|
THE DRONES CLUB OF BELGIUM |
|
|
ARTIKELS |
|
|
SAKI : EEN GROOT SCHRIJVER door Kris Smets, voorzitter |
Oktober 2001
|
HONDERD JAAR SAKI (gebaseerd op een essay van Adam Frost, dec. 1999)
Honderd jaar geleden verscheen Saki’s eerste verhaal in St. Paul’s Magazine. Het was niet zijn beste en miste de vlotheid en bondigheid die zijn werk doorgaans kenmerkt, en toch draagt het de stempel van een bijzonder en nieuw talent. ‘Dogged’ draait rond het personage van Artemius Gibbon een zenuwachtige vrijgezel van middelbare leeftijd en eigenaar van een fox-terrier. Het dier onderscheidt zich vooral door zijn ontaard gedrag. Even vraagt Artemius zich nog af of hij in staat is de terrier te temmen. Als de hond echter zijn huisbazin aanvalt, zijn appartement verwoest en de gewoonte ontwikkelt om in voorbijrijdende taxi’s te springen wordt Artemius’ gemoedsgesteldheid getypeerd in de laatste regels van het verhaal, wanneer een vriend hem vraagt "Does he belong to you ?" "No, I belong to him. Body and soul." replikeert Artemius.
Het gebruik van omkeringen is typisch voor Saki’s stijl. Ook het destructieve element komt herhaaldelijk naar voor in de vorm van hyena’s, tijgers, apen, muizen en wilde katten. Tenslotte manipuleert hij op een subtiele manier meerdere literaire genre’s als de komedie, het sprookje, het melodrama en de parabel.
‘Saki’ is het pseudoniem voor Hector Hugh Munro, geboren in 1870 en gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog. De naam Saki is ontleend aan een personage uit een oud Perzisch gedicht ‘The Rabaoyat of Omar Khayyam’. Van zijn tijdgenoten experimenteerden Kenneth Grahame en Rudyard Kipling eveneens met dieren in de rol van verteller. Anderen zoals Joyce deelden zijn talent om situaties te parodiëren. Niemand echter evenaart Saki’s stijl qua geestigheid, dynamiek en verfijning.
Saki's meesterschap ontwikkelt zich verder in ‘Sredni Vashtar’ en ook ‘Tobermory’ - waarin een kat de onhebbelijke gave vertoont om roddels in duidelijk Engels te spreken in het bijzijn van de betrokkenen. Twee verhalen die steevast voorkomen in verzamelingen van Engelse kortverhalen.
Een eeuw geleden, toen Saki’s verhalen voor het eerst verschenen, werden deze aanvankelijk beschouwd als ‘onschuldige humor’ en niet de moeite om er literaire beschouwingen aan te wijden. Saki deed zelf ook geen inspanning om dit oordeel om te buigen en scheen tevreden met zijn status als ‘gentleman amateur-schrijver’. Hoewel zijn werk regelmatig werd gepubliceerd in ‘The Morning Post’ en ‘The Westminster Gazette’ contacteerde hij geen uitgevers om een bundeling van de kortverhalen te realiseren. Hij zocht ook het gezelschap niet op van gereputeerde collega’s. Niet verwonderlijk werd hij daarom beschouwd als een literair lichtgewicht.
Dit oordeel is veranderd. Afgelopen eeuw is de interesse in Saki’s werk gebleven. Er is een publiek dat zijn verhalen weet te waarderen en ze in druk houdt en ook de academici attent maakt op de virtuoze ambachtsman die ze jaren genegeerd hebben. Vele gekende namen zoals Evelyn Waugh, G.K. Chesterton, Graham Greene, Noel Coward en meer recent ook Tom Sharpe erkenden zijn wezenlijke bijdrage tot de fictie.
