eindigde hij elke uitzending met de door elke Belg gekende slagzin: “ En zonder te boffen, toch krijgen wij ze wel, de moffen”; 14.    Tweede parachutage in Belgiê Intussen kreeg Rieten de opdracht dat hij opnieuw zou geparachuteerd worden in België op 6 juni 1944, de dag van de landing van de geallieerde troepen in Normandië. Zijn gezel zou deze maal een jonge Belg van 22 jaar zijn: Albert Pauly, die enkele tijd voordien via Frankrijk en het gevangenkamp van Miranda in Spanje toch Engeland wist te bereiken. Albert Pauly beschrijft Henri Heffinck als volgt: “Il est mon ainée d’une quinzaine d’années. Petit, cheveux blonds plaqués et un peu clairsemés, un visage rond, assez personnel et largement assaisonné d’un accent flamand, qu’il émaille d’expressions originales et ponctive de gestes véhéments. Un véritable paquet de nerfs, insouciant du danger et entêté comme un mulet” Vrij vertaald: Petit Henri is vijftien jaar ouder dan ik. Hij is klein, met blonde haren die reeds kale vlakken doorlaten op zijn hoofd. Hij spreekt met veel gloed in het Frans, met een Vlaams accent, dat hij doorspekt met originele uitdrukkingen en vele gebaren. Hij is werkelijk een pak zenuwen en is van geen gevaar bewust. Bovendien is hij zo koppig als een muilezel. Henri moest de nieuweling in het vak moed inpompen en stelde voor dat hij zelf eerst het vliegtuig zou verlaten en dat Albert Pauly maar moest volgen. Zij zouden “blind” springen, dit betekende dat de verzetslieden in België niet op de hoogte waren van hun komst en dat beide parachutisten hun plan zouden moeten trekken bij hun landing. De reis zou uitgeboerd worden met een vliegtuig Liberator, bemand met Amerikanen. Henri was blijkbaar niet tevreden en stootte een zware Vlaamse vloek uit. “ De Amerikanen, beweerde hij, weten niet eens waar ze hun bommen uitgooien: wie weet waar wij zullen terecht komen”. De Amerikaanse bevelhebber, die blijkbaar schrik had van deze Anzegemse woede-uitbarsting, stelde vooraf nog eens goed te gaan eten, hetgeen Henri prompt aanvaardde “want wie weet, zei hij, wan,neer wij nog iets te eten krijgen”. Op het vliegveld kregen de parachutisten een burgerpak, valse identiteitskaarten, geld, de code voor radio-uitzendingen, een mes, dat in de linkermouw geborgen werd en een kleine schop die in de zak van het rechterbeen gegleden werd en tenslotte nog een revolver 9 mm. Argwanend zoals altijd schoof Henri een kogel in de loop, trok aan de trekker en… het schot ging niet af. Henri maakte zich geweldig kwaad en eiste een andere revolver. De Engelse officieren haastten zich om aan de eisen van die vloekende Vlaming te voldoen en beiden kregen een nieuwe schietklare revolver. Tijdens de vlucht haalde Henri nog een flesje rhum boven, dronk er een flinke slok van en gaf zijn gezel ook een slok. Albert pauly viel bijna in slaap in het vliegtuig door het drinken van de sterke drank. Om 0.30 u. landde Henri in de omgeving van Bièvène tussen een mast van de hoogspanning en een telefoonpaal. Hij ging onmiddellijk op zoek naar zijn vriend en vond deze na een half uur. Albert was met zijn valscherm blijven hangen aan een paal van drie meter hoog. Henri had zijn geld verstopt in een busje, dat echter tijdens de landing stuk gesprongen was zodat het geld overal verspreid was over het terrein. Zijn eerste zorg was derhalve zijn verspreid geld te verzamelen, het te tellen en tot de slotsom te komen dat zijn klein kapitaal volledig hersamengesteld was, tot de allergrootste verbazing van zijn collega, die blijkbaar ander zorgen had. Daarna moest men gaan zoeken naar de twee containers die tezelfdertijd geparachuteerd werden. Na drie uren zoeken  vond men de eerste container. Het valscherm was blijkbaar niet opengegaan zodat men vreesde dat de inhoud zou vernietigd zijn. Een uur nadien vond men de tweede