JAPANSE MEEUWEN                                                                                          The Belgian Bengalese site                                                                                                  copyright ©Edwin Gilson  
ARTIKELS




 

KWEEK EN VERERVING VAN DE JAPANSE MEEUWEN

Algemene kweektechnische eigenschappen

De kweektechnische eigenschappen die nagenoeg geldig zijn voor alle kleuren zullen we hier bespreken. Sommige aanwijzingen zijn specifiek voor een bepaalde serie of kleur  zullen later aan bod komen.

KENNIS, VERZORGING EN KWEEKMATERIAAL

Op het moment dat het nog volop kan winteren, kijken al veel liefhebbers uit naar het naderende kweekseizoen. Zoals ieder jaar zijn ook nu de verwachtingen hoog gesteld. Alles werd al van lang te voren uitgekiend. Handboeken en tijdschriften werden meermaals geraadpleegd om tot een zo ideaal mogelijke voeding te komen tijdens het kweekseizoen. Men heeft zich ruimschoots voorzien van het nodige kweekmateriaal, en uit de vele discussies met andere liefhebbers heeft men de nodige conclusies getrokken. Kortom in onze dagdromen wordt dit een top kweekseizoen met grote mooie nesten en volle vluchten met sterke, gezonde jongen van uitzonderlijke kwaliteit.

Om op een geslaagde kweek te mogen rekenen mag men een aantal belangrijke factoren niet uit het oog verliezen. De drie belangrijkste zijn wel kennis, verzorging en kweekmateriaal.

KENNIS is niet alleen een kwestie van weten maar ook van ervaring. Door zijn vogels nauwlettend te observeren zal men sneller kunnen ingrijpen wanneer er zich gedurende -de kweek problemen voordoen. Japanse Meeuwen zijn over het algemeen geen moeilijke kweekvogels wat kweekkooi, voeding en nestgelegenheid aangaat. Toch is het ook bij hen van belang te weten hoe gezond groeiende jongen er moeten uitzien. Worden ze donkerrood van kleur en ziet men de ribbetjes of begint het voorhoofdje achter de snavelbasis wat in te vallen dan wordt het hoogtijd de toestand van naderbij te controleren en desnoods naar medicatie te grijpen. Iedere dag dat men te laat ingrijpt, verhoogt de kans op een verloren nest al blijven de jongen uiteindelijk toch in leven. Jonge Japanse Meeuwen hebben na het spenen vaak problemen met het vinden van hun drinkwater. Ze zitten dan hoog op hun poten met gestrekte hals en zien er dan heel slank uit. Ook hun ogen houden ze op een klein spleetje. Het steeds aanwezig zijn van badwater biedt de jongen voldoende tijd voor het vinden van de geplaatste fonteintjes. Worden kleine jongen uit het nest gegooid of slecht gevoederd dan kan het onderschuiven van iets oudere jongen baten.

Een goede VERZORGING houdt heel wat in.

Ten eerste zijn er klimatologische factoren zoals de atmosfeer, het licht, de temperatuur en de vochtigheid. Geen enkele van deze vier kan men ongestraft verwaarlozen. Een frisse lucht in uw kweekruimte wordt bereikt door alles voldoende netjes te houden, continu te verluchten zonder tocht en door het aantal vogels binnen de afgesloten ruimte beperkt te houden. Japanse Meeuwen geraken in kweekconditie wanneer het aantal lichturen per dag oploopt zoals in de zomermaanden. Dit geeft de ouders de gelegenheid om hun jongen gedurende een langere periode te voederen. Heeft u de mogelijkheid om het aantal lichturen twee maanden voor de kweek op te voeren met één kwartier per week dan is dat ideaal. Een twaalftal lichturen per dag lijkt met toch het minimum, maar veertien is al heel wat beter. In de nog koude maanden kunnen we ons afvragen hoe laag we met de temperatuur kunnen gaan. Veel hangt af van de conditie van de vogels, willen we legnood vermijden. Een 14-tal graden lijkt me toch gewenst, maar dan mogen we het aantal lichturen niet onder de veertien laten komen. Want hoe kouder hoe meer energie de vogels verbruiken en dus hoe langer de ouders de gelegenheid moeten krijgen zichzelf en hun jongen te voeden. Wat de luchtvochtigheid betreft ben ik voorstander van een gemiddelde waarde. Heeft u problemen met een wat droge lucht, zorg dan voor voldoende badgelegenheid zodat de vogels zelf kunnen bepalen wanneer het naar hun zin te droog wordt.

