JAPANSE MEEUWEN                                                                                          The Belgian Bengalese site                                                                                                  copyright ©Edwin Gilson  
ARTIKELS




 

MIJN KWEEKERVARING MET BLEEKVLEUGELS

 

Hallo beste liefhebber,

Misschien zult u zich herinneren dat ik in het verleden reeds enkele artikels aan de bleekvleugel heb gewijd. Toch is het de eerste maal dat ik iets neerschrijf over mijn kweekervaring met deze uitzonderlijke kleurmeeuw. Dat sommige verervingeigenschappen zich moeilijk laten dirigeren, zal nogmaals blijken. Voorzichtig wezen met uitspraken en beweringen is dus nog steeds de boodschap.

 Het feit dat deze kleurafwijking bijna volledig van het strijdtoneel is verdwenen, heeft er mij toe aangezet om de kweek ervan terug een beetje aan te zwengelen. Het is echter niet aan de dagorde om de bleekvleugel-theorie nogmaals uit de doeken te doen, daarvoor kun je beter de artikels herlezen die hierop betrekking hebben. Hierin heb ik toentertijd mijn persoonlijke standpunten voldoende te kennen gegeven. Toch ben ik de dag van vandaag niet te beroerd om het gedeeltelijk mislukken van mijn vooropgesteld kweekprogramma te omschrijven. Ondanks de opgelopen ontgoocheling, ben ik toch enkele kweekervaringen rijker geworden. Het is wel jammer dat ik geen betere resultaten heb geboekt. In feite bleef de langverwachte doorbraak uit en bijgevolg vallen er dus weinig positieve aspecten in dit scenario te vermelden. Om toch enige duidelijkheid te scheppen volgt er nu een korte analyse van de denkpiste die ik in deze ganse kwestie voor ogen had.

 Enkele jaren geleden ben ik, bij gebrek aan beter, van start gegaan met een zestal minderwaardige pastelvogels. Enkele onder hen vertoonden heel gering de bleekvleugel-symptomen. Sommige bezaten nog een minieme V-tekening, anderen dan weer niet. Ze waren ongetwijfeld veel te licht van kleur en vertoonden geen enkele contrastrijke kleurzone. Om het gemis aan kleurdiepte aan te vullen, werden mijn bleekscheten (zoals ik ze spottend noemde) vooral gekoppeld aan mokka- en donkerbruine volkleurmeeuwen. Het eerste jaar bekwam ik uitsluitend donkergetinte jongen, maar geen enkele opgebleekte versie. Een aanzienlijk deel van de jonge vogels vertoonde flink wat bontvorming, vooral op de borst en tussen de poten. Uiteindelijk werden een zestal egale types behouden voor verdere nakweek.

 Het jaar daarop werd de uitgeselecteerde F1-generatie teruggekoppeld aan de beste stamouders. Ook werden nog enkele F1-combinaties onderling uitgetest. Doch werden ook dit jaar mijn verwachtingen niet ingelost. De meest voorkomende kleurtint van de jonge F2-vogels varieerde hoofdzakelijk tussen een grauwe mokka- en een fletse donkerbruine. Omdat de aanwezigheid van het eumelanine sterk was afgenomen, was ik van de overtuiging op het juiste spoor te zitten omdat wij het bleekvleugel-effect toch als een selectievorm kunnen bestempelen en niet als dominante vererving. De evolutie ervan gaat dus maar geleidelijk. De toekomst zou dit moeten bevestigen, maar momenteel waren er nog geen opgebleekte vleugels te bekennen. Het enige wat ik algemeen kon vaststellen, was dat het fenomeen van een sterk geparelde nek toch wel veelvuldig voorkwam, evenals een te lichte onderbuik met zeer vage tekening. Eén enkel jong, met een zeer opmerkelijke nerftekening, benaderde evenwel de zwartbruine kleur, maar de V-tekening daarentegen was erg onduidelijk. Onder deze F2-generatie bevonden zich ook twee crèmewitte exemplaren met een geringe, roodbruine kleuruitvloeiing in borst- en halsstreek. Broek en staart waren echter volledig opgebleekt. Met de moed der wanhoop zou ik ze verder inschakelen in mijn lopend proefproject, ook al zag ik geen verbintenissen meer met de bleekvleugel. Maar misschien droegen ze wel ongekende kenmerken in zich. Algemeen gezien viel er tot nu toe maar weinig vooruitgang in mijn project te bespeuren. Het enige positieve accent van dit kweekjaar beperkte zich tot het terugdringen van de bontvorming of toch voor een groot deel ervan. Voor een tweede opeenvolgende keer selecteerde ik, vanwege hun betere tekening, de meest donkere en egale vogels in de overtuiging dat ze voldoende opblekingselementen in zich zouden meedragen.