container en vlug werden beide containers weggestopt in het nabijgelegen bos. Daarna gingen beide valschermspringers op zoek naar hun contactadres en even na 5.30 u. ’s morgens klopten ze aan bij landbouwer D Ghlin. Terwijl Albert Pauly, doodvermoeid, een ganse dag zou uitrusten leende de onvermoeibare Henri een fiets van de zoon van de landbouwer en vertrok na een paar uur naar Brussel om contact op te nemen met de verzetsgroep Nola. ’s Avonds gingen beiden hun verborgen containers ophalen. Dit was een gevaarlijke opdracht want indien men een Feldgendarm of een controleur zou ontmoeten zouden alle gedane inspanningen tevergeefs geweest zijn. Alles verliep goed, maar terug bij D. Ghlin stelde men bij het openen van de eerste container vast dat vier radio uitzendposten totaal vernietigd waren. Bij het openen van de tweede container begon Henri te vloeken in het Frans, het Vlaams, het Anzegems en het Grijslooks, alles door elkaar, want zoals hij had gevreesd  hadden de Amerikanen opnieuw geblunderd en hadden de verkeerde container gedropt. Deze laatste container bevatte alleen strooibriefjes en propagandamateriaal bestemd voor de Belgische Ardennen. Henri besloot dit voor hem waardeloos materiaal te verbanden in de bakoven van de boerderij. ’s Anderendaags, omstreeks zeven uur vertrokken beide valschermspringers te voet. Henri ging naar Tubeke, 32 km ver en Albert naar Halle, waar hij de tram zou nemen naar Brussel. Ze hadden beiden verschillende opdrachten uit te voeren: Henri moest sabotagemateriaal vinden en Albert een uitzendpost om berichten naar Londen te sturen. Albert vond zijn contactadres ’s avonds en ’s avonds hoorde men in de uitzending van de BBC: “Les Belges parlent de Londres” de codezin: Le printemps rôde dans le forêt”. Hiermede werd bevestigd dat men in Engeland wist dat beide valschermspringers goed geland waren. Henri vond in Tubeke zijn contactadres en vertrok ’s avonds naar Ittre waar hij Joseph Mabille ontmoette. Op 8 juni kon hij in het bezit komen van 160 kg dynamiet en de sabotagedaden, samen met de leden van het verzet Nola, konden opnieuw beginnen. 14.    Nieuwe sabotagedaden Daar Henri geparachuteerd werd op de dag van de landing van de geallieerde troepen in Normandië had hij als opdracht gekregen zoveel mogelijk spoorlijnen te saboteren om te beletten dat Duitse troepen tijdig naar Frankrijk konden gestuurd worden. Op 11 juni werd de brug te Luttre op de lijn Brussel – Charleroi gedynamiseerd en ’s namiddags de brug te Oisquercq op de lijn Brussel – Haine St.-Pierre. Henri had voldoende durf om in volle dag sabotagedaden uit te voeren. Op 12 juni werd de metalen spoorwegbrug van Kasteelbrakel opgeblazen op de lijn Braine l’Alleud – Clabecq.  Zonder onderbreking werden op dezelfde dag nog de spoorlijnen opgeblazen te Hennuyères op de lijn Brussel – Bergen, te Oisquercq en te Kasteelbrakel. Door het aanbrengen van deze springladingen hadden de treinen, geladen met tanks, munitie en troepen 48 uur vertraging. Niet iedereen had geluk om deze sabotagedaden ongemerkt uit te voeren. Henri vernam dat een van de verzetstrijders gedood werd bij het dynamiseren van een sluis, dat een ander aangehouden werd en dat een derde, een marconist, voortvluchtig was en ondergedoken was in de streek van Molenbaix bij Doornik. Op 13 juni werd de spoorweg opgeblazen tussen Halle en Edingen op de lijn Brussel – Doornik. Op 14 juni nam Henri contact op met de ingenieurs van de koolmijn van Quaregnon teneinde de koolmijnen en de fabrieken te verdedigen bij een Duitse terugtocht. Op 15 juni werd ’s nachts de treinverbinding tussen Zinnik en St. – Ghislain verbroken door het vernietigen van de spoorlijnen te Erbisoeul. Op 15 juni werden de spoorlijnen opgeblazen tussen Lillois en Nijvel op de lijn Brussel – Charleroi, waardoor talrijke treinen met