Ten tweede is een goede hygiëne van groot belang. Dit houdt niet in dat men wekelijks de hele kweekruimte dient schoon te schrobben, dit zou de vogels enkel storen, maar de laden mogen wel regelmatig van vers strooisel voorzien worden. Zeker wanneer de Japanse Meeuwen met jongen liggen, kan het drinkwater snel vervuild raken met eivoer en dan is dagelijks verversen zeker geen overbodige luxe.

Als derde onderdeel van de verzorging zou ik een evenwichtige voeding willen aanhalen. De basis bestaat uit een gevarieerde zaadmengeling, grit en eivoer. Alhoewel jonge Japanse Meeuwen op dit gebied niet kieskeurig zijn, is het af en toe verstrekken van trosgierst, levend voer en groen wel aan te bevelen.

Een vierde zaak is een nauwgezette opvolging van het kweekverloop. Allerlei notities dienen in een kweekadministratie terecht te komen. Tijdens de kweek moeten naast de gegevens van het kweekkoppel een aantal zaken zorgvuldig bijgehouden worden, zoals: de datum van het koppelen, per ronde het aantal eieren gelegd, het aantal bevrucht, het aantal jongen geringd met hun ringnummers en eventuele opmerkingen i.v.m. het kweekproces. Van zodra de jongen op kleur zijn is het aan te raden om naast de kleur enkele opmerkingen te noteren i.v.m. in het oog springende eigenschappen. Op deze manier heeft men een juist beeld van wat een koppel echt waard is.

Een laatste puntje is een goede algemene conditie van onze kweekvogels. Het kweken vraagt van de vogels een grotere inspanning en het is dan ook duidelijk dat er met gezond materiaal moet gestart worden, zoniet dan zullen er zeker slachtoffers vallen.

Goed KWEEKMATERIAAL is één zaak, maar hiermee geschikte koppels samenstellen waarvan we met enige zekerheid een goed resultaat mogen verwachten is iets anders. En aangezien er maar weinig liefhebbers ideale vogels zat hebben, moeten de meeste onder ons roeien met de riemen die ze hebben. En dan hebben we het niet meer over de ideale showvogels zoals in de standaard beschreven staat maar over goed bruikbare kweekvogels.

Met dit alles in gedachten en in de praktijk uitgevoerd kan enkel nog\ een plotseling opduikende besmettelijke ziekte roet in het eten komen gooien. De Kweek op zichzelf is een boeiend facet in onze vogelsport en het feit dat we ervan overtuigd zijn het welslagen hiervan grotendeels in handen te hebben, kan het alleen nog maar interessanter maken.

SELECTIE OP UITERLIJKE KENMERKEN

BEVEDERING
Zoals bij alle vogels kennen we bij de Japanse Meeuwen vogels met:
- een lange bevedering (schimmel)
- een korte bevedering (intensief)
- een normale bevedering (medium).
Door hun lange bevedering zullen schimmel vogels groter zijn (of lijken).
Door hun intensieve bevedering zullen intensieve vogels dieper (intensiever) gekleurd zijn.

Wat we wensen te kweken zijn grote vogels met een diepe kleur; dus hebben we volgende mogelijkheden:
- schimmel x medium
- intensief x medium
- medium x medium.

De koppeling schimmel x schimmel kan leiden tot jongen met een frisébevedering en te lange bovensnavels.

KLEUR
We hebben al geleerd dat intensieve vogels dieper gekleurd zijn!
KWEEK DE KLEURSLAGEN RASZUIVER!
Om de kwaliteit te verbeteren kunnen we wel eens doelbewust met splitvogels werken doch houdt dit onder controle.
Tussenkleuren zijn op de tentoonstelling niet gewenst.
Bij de meeste kleurlagen hebben we kleurnuances die intermediair vererven. Bij het samenstellen van de kweekkoppels moeten we hierop letten: een iets te donker gekleurde vogel kunnen we paren we met een iets te licht gekleurde .