Saki is in circulatie gebleven, zelfs al staat hij niet altijd op de universitaire curricula en in de literaire overzichten. Hij is een van die schrijvers die door gelukkig toeval en tevens door zijn vooruitziendheid wonderwel een plaats wist te verwerven in de eeuw die achter hem kwam. Zijn gevoel voor zwarte humor, de uitgesproken bondigheid van zijn verhalen, het destructivisme en het absurde passen niet alleen in Saki’s ‘fin de siecle’ maar ook in de onze, waar de collectieve aandacht maar kan vastgehouden worden tot de volgende, intensere prikkel.
Zijn werk is verkrijgbaar in de classics reeksen van Wordsworth en Penguin. Penguin heeft een uitgave van ‘The Complete Saki’. Everyman publiceerde ook een selectie van verhalen. Ondanks zijn ‘cult’ reputatie in 1916, is het verwonderlijk en tegelijk betekenisvol dat de verkoopcijfers van zijn werk nu hoger liggen dan deze van typische Edwardians zoals een J.M. Barrie, Chesterton en Beerbohm.
Er is een biografie van Saki, geschreven door A.J. Langguth (1981), die een waardevolle informatiebron is over zijn leven. De miserable jeugd bij twee strenge tantes in een cottage in Devon komt tot uiting in ‘Sredni Vashtar’ en ‘The Lumber Room’. Zijn betrekking bij de Birmaanse imperiale politie voedt de laatste hoofdstukken van één van zijn drie romans ‘The Unbearable Bassington. De vijf jaren als buitenlandjournalist in Macedonië en St. Petersburg hebben eveneens sporen nagelaten in zijn werk.
De academici zijn altijd voorzichtig geweest met Saki, misschien omdat zijn werk te ‘gemakkelijk’ of te ‘humoristisch’ is. Een kritische studie over zijn literaire verdiensten ontbreekt vooralsnog. In afwachting daarvan kunnen we alleen maar genieten van zijn verhalen.
DE FEITEN
Hector Hugh Munro werd geboren te Akyab, Birma op 18 december 1870. Zijn vader was inspecteur-generaal van de Birmaanse politie. Zijn moeder overleed in 1872. Als jongste van het gezin van drie kinderen, verblijft Hector het grootste deel van zijn jeugd in Pilton Village, in de buurt van Barnstaple, Noord-Devon. Zijn vader vertrouwt voor zijn vertrek naar India de drie kinderen toe aan de zorgen van zijn twee ongetrouwde zusters. Charles, Ethel en Hector groeien op in een cottage bevolkt door de tantes Charlotte en Augusta en hun grootmoeder. Zijn tantes vormen een inspiratiebron voor enkele van de latere verhalen.
Hector heeft geen sterk gestel, geen van de drie kinderen trouwens. Omwille van zijn zwakke gezondheid wordt hij vele jaren thuis onderwezen door gouvernantes. De drie kinderen komen zelden in contact met andere leeftijdsgenootjes. Beide tantes missen bovendien de bekwaamheid om jonge kinderen naar behoren op te voeden. De enige verzetjes zijn de jaarlijkse bezoekjes van hun oom Wellesly, familievisites en de vierjaarlijkse verloven van hun vader.
Op zijn 12de wordt Hector uiteindelijk toch naar school gestuurd (Exmouth) en beleeft er drie aangename jaren voor zijn overschakeling naar Bedford Grammar School. Tegen de tijd dat hij zestien wordt gaat zijn vader met pensioen. De daaropvolgende jaren brengen de kinderen bij hun vader door, met regelmatige reizen naar het Europese vasteland.
In juni 1893 vertrekt Hector naar Birma waar zijn vader een betrekking voor hem regelt bij de militaire politie. Hij blijft er een goed jaar en ontwikkelt er een interesse en voorliefde voor wilde dieren. Na een ernstige malaria-aanval keert hij in 1894 terug naar Engeland.