oorlogsmateriaal en tanks voor 48 uur geblokkeerd werden. Daar Duitse konvooien gesignaleerd werden op de lijn Brussel – Namen werden op 17 juni de spoorlijnen te Rixensart opgeblazen. Geen dag zonder rust. Op 18 juni was het de beurt aan de sabotage van de lijn Brussel – Charleroi tussen Braine l’Alleud en Nijvel. Op 19 juni had Henri opnieuw contact met de directeurs van de koolmijn van Quaregnon. Een zekere pater Bourbon trad hier als tussenpersoon op. Henri kon bekomen dat de directeurs aan het verzet ontploffingsmateriaal zouden leveren, dat in de koolmijnen gebruikt werd. Op 20 juni zou een belangrijke sabotagedaad gepleegd worden: de vernietiging van de spoorwegbrug te Clabecq  op de lijn Brussel – Haine St.-Pierre. Alle spoorwegverkeer werd hierdoor gedurende drie weken verbroken. Henri had wel de voorzorg genomen om een 40tig tal arbeiders uit de “Forges de Clabecq” die dicht bij de brug verscholen waren wegens vliegtuigalarm vooraf te laten verwijderen. Op dezelfde dag plaatste Henri nog een dubbele lading te Oisquercq. Op 21 juni liepen de werkzaamheden bijna fataal af; Even ladingen werden om 16.15 u. aangebracht te Ophain op de lijn Brussel – Charleroi. De Duitsers hadden echter lont geroken en begonnen te schieten. De verzetslieden mitrailleerden echter terug terwijl zij zich verwijderden. Tijdens deze operatie was Henri vergezeld van Louis Mabille, André Mabille, dokter Scheins, Robert Wilmotte, Joseph Lietaert en Michel Hoet. De treinen hadden door deze onderbreking van de spoorlijnen drie dagen vertraging. De volgende dagen werden gewijd aan diverse besprekingen. Henri moest ook regelmatig van verblijfplaats veranderen want hij wist dat de Duitsers hem zochten. Er moest ook naar een nieuwe landingsplaats gezocht worden in de buurt van Roisin. Op 28 juni 1944 was Henri te gast bij de verzetstrijder Ursman Cordies te Roisin, maar ’s anderendaags hadden de Duitsers lont geroken en doorzochten de woning van Cordies. Henri was echter reeds de pijpen uit en verbleef bij Bonjean te Quaregnon. Veiligheidshalve signaleerde hij de moeilijkheden aan Londen en stelde voor om de parachutage uit te stellen. Op 2 juli 1944 werden de spoorlijnen op de lijn Brussel – Charleroi gedynamiseerd om de doorgang van Duitse treinen te beletten die kwamen van het Russisch front. Tussenin organiseerde Henri een nieuwe verzetsgroep te Tubeke. Hier kreeg hij de hulp van J. Navet, Leonard Marius, juff. J. Pillet en Bouillet. Op 5 juli  1944 zond de BBC volgende boodschap uit: “Le rossignol chante dans le bois”. Henri wist dat deze zin “ernstig gevaar” betekende en besloot zich een paar dagen stil te houden en van schuilplaats te veranderen. Niettemin kon hij niet nalaten op 8 juli 1944, samen met Louis Mabille de spoorlijnen op te blazen te Baulers op de lijn Brussel – Charleroi. Ze werden echter opnieuw beschoten, door de Duitsers. Op 10 juli 1944 vernam hij dat de Engelse marconist Alfred toch was aangehouden bij een bakker te Molembaix. Het verzet werd verder georganiseerd. In de streek van Tubeke waren er reeds een twintigtal mannen bij de groep aangesloten. Henri overwoog om een fabriek van synthetische benzine, gevestigd te Havré, te laten ontploffen. Hiertoe deed hij op 17 juli een nauwkeurig onderzoek, binnen en buiten de fabriek. Hij kreeg hiertoe wel de hulp van de directeur. De Duitsers hadden echter vernomen wat er de volgende nacht zou kunnen gebeuren en hadden schilwachten geplaatst. Noodgedwongen moest Henri op 21 juli afzien van de sabotage van de benzinetanks. De burgemeester van Wauthier Braine, du Roy de Bliquy, wenste eveneens een verzetsgroep te organiseren. Omdat Henri nog te weinig goede inlichtingen had verzameld over de burgemeester wenste hij voorlopig geen contact op te nemen met deze persoon. Intussen werd te Biévène een nieuwe