THE DRONES CLUB OF BELGIUM

VERSLAGEN

VERSLAG ONTHULLING GEDENKPLAAT HUY

door Walter Van Braeckel, lid van het hoofdbestuur

Huy, 9 september 2000

Het was een mooie dag in september, de zon scheen zoals het hoorde en langs de boorden van de Maas ontplooide zich voor ons Wallonië, dat mooie land waar we veel te weinig komen, omdat we zo bezig zijn met onze Vlaamse welvaart, en te weinig met het levensgenot. Maar de dag is mooi en geschikt voor dit genot.

Vanuit de trein die me langs Seraing en Flémalle door de oude industriegebieden en de vervallen welvaart voert, heb ik een mooi zicht op de brede Maas met haar groene oevers en in de verte de hoogten van de Condroz. Hoe triest proletarisch het verleden er misschien ooit geweest is en soms nog blijft, de natuur overwint steeds weer. Zelfs de vaak verdoemde kerncentrale van Tihange is dan niets meer dan een passerende site.

En op de beide oevers welft zich in niveau en gebouwen de mooie stad Hoei, de rive droite en de rive gauche, het is een aardige referentie, de collegiale kerk en het fort geven allure aan deze stad, die heel wat prachtige gevels van een rijk verleden toont, dat verleden gaat precies duizend jaar terug, via Middeleeuwen en Renaissance, en dat wordt nu in 2000 ook gevierd, maar het is ook het zakencijfer van stovenbouwer Nestor Martin dat hier rijkdom heeft gebracht. En die rijkdom straalt met grandeur en elegantie van het stadhuis.

Op het ruime en mooie marktplein staan drie toeristen, en ze bewonderen het Zuiderse savoir vivre, het zijn Hollanders, Rob Kooy, Leonard Beuger en Felo Hettich, de nazaten van Bob Evers, Arie Roos en Jan Prins, dit is voor hen waarlijk Boergondië, en in het etablissement op de hoek zetten ze zich bij een Belgisch bier, met zicht op de statige trap en de pui van het stadhuis, waar ze straks verwelkomd worden.

Het ontvangstcomité is al klaar, een dame leidt hen binnen, en andere gasten verschijnen, Tony Ring en een verse joviale makker Tim Andrew. De traphal, de raadzaal, het maakt indruk, dit wordt hier een ontvangst met standing en karakter.

En alles is dus picobello in de beste aller werelden. Tot daar op de verkeersvrije markt een Mercedes met twee Polakken verschijnt, twee marchands in oud ijzer, zo te zien, maar nee, het zijn Kris Smets en Walter Rens, die in gedachten als Adriaan en Olivier na frivole escapades hun auto parkeren op de stoep van het stadhuis.

Hoi, hallo, hier zijn we, ze trekken de aandacht, ze voelen zich prinsen van plezier, terwijl in de coulissen de burgemeester Anne-Marie Lizin wacht tot de sujetten van deze rare societeit zich wat ordelijk verzameld hebben.

Dan begint het gebeuren, de burgemeester & senatrice is duidelijk in haar nopjes, dit ligt haar, volk over de vloer krijgen, en ze verwelkomt ons in drie talen, galant in haar Frans, haar Engels en haar Nederlands. En Kris gaat door zijn metamorfose van leuke snoeshaan naar charmante voorzitter.

De middag die zo mooi blinkt lokt ons weer naar buiten, op gaat de stoet naar het fort, Bob en Pol Ulens zijn onze sherpa's, de téléferique maakt er een expeditie van, Leonard, onze Cavalese-expert mijmert stilletjes over de gevaren van kabelbanen, maar roekeloos overtreden onze voorzitter en zijne vice het protocol, met het risico dat onze vereniging bestuurloos wordt stappen ze beiden in dezelfde gondel. De dag is echter te mooi voor rampen, en iedereen komt behouden boven aan.

Daar begint het echte werk, op de binnenkoer van een vijfhoekig fort dat de Nederlanders hebben gebouwd, naar Franse plannen, daar op het gazon staat alles klaar, spreekgestoelte, stoelen, vlaggen en vaandels, tromgeroffel en herauten, en weer bloeit Anne-Marie Lizin open als een passiebloem, in een speech die waardigheid aan elegantie koppelt herdenkt zij onze meester, Pelham Grenville Wodehouse, die hier in augustus 1940 door de Duitsers werd gekazerneerd, op weg van Le Touquet via Luik naar het concentratiekamp van Tost, lang is hij hier niet geweest, maar zijn dagboek Performing Flea spreekt ervan. De gruwel van de oorlog en de lichtvoetigheid van Plums denken en ervaren, het komt allebei aan bod.

Na haar houdt Kris een opmerkelijke speech, gedragen, stijlvol, in een voorbeeldig Frans. Ondertussen is ook onze beschermheer ambassadeur David Colvin toegekomen, recht van een andere oorlogsherdenking, ook hij haalt zijn edelste gevoelens boven, en Tony Ring sluit af met citaten van de meester en een brief namens Sir Edward Cazalet, de stiefkleinzoon van P.G. Wodehouse.

Het publiek van een zestig-zeventig Vlamingen, Walen, Engelsen en Nederlanders is er stil en ingetogen van, en in die piëteit wordt door Anne-Marie Lizin en David Colvin de plaquette onthuld. Ze is uit grijsbeige travertijn, ze oogt tegelijk bescheiden en groots op de harde, strakke wanden van het fort. De plaquette is bewust zo gekozen door Walter Rens en onze stadgenoot François Renier.

Volgt een drankje, een babbel, en nog een rondleiding door de kazematten, onder leiding van de historicus van de stad en van Bob Whitby, die zonder melo, maar heel precies de feiten van zestig jaar geleden evoceert, zijn samenzijn met Wodehouse, het stro voor de matrassen, de arduinen wastafels, het schamele comfort, maar ook de betrekkelijke bewegingsvrijheid binnen de muren van het fort. De omstaanders zijn er andermaal stil van.

En terug gaat de tocht, en verder gaat het leven, en omdat het zo mooi is, genieten we weer, in een caféveranda op de Grote Markt, van Hollandse mosselen en Belgisch bier, de arduinen massa van het plein koestert nog de warmte van de dag, overal zit volk, en daartussen zit Anne-Marie Lizin, ze is een dame met een hart.

Rest nog het tafereel van het vertrek, van onze twee Polakken, die tot verbazing van deze beschaafde stedelingen met arrogante bravoure in hun Mercedes duiken en wegscheuren in de nacht.

Top