 In het derde proefjaar werden er terug allerhande combinaties verricht tussen stamouders, F1- en F2-nakomelingen. Ergens had ik nu heimelijk gehoopt dat, onder invloed van de inteelt, er zich in het Genstructuur van deze generatie een verdoken of onderliggende continuïteit zou hebben gevormd, die zich naderhand visueel zou uiten als zijnde een volwaardige bleekvleugel. Eigenaardig genoeg begon de kleurstabiliteit opmerkelijk af te brokkelen en constateerde ik een totaal onverwachte opsplitsing. Het overgrote deel van de nieuwe kweek was een kopie geworden van een superslechte meeuw met een kleurenmix van jewelste. Opmerkelijk situeerde kleur zich vooral tussen de bruine en het grijze, m.a.w. nog mosselen noch vis. Een klein aantal jongen begon zelfs een merkwaardige gelijkenis te vertonen met bronzemannetjes. De resterende 20 % waren hoofdzakelijk bonte vogels. Zij kwamen vooral voort uit de paringen met de crèmewitte F2-vogels. Dit bleek dus een dood spoor te zijn en nochtans had ik hiervan de beste resultaten verwacht omdat zij uiterlijk de hoogste opblekingsfactor bezaten. Eén jong was bijna volledig wit, met uitzondering van een lichte waas op de wangen. Tot mijn algemene verbazing vielen er ook ditmaal geen pastel- of bleekvleugel-types onder de nakomelingen te bespeuren. Opmerkelijk genoeg kwamen de meeste gebreken van de eerste generatie, die ik eigenlijk kon missen als kiespijn, terug aan de oppervlakte. De terugkoppeling van de basiselementen had zich dus gedeeltelijk voltrokken, behalve dat ene gewenste symptoom waarop ik uitgerekend zat te wachten, was nergens te bespeuren. Dus blijkbaar waren al mijn verschillende opties ontoereikend geweest om op deze wijze een bruikbare bloedlijn voor bleekvleugel op te bouwen.

 Toen ook het laatste jaar de verhoopte verwachtingen niet werden ingelost, kwam ik uiteindelijk tot het besef dat ik via deze weg geen stap verder zou geraken. Een allereerste fout maakte ik reeds door in de beginfase te starten met ouderkoppels die de gewenste eigenschappen onvoldoende in zich droegen! Een tweede dwaling beging ik bij de jaarlijkse selectie. Omdat ik bleekvleugels wou creëren met een waarneembare tekening en een goed contrast, ging mijn voorkeur uit naar de donkerste types. Ik heb echter nooit stilgestaan bij het feit of deze donkere kleurslagen de uitwerking van de pastelfactor met de extra opbleking wel konden accepteren. Misschien werd de noodzakelijke overdracht van de extra kleurreductie in deze fase wel afgeblokt of zelfs geëlimineerd. Ik weet niet of iemand mijn vermoedens kan bevestigen, maar waarschijnlijk heb ik door het verkeerd alsook door het ondoordacht selecteren een zodanige verzwakking van het beoogde kernmateriaal teweeg gebracht dat het onvoldoende krachtig of zelfs onbestaand was geworden. Ik ben er dus niet in geslaagd om het gewenste effect van de extra kleurreductie in de vleugels, bij het nageslacht als erfgoed te verankeren. Vermoedelijk is de betrachting die ik voor ogen had door verschillende misopvattingen in het gedrang gekomen. Waarschijnlijk heb ik ergens gefaald in de aard van m’n kweekselectie alsook in de toegepaste kweekmethode, zodat het project gedoemd was om te mislukken!

 Waren er nog andere redenen van mijn falen? Had ik nu een mogelijke verklaring gevonden waarom het bleekvleugeleffect, in navolging van de pastelfactor, bij de verschillende kleurslagen niet altijd even krachtig of evenredig werd weergegeven? Of had ik te weinig rekening gehouden met het feit dat deze afwijking ontsproten was uit de pastelfactor, zodat dit resulteerde in een diepe verbondenheid die ze onafscheidelijk maakte? Wou dit nu betekenen dat er zonder pastel ook geen bleekvleugel kon worden gecreëerd? Zoals u merkt, zit ik nog met een heleboel onbeantwoorde vragen.

Waar ben ik ondertussen aanbeland? Waarschijnlijk nergens, omdat ik wegens gemis aan voorkennis de procedure totaal verkeerd heb ingeschat. Ergens was ik van de overtuiging dat ik het facet “bleekvleugel” als een constant verervende factor zou kunnen afzonderen door een uitgebalanceerde inteelt door te voeren. Nadien zou het de bedoeling zijn om deze Genafwijking via de (mannelijke) dragers over te hevelen bij goede kleurmeeuwen, zodat deze op hun beurt de betrokken kenmerken voltallig zouden opslaan in hun genetische bibliotheek. Als ik hierin slaagde, kon ik splitvogels kweken in verschillende kleurslagen. Maar blijkbaar was dit niet het geval en mijn bedoeling om de volkleur te behouden en daaraan het bleekvleugel-effect te linken, was dus een flinke miskleun. Misschien behoort deze begrenzing nu eenmaal tot de beperkingen van een gemanipuleerde selectievorm.