landingsplaats uitgestippeld, die aan Londen werd bekendgemaakt. Henri wilde nog altijd de fabriek van Havré vernietigen, samen met twee gemeerde boten, gevuld met brandstof. Begin augustus 1944 werd geheel het plan uitgevoerd. Nadat betere inlichtingen werden bekomen over de vaderlandslievende bedoelingen van de burgemeester van Wauthier Braine werd besloten aldaar een verzetsgroep op te richten samen met vader en zoon Léonard. Op 5 en 8 augustus getuigde Petit Henri opnieuw van zijn heldere geest en zijn moed in moeilijke omstandigheden. Er moesten dringend nieuwe containers uit Engeland geparachuteerd worden. Er zouden ook drie parachutisten gedropt worden. Op 4 augustus, om 19.15 u. meldde de BBC een boodschap voor de verzetsgroep “Nola”: “Je ne crain pas le déluge”. Samen met zijn mannen verzamelde Henri zich omstreeks 22.30 u. rondom de nieuwe landingsplaats . Omstreeks 1.10 u. op 5 augustus kwam een vliegtuig  aangevlogen uit de richting van Clabecq. De verzetsgroep ontstak de lampen en gaf signalen aan het vliegtuig. Het vloog driemaal rond de landingsplaats en loste 3 valschermspringers, 12 containers en 6 pakken. Drie valschermen, namelijk twee met containers en een met een pak propagandamateriaal gingen niet open zoadat de inhoud volledig beschadigd en onbruikbaar was. Henri en zijn helpers verzamelden al de gedropte goederen om er te verbergen. In de buurt had echter een voertuig met Duitsers de bewegingen van het vliegtuig bemerkt toen ze uit de richting van Kasteelbrakel kwamen. Zij verwittigden hun overheid. Henri had dit echter ook bemerkt en gaf een van zijn metgezellen het bevel om de drie valschermspringers weg te leiden naar de hoeve van Degueldre. Om 4.15 u. was de verzetsgroep omsingeld door de Duitsers die hen begonnen te mitrailleren. Nog driemaal haalde Henri, praktisch onder ogen van de Duitsers, een pak weg van de landingsplaats. Een van de verzetlieden, Robert Lacroux uit Kasteelbrakel, werd gekwetst door een kogel en werd door de Duitsers gevangen genomen. ’s Anderendaags werd nog een tweede man, Etienne Delestienne uit Ittre, eveneens aangehouden. Henri moest voorlopig de 12 containers verlaten, niettegenstaande de Duitsers ze nog niet gevonden hadden. Hij gaf zich echter niet gewonnen en dezelfde dag ging hij, samen met Robert Wilmotte en Louis Mabille de containers onder de grond begraven, terwijl de vrouw van louis Mabille de wacht hield. Het bos was nochtans nog steeds door de Duitsers omsingeld. Op 6 augustus 1944 kwamen 40 Duitse camions met Duitse soldaten de ganse omgeving afzoeken. Met hun magnetische detectors vonden zij de begraven containers. De Duitsers onderzochten ook de woningen uit de omgeving en kwamen bij landbouwer Degueldre waar de drie valschermspringers verborgen zaten in de kelder… Landbouwer Degueldre werd bang en vluchtte weg. Henri Heffinck besloot zelf als landbouwer op te treden en ontving de Duitsers en sprak Duits met hen. Hij bood hen iets te eten aan, hetgeen ze aanvaardden. Zij vroegen naar de jachtvergunning van het jachtgeweer dat aan de muur hing. Henri kon ze tonen en daar ze niets anders vonden gingen ze terug weg. Henri was wel zo voorzichtig om onmiddellijk twee van de drie valschermspringers over te brengen naar de hoeve Haine te Ittre en de derde naar de hoeve Querteumont te Baudemont. De Duitsers hadden nog niet alles ontdekt en Henri vertrok op 7 augustus 1944 naar Brussel om verslag uit te brengen bij de verzetsgroep Nola. Deze mensen hadden echter de wapens en het materiaal dringend nodig en praamden Henri om zoveel mogelijk te redden. Spitsvondig zoals altijd had Henri onmiddellijk een nieuw idee: hij verkleedde zich als boswachter en met een hond aan de leiband maakt hij een rondgang rond het landingsterrein. Hij werd meerder keren door de Duitsers ondervraagd maar toen