In 1896 trekt Hector naar Londen en begint er politieke satires te schrijven voor de Westminster Gazette. Zijn eerste boek verschijnt in in 1900, ‘The Rise of the Russian Empire’ is een historische studie. In 1902 wordt hij Balkan correspondent voor de Morning Post. Zijn opdracht voor deze krant brengt hem in 1904 naar Warschau en in de herfst van dat jaar verhuist hij naar St. Petersburg, waar hij twee jaren blijft. In 1906 wijkt hij uit naar Parijs, nog altijd als journalist voor de Morning Post maar ook schrijvend voor een Franse krant. Als de gezondheid van zijn vader sterk achteruitgaat gaat hij in 1907 terug naar Engeland. Na het overlijden van zijn vader vestigt hij zich vanaf 1908 te Londen, hij koopt ook een cottage in Surrey, waar zijn zus Ethel regelmatig verblijft.
Saki schrijft in die periode voor de Morning Post, de Bystander, Westminster Gazette en de Daily Express. In 1910 worden de kortverhalen Reginald in Russia gepubliceerd, in 1912 gevolgd door The Chronicles of Clovis en in 1913 door de roman When William Came, waarin hij Engeland onder Duitse bezetting beschrijft. In de lente van 1914 verzorgt Saki een column met de naam ‘Potted’. Bij het uitbreken van de oorlog haast Hector zich om zich aan te melden als oorlogsvrijwilliger. Hij wordt ingelijfd bij het 22ste bataljon, Royal Fuseliers in Horsham, Sussex. In november 1915 trekt zijn eenheid naar Frankrijk. Op dat moment heeft hij de graad van korporaal, een aantal kansen op een aanstelling tot officier wijst hij af. In juni 1916 keert hij naar Londen terug voor een kort verlof dat hij samen met zijn broer en zus doorbrengt.
In september wordt hij Lance-Sergeant. Een malaria-aanval in oktober doet hem één maand in de ziekenboeg belanden. Als hij verneemt dat zijn bataljon zal ingezet worden bij Beaumont-Hamel keert hij, weliswaar nog verzwakt, terug naar het front.
Hector Hugh Munro wordt gedood door een Duits sluipschutter op 14 november 1916. Zijn laatste woorden volgens enkele bronnen waren "Put that damned cigarette out!"
Hector Hugh Munro is één van de 72.000 namen gebeiteld in het Thiepval Memoriaal aan de Somme (Pier and Face 8C 9A and 16A).
EEN IMPRESSIE IN 2001
85 jaar na de slag van Somme, op een vrijdag medio augustus, bezoeken de ceremoniemeester en de voorzitter van de Belgische Drones Club de slagvelden aan de Somme in Noord-Frankrijk. Hieronder relaas van deze trip.
"Enkele kilometers voor het stadje Albert gaan we de hoofdweg af en volgen we het traject van de ‘Remembrance tour’ tot in het dorpje Thiepval. Het 45 metershoge Somme memoriaal is van ver te zien, Thiepval zelf telt hoop en al een vijftigtal huizen, een klein kerkje en een gemeentehuisje in grijze natuursteen. De oorlog is ook nu nog zichtbaar. Aan enkele voorgevels zien we gekruiste geweerlopen met bajonetten als decoratie; in een voortuintje is een rol roestige prikkeldraad opgesteld tussen de geraniums. Het is 08.00 u en in het dorp is geen levende ziel te bespeuren.
We parkeren voor de ingang van het memoriaal. Er zijn nog geen andere bezoekers. Een hectarengroot grasveld leidt naar het enorme monument dat steunt op 16 gigantische pilaren. De namen van 72.085 Engelse en Zuid-Afrikaanse soldaten, die hier tussen juli 1915 en maart 1918 vielen, staan gebeiteld op de vier vlakken van elk van deze zuilen. Na een kwartier zoeken vinden we Lance Sergeant Hector Hugh Munro, op de eerste pilaar rechts van het centrum van de voorzijde van het monument. Om zijn naam te lezen moet je op het gras staan.
Op de treden naar het centrale plateau van het monument liggen tientallen identieke kleine houten kruisjes, met een klaproos in papier eraan bevestigd, de meeste ervan dragen een persoonlijke boodschap. Links, in een muurkastje zijn de registers met de namen van de gesneuvelden beschikbaar voor de bezoekers. Er staan 15 Munro’s in, allen van Schotse afkomst en de meesten ingelijfd bij Schotse eenheden. De tekst bij elk van de namen varieert van twee tot vijftien regels en telkens is getracht iets persoonlijks van de soldaat te vertellen. De rang speelt geen rol in de grootte van de tekst.
