Te Zwevegem geboren op 9 september 1877 en te Kachtem overleden op 25 maart 1964. Zij waren allebei laureaat van het St.-Amandscollege te Kortrijk: Aubert Roose in 1896, zijn broer Alban (1)  in 1891, allebei hadden ze te Leuven Klassieke filologie gestudeerd, beiden slaagden ze niet als leraar: Aubert te Tielt in de retorica, Alban te Kortrijk in de vierde Latijnse; een tijdlang verbleven ze samen te Anzegem: Alban als directeur der Zusters, Aubert als pastoor. Voor de rest verschilden ze volledig van elkaar: Alban was een roos met niets dan zachte en milde geur; Aubert was een doornroos!          Aubert Roose werd te Zwevegem geboren op 9 september 1877. Na zijn humaniora te Kortrijk en het seminarie te Brugge, werd hij op 1 juni 1901 priester gewijd en daarna naar de universiteit van Leuven gestuurd. Op 28 januari 1903 werd hij leraar van de retorica te Tielt. De befaamde latinist Constantin Huys (in de studentenmiddens Staes geheten) vervangen, was een opdracht die een gewoon sterveling aan kon, maar het ergste was echter les te geven aan een klas die in de vierde door Robrecht De Smet, in de derde door Henri Blondeel en in de poësis vooral door Cyriel Verschaeve waren gevormd. Deze laatste, een uitzonderlijke en geniale leraar, had zo’n buitengewone invloed op de studenten dat hij normaal gesproken als laatste, als bekroning, als het nec plus ultra in een reeks van collegeleraars moest komen.        Het stemde Aubert Roose in latere jaren wrevelig als hij het had over Verschaeve als leraar. De mislukking van zijn leraarsloopbaan waar de overheden veel verwachtingen op hadden gebouwd, moet echter ook voor een groot deel toegeschreven worden aan het volledig gemis aan gezag in de klas. Bij de Tieltse studerende jeugd had hij de naam van “Mijnheer” omdat hij inderdaad in zijn uiterlijke verschijning een ietwat plechtstatige houding aannam, en iedere wandeldag erop uit trok met zijn beste toog aan, paard en sjees huurde om pastoors in het omliggende te bezoeken. Wanneer hij voorbijtrok riepen de studenten dan: “Mijnheer, waar ga je naartoe?” Deze familiaire manier om de leraar aan te spreken kwam ook vaak in de klas tot uiting. Daar hij weinig Grieks kende kwamen de studenten soms uitleg vragen tot bij zijn lessenaar, en maar dan eens is het gebeurd dat een of andere belhamel met een stopnaald door de biezen van het zitsel in niet nader te noemen delen prikte.     Hij heeft het beseft dat zijn gemis aan krachtig optreden te Tielt de oorzaak van zijn mislukking aldaar was geworden? Eén feit is zeker dat Aubert Roose, eens de gezagsloze leraar, plots dictatoriaal begon op te treden.     Op 16 augustus 1910 werd hij onderpastoor benoemd op St.-Pieter te Ieper bij pastoor Camiel Delaere. De overheid besefte dat men in de hoogste klasse te Tielt een man van formaat moest hebben en men stuurde Leo Vanhalst, Dr. In Wijsbegeerte en licentiaat in de Godgeleerdheid, terwijl Verschaeve in 1911 te Alveringen werd benoemd.     De eerste wereldoorlog betekende voor Ieper de massale uittocht. Pastoor Delaere van St.-Pieters week, nadat hij heel wat kostbaarheden uit Ieper had gered, met zijn onderpastoor uit naar Frankrijk. Aubert Roose vond een onderkomen te Trouville-sur-Mer waar hij parochiedienst verrichtte, en zich ook bezig hield met de Belgen die als vluchtelingen in het omliggende woonden.     Kort na de wapenstilstand kwam Aubert Roose, op verzoek van pastoor Delaere, inmiddels deken van Ieper geworden, naar België terug. Van de vroegere parochiekerk bleef er niet veel meer over dan een puinhoop. Onderpastoor Roose begon dienst te doen in een barakkerk. In augustus 1923 werd hij overgeplaatst naar de hoofdkerk St.-Maartens bij deken Delaere die in 1928 op rust ging en in september 1928 opgevolgd werd door Henri Lamiroy, die ’t jaar daarop hulpbisschop van Mgr. Waffelaert zou worden. De inhuldiging van deken Lamiroy was een der laatste activiteiten van Aubert Roose te Ieper: hij kreeg een schoon portret van de nieuwe pastoordeken, maar de overheid besefte dat een onderpastoor die acht jaar ouder was dan zijn pastoor, best zo vlug mogelijk benoemd zou worden.     Op 18 oktober 1928 trok Aubert Roose als pastoor naar Vlissegem. Vijf jaar later, op 24 maart 1933 werd hij pastoor op de St.