GROOTTE
Bij de grootte hebben we te maken met twee factoren nl. het formaat (de reële grootte) van de vogel en de lengte van de bevedering.
Het formaat van de vogel kan men verbeteren door hierop streng te selecteren.
De grootte van de vogels kan men ook verbeteren door inbreng van schimmelvogels
(zie ook bevedering). Vergeet echter niet dat dit ten koste kan zijn van de kleurdiepte.

VORM EN HOUDING
De Japanse Meeuw moet een forse, elegante en rustige indruk geven gecombineerd met een opgericht bovenlichaam.
Vetzucht is op onze tentoonstellingen een vaak voorkomende vorm- en houdingsfout. Het vet stapelt zich op in de borststreek of het achterlijf. Net zoals bij de mensen heeft vetzucht te maken met de voeding maar we moeten er rekening mee houden dat de aanleg hiervoor erfelijk is. Bij de selectie van de kweekvogels is het belangrijk met dit laatste rekening te houden.Te zware (vette) vogels kan men wel op dieet zetten of onderbrengen in de volière daardoor kunnen ze wel tijdelijk wat afslanken.

Onrustige vogels kunnen de gewoonte aannemen op korte tijd veel te drinken. Dit geeft een "opgeblazen" krop. Deze vogels sluit men best uit voor verdere kweek.
Andere fouten zijn ook erfelijk en het is wenselijk deze vogels voor verdere kweek uit te sluiten. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
- een bult in de nek of een invallende nek,
- te smalle van vorm,
- gekruiste of afhangende vleugels.

TEKENING
De nerftekening vererft mijns intermediair; dus nooit twee vogels paren met geen of onvoldoende nerftekening. De visgraattekening is één van de moeilijkste onderdelen van de Japanse Meeuw en een echt goede visgraattekening (V-vormig en onderaan qesloten) is nog steeds een zeldzaamheid.

De visgraattekening op de flanken is iets grover (groter en breder) maar mag niet wazig zijn. De vistekening loopt ononderbroken door (tussen de poten) tot aan de broek.
Bij de visgraattekening moeten we aandacht besteden aan de vorm en de grootte van de tekening.
Volgende regels dienen in acht genomen:
- paar nooit schimmels of vogels met een grove visgraattekening met elkaar: de tekening zal warrig worden,
- paar nooit twee vogels met een open tekening (visgraattekening waarvan de V-vorm onderaan niet gesloten is) aan elkaar,
- zorg ervoor dat minstens één vogel van het koppel een goede tekening heeft,
- paar een iets te grove visgraattekening aan een iets te fijne.
(de combinatie van grof x fijn geeft het ganse gamma tussen grove en fijne visgraattekening)

Dat de borstaflijning strak en ononderbroken moet zijn wordt soms vergeten. Een geloverde borst. Koppel bij voorkeur twee vogels met een goede borstaflijning met elkaar. De koppeling goede borstaflijning x geloverde borst is een noodoplossing.

KOP EN SNAVEL
De kop moet in harmonie zijn met het lichaam. Vogels met te kleine of te smalle kop moeten niet in de kweek ingeschakeld worden.

De snavelkleur moet in harmonie zijn met de lichaamskleur. Vogels met een tweekleurige bovensnavel zijn in alle kleurslagen foutief. Bij sommige kleurslagen kan de bovensnavel na 3 à 4 jaar tweekleurig verkleuren: dit is een ouderdomsverschijnsel en is niet erfelijk. Koppel bij voorkeur twee vogels met een goede bovensnavel met elkaar. De koppeling goede x tweekleurige bovensnavel is een noodoplossing.
De vorm en de inplanting van de snavel mogen bij het samenstellen van de kweekkoppels niet uit het oog verloren worden.

POTEN
De pootkleur moet in harmonie zijn met de lichaamskleur.
Koppel bij voorkeur twee vogels met een goede pootkleur (en nagelkleur) met elkaar.
De koppeling goede x te lichte pootkleur is een noodoplossing.

OGEN
Een te licht oogring is erfelijk
is vooral storend bij de donkere kleurslagen. Gebruik deze vogels alleen als reservevogels en zorg ervoor dat de eventuele partner een donkere oogring heeft.