"Their name liveth for evermore" is gebeiteld in het kalkstenen altaar op het plateau. Op en rond dit schrijn liggen kransen van klaprozen. Daarop de namen en boodschappen van Britse legereenheden die hier jaarlijks in juli hun gesneuvelden herdenken. Van aan het altaar reikt een fluisterstem tientallen meters ver. Rechts op een steunmuur zit een duif ineengedoken, het dier kijkt nog levendig maar de poten zijn gebroken, het resultaat van een duikvlucht tegen het memoriaal. Ook nu nog maakt deze oorlog slachtoffers.
Op de grasvlakte achter het monument staan een vijfhonderdtal kruisen in witte steen. "Known unto God" is het meest voorkomende opschrift. Elke rij is opgedragen aan een bataljon. Een puur symbolische constructie want onder deze grafstenen rusten geen soldaten. Het ganse terrein is een immens massagraf. De lichamen en ledematen van deze soldaten werden begraven, nieuwe beschietingen woelden de lijken terug naar boven.
Op een houten bordje verontschuldigt de Commonwealth War Graves Commission zich voor de werken die aan de gang zijn op het domein en verzekert dat in november alles achter de rug is. Het grasterrein, de boordjes, de kruisen, het is allemaal perfect onderhouden; ik vermoed dat het over de beplanting gaat die deels vernieuwd wordt.
Deze plaats, maar nog meer het Memorial Park te Beaumont Hamel dat we een uur later bezoeken, doet denken aan een Engelse landschapstuin. De combinatie van perfecte gazons, evenwichtige beplanting en een imposante architectuur. Het memoriaal is langs drie kanten omgeven door glooiend Frans landbouwland en aan één zijde door een strook bos. Aan de randen van de pas gerooide akkers groeien er klaprozen. Ik pluk er één om te drogen en te bewaren als herinnering. De wreedheid van deze oorlog en het falen van de loopgrachtstrategie blijkt alleen uit de tienduizenden namen op de zuilen. Het landschap is hersteld en pastoraal. Verdun, bijvoorbeeld is heel anders, en gemodelleerd door bomkraters. Misschien maakt deze omgeving de herinnering voor de nabestaanden dragelijker.
Als we Thiepval verlaten komen passeren we langs de loods van de tuinlieden van de War Graves Commission. We ontdekken aan de achterkant een geschikte plaats voor onze herdenkingsplaat voor Hector, met een duidelijk zicht op het memoriaal.
En nog steeds zijn we de enige bezoekers. De aandacht voor deze oorlog is aan het wegebben en concentreert zich op enkele herdenkingsplechtigheden. Nog één of twee jaar en de oudstrijders zijn allen overleden. De Somme, Verdun en Ieper zijn door ons Belgen amper gekend en hooguit verplichte lijntjes uit collegeboeken. Het valt me wel op dat deze oorlog veel serener dan de Tweede Wereldoorlog herdacht wordt. Peronne, dat we later op de dag bezoeken en Ieper zijn geen vitrinekasten gevuld met uniformen en geweren. Beide musea geven een genuanceerd tijdbeeld, met veel aandacht voor de sociale geschiedenis. Het onwankelbare geloof in de vooruitgang en de technologie aan het begin van vorige eeuw is vandaag eveneens prominent aanwezig. De veroorzakende factor - een lokaal conflict in de Balkan - is meer dan ooit actueel. Alleen de allianties zijn veranderd en bieden meer zekerheden.
Als we terug in de auto stappen komt spontaan dezelfde gedachte naar boven. Deze Drones activiteit is vele malen delicater dan Huy. Elk woord, elke zin die we hier uitspreken, elk gebaar dat we stellen moet getoetst worden op sereniteit en getuigen van respect voor allen die daar eertijds gesneuveld zijn."