JAPANSE MEEUWEN                                                                                          The Belgian Bengalese site                                                                                                  copyright ©Edwin Gilson  
ARTIKELS




 

gekuifde  Japanse Meeuwen.

Mutaties veranderen niet alleen de kleur van de bevedering maar kunnen ook de vorm van de bevedering en ook de inplanting veranderen. De meest opvallende verandering in de vederstructuur van de Japanse Meeuwen zijn de kuiven en de gefriseerden.

  • Bij de gekuifden zijn op de kop de inplanting van de veertjes gewijzigd en op het moment dat de jongen veertjes krijgen is de vorm van de kuif duidelijk merkbaar.
  • Bij degefriseerden hebben heeft de inplanting van de veertjes op de borst een wijziging ondergaan. Merkwaardig is dat de "frisuren", in extreme gevallen, zich over de ganse bevedering kunnen bevinden.
  • Kuiven en gefriseerden vererven deze eigenschap enkelfactorig dominant. In eenzelfde vogel kunnen beide eigenschappen gelijktijdig aanwezig zijn.

    Begin de jaren 30 werd in Japan voor het eerst melding gemaakt van gekuifde Japanse Meeuwen. Ze konden deze mutatie vastleggen en kweekten deze in de toen bekende kleuren bruinbont, roodbruin bont en wit. Er waren enkele kuiven, dubbele kuiven en manen.
    Enkele jaren later kwamen de eerste gekuifde vogels in handen van Duitse liefhebbers. Sindsdien heeft men kuiven in alle bekende kleurslagen. Dit was gemakkelijk te bekomen aangezien de kuiffactor dominant vererft.
    Een gekuifde Japanse Meeuw zal altijd aan een gladkop gekoppeld worden. De helft van de jongen zullen gekuifd zijn, de anderen zijn gladkoppen en zijn niet-split voor kuif.

    Als men bijvoorbeeld een zwartbruine koppelt aan een zwartbruine kuif (wat man op pop is doet er niet toe)

    enkel factorig kuif   

    K

    k

    Z

    Z K

    Z k

    Z

    Z K

    Z k

             Dan krijgt men hieruit      50% zwartbruin met kuif (Z K)
                                                       50% zwartbruin zonder kuif (Z k)

    Uit paring kuif x kuif zouden zowel enkelfactorige als dubbelfactorige kuiven moeten geboren worden. Alleen de enkelfactorige kuiven zijn levensvatbaar. Dit is geen aan te bevelen koppeling daar de kuiven hieruit niet beter zijn.
    Dat men mooiere kuiven zou kweken een de combinatie van kuif x gladkop afkomstig uit de kuifkweek wordt weleens door enkele kwekers beweerd maar is echter niet bewezen.
    Belangrijk in de kuifkweek is dat men vertrekt met vogels met een mooie brede kop. Ook is het aan te bevelen vogels met een iets langere bevedering te gebruiken; dit laatste heeft een positieve invloed op de grote van de kuif. Verder moet streng selecteren op de vorm van de kuif.

     Wat staat er in de standaardeisen?

  • In de Standaardeisen van de K.B.O.F.–B.N.E.C. wordt het volgende geschreven:
    “Bij de gekuifde moet de kuif rozetvormig zijn en waaieren uit één punt.Opstaande veertjes en/of dubbele kuiven zijn fout. De kuifmutatie is in alle kleuren toegestaan.”
  • in de conceptstandaardeisen van en JMC (opgemaakt in 1993) staat hierover het volgende:
    “Vorm: De kuif moet rozetvormig zijn, waaieren vanuit één middelpunt centraal op de kop en afhangen tot een lijn boven de ogen. Kleur en tekening: hoorndelen en bevedering overeenkomstig de kleurstandaard van de betreffende kleurslag.
    Keurtechnische aanwijzingen: ….De kuifvorm moet worden beoordeeld bij de rubriek “kopen snavel (kuif)”. Opstaande veertjes en/of kleine afwijkingen zijn niet ernstige fouten en mogen met ten hoogste 2 punten worden bestraft. Een dubbele kuif is wel een ernstige vormfout en moet derhalve worden bestraft met 4 aftrekpunten. Geadviseerd wordt de rubrieken kleur en tekening voorlopig nog soepel te beoordelen”.
  • In de Duitse standaardeisen van de A.Z. staat het volgende:
    Vogels waarvan de kuif de ogen gedeeltelijk of volledig bedekken worden op de tentoonstelling uitgesloten.”
    “De kuifmutatie wordt in alle kleurslagen erkend. Op het midden van de kop zal een gelijkmatige, ronde en dichte kuif staan. Ze waaiert van een klein rond middelpunt uit. Zijdelingse of dubbele kuiven zijn niet toegestaan. Gekrulde veertjes, kale plekken en tegen de kuif opstaande veertjes zijn ook foutief. De in de standaard vereiste kuifvorm is allen uit de combinatie fuif x gladkop te bekomen. Uit de combinatie kuif x kuif zullen de jongen ongelijkmatige kuiven, rechtopstaande veertjes en kale plekken vertonen
  • Verder maakt dhr. G. Oppenborn in zijn boek “Japänische Mövchen”melding van volgende kuifvormen:
    De rondkuif is een vanuit het middelpunt van de kop een gelijkmatige en dichte ronde kuif waarvan de veertjes in de vorm van een straal over elkaar groeien.

  • De schedelkuif. Over het midden van de kop, van de snavel naar de nek, loopt een zo recht mogelijke scheiding, van waaruit de kopveertjes naar beide zijden naar buiten toe en gelijkmatig weg groeien.

