JAPANSE MEEUWEN                                                                                          The Belgian Bengalese site                                                                                                  copyright ©Edwin Gilson  
ARTIKELS




 

KWEEK EN VERERVING VAN DE JAPANSE MEEUWEN

VOORWOORD

De Japanse Meeuwenkweek is de laatste jaren ontegensprekelijk sterk geëvolueerd. Verschillende nieuwe kleurmutaties hebben de `klassieke kleurslagen' van weleer vervoegd. Ook deze laatsten zijn aan wijzigingen onderhevig geweest en in de loop der jaren werd de lat steeds hoger gelegd.
Dit alles houdt in dat men nu en in de toekomst er niet langer `op los' kan kweken. Er is een periode geweest in de Japanse Meeuwensport gedurende dewelke men allerlei kleurslagen willekeurig ging combineren en al wat eruit kwam hoorde wel ergens bij en zoniet kreeg het een nieuwe naam. Om aan deze wildgroei tijdig een stop toe te roepen werden standaardeisen opgesteld. Ter aanvulling hierop en om aan een dringende vraag ter beantwoorden heb ik in 1995  besloten een handleiding op te stellen voor de kweek en vererving van de Japanse Meeuw.

Sindsdien is er heel wat water  naar de zee gevloeid; er zijn verschillende nieuwe kleurslagen bijgekomen, nieuwe inzichten er evaringen zijn opgedaan; tijd dus om een geactualiseerde versie uit te brengen.

Niemand heeft echter alle wijsheid in pacht; mochten er in deze publicatie onjuistheden of onnauwkeurigheden geslopen zijn dan zou ik het ten zeerste op prijs stellen mij hierop (via het mailadres van de webmaster) attent te maken.

 

BASISBEGRIPPEN

Teneinde een beter inzicht te krijgen in de vederstructuur, de vererving en de kleurslagen (en notaties) van de Japanse Meeuwen is het noodzakelijk deze beknopt door te nemen.

VEDERSTRUCTUUR

De kleurstoffen die in de bevedering van de zwartbruine Japanse Meeuw voorkomen zijn hoofdzakelijk het zwartbruin eumelanine en het roodbruin pheomelanine. Deze worden gevormd in melanine-vormende cellen, de melanocyten genoemd. Zo is er dus sprake van eumelanocyten en phaeomelanocyten.
De vorming van deze kleurstoffen gebeurt in verschillende stappen waarbij tussenproducten gevormd worden. De opeenvolgende omzettingen welke nodig zijn om tot het eindproduct te komen, grijpen plaats onder de invloed van een bepaalde klasse van eiwitten, nl. enzymen.
Mutaties van de genen verantwoordelijk voor de productie van deze enzymen kunnen er voor zorgen dat dit enzym helemaal niet of niet helemaal meer werkt.

Het gevolg hiervan is dat bv. de vorming van het zwartbruin eumelanine in een zwartbruine Japanse Meeuw belemmerd wordt waardoor we een roodbruine Japanse Meeuw bekomen.
Ook kan het zijn dat een enzym dat nodig is voor de vorming van alle soorten melaninen niet volledig meer werkt. Een voorbeeld hiervan zijn de pastel Japanse Meeuwen. Beide genoemde mankementen kunnen ook samen voorkomen en op deze manier komen we dan aan de pastel roodbruine, een mutatiecombinatie.

Een derde kleurstof welke kan voorkomen is het bruin melanine. Waar deze juist geplaatst moet worden in de melaninesynthese is nog niet volledig opgehelderd. Men is pas van bruin melanine gaan spreken wanneer men de kleuren roodbruin en grijs is gaan combineren. Hierbij werd het zwartbruin eumelanine uit de grijze gekweekt of het roodbruin pheomelanine uit de roodbruine. Als theoretisch resultaat zou men hieruit nagenoeg witte vogels verwachten, maar deze waren beigegrijs van kleur en werden na verloop van tijd roodgrijs genoemd. Deze kleur zou hoofdzakelijk te wijten zijn aan de aanwezigheid van bruin eumelanine dat niet beïnvloedt wordt, of ook aan de vorming van meer bruin melanine Bij deze vogels kan het ook zijn dat het roodbruin pheomelanine niet volledig gereduceerd wordt, waardoor men een bruine waas bij deze vogels ziet.

