MARKANTE HEULSE FIGUREN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

STIJN STREUVELS

 

 
 
 

 

Vanwaar onze belangstelling voor Streuvels ?

 

Streuvels is een geboren Heulenaar. Iedere rasechte Heulenaar voelt zich wel een beetje met Streuvels verbonden.

Reeds in het regentaat (1962) maakten we een bescheiden eindwerk over Streuvels, meer bepaald over het volkslied in zijn oeuvre. De beknopte versie hiervan is ooit verschenen in het tijdschrift Iepers kwartier, VII (1971,4)

Bij de Streuvelsfeesten in Heule in 1971 – bij de 100ste verjaardag van zijn geboorte dus – hebben we gezorgd voor een genealogisch gedeelte bij de tentoonstelling en dit mondde ook uit op een uitgave: De voorouders van Stijn Streuvels, uitgegeven in 1971 bij Familia et Patria in Handzame. Voordien lieten we reeds de kwartierstaat van Stijn Streuvels verschijnen in Vlaamse Stam. We zijn de eerste geweest die voor onze opzoekingen naar Frankrijk getrokken zijn. Op die manier konden we een aantal zaken rechtzetten die Streuvels  niet aanhaalt  in zijn Kroniek van de familie Gezelle of in zijn autobiografische werken, o.m. in Heule. Niemand minder dan Professor Garmt Stuiveling wist ons opzoekingswerk te waarderen. Op 23 oktober 1971 schreef hij me hierover een briefje dat ik nu nog piëteitsvol bewaar. In de voetnoten van  Streuvels Volledig werk, dl. 4 verwijst hij dan ook herhaaldelijk naar ons werk. Eigenlijk was dit ons debuut als genealoog. In het nr. 30 van Heulespiegel zijn we nog eens teruggekomen op de voorouders van Pieter Jan Gezelle. Dit zijn de vaderlijke voorouders van Louise Gezelle, de moeder van Streuvels. Alles is zeker nog niet uitgezocht. We hopen nog eens De voorouders van Streuvels en Gezelle  te herwerken en er een uitgave van te verzorgen. Maar we vragen nog een beetje geduld !

Dit alles neemt niet weg dat we  Streuvels in de eerste plaats als auteur blijven bewonderen. We zijn geen Streuvelsverzamelaar, al hebben we die onder onze vrienden, maar we hebben wel een kleine bibliotheek waarin toch iets van en over Streuvels steekt.

Streuvels is in onze ogen geen heimat- of boerenschrijver, zoals er sommigen laatdunkend zeggen of schrijven. Hij heeft als geen ander de natuur beschreven, maar meer nog wist hij de mens in die natuur te typeren. Het is vooral zijn psychologische kijk op de mens  die ons wist aan te spreken. We beseffen dat niet alles wat hij schreef van gelijke waarde is, Streuvels moest nu eenmaal van zijn pen leven, maar op zijn minst een paar werken behoren tot de wereldliteratuur. We zijn ervan overtuigd dat men binnen vijftig jaar nog altijd  Streuvels zal waarderen, misschien meer dan  sommigen die nu denken dat ze wereldveroveraars zijn. Voor de rest laat ik de letterkundige waardering over aan de mensen van ’t vak.

Men moet trouwens niet alleen over Streuvels schrijven, men moet hem vooral (weer) lezen !  

(Ondertussen verscheen van Tom SINTOBIN 'Wie schaft er op de woorden 6?' Vijf keer Streuvels lezen (Gent, 2005) het levend bewijs dat Streuvels wel te lezen is !