-Pieterskerk te De Panne.     Zowat overal in Vlaanderen ontbrandde in deze jaren de vinnige politieke strijd tussen de Nationalisten en de Conservatieven, strijd waarin de geestelijkheid bijna noodzakelijk gemengd werd. Roos behoorde tot de laatstgenoemde fractie terwijl zijn collega van de O.L. Vrouwkerk te De Panne en anderen uit de omgeving van de pastoor, sympathisanten waren van de Vlaamsgezinde. Na vijf jaar, nl. op 20 december 1938, achtte Mgr. Lamiroy het geraadzaam zijn vroegere onderpastoor van St.-Maartens te amoveren  door hem te promoveren. Men vertelt dat Aubert Roose bedenkingen maakte tegen de verplaatsing, primo omdat zijn voorganger te Anzegem een klasgenoot was, nl. Charles De Smet, en secundo omdat zijn broer Alban er directeur was in ’t klooster. Mgr. Lamiroy zou daarop geantwoord hebben: “ik hoop toch dat ge met uw eigen broer zult overeenkomen!” Men vertelt nog dat Aubert Roose op die dag het gededicaceerd portret van deken Lamiroy zou vernietigd hebben.     Hij was pas enkele maanden te Anzegem toen de oorlog uitbrak. In de meidagen van 1940 vluchtte hij samen met de burgemeester de Limburg Stirum naar ’t Zuiden van Frankrijk en kwam eerst in augustus terug. De parochiekerk had nogal geleden gedurende de slag aan de Leie en de pastorij, de kelder met fijne wijnen incluis, was geplunderd. Hij vond dat het allemaal de schuld was van de Duitsers en hij droeg de bezetter dan ook geen gulden hart toe.         De oorlog was geen gunstige tijd voor verwezenlijkingen. Hij deed de gehavende kerk herstellen en verzorgde de lopende zaken.     Daar het een tijd was van voedselschaarste trok pastoor Roose er in de namiddag op uit naar de boeren, de stand waarmee hij het best over de baan kon. Dit deed hij steeds per tilbury, het voertuig waarmee hij reeds in zijn Tieltse tijd op reis ging. Men vertelt dat hij nogal graag in de kommetjes ging neuzen die op de stoof stonden en dat hij eens op een hofstede drie deksels te verwijderen kreeg vooraleer hij met zijn reukorgaan de inhoud kon opsnuiven.     Als pastoor behartigde Aubert Roose de Boerinnenbond en de bonden van het H. Hart. De meer democratische verenigingen zoals A.C.W, K.A.J, en V.K.A.J., liet hij, weinig sociaalvoelend als hij was, het liefst over aan zijn onderpastoor die er alle belang bij had er voor te zorgen dat het gezag van de pastoor in alles geëerbiedigd werd, “Ik ben toch pastoor” was een uitdrukking die men geregeld moest aanhoren. Indien men met deze raad rekening hield, dan kon men op zijn twee oren slapen. Dan ook ontdekte men dat er in de man met dat stuur gelaat toch een goed hart schuilde. Iemand die vroeger met pastoor Roose een tijdlang in conflict had geleefd,,ontmoette hem jaren nadien te Lourdes en trakteerde hem met een goede fles wijn. Dat gebaar was voldoende om een nieuwe en hartelijke vriendschap te beginnen en die verder te onderhouden bij een goede tafel.     Op één punt was hij onverbiddelijk: de zedigheidwetten vooral bij de vrouwen. Hij kon bliksemen wanneer hij vrouwen in de kerk zag zonder kousen aan!     Op 2 november 1947 nam hij ontslag als pastoor van Anzegem en ging hij te Kuurne wonen en wanneer zijn oude huishoudster gestorven was trok hij naar Kachtem waar hij zijn intrek nam bij de Zusters van de H. Vincentius van Anzegem. Hij vierde er in 1961 zijn diamanten  priesterjubileum. Tien jaar voordien had hij te Anzegem zijn gouden jubileum gevierd en had hij het vergeten zijn eigen broer, directeur te Anzegem, uit te nodigen. (2) (1) Alban Roose: geboren te Zwevegem 21 oktober 1871; leraar aan het St.-Amandscollege te Kortrijk 1895; onderpastoor te Ooigem: 25 jan. 1898; te eernegem 21 maart 1900; te Roeselare St.-Amand 9 september 1907; directeur der zusters van de H. Vincentius te Anzegem 30 juni 1910; aldaar overleden in 1953. (2)Uit het necrologisch jaarboek der geestelijkheid uit het bisdom Brugge  door Jozef Geldhof priester. Brugge 1965. Opgesteld met inlichtingen verstrekt door: Z.E.Heren  Jozef Beke te Ieper, Jozef De Meester te St.-Kruis, Andries De Leersnijder te Handzame, Arthur De Pourcq te Kuurne, Cyriel De Visschere te Izegem, Albert Folens te Brugge, Michel Van Wijnsberghe te Izegem. 8