spelling: trema 2

Trema of geen trema?

 
  1. Wat een buiig weer vandaag!

    1.   buiig
    2.   buiïg
  2. In het bos konden we ons moeilijk orienteren.

    1.   orienteren
    2.   orïenteren
    3.   oriënteren
  3. Ze is wat naief, maar die naiveteit is wel charmant.

    1.   naief - naiveteit
    2.   naïef -naïveteit
    3.   naief - naïveteit
    4.   naïef - naiveteit
  4. Heb je onze nieuwe fox-terrier als gezien?

    1.   fox-terrier
    2.   fox-terrïer
    3.   fox-terriër
  5. Weet je wat een triduum is?

    1.   triduum
    2.   tridüum
    3.   triduüm
  6. En een vacuum?

    1.   vacuum
    2.   vacüum
    3.   vacuüm
  7. Je wil me toch niet ruineren!

    1.   ruineren
    2.   rüineren
    3.   ruïneren
  8. Coeducatie heeft voor- en nadelen.

    1.   coeducatie
    2.   coëducatie
    3.   co-educatie
  9. Dat kan ik niet beoordelen.

    1.   beoordelen
    2.   bëoordelen
    3.   beöordelen
  10. Gebruik voor uw brieven liever geen gelinieerd papier.

    1.   gelinieerd
    2.   gelinïeerd
    3.   geliniëerd
  11. Als de leiding niet goed geisoleerd is, loop je gevaar geelektriseerd te worden.

    1.   geisoleerd - geelektriseerd
    2.   geïsoleerd - geelektriseerd
    3.   geisoleerd - geëlektriseerd
    4.   geïsoleerd - geëlektriseerd
  12. Een beedigd landmeter zal de tuin opmeten.

    1.   beedigd
    2.   bëedigd
    3.   beëdigd
  13. De prijzen varieren volgens de geeiste kwaliteit.

    1.   varieren - geeiste
    2.   varieren - geëiste
    3.   variëren - geeiste
    4.   variëren - geëiste
  14. Commercieel en financieel is de zaak niet erg gezond, maar commerciele en financiele belangen dienen te wijken voor principiele redenen.

    1.   commercieel - financieel - commerciele - financiele - principiele
    2.   commercieel - financieel - commerciële - financiële - principiële
    3.   commerciëel - financiëel - commerciele - financiele - principiele
    4.   commerciëel - financiëel - commerciële - financiële - principiële