Ook zijn meer autobiografische werken blijven me als lokaalhistoricus en genealoog ten zeerste boeien. Met Heule bv. heeft hij een stukje verleden van ons dorp vastgelegd dat geen ander hem kan nadoen. Het gaat om een tijdsdocument van iemand die het zelf beleefde. Streuvels groeide trouwens op in dezelfde omgeving als wijzelf, maar dan wel  met een tijdsverschil van 70 jaar ! Via zijn moeder had Streuvels een band met Brugge. We hadden ook hier weer dezelfde ervaring. En mijn vrouw werkte toen ik ze leerde kennen in Avelgem. Parallellen genoeg dus. In de recent uitgegeven briefwisseling van Kathryn SMITS "Een aardig bundeltje brieven". Stijn Streuvels en Emmanuel De Bom. De briefwisseling van de jaren 1900-1914, (Pelckmans), Kapellen, 2005 kan ik me als zoeker helemaal terugvinden. De boeken van Kathryn Smits tonen aan hoe biografisch werk moet aangepakt worden !

Streuvels blijft dus zeker een ereplaats bij ons innemen. En misschien wordt het bij jou ook het geval ! 

 

Meer over Streuvels op de webstek van het Streuvelsgenootschap.

Voor meer links naar Streuvels en de Nederlandse letterkunde zie onze links.

 

n

 

ENKELE CITATEN OVER STREUVELS’ WERK

… we leven in een tijd waarin het denkbeeld wordt gehuldigd dat alleen wat nieuw is goed is. Wie zitting heeft in een literaire jury en daardoor verplicht is alleen het nieuwe te lezen, ziet meteen hoe waanzinnig dat denkbeeld is. Daarom is het goed dat met een uitgave als deze de Vlaming weer eens een idee krijgt van de rijkdom van zijn eigen literaire canon, die hij bezig is in ijltempo in te ruilen voor de modieuze, snelle, nauwelijks nog literair te noemen hap. Hij zal straks in elk geval niet kunnen beweren dat hij er geen weet van heeft gehad.
Walter Van den Broeck in: De fuikverhalen van Stijn Streuvels. Inleiding van Stijn Streuvels. De ogen en het raam. In de reeks Klassieken uit Vlaanderen, deel 4, Manteau, Antwerpen, 1998.
 

De Westvlaamse brood- en banketbakker Stijn Streuvels, wiens prozatalent door De Bom werd ontdekt, zond niet minder dan twaalf realistisch-naturalistische verhalen in, waaronder de uitgebreidere novellen Lente en De oogst, die hij later bundelde in Lenteleven (1899) waarmee hij in Zuid en Noord zijn faam zou vestigen. …
In deze momentopnamen of ‘tranches de vie’, in deze fragmentarisch opgeroepen wereld van dromende kinderen, van wroeters, stakkers en ontgoochelden, van het gelukkige leven in harmonie met de natuur, maar ook van ontluistering, aftakeling en dood worden al de thema’s en motieven aangeroerd die in zijn latere grotere werken een aangrijpende en panoramische uitbeelding zouden krijgen: het geluk van het onbewuste leven als kind, de ontluisterende inwijding in de volwassenheid, de afstompende arbeid, de fundamentele eenzaamheid van de mens, zijn nietigheid te midden van de natuurelementen, de worsteling tot zelfbehoud en tot verovering, de seksualiteit als frustrerend en conflict-scheppend element, de verwording van religie tot louter formalisme en vlucht uit de werkelijkheid, en vooral de discrepantie tussen de idealistische droomwereld en de ontnuchterende realiteit, wat in het verhaal van de eerste communie van Horieneke in Lente al op verfijnd psychologische wijze wordt behandeld. …
Raymond VERVLIET in: Van Nu en Straks. De geschiedenis van een baanbrekend tijdschrift in Vlaanderen. In: Frank De Crits (red.), Brussel en het fin-de-siècle. 100 jaar Van Nu en Straks, Houtekiet, Antwerpen-Baarn, 1993, p.29-30.  