hij zijn papieren als boswachter bovenhaalde lieten zij hem verder gaan. Een nieuw voorval deed Henri in actie treden. Op 10 augustus 1944 waren de Duitsers nog altijd in het bos toen drie Engelse militairen valschermspringers uitsprongen boven Tubeke. De Duitsers verlieten het bos om de valschermspringers op te zoeken. Henri profiteerde van deze korte afwezigheid om zes pakken en de rest van de wapens die de Duitsers nog niet gevonden hadden, op te graven en ze te verbergen bij Camille Guisée. Zijn opdracht was vervuld maar op het einde van de namiddag werd hij aangehouden op de brug van het kanaal te Clabecq. De Duitsers beweerden dat hij de chef was van de Witte Brigade. Henri toverde echter een kaart van het Rode Kruis te voorschijn en tegen zoveel overtuigende argumenten hadden de Duitsers geen verhaal en zij lieten Henri opnieuw los. De landingsplaats van Ittre was niet langer bruikbaar en er moest naar iets anders uitgezien worden. Op 15 augustus 1944 vertrok Henri per fiets naar Bergen, naar het klooster St.-Julie, waar hij pater Borboux ontmoette . ( Pater Bourbon, geboren te Verviers op 22.12.1904 en overleden op 06.04.1974. Hij was pater Jezuïet, na een lange opleiding te Aarlen en te Drongen. Tijdens de oorlog was hij aalmoezenier van de verzetsgroep Nola. Hij was een verbindingsman die talrijke inlichtingen heeft doorgegeven aan Henri Heffinck. Op 24.04.1946 werd hij ridder in de orde van Leopold II met palmen en het oorlogskruis 1940-45. Hij werd ook gedecoreerd door de Britse Ambassadeur met de “Kings Medal for Courage in the Cause of Freedom” ) Zij beslisten om te Roisin een landingsplaats in te richten, met een reserveplein te Maurage en te Merbes le Château. De eerste parachutage te Roisin vond plaats op 31 augustus 1944. De dagen voordien had Henri talrijke contacten in de buurt teneinde verzetsgroepen te organiseren en te bewapenen voor de strijd tegen de Duitsers. De gelande Engelse militairen werden hierbij ingeschakeld. Op 1 september 1944 kwamen 42 Belgische rijkswachters zich bij het verzet aansluiten en brachten twee combi’s en een moto met sidecar mee. De geallieerden waren in aantocht en de Duitsers trokken achteruit. Henri verzamelde op 3 september 1944 183 verzetstrijders rond zich,hoewel er oorspronkelijk 400 à 500 voorzien waren. Hij leerde ze omgaan met wapens, organiseerde een kamp en installeerde een hospitaal. Alles werd in gereedheid gebracht om als gevechtseenheid op te treden. 15.    De laatste veldslag Op 4 september 1944 om 7 uur’ s morgens vroeg Henri Heffinck 35 vrijwilligers om een verkenningstocht te maken. Hij kon er niet meer meenemen omdat hij geen wapens genoeg had. Zij vertrokken om 7.30 u. en dachten omstreeks 9 uur terug te zijn. Een nieuwe groep zou dan een tweede verkenning maken. Zij vertrokken gemotoriseerd in de richting van Ittre. Henri zat in de eerste sidecar aan het hoofd van de groep. Daarna volgde een tweede sidecar, vervolgens 7 personenwagens en tenslotte de 2 combi’s. Even voor 8 uur reden zij de weg van Ittre naar Virginal en kwamen plots oog in oog met een Duits konvooi. Henri was nog slechts op een tiental meters van de eerste Duitsers toen zij begonnen te schieten zonder hen te treffen. Hij schoot terug en trof vier Duitsers. Hij gaf bevel aan zijn manschappen om zich langs elke kant van de weg te begeven en de Duitsers te omsingelen. Henri, gevolgd door Jean Hoyoux ren,de naar de rechterzijde van de weg. Hij dwarste een waterloop en het bos en wierp plots vier granaten Mills tussen de Duitsers.Daarna liep hij, onder het vuur van de Duitsers, de weg terug over en wierp langs de linkerzijde nog twee granaten terwijl Jean Hoyoux ook nog een granaat kon werpen. De Duitsers herpakten zich en trachtten eveneens de verzetslieden te omsingelen. Zij hadden ook meer ervaring in