 Wat waren nu mijn vaststellingen van deze langdurige proefperiode?

Misschien was ik een beetje te zelfzeker dat het reconstrueren van dit type een haalbare kaart zou zijn, ondanks het gemis van de vele basisfactoren die ook bij de aanvang reeds ontbraken. Wellicht is dit negatieve resultaat de bevestiging dat deze dubbele kleurreductie blijvend verbonden is aan de eerste reductievorm, met name de pastelfactor. Tevens kunnen we hieruit afleiden dat het zeker geen afzonderlijke mutatievorm betreft maar een gelinkte selectievorm die zich uitsluitend handhaaft in nauw bloedverwantschap. Misschien mogen we nu ook besluiten dat ‘enkel’ de pastellen (of split-pastellen) in staat zijn om deze welbepaalde opblekingsfactor genetisch over te dragen. M.a.w. in het opbouwen van bleekvleugels primeert in eerste instantie de pastelvorm, dan pas gaan we over naar de selectievorm! Eigenaardig genoeg is de uitwerkingskracht ervan erg labiel. Hopelijk vinden we in de toekomst een duidelijke verklaring voor de onvoorspelbare beperkingen van deze toch wel uitzonderlijke kleurafwijking.

 Dit was het inzake mijn kweekervaring. Los daarvan wil ik nog enkele algemeenheden kwijt, alsook nog een paar persoonlijke standpunten.

Door z’n diep roodbruine kleur, in schril contrast met de crèmewitte vleugels, is deze versie zonder twijfel de meest gekende en opvallendste onder de bleekvleugels. Het feit dat hij erg zeldzaam is, ligt mede aan de basis dat er weinig vergelijk in z’n reeks mogelijk is. Maar bij mijn weten is dit het enige type in het ganse gamma dat deze intensieve kleurafwijking kent t.o.v. zijn pastelcomponent. Blijkbaar hebben we hier op twee afzonderlijke elementen gelijktijdig geselecteerd, met name de lichte vleugels in tegenspraak tot de intensieve volkleur van kop, borst, broek en staart. Zijn uiterlijk laat dus niets meer van z’n herkomst (pastel) vermoeden. Ik wil toch eventjes benadrukken dat onze oorspronkelijke “oer-bleekvleugel” gebaseerd was op bovenvermelde pastel-link. Dit bezorgde hem de naam “Crèmevleugel”. Natuurlijk bepalen we via de standaard zelf het model dat we willen brengen, maar we moeten er wel over waken dat we een bepaalde conformiteit aanhouden aangaande de verschillende kleurslagen. Maar het is vooralsnog de vraag of we dit wel kunnen verwezenlijken. Kort gezegd, ik ben wel benieuwd naar de mokka-uitvoering, die inzake intensiteit het niveau haalt van de roodbruine. Ik vermoed echter dat het behouden van de intensieve volkleur in welbepaalde zones niet echt haalbaar zal zijn. Wanneer wij kweken over ‘pastel’ zal deze uitwerking zich om één of andere reden niet onbetuigd laten, wat mij tenslotte ook logisch lijkt. Met mijn vierjarige proefkweek wou ik,via vererving en manipulatie, het tegengestelde bewijzen. Hierin ben ik dus niet geslaagd. Misschien heb ik daarom ook nog nooit een intensieve mokka-bleekvleugel gezien.

 Dit dilemma is een oneindig twistpunt waarin we toch enige klaarheid moeten brengen. Ergens zitten we gevangen tussen twee keuzes. Ofwel kiezen we voor het oorspronkelijke type, als afgeleide van de pastelversie, wat dan ook betekent dat de kleurintensiteit zal worden teruggeschroefd naar het niveau van z’n pastelcomponent. Ofwel opteren we voor het huidige “Duits-Nederlands type” waarvan ik vermoed dat het nog weinig raakpunten kent met de echte pastelfactor. Wil men echter deze ongemuteerde kleurzones, overeenkomstig met het roodbruine, behouden en volwaardig bewerkstelligen bij de mokka- of donkerbruine kleurslag, dan vrees ik dat we zullen moeten afwijken van de pastel-kweekmethode. Hierbij lonk ik een beetje naar de uitgebreide mogelijkheden van de “getekenden” die hierin een heel breed spectrum in alle kleuren tentoon spreiden. Zoniet bevinden we ons op een afgezonderd eiland en vrees ik dat het intensieve type beperkt zal blijven tot onze éne roodbruine versie! U merkt dus dat éénvormigheid onder de kleurmeeuwen een moeilijke opgave is !

 

André Van de Velde