Wat er op het gebied van de kleurvorming gebeurt bij de ino's is nog niet ten gronde onderzocht. Bij de recessieve albino wordt de vorming van iedere kleurstof verhinderd en dit is ook het geval bij de witte, toch gaat het hier om twee totaal verschillende mutaties. Bij de crème-ino is de diepte van de kleur evenredig met de concentratie aan zwartbruin eumelanine bij de voorouders. Zwartbruinen geven donkere crème-ino's, roodbruinen geven heel lichte crème-ino's. Ditzelfde kunnen we ook stellen voor de grijs-ino. Waarschijnlijk heeft de inofactor dezelfde invloed op zwartbruine eumelanine als op bruin eumelanine (roodgrijs-ino).

De pastelfactor verhindert de vorming van alle kleurstoffen gedeeltelijk. De sterkte van deze factor kan variabel zijn, maar ook de hoeveelheid kleurstof waarop deze factor inwerkt speelt een rol bij de kleurvorming van de pastellen. De pastelfactor kan in sommige veervelden sterker tot uiting komen dan andere. Een goed voorbeeld hiervan zijn de bleekvleugels, welke geselecteerde pastellen zijn.

Al deze gevens zijn het resultaat van gedeeltelijk wetenschappelijk onderzoek en gedeeltelijk proefondervindelijke ervaringen. Op basis hiervan tracht men dan enkele theorieën op te stellen. Toch zijn er nog vele ontbrekende schakels waarvan we hopen dat deze in de nabije toekomst gevonden zullen worden.

 

BASISBEGRIPPEN VAN DE VERERVING

Chromosoom: De drager van het erfelijk materiaal. Deze bevat alle nodige informatie voor het aanmaken van de bouwstenen waaruit een cel is opgebouwd. Dit zijn o.a. eiwitten, enzymen, vetten en koolhydraten. Een chromosoom bestaat uit een groot aantal genen. Een gewone cel (diploide cel) bevat een dubbel stel chromosomen, ook chromosomenparen genoemd. De chromosomen van zo'n paar (homologe chromosomen) bestaan uit dezelfde set van genen in dezelfde volgorde. Een geslachtscel (haploide cel, gameet) daarentegen bevat van eik chromosoom slechts één exemplaar. Een eicel bezit o.a. een vrouwelijk chromosoom, een zaadcel een mannelijk chromosoom.

Gen: Een bepaald deel van een chromosoom, verantwoordelijk voor een bepaald kenmerk, m.a.w. voor het al dan niet produceren van een bepaalde stof. Opgelet het is ook mogelijk dat één gen verantwoordelijk is voor meerdere kenmerken ofdat meerdere genen slechts één kenmerk bepalen. In de vogelsport zijn we vooral geïnteresseerd in de genen welke een invloed hebben op de kleur van de vogels.

Allel(en): Een vorm of type van een bepaald gen. Genen die tegenover mekaar liggen op een paar chromosomen zijn meestal sterk gelijkend, wanneer de gelijkenis niet volledig is spreekt men van alfelen van dit gen.

Locus: Een vaste plaats waar een bepaald gen op een chromosoom terug te vinden is.

Fenotype: De som van de tot uiting komende kenmerken, of de uiterlijke verschijningsvorm.
vb. het fenotype van een zwartbruine split voor roodbruin is zwartbruin.
Genotype
: De som van de erfelijke componenten.
vb. het genotype van een zwartbruine split voor roodbruin geeft ons te kennen dat deze naast zwartbruin ook roodbruin vererft.

