|
THE DRONES CLUB OF BELGIUM |
|
|
ARTIKELS |
|
|
WODEHOUSE EN ZIJN WERKEN deel 2 door Bart Pepermans |
April 1998
|
De auteur zelf hebben we dus reeds gehad. Maar we mogen ons afvragen : wat weet hij ervan welke roman en welk kortverhaal het beste is ?Dus laten we maar enkele notoire kenners en critici ten tonele voeren.
Richard Usborne, misschien wel de grootste autoriteit wat Wodehouse betreft, verklaarde ooit dat ‘Joy in the Morning ’ (12) zijn favoriete Bertie & Jeeves roman is.
Plum’s biografe, Frances Donaldson, vernoemt ‘Right Ho, Jeeves’ als zijn beste werk. In de biografie ‘P.G. Wodehouse, The Autorized Biography’ (13) voegt ze daarnog aan toe : ‘Ik genoot van ‘The Small Bachelor’ (14), ‘Ice in the Bedroom’ (15), ‘Do Butlers burgle banks’ (16), een verzameling kortverhalen getiteld ‘Indiscretions of Archie’ (17), zelfs van ‘French Leave’ (18) en ‘Barmy in Wonderland’ (19), evenveel als van eender welk boek van Plums’s hand. Maar er steken toch twee meesterwerken bovenuit en dat zijn ‘Right Ho, Jeeves’ (11) en ‘The Mating Season’ (20). Einde citaat.
Philip Tody vermeldde ooit in een ietwat filosofisch essay dat Bertie Wooster altijd zijn geluk vindt in het feit, zelf aan het kortste eind te trekken, wanneer dit de beste manier is om anderen gelukkig te maken. Een mooi voorbeeld hiervan, zo stelt Tody, vinden we terug op het einde van Wodehouse’s beste boek ‘Right Ho, Jeeves’ (11)
Verschillende critici, zoals Joseph Connolly, Norman Murphy en Benny Green, weigeren één enkel boek van Wodehouse als beste te bestempelen.
Ook Owen Dudley Edwards heeft het daar moeilijk mee, maar in een scherpzinnige studie over Wodehouse’s werken, duidt hij toch ‘Leave it to Psmith’ (21) aan als het neusje van de zalm oftewel in Edwards’ woorden ‘the plum of Plum’s productions’. Hij beschouwt het werk als sterk op zich, maar beweert dat het tevens als uitgangspunt diende voor een aantal latere verhalen.
Ikzelf, in de hoedanigheid van Bertie Pepper, durf de betekenis van ‘Leave it to Psmith’ enigszins af te zwakken. In haar hooggewaardeerde biiografie van Wodehouse stelt Frances Donaldson immers dat Plum, na enkele Psmithboeken, van Psmith verlost wou worden, omdat Psmith de auteur teveel overheerste. Hij liet dan maar Psmith in het huwelijk treden om hem zo te kunnen dumpen. Het laatste Psmithverhal, ‘Leave it to Psmith’ is er, nog steeds volgens Donaldson, slechts gekomen na veel aandringen van Leonora. Wodehouse droeg het dan ook op aan haar met de vermelding : ‘To my daughter Leonora, Queen of her Species’. In ‘The Comic Style of P.G. Wodehouse’ (22) kiest Robert Hall voor ‘Uncle Fred in the Springtime’ (23) als voorbeeld van volmaakte humor. In een wat meer uitgebreide analyse van Wodehouse’s prozastijl, komt dan weer de opening van ‘The Luck of the Bodkins’ (24) tevoorschijn als Hall’s persoonlijke voorkeur, maar dan wel de iets geslaagdere Engelse versie.
Herbert Warren Wind in ‘The World of P.G. Wodehouse’ (25) schuift ‘The Code of the Woosters’ (26) als Plum’s beste boek naar voren. David Jasen vermijdt één enkel boek te verneoemn als ‘beste koop’, alhoewel hij toch ‘Service With a Smile’ (27) als één van zijn meesterwerken beschrijft. Ook R.B.D. French in ‘P.G. Wodehouse’ (28) durft het slechts aan ‘Summer Lightning’ (29) en ‘Heavy Weather’ (30) als ‘de meest degelijke en fatsoenlijke van de Blandingsverhalen te noemen en van ‘Uncle Fred in the Springtime’ (23) schrijft hij dat het een beetje te ‘overdadig’ is.
