Spelling: trema

Schrijf met of zonder trema.

 
  1. De geallieerden wonnen de lange oorlog.

    1.   geallieerden
    2.   gealliëerden
    3.   geallieërden
  2. De dietist heeft vader een streng dieet voorgeschreven.

    1.   dietist
    2.   diëtist
    3.   dïetist
  3. Maisolie is gezond.

    1.   maisoilie
    2.   maïsolie
  4. De ruine was prachtig geillumineerd.

    1.   ruine - geillumineerd
    2.   ruine - geïllumineerd
    3.   ruïne - geillumineerd
    4.   ruïne - geïllumineerd
  5. Dat gevaar is niet reeel.

    1.   reeel
    2.   reëel
    3.   reeël
  6. Ik ken andere reele gevaren.

    1.   reele
    2.   rëele
    3.   reële
  7. Wat heb ik me geergerd aan dat boek!

    1.   geergerd
    2.   gëergerd
    3.   geërgerd
  8. Ik verkies koffie zonder cafeine.

    1.   cafeine
    2.   cafëine
    3.   cafeïne
  9. Pinguins zijn rare meneren!

    1.   pinguins
    2.   pinguïns
  10. Wat beoogt hij met die houding?

    1.   beoogt
    2.   bëoogt
    3.   beöogt
  11. Laat je hier geen prieeltje aanleggen? Och, prielen zijn uit de mode.

    1.   prieeltje - prielen
    2.   prieeltje - priëlen
    3.   priëeltje - priëlen
  12. Bevloeiing heeft die vlakte vruchtbaar gemaakt.

    1.   bevloeiing
    2.   bevloeïing
    3.   bevloeiïng
  13. De elektricien en de mecanicien zijn klaar met hun werk.

    1.   elektricien - mecanicien
    2.   elektriciën - mecaniciën
    3.   elektricien - mecaniciën
  14. Die pater is een jezuiet.

    1.   jezuiet
    2.   jezüiet
    3.   jezuïet
    4.   jezuiët