Bleu du Maine

Historiek van het ras:

Het Bleu du Maine schaap ontstond in het westen van Frankrijk in de provincie die haar naam draagt: Maine (momenteel Maine-Anjou). Dit omvat de departementen Mayenne, Nord Maine-et-Loire en Sarthe. De  wieg van het ras stond in de driehoek gevormd door de dorpen Bazougers, Sablé-sur-Sarthe en Château-Gonthier, tussen Laval en Angers.

Dit schaap ontstond in de 19e eeuw uit een kruising van een lokaal ras met rammen afkomstig uit Engeland met Leicester- en Wensleydale-bloed. Volgens vele auteurs heeft de Bleu du Maine, evenals zijn verre broer de Rouge de l'Ouest (waarschijnlijk een slecht gefixeerde variëteit), bepaalde kwaliteiten van deze engelse rassen geërfd zoals groot formaat, goede melkproduktie en hoge vructbaarheid.

In Frankrijk heeft het ras zich verspreid van de Nord, over Bretagne, de Centre tot vooral in de Ardennen. Van daar werd het ras ingevoerd in België in het begin van de jaren 1980, om vanf 1983 aangenomen en op 21.11.88 officieel erkend te worden door het Ministerie van Landbouw.

Fokdoel:

Het is een ras dat heel veel troeven in handen heeft. Het fokdoel van het Bleu du Maine ras is de vorming van een vruchtbaar en groeizaam schaap met uiterst weinig geboorteproblemen en bestemd als moederlijn voor kruisingen. De bevleesdheid moet goed zijn zonder overdrijving:
-Vruchtbaarheid: 2,25 gespeende lammeren per ooi bereiken.
-Gemakkelijke geboorten: ooien met breed kruis, met grote hoogtemaat, met voldoende ontwikkeling.
-Melkwaarde: een gemiddelde dagelijkse groei van 300 gram tussen 10-30 dagen bereiken.
-Vroegrijpheid: dekking jonge ooien op een leeftijd van 8 maand.
-Fertiliteit: 90% dracht bereiken bij de ooien bij de eerste dekking.

Officiële Standaard van het Bleu du Maine ras:

Algemeen Voorkomen:

Zowel de rammen als de ooien moeten voldoende zwaar zijn, diep en lang om een ruime ontwikkeling toe te laten, welke de vruchtbaarheid van het ras moet waarborgen, met behoud van een harmonisch voorkomen en veel adel.

Kop:

Donkerblauw, zonder hoornen - breed voorhoofd, zonder wol - lichtjes gebogen profiel - ogen met uitspringende holten - brede neus en muil - donkerblauwe lange, fijne, hoog ingeplante en niet neerhangende oren.
RAM:
uitgesproken mannelijke kop met rimpels op het voorhoofd en tussen de ogen, onbewold.
OOI:
typisch vrouwelijke, minder zware kop met slechts enkele rimpels.

Lichaam:

Middelmatig lang - sterke en gespierde schouders - diepe en brede borst. Deze eigenschappen komen tot uiting door een brede inplanting van de voorbenen - regelmatige, lange, brede en rechte rug - lang en breed kruis - zo hoog mogelijke staartinplanting zowel bij ooien als bij rammen.
 

Bouten:

 Goed ontwikkeld, niet te rond en goed gevuld tot op de schenkel.

Ledematen:

Recht met correcte standen - zwaarder bij de rammen - lichtjes gebogen spronggewrichten - zo donkerblauw mogelijk - zonder wol vanaf de knieën en de schenkels - donkere tenen.
 

Wol:

Heldere aaneengesloten vacht welke gans het lichaam bedekt uitgenomen de kop en de poten vanaf de schenkels en de knieën - de lengte van de haarlokken is middelmatig.

Huid:

Fijn, zacht en zonder vlekken.

Formaat:

Volwassen rammmen: minimum 110 kg
Volwassen ooien: minimum 80 kg

Ogewenste eigenschappen en kleine fouten:

Roze, rode of licht grijze kop bij de ooien - zadelrug of slechte aansluiting achter de schouder - zichtbare zwarte vlek op de poten met maximale diameter 2,5 cm bij de ooien - wol op de kop en op de poten - grijze of roze huid op de poten - witte wenkbrouwen - onvoldoende dikke vacht - schede zonder melkspiegel (niet vrij van wol) - melkspiegel rond de aars van de ram, niet vrij van wol.

Grove fouten:

Vrouwelijke kop bij de rammen -  kop bedekt met wol, roos, rood of grijs van kleur - mannelijke te dikke kop bij de ooien - te smalle romp - O of X benigheid - zwakke of te lange koten - te rechte spronggewrichten - grove of harige wol of onvoldoende dichte vacht - te lichte, te korte, te kleine onvoldoende ontwikkelde dieren - gebroken rug.

Eigenschappen die de uitsluiting tot gevolg hebben:

Aanwezigheid van hoornen - varkens- of snoekbek - ontbreken van een of twee teelballen - tweeslachtigheid - te grote of meerdere kleine zwarte vlekken bij de ooien - eender welke zwarte vlek bij de rammen - zwarte wol.
 

Met dank aan de heer Herman Crabbe