In het elegante ‘Wooster Proposes, Jeeves diposes or Le Mot Juste’ breekt Kristin Thompson een lans voor latere werken zoals ‘Ice in the Bedroom’ (15). Ze voegt er nog twee aparte stellingen aan toe door ‘The Code of the Woosters’ (26) episodisch te noemen en ‘The Mating Season’ (20) zo overdreven, dat het bijna een parodie wordt van zijn eigen werk.
Maar critici, zeg nu eens eerlijk, welk verstand hebben zij zijn van boeken ? Het zijn toch de uitgeverijen die de boekenmarkt in handen hebben. Wanneer Simon and Shuster een serie aankondigt met als titel ‘The P.G. Wodehouse Classics’, start de uitgeverij met de werken ‘Fish Preferred’ (29), ‘The Code of the Woosters’ (26) en ‘Uncle Fred in the Springtime’ (23).Toen Penguin voor het eerst Wodehouse in paperback uitgaf, kwamen ze met ‘Right Ho, Jeeves’ (11), ‘The Code of the Woosters’ (26), ‘Leave it to Psmith’ (21) en, verassend misschien, ‘Big Money’ (31) op de proppen. Het wordt stilaan duidelijk, vier of vijf kandidaat boeken voor de beste roman steken steeds de kop op.
Neem daarbij ook nog in aanmerking de romans die werden opgenomen in drie klassieke Wodehouseverzamelingen : Voor ‘Nothing but Wodehouse’ (32), koos Ogden Nash ‘Leave it to Psmith’ (21). In de Amerikaanse uitgave uit 1939 ‘Weekend Wodehouse’ (33) laat de uitgever ‘Fish Preferred’ (29) de revue passeren. En, zoals reeds eerder vermeld, bevat ‘The Most of P.G. Wodehouse’ (3), ‘Quick Service’ (1) Interessant te vermelden is dat Peter Schwed (34), wanneer hij in een essay de loftrompet schalt over dit verzamelboek, zich schromelijk vergist en in plaats van ‘Quick Service’, ‘The Luck of the Bodkins’ (24) vernoemt. Het was misschien een verdoken manier van Schwed om ‘The Luck of the Bodkins’ als zijn favoriet naar voren te schuiven.
Wat zijn dan de kortverhalen die de uitgevers het meest op prijs stellen ? In 1949 geeft Scott Meridith, die toen Wodehouse’s tussenpersoon was bij de uitgeverijen, ‘Best of Wodehouse’ (35) uit. Het is een bloemlezing waarin, volgens Meridith, het beste kortverhaal van elke belangrijke hoofdpersoon werd verzameld.
Ziehier het lijstje :
‘Jeeves and the Yuletide Spirit’ (36) met Jeeves en Bertie Wooster
‘Trouble Down at Tudsleigh’ (7) met Freddy Widgeon
‘Strychnine in the Soup’ (37) met Mulliner
‘The Level Business Head’ (38) met Ukridge
‘The Crime Wave at Blandings’ (39) met Lord Emsworth en zijn Blandingsgevolg
‘Sonny Boy’ (6) met Bingo Little
‘The Letter of the Law’ (40) met het Oudste Lid van de golfclub
‘Tried in de Furnace’ (41) een Drones verhaal
James Heineman, één van de belangrijkste Wodehouseverzamelaars, moet ‘The Great Sermon Handicap’ (42) een prachtig verhaal gevonden hebben, daar hij zes boeken publiceerde met enkel maar vertalingen van dit kortverhaal. In ‘Selected’ Stories of P.G. Wodehouse’ (43), herdrukt uitgever John W. Aldridge alleen Bertie en Jeevesavonturen. Hij verklaart ook waarom : "Van alle Wodehouseverhalen zijn die met Jeeves en Bertie, naar mijn mening, de meest succesvolle ... ‘Leave it to Psmith’ (21) is misschien wel zijn meest volmaakte rom
an, maar Wodehouse’s meesterschap ligt vooral op het gebied van de kortverhalen, en daarin is Jeeves ontegensprekelijk zonder weerga." Einde citaat. Men kan hier om ook eens een andere klok te laten luiden, de opmerking van Owen Dudley Edwards naastleggen : "Het is onaardig de hoge kwaliteit van de Jeevesverhalen, vooral die in ‘Very Good Jeeves’ (36), te ontkennen, maar enkel één of twee hiervan kunnen tippen aan de kwaliteit van de romans."
Voetnoten
and Nicholson Limited. Ook verschenen in een pocket bij Futura in 1987.
Simon ans Shuster.
USA Doubleday & Co.
Hamden, Connecticut.
New York, Washington, 1981 UK Hutchinson, London.
Summer Lightning, 1929, UK Herbert Jenkins, verschenen als ‘Fish Preferred’ in USA