Homozygoot: Wanneer van een bepaald gen tweemaal hetzelfde allel aanwezig is. Dus wanneer het fenotype (uiterlijke) gelijk is aan het genotype (erfelijke. In de vogelsport wordt dan gesproken over fokzuiver.
vb. een zwartbruine die niet split is voor een andere kleursiag is homozygoot voor wat de kleur betreft. 
Heterozygoot
: Als beide allelen van een bepaald gen verschillend zijn. Ofwel komt dan slecht één alle[ tot uiting, het dominante, en het andere, het recessieve niet. Ofwel komen beide allelen tot uiting. Wanneer het fenotype van de hybride gelegen is tussen dat van beide homozygote ouders dan spreken we van intermediaire vererving.

Dominante vererving: Wanneer de mutatie slechts enkelfactorig aanwezig moet zijn om zichtbaar te zijn.
vb. De zwartbruine is dominant t.o.v. de roodbruine: alle jongen zijn zwartbruin split voor roodbruin.
Recessieve vererving
: Wanneer de mutatie dubbelfactorig aanwezig moet zijn om zichtbaar te zijn.
vb. De roobruine is recessief t.o.v. de zwartbruine: alle jongen zijn zwartbruin split voor roodbruin.
Intermediaire vererving
: Wanneer de kenmerken van het jong het midden houden tussen deze van de ouders. Dit is dus een onvolledige dominante vererving. vb. Wanneer we een kortbevederde Japanse Meeuw koppelen met een langbevederde kunnen we jongen bekomen met een medium (tussen lang- en kort)bevedering.
Geslachtsgebonden vererving
: Wanneer het gen dat verantwoordelijk is voor een bepaald kenmerk zich op een geslachtschromosoom (x) bevindt. vb. Bij de crème-ino pop is de inofactor enkel aanwezig, Bij de crème-inoman is deze dubbel aanwezig .
Onafhankelijke vererving
: Wanneer twee kenmerken onafhankelijk van mekaar ver­erven of m.a.w. wanneer de genen verantwoordelijk voor deze kenmerken op een verschillend chromosomenpaar gelegen zijn.
vb. We hebben Japanse Meeuwen met enkel zwartbruin eumelanine (de grijze) en met enkel roodbruin phaeomelanine (de roodbruine) dus deze twee kleuren vererven onafhanhelijk van elkaar.

Wildtype : Het in een natuurlijke populatie meest voorkomende type van een allel.

Mutatie : Een spontaan ontstane genetische afwijking van een wildtype alle]. Wanneer meer dan twee mogelijke typen van een allel bestaan, spreekt men over multiple allelen of een multiple allelomorfe reeks of allelische genen.
vb. van het gen verantwoordelijk voor de vorming van de donkerbuine kleurstof bestaan verschillende allelen, nl. een allel dat zorgt voor een volledige werking (in de donkerbruine), één voor een gedeeltelijke werking (in de mokkabruine) en één voor een volledige belemmering van de donkerbruine kleur (in de roodbruine). Bij de Japanse Meeuwen kennen we kleurmutaties (vb. de grijze) en vedermutaties (vd. de kuif).
Mutatiecombinatie
: Een combinatie van twee of meerdere mutaties. vb. pastel roodbruin is de combinatie van roodbruin en de pastelfactor.

Modificatie : is een wijziging (door bepaalde externe factoren), in de verschijningsvorm, niet in het genetisch patroon.
vb. De laatste jaren zijn er Japanse Meeuwen die na de rui een gemenaliseerd (gepigmenteerd) onderlijf vertonen. Na een volgende rui verdwijnt dit echter weer.

Notatie: In de genetica wordt een mutant allel vaak aangeduid met een letter. Voor de wildtype (niet-gemuteerde vorm) wordt er een +-teken bij geplaatst. Een chromosoom wordt aangeduid met een schuin streepje (/), een homoloog chromosomenpaar met een dubbel schuin streepje Het mannelijk chromosoom wordt voorgesteld door de letter x en het vrouwelijk door de letter y. Een mannelijk exemplaar bij de vogels bezit twee x­chromosomen (x//x), een vrouwelijk één x en één y(x//y).