… wat we dringend nodig hebben zijn objectieve kritische studies over het werk van deze man, dat al te vaak in de schaduw van zijn fascinerende en bijna legendarische persoonlijkheid is komen te staan. De jonge Streuvels is, naar Europese maatstaven gemeten, een schrijver van formaat, waar het Nederlandse taalgebied trots op kan zijn. …
Kathryn SMITS,  Een nieuwe kijk op de jonge Streuvels. De briefwisseling met Emmanuel de Bom en het werk uit de eerste jaren, Pelckmans, Kapellen, 1993, p. 5.  

Over de laatste biografie …

Wie zich kan ontdoen van Speliers’ betweterige knulligheid en oeverloze getetter, ziet nochtans een eenvoudig beeld ontstaan: Streuvels had weinig verstand van of belangstelling voor politiek, maar nam de schutkleur aan van het conservatief-katholieke en flamingantische milieu waarin hij zich bewoog, al botste dat wel eens met zijn vitalistische trek in zijn proza. …

Een beetje historicus maakt zijn huiswerk, maar Speliers dus niet.
M.REYNEBEAU, Hoe fout is de eenzame schrijver (bespreking van H.Speliers, Als een oude Germaanse eik, Manteau, Antwerpen, 1999) in Knack, 1 maart 2000, p. 39
.
Je vindt ook een bespreking op de website van Dries Vanden Abeele.

 

Zie voor nieuws over Streuvels ook blog seniorennet.

Volgend artikel schreef Paul Thiers  in het decembernummer 2003 van Heulespiegel (nr. 38). Met zijn toelating nemen we het artikel hier over. Voor meer inlichtingen over de Heemkundige kring Langs d'Heuleboorden en haar tijdschrift Heulespiegel klik op Heulespiegel.

 

 

 

 

   Top pagina

 

Paul Thiers

 Omtrent Speliers, het einde van een mythe

 Voor niet ingewijden past bij de titel van deze bijdrage een woordje duiding. Het einde van een mythe parafraseert de titel Omtrent Streuvels, het einde van een myte (sic), die Hedwig Speliers in 1968 meegaf aan het spraakmakende essay dat hij toen over Stijn Streuvels publiceerde. Over dit werk werd hier in 1996 in het opstel 'Stijn Streuvels en de "biograaf" Hedwig Speliers' [1] met lof geschreven. Met zijn Omtrent Streuvels bracht Speliers een nieuwe kijk op het fenomeen Stijn Streuvels en op de – volgens hem eenzijdige [2] – manier waarop de literair-critici en biografen tot dan toe de figuur en het werk van Streuvels hadden voorgesteld. Naast wantrouwen en afwijzing die hem te beurt vielen, werd zijn boek toch hoofdzakelijk, zowel van links als van rechts, erg gewaardeerd en besproken. Hij wist zich in die jaren een aureool van meest deskundige aller kenners van de figuur en het werk van Stijn Streuvels, toe te eigenen. Aan die mythe is, vooral dan sinds de uitgave van zijn 'biografische' studies over Streuvels, een eind gekomen. De afgang begon ongeveer een jaar na de publicatie (in 1994) van zijn aanvankelijk met veel lof ontvangen biografie Dag Streuvels, ik ken den weg alleen. Literatuurwetenschappers haalden dit boek zo goed als compleet onderuit [3] . 'Vooringenomen', 'ontelbaar veel foutieve gegevens', 'ten overvloede geplagieerd zonder bronvermelding', 'tendentieus' en 'onwetenschappelijk' waren de predikaten die het boek meekreeg. 

