doelen en eindtermen

taal:

  1. De leerlingen leren de volgende begrippen kennen: taal, communicatie, taalvarianten, groepstaal, vaktaal...
  2. De leerlingen brengen in een groepje een informatieve en/of argumentatieve tekst tot stand.
  3. De leerlingen lezen een internettekst diagonaal en geven de essentie ervan weer.
  4. De leerlingen kunnen een beperkte enquête opstellen en verwerken.
  5. De leerlingen omschrijven de volgende linguïstische begrippen: vrouwentaal, chat- en sms-taal, jongerentaal, kindertaal, migrantennederlands, vaktaal, dialect.
  6. De leerlingen sommen een aantal kenmerken van deze taalvarianten op.
  7. De leerlingen beseffen dat deze taalvarianten in principe gelijkwaardig zijn als expressie- en communicatiemiddel aan elkaar.
  8. De leerlingen kunnen bij elke variant concrete taaluitingen geven als voorbeeld.
  9. De leerlingen selecteren de hoofdzaken van hun betoog voor hun mondelinge presentatie.

ict:

  1. De leerlingen maken gebruik van hyperlinks.
  2. De leerlingen zoeken gericht naar afbeeldingen, voorbeelden, kenmerken en argumenten.
  3. De leerlingen ontwerpen de lay-out met een tekstverwerker en sturen hem door via elo.
  4. De leerlingen ontwerpen een folder op basis van een sjabloon.
  5. De leerlingen schrijven, wijzigen, wissen teksten met Word.
  6. De leerlingen downloaden illustraties en gebruiken ze bij hun tekst.
  7. De leerlingen bewerken via internet eigen tekstjes op creatieve wijze en integreren ze in hun folder.
  8. De leerlingen kunnen een aantrekkelijke en functionerende Powerpoint-presentatie maken.

algemeen

  1. De leerlingen kunnen samenwerken: afspraken maken, luisteren, suggesties geven, een voorkeur uitspreken ...