Lethaal gen : Een gen dat er voor zorgt dat een homozygoot individu voor dit gen niet levensvatbaar is.
vb. Wanneer men twee gekuifden aan elkaar koppelt zijn de kiemen door de lethaalfactor niet levensvatbaar.

Schimmel: lang bevederd.

Medium: het midden tussen lang- en kort bevederd. Intensief: kort bevederd.

: symbool voor een man
: symbool voor een pop

 
KLEURSLAGEN EN NOTATIES

ZWARTBRUIN    r+//r+ WILDKLEUR
MOKKABRUIN   rm//rm  
ROODBRUIN r//r  
GRIJS g//g  
ROODGRIJS g//g, r//r  
INO  xi//xi en xi//y GESLACHTSGEBONDEN VERERVING
ALBINO a//a    RECESSIEVE VERERVING
PASTEL p//p  
gepareld gp//gp  
RECESSIEF BONT rb/ RECESSIEVE VERERVING
DOMINANT BONT Db/ DOMINANTE VERERVING
 WIT Db//.., rb//rb  
KUIF K/   VEDERMUTATIE, DOMINANTE VERERVING
FRISE F/   VEDERMUTATIE, DOMINANTE VERERVING

De volledige formule van zwartbruin (wildtype) is: r+//r+, g+//g+, a+//a+, p+//p+, gp+//gp+, Db+// Db+, rb+//rb+, K+// K+, F+// F+
Ter vereenvoudiging worden de kenmerken die niet van direct belang zijn weggelaten. Zo zal men een homozygote roodbruine voorstellen door: r//r.

WERKEN MET FORMULES

Formules kunnen ons een hulp zijn bij het uitwerken van combinaties.
Als voorbeeld kunnen we de combinatie van zwartgrijs (r+//r+, g//g) met zwartbruin split (zwart)grijs (r+//r+, g+//g) nemen.     

ouders   (r+//r+,  g//g)  (r+//r+, g+//g)
gameten   r+/, g/  r+/, g+/

Voor de gameten nemen we alle verschillende kenmerken van de kenmerken afzonderlijk. Dus links kunnen we vier maal de combinatie r+/, g/ maken, nl.: de eerste r+ met de eerste g, de eerste r+ met de tweede g, de tweede r+ met de eerste g en de tweede r+ met de tweede g. We behouden dus slechts één combinatie.
Op dezelfde manier bekomen we rechts twee maal r+/, +g/ en tweemaal r+/, g/

    r+/, g+/  r+/, g/
 r+/, g/   g+//g
 zwartbruin split grijs
 g// g
 zwartgrijs

DOMINANTE- RECESSIEVE VERERVING
vb.: De combinatie van zwartbruin met roodbruin
-
zwartbruin is dominant t.o.v. roodbruin
-
roodbruin is recessief t.o.v. roodbruin

ZWARTBRUIN x roodbruin
r
+//r+ x r//r   100% ZWARTBRUIN/ roodbruin             r+//r

Geslachtsgebonden VERERVING
vb. de geslachtgebonden ino’s:


niet ino x ino 

x i+ //x i+  x  x i//y 50% niet ino/ ino x i+//x i  
  50% niet ino        x i+//y

niet ino/ ino x ino  

x i+//x i  x  x i//y   25% niet ino/ino    x i+//x i
  25% ino     x i//x i
  25% ino   x i//y
  25% niet ino x i+//y  

INO x  niet ino  

 x i//x i  x  x i+//y 50% niet ino/ ino x i+//x i
  50% ino x i//y    

De kweektechnische aanwijzingen die specifiek zijn voor een serie of kleur zullen in de SPECIFIEKE KWEEKTECHNISCHE AANWIJZINGEN aan bod komen.