vuurgevechten. Zij schoten van op een verhoogde berm naar de verzetslieden. Henri zat op een tak van een boom en de Duitse kogels troffen de tak waarop Henri zat. De tak kraakte af en Henri viel in een kleine ravijn, hetgeen hem het leven redde. Henri voelde dat de Duitse overmacht te groot en zijn mannen te onervaren waren en floot de terugtocht. Zij verborgen zich achter de papierfabriek van Jacquet. Henri bleef met vijf man verder schieten naar de Duitsers terwijl de rest van de troep zich terugtrok. Hij bemerkte echter dat gans de groep door de Duitsers omsingeld zou worden. Hij verliet vlug, met zijn vijf mannen, de fabriek en begaf zich naar de linkerzijde van de weg om uit de Duitse wurggreep te geraken. De Duitsers hadden echter deze beweging gezien en schoten langs alle kanten naar dit groepje. De vijf mannen die zich bij Henri bevonden werden allen neergeschoten, namelijk Louis Mabille, Pierre Charlier, Maurice Herpain, Jean Hoyoux en Antoine Gueur. Henri bleef schieten tot zijn laatste kogel op was. Hij kon toch nog ontsnappen en keerde naar het kamp terug. Hij voorzag zich van nieuwe munitie en vertrok, samen met Joseph Liétart, terug naar het slagveld. De Duitsers waren echter reeds vertrokken en hadden hun doden en gekwetsten meegenomen. Hiermede was de tweede periode, van 6 juni tot 4 september 1944, voor Henri Heffinck afgesloten. Tot slot kan men zich afvragen wat er gebeurd is met Albert Pauly, de valschermspringer die samen met Henri uitgesprongen was. In Brussel had hij een uitzendpost kunnen bemachtigen en zond boodschappen uit naar Londen. Nog éénmaal heeft hij Henri toevallig ontmoet, dicht bij het Noordstation. Op 25 augustus 1944 werd Albert Pauly door de Duitsers aangehouden. Hij werd gemarteld en in de gevangenis van St.-Gillis opgesloten tot aan de bevrijding. Na de oorlog werd hij “station manager” bij de Sabena Zaventem. 16.    Na de bevrijding Henri Heffinck werd officieel gedemobiliseerd op 6 augustus 1945. Henri was zeer zwijgzaam over zijn oorlogsdaden. Telkens men hem ondervroeg zei hij: “Ik heb veel geluk gehad, veel meer geluk dan vele anderen”. Nu de Duitsers uit Brussel weg waren kon Henri in veel betere omstandigheden zijn vrienden in de herberg “Au Coq de Jemappes” ontmoeten. Aan de zoldering hingen mini-valschermen . Op elke valscherm was de naam vermeld van een van de 52 valschermspringers die in het geheim in de herberg verbleven hebben. Aan de muur hingen foto’s van enkele bekende strijders, namelijk de Britse kapitein Gardinier, valschermspringer, de Belgische kapitein Wendeler, parachutist, Guy Corbisier, Belgisch valschermspringer, overleden tijdens een opdracht en … Henri Heffinck “ Parchutiste Belge et saboteur de grand style”. Wanneer Henri in de herberg aanwezig was kwamen zelfs buitenlandse dagbladreporters hem opzoeken. Er verscheen een artikel in de “Picture Post” op 24.08.1946, met een foto van Henri en met de ondertitel” The Little Man No One Noticed”. Intussen kreeg Henri verscheidene eretekens, diploma’s, brevetten en ondferscheidingen. Op 11 april 1945 kreeg hij de persoonlijke gelukwensen van koning Georges VI van Engeland. De Engelse overheid gaf hem nog de hoge onderscheiding “ The Military Cross”. De Franse Republiek gaf hem een “Diplôme de Croix d’Honneur du Mérite Franco-Britannique” en de “Médaille de la France Libérée” pour sa participation à la libération de la France. Deze onderscheiding werd op 1 augustus 1960 toegekend door de heer Triboulet, Ministre des Anciens Combattants et Victimes de Guerre. Een artikel verschenen in de jaarboeken van de Geschied- en Heemkundige Kring "De Gaverstreke" uit Waregem.   Jg. 1985 Nr.13 F. Speleers: "Henri Sport",  "Petit Henri",  "Little Henry" uit Anzegem (blz. 217 tot 268) In het midden: Jan Moedwil, spaeker van de B.B.C. rechts: Henri Heffinck 6