Als een oude Germaanse eik

Toch kwam Speliers enkele jaren later, in 1999, met een nieuw 'Streuvelsboek' voor de dag: Als een oude Germaanse eik. Stijn Streuvels en Duitsland. Met dit boek zette hij zijn 'operatie beschadigen van Stijn Streuvels' verwoed verder. De teneur van dit boek kan in één zin worden weergegeven: Stijn Streuvels (en met hem de hele Vlaamse (katholieke) gemeenschap), was Duitsgezind en fascistoïde en dat was hij al avant la lettre, het zat hem in de genen. Bij het verschijnen van dit boek hielden de recensenten, zelfs zij waarvan mag aangenomen worden dat zij tot Speliers' geestesgenoten behoren, zich op de vlakte. Geen mens die zich positief uitsprak over de bevindingen en conclusies die in het boek neergeschreven zijn. In het beste geval beperkte de 'kritiek' zich tot het overnemen van citaten met omschrijvingen die kunnen herleid worden tot 'Speliers beweert' en 'Speliers schrijft'. In Jaarboek VI [4] van het Stijn Streuvelsgenootschap verscheen van de hand van Andries Van den Abeele een bijdrage waarin hij Speliers' boek kritisch onderzoekt en weerlegt. Van den Abeele besluit: 
           
De als pamflet uitgewerkte thesis van Speliers dat Streuvels een "zachte fascist" of  een "passieve collaborateur" was, is dan ook helemaal niet aangetoond, wel  integendeel. Speliers was er nochtans zeker van. Op zijn niet zo elegante manier van  zich uitdrukken, verklaarde hij: "Nu is het duidelijk waar hij [Streuvels] voor stond. Punt. Amen. Maar ik wou dit keer wel goed beslagen ten ijs komen, anders schijten ze morgen op mijn kop." Van dat beslagen zijn is in het boek weinig te merken. De door  de auteur voortvarend aangekondigde "millenniumbom" is niets meer gebleken dan  een nattig rotje.  

Uiteindelijk werd Speliers' Als een oude Germaanse eik definitief naar het rijk der fabelen verwezen in een bijdrage van Marc Reynebeau in Knack [5] . Het boek werd afgekraakt. Citeren uit Reynebeau's recensie is onkies en te pijnlijk voor Speliers.
Met politiek bemoei ik mij niet

Hardleers kan Hedwig Speliers wel genoemd worden. Met de moed een betere zaak waard, kwam hij in de lente van dit jaar (2003) onder de titel Met politiek bemoei ik mij niet [6] met een nieuw gewrocht voor de dag. Het boek kreeg als ondertitel: Tussen democratie en dictatuur: de literatuur in Vlaanderen tijdens het interbellum. Duidelijke opzet van dit nieuwe verhaal: het verder beschadigen van de reputatie van Stijn Streuvels. Al in de inleidende pagina's [7] knoopt hij, als naar zijn wraakbare gewoonte, dubieuze conclusies aan een stelling die bovendien op onjuiste gegevens berust. Daarover meer, verder in deze bijdrage.  

Met politiek bemoei ik mij niet
kwam begin maart van de pers. Op 30 april 2003 besprak Maekeblyde het boek in 't Pallieterke. In de inleidende paragraaf zegt Maekeblyde over de twee al vroeger verschenen biografische boeken over Streuvels:
           
Beide boeken werden overladen met bakken kritiek waardoor er geen spaander meer  overeind bleef.
 
Hij besluit zijn bijdrage met: 'Met dit boek bevestigt "de ouder wordende brompot" – zo wordt Streuvels in het boek omschreven – die Speliers is, ten volle zijn plaats als de onaangevochten antibiograaf van Stijn Streuvels.' Tussenin bestempelt hij de auteur Speliers als 'een vooringenomen man', die 'citaten misbruikt om zijn grote gelijk te kunnen aantonen'. Wie met die instelling pretendeert de historische waarheid te achterhalen, bedriegt zijn lezers.  

Een paar dagen na de recensie in 't Pallieterke werd in de Standaard der Letteren (van 2 mei 2003) een boekbespreking door Elke Brems als volgt ingeleid:  
           
Het boek (Met politiek bemoei ik mij niet, p.t.) is zo tendentieus geschreven dat je kunt             spreken van regelrechte propaganda. Speliers bezondigt zich aan allerhande insinuaties  en legt auteurs woorden in de mond die ze nooit hebben uitgesproken.
Nadat Elke Brems in haar bijdrage heeft gewezen op de technieken die Speliers aanwendt om Streuvels (en andere Vlaamse auteurs) verdacht te maken zonder formele bewijzen aan te voeren, zegt zij: 'naast de al vermelde technieken zijn dat onder meer een hypothetische verteltrant, polarisering, suggestiviteit.' Al wie enigszins vertrouwd is met wat van ernstig biografisch werk mag verwacht worden, weet dat predikaten als deze die Elke Brems Speliers' boek toeschrijft, de complete afwijzing van het boek betekenen. 