  • De ronde kuif met nekmaan. Naast een ronde kuif op de kop hebben deze vogels een maan in de nek. Hier groeien de bovenste nekveren in de tegenovergestelde richting en geven het uitzicht van een maan.

  • Dubbele kuiven en spitskuiven kunnen eveneens worden gekweekt. Hierbij vallen de veertjes willekeurig. Deze kuifvorm wordt best niet nagestreefd.

  • Desondanks de hoge moeilijkheidsgraad hebben we de laatste jaren enkele mooie kuiven op onze tentoonstelling kunnen bewonderen. Liefhebbers die met de vogels kweken kunnen hun kweekervaringen steeds voor hun collega's op papier zetten.

    “gefriseerde” Japanse Meeuwen.

    HISTORIEK.

    JAPAN.

    Wanneer deze mutatie is ontstaan is niet bekend. In tegenstelling met Europa was men in Japan wel geïnteresseerd in deze mutatie en is men doelgericht gaan kweken.
    De Japanners hebben voor vier verschijningsvormen een naam bedacht:

    Chuunagon
    frisé in de nek met kuif
    Chiyoda:
    frisees op de borst al dan niet in combinatie met kuif
    Dainagon:
    frisees op de borst en in de nek en kuif

    Tevens is er nog de Kinnegou (King): ganse lichaam gefriseerd en kuif.

    EUROPA.

    In de jaren 60 werden wel in Europa gefriseerde meeuwen gekweekt. Bij deze vogels breidde  de frisuren zich uit tot de vleugel- en slagpennen. Hierdoor verloren ze hun vliegvermogen. Deze verschijningsvorm  verdween.

     

    DUITSLAND.

    In 1974 werden enkele gefriseerde witte en bonte Japanse Meeuwen uit Japan in Nederland ingevoerd. Deze hadden opstaande veren op de borst en/of onder de keel. In Nederland kende deze verschijningsvorm weinig succes. Hiervan kon Dhr. G. Oppenborn (Duitsland) enkele vogels bemachtigen.
    Aanvankelijk waren de omschrijvingen van deze vogels nogal verwarrend en was het noodzakelijk een éénvormige benaming af te spreken. Eerst werden ze gefriseerde Meeuwen genoemd in navolging van de gefriseerde rassen bij de postuurkanaries. Maar om gefriseerde vogels ging het zeker niet; de bevedering was niet gefriseerd noch langer dan normaal. De fantasierijke benamingen als rozen-, rococo- of postuurmeeuwen kwamen ook niet in aanmerking. Bij deze structuurverandering van de bevedering gaat het om een wijziging van de inplanting van de veren. Dit is al zichtbaar bij jonge vogels in het nest. De inplanting van de veertjes is waaiervormig; vandaar dat met deze mutatie in Duitsland rozet Japanse Meeuwen is gaan noemen.
    In Duitsland worden volgende types erkend:

    1. twee gelijkvormige rozetten op de borst,
    2. één , zo groot mogelijke rozet op de borst,
    3. een borstmaan die dwars over de borst loopt en waarbij de veertjes tegen hun normale groeirichting zijn ontwikkeld.

    NEDERLAND.

    In 2000 bracht Dhr. Kaichiro Washio verschillende types gefriseerde Japanse Meeuwen mee naar de JMC-tentoonstelling in Soest. Deze vogels werden verspreid in Nederland en België.

    Vererving.

    De gefriseerde Japanse Meeuw kan al dan niet gekweekt worden in combinatie met de kuiffactor. In een vorig artikel hebben we het al gehad over de kuiffactor. Laten we hier verder ingaan op de friséfactor.
    Frisévormen:

  • De borstfrisering (rozet): deze vererft dominant.

  • De nekfrisering: over de verering hiervan is weinig geweten, mogelijk is deze gekoppeld aan de kuiffactor.

  • Omdat het hier om een dominante vererving gaat is het voldoende dat één van de ouders een frisé is om frisé nakomelingen te krijgen.
    Paart men een Japanse Meeuw zonder frisé (rr) aan een Japanse Meeuw met frisé (Rr = enkelfactorig)       

     

    R

    r

    r

    Rr

    rr

    r

    Rr

    rr

    Dan krijgt men hieruit         50% jongen  enkelfactorig frisé        rr
                                                  50% jongen zonder frisé                   R

    Worden nu 2 vogels met een frisé (enkelfactorig) met elkaar gekoppeld dan krijgt men ook 50% jongen met frisé. Zoals in onderstaand schema is  te zien zouden 25% van de jongen dubbelfactotig frisé zijn, deze vogels zijn echter niet levensvatbaar.

     

    R

    r

    R

    RR

    Rr

    r

    Rr

    rr

    Dan krijgt men hieruit         25% jongen dubbelfactorig frisé      rr  lethaal factor
                                                  50% jongen  enkelfactorig frisé        Rr
                                                  25% jongen zonder frisé                    RR

    Het is echter niet aan te raden bovenstaande koppeling courant toe te passen daar de jongen hieruit kleiner en zwakker zullen zijn.
    De friséfactor is in alle kleurslagen te kweken. Daar de meeste frisé vogels zijn momenteel nog klein zijn van formaat is het aangewezen vogels van goed formaat en type en een wat langere bevedering in te brengen.

    Tot dusver een inleiding tot de gefriseerden. Voor deze verschijningsvorm zullen we in de toekomst standaardeisen moeten opstellen. Over welke vormen hierin zullen opgenomen worden en of de juiste benaming “gefriseerde” Japanse Meeuwen of “rozet” Japanse Meeuwen moet zijn  zal grondig (en in overleg met het buitenland) moeten nagedacht worden.

    De ervaring van de liefhebbers die met de frisé al enkele jaren kweken kan hierbij helpen.

    Edwin Gilson