Op 23 mei 2003 besprak Sjoerd van Faassen Met politiek bemoei ik mij niet in NRC Handelsblad. Halfweg zijn bijdrage laat Sjoerd van Faassen zich nogal lovend uit over Speliers' geschrijf, onder meer waar hij, refererend naar Als een oude Germaanse eik, zegt dat 'Speliers met een overdonderende kracht van argumenten aantoonde hoe Streuvels zich zowel tijdens de Eerste Wereldoorlog, het interbellum als de Tweede Wereldoorlog met een aan collaboratie grenzende gewilligheid had laten misbruiken door de Duitsers in het kader van hun "Flamenpolitik".' Het is duidelijk dat het Van Faassen is ontgaan dat de 'overdonderende kracht' van Speliers' argumenten door gespecialiseerde Vlaamse recensenten op al even 'overdonderende' manier naar het rijk der fantasie werd verwezen. Op 30 mei stuurde ondergetekende per e-post een reactie – die zonder repliek bleef – naar NCR Handelsblad:

Ter attentie van dhr. Sjoerd van Faassen
Geachte heer
Ik las met belangstelling uw bijdrage 'De strijd met Streuvels' in NRC van 23 mei jl.
Hoewel uw conclusie niet positief is, laat u zich nogal lovend uit over Dag Streuvels, ik ken den weg alleen en Als een oude Germaanse eik. Stijn Streuvels en Duitsland, de biografische geschriften die Hedwig Speliers aan Stijn Streuvels weidde. U weet dat in 1994, zowat onmiddellijk na het verschijnen van de eerste titel, er heel wat positieve reacties verschenen in zowel Vlaanderen als Nederland. Speliers werd in 1995 door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden zelfs gelauwerd met de driejaarlijkse 'Henriëtte de Beaufort-prijs voor de biografie'. Het zal u allicht zijn ontgaan dat korte tijd later de kritiek in alle hevigheid losbarstte. In 2000, bij het verschijnen van de tweede titel waarin Speliers Stijn Streuvels van Duitsgezindheid verdenkt, was er een opvallende afwezigheid van positieve kritiek. Niemand waagde zich nog aan vergaande lof. Integendeel, in een paar bijdragen, waaronder eentje van zowel onverdachte als onverwachte huize (Marc Reynebeau in Knack), werd Speliers' boek finaal de grond ingeboord.
Tot op vandaag, een paar maanden na het uitkomen van het door u gerecenseerde boek, verschenen voor zover mij bekend, in de (Vlaamse) pers slechts twee besprekingen. In geen van beide werd ook maar een spaander heel gelaten van wat Speliers ook nu weer aan het verduldige papier heeft toevertrouwd. Geen recensent die niet vertrouwd is met de door Speliers behandelde materie (het gaat over politieke geschiedenis en in zeer beperkte mate over literaire thematiek), waagt zich er nog aan ook maar een woord over Speliers' jongste boek te publiceren. De schrik zit er blijkbaar goed in. Ook recensenten, soms persoonlijke vrienden van de auteur, worden niet graag in hun hemd gezet door collega's die wél weten waarover het gaat en vooral ook weten hoe bij Speliers de vork in de steel zit. 
'Onwetenschappelijk' en onvoorstelbaar 'vooringenomen', zo wordt, bewijsvoering toegevoegd, Speliers' derde deel van zijn 'Streuvelstrilogie' ook nu weer gekenmerkt.

Wishful thinking
Een van de geraffineerde technieken die Speliers in zijn 'biografisch' werk over Streuvels veelvuldig aanwendt bij het argumenteren is de 'wishful thinking'-formule. Hij gaat vooraf op zoek naar een smeuïg verhaal dat hij dan vanuit schijnbaar objectieve gegevens naar zijn hand zet. Die gegevens wendt hij dan aan om zijn vooropgezette stelling kracht bij te zetten. De lezer, veelal overdonderd door de overvloed aan 'informatie' die hij voorgeschoteld krijgt, heeft op het eerste gezicht geen reden om aan de verhalen van Speliers te twijfelen. Pijnlijk voor hem is echter dat abnormaal veel van zijn stellingen door met de (deel)materies vertrouwde lezers en recensenten stelselmatig worden ontkracht en verworpen. Enkele van die vernietigende kritieken werden hierboven al aangehaald. Speliers maakt schaamteloos misbruik van het onvermogen van de meeste lezers om zijn beweringen op hun correctheid te controleren. Hij voert erg vaak (veel te vaak) 'argumenten' en 'feiten' aan die op fictie berusten en die hij bovendien op zijn 'wishful thinking'-wijze manipuleert. Wat in zijn kraam te pas komt vergroot hij uit en buigt hij om in de zin zoals hij het wenst om zijn vooropgestelde 'stelling' kracht bij te zetten. Daarna trekt hij onbewezen en vooringenomen conclusies. Uiteindelijk probeert hij – bij oningewijde lezers helaas dikwijls met succes – zijn 'hypothesen' en dubieuze stellingen als historische waarheid te laten aannemen. Wat één uit vele mogelijkheden zou kunnen zijn, stelt hij voor – als het in zijn kraam past wel te verstaan – verward, vergezocht en onbewezen, als een zekerheid. Om het met een boutade uit te leggen: wanneer de schoonmoeder van de huisknecht van de zoon van de uitgever van een van Streuvels' Duitse vertalingen een broer had die – volgens Speliers – tien jaar later tijdens W.O. II nazigezind zou worden, dan is het niet verwonderlijk dat ook Streuvels nazigezind was. Op die kronkelende wijze bouwt Speliers zijn stellingen uit. 
Een paar voorbeelden
Al in de eerste bladzijden [8] van zijn jongste boek (Met politiek bemoei ik mij niet) geeft Speliers een schoolvoorbeeld van zijn 'wishful thinking'-tactiek [9]
Waarover gaat het? Ook hier stelt de gewezen katholiek Speliers zich tot doel de Vlaamsgezinde katholiek Stijn Streuvels [10] in een slecht daglicht te plaatsen en verdacht te maken. Hij is voortdurend op zoekt naar kanalen om zijn doel te bereiken. Eenmaal een aanknopingspunt gevonden, legt hij, niet gespeend van een bewonderenswaardige zin voor verbeelding, allerlei hypothetische en onbewezen links, waaruit uiteindelijk een meestal ingewikkelde fantasiestelling voortkomt. Onderweg neemt hij het niet zo nauw met de correctheid van de 'feiten' [11] . Hij gaat er, zoals hoger al gezegd, vanuit dat zijn lezers niet in staat zijn of de moeite niet nemen om een en ander na te trekken. Hij kent de spreuk 'waar rook is, is vuur'. Hij hoopt met wazige rook de lezer ervan te overtuigen dat er ook vuur is. Helaas slaagde hij geregeld in die opzet, ook bij recensenten.
Binnen de mogelijkheden van dit korte bestek wordt aan de hand van een paar typevoorbeelden uit zijn uitgebreid repertoire, getracht de 'wishful thinking'-tactiek van Speliers te hekelen. 
In de 'Intro' van zijn boek heeft Speliers zich weer voorgenomen Streuvels als onbetrouwbaar en Duitsgezind (in de pejoratieve betekenis) voor te stellen. Zijn doel probeert hij te bereiken door 1. te stellen dat Streuvels in zijn memoires, brieven en nagelaten geschriften de waarheid niet zegt, en 2. dat hij te Antwerpen relaties had met vooraanstaande Duitsers (wat volgens Speliers erg verdacht is!). Streuvels sprak de waarheid niet, zo stelt Speliers, toen hij in 1938 in een brief aan een Duitse vriend schreef dat hij zich niet met politiek bemoeide [12] . Speliers neemt de gedachte die voor de hand ligt niet eens in overweging. Voor hem kan het niet dat Streuvels niet anders bedoelde dan dat hij zich nooit partijpolitiek engageerde en geen partijpolitieke noch politiek-ideologische standpunten innam. Dat deed hij evenmin toen later zowat de hele wereld met bewondering opkeek naar wat in Duitsland gebeurde en/of om wie dan ook van zijn vrienden ter wille te zijn. Neen, meent Speliers in zijn correcte alwetendheid: Streuvels bemoeide zich wel met politiek en dus verdoezelde hij de waarheid. Dus is hij, zo insinueert Speliers, verdacht en onbetrouwbaar, we mogen niet veel geloven van wat hij zegt. 
Om zijn stelling kracht bij te zetten, overdondert Speliers zijn lezers met een reeks 'feiten' met bedenkelijke bewijskracht. Zo volgde Streuvels begin 1939 de internationale politiek via een nieuwe aangekochte radio. Vroeger al (in 1896!) had hij politiek kleur bekend door een van zijn schetsen te laten opnemen in een anarchistisch tijdschrift! Bovendien was hij bevriend met socialisten als August Vermeylen en Camille Huysmans en met de 'vrijzinnige liberaal' Fernand Toussaint van Boelaere. Hij had zelfs (in de jaren 1896-1898!) sympathie voor het daensisme! Streuvels onderschreef ook, o schande, de belangrijkste eisen van de Vlaamse beweging, zijn werk getuigt van sociaal engagement, hij ging in 1907 (in een artikel in het tijdschrift Vlaanderen) te keer tegen de bisschoppen, enz. Om al die redenen vindt Speliers dat Streuvels zich wel degelijk met politiek bemoeide. 
De voor de hand liggende uitleg, dat Streuvels in 1938 ongetwijfeld bedoelde geen politiek-ideologische kleur te bekennen noch partijpolitieke standpunten in te nemen, krijgt bij Speliers geen schijn van kans. Die verklaring past niet in het scenario van het verhaal dat hij heeft uitgedacht. Streuvels mag van Speliers nooit rekenen op minimaal het voordeel van de twijfel. Rechttoe rechtaan worden de 'feiten' altijd maar weer in negatieve zin geïnterpreteerd. Zijn ganse betoog heeft enkel tot doel te laten uitschijnen dat Streuvels, zo hij al niet flagrant liegt, dan toch de zaken anders voorstelt dan ze in werkelijkheid zijn (of waren). Maar Hedwig Speliers kan hij niet om de tuin leiden, Hedwig heeft alles fijntjes door… Al bij de motivatie van de keuze van de titel van zijn boek zet Speliers de toon. Hoofdstuk na hoofdstuk (ook in zijn vorige 'biografische' boeken) zal hij ongenuanceerd Streuvels als leugenachtig en onbetrouwbaar bestempelen, hij geeft hem geen enkele kans. Hij is op niets anders uit dan op het postuum verdacht maken en het belasteren van zijn personage. Met tientallen voorbeelden kan dit aangetoond worden, uiteraard veel te veel om hier aan te halen.

De weesschool van Heule  

Dichter bij huis is de stelling die Speliers opbouwt rond het volgens hem niet bestaande Heulse weeshuis. Ook hier probeert hij Streuvels in diskrediet te brengen. Hoe gaat hij daarvoor te werk? In 1909 schreef Streuvels een korte roman, die in 1910 onder de titel De blijde dag opgenomen werd in de bundel Najaar I. Het verhaal speelt zich af in een meisjesweeshuis. Later situeerde de auteur in een niet gepubliceerde notitie, het weeshuis – dat voor zijn roman model had gestaan – in het nonnenklooster te Heule. Dat kan niet, zegt Speliers (p. 14), want in Heule was er alleen maar een klooster en geen weeshuis. Dat is natuurlijk onzin. Speliers negeert (uiteraard) wat Streuvels zelf in zijn autobiografische boek Heule (1942) als bijzonderheid geeft: 'Er was nog (in het kloostercomplex, waar Streuvels schoolliep, p. t.) een oudemannenhuis met boerderij en hoving, een afdeling voor wezenkinderen, (…)'. Betweter Speliers negeert niet alleen wat Streuvels schrijft, maar ook de historische waarheid. In het Heulse klooster was wel degelijk vanaf 1834 [13] tot in de jaren 1950 een weeshuis voor meisjes gevestigd. Met zoveel woorden zegt Speliers dat Streuvels liegt omdat het weeshuis waar hij in werkelijkheid inspiratie haalde voor De blijde dag er een was van (weeral volgens Speliers) bedenkelijk allooi. Hierover verder meer. 
Bedenkelijk allooi
Om het bedenkelijk allooi van Streuvels' inspiratiebron aan te tonen, zet Speliers een bladzijdenlang verhaal op. Die story wordt hier tot het essentiële herleid. Streuvels' Antwerpse vriend Emmanuel de Bom, hoofdbibliothecaris van de Antwerpse bibliotheek, onderhield contacten met ene Wilhelm von Mallinckrodt, een bankier-koopman die bovendien miljonair was en een zwaargewicht onder de (in 1913) 20.000 man tellende Duitse kolonie te Antwerpen. Om zijn lezers te imponeren, geeft Speliers over die von Mallinckrodt een rits niet ter zake doende bijzonderheden. Uiteindelijk blijkt dat de man in Antwerpen ook wilde meewerken aan de oprichting van een nieuwe bibliotheek. De Bom was daar uiteraard in geïnteresseerd. In 1913 berichtte hij zijn goede vriend Streuvels per brief over deze plannen. Bovendien sprak De Bom met de invloedrijke Duitse bankier zo enthousiast over 'de jongere Vlaamse letteren', dat de Duitser vroeg hem wat in het Duits vertaalde werken van zowel Streuvels als van Karel van de Woestijne te willen bezorgen. In oktober 1913 laat De Bom weten dat hij, in afspraak met von Mallinckrodt, plannen heeft om Streuvels uit te nodigen om in de Deutsche Schule (cursief H. Speliers) een lezing te houden. Of die lezing ooit heeft plaatsgevonden en of Streuvels die von Mallinckrodt ooit heeft ontmoet, weet Speliers niet. Voor hem is dit niet relevant, als de stemmingmakerij er maar is. Zo vervolgt hij met een niet ter zake doende uitweiding over de voornoemde Duitse school. Verder geeft hij nog mee dat Streuvels bovendien al voor eind 1913 Duitse contacten had in Antwerpen. Als 'bewijs' blijkt dat Streuvels, stel je voor, vroeger al op de Groenplaats te Antwerpen boeken had gekocht bij een Duitse boekhandelaar (als dat niet verdacht is!). Meer nog, Streuvels heeft 'ongetwijfeld' ook voor 1907 nog andere belangrijke [Duitse] ontmoetingen gehad, zegt Speliers, maar daarover geeft hij geen bijzonderheden.

Er is meer: Streuvels gaf het hoofdpersonage uit zijn De blijde dag (verscheen voor het eerst in 1909) de naam Hélène Grisar. Ook een oom van het meisje, 'Albert Grisar', komt in de roman voor. In Antwerpen woonde een vooraanstaande Duitse familie Grisar. Een al in 1869 (!) overleden telg van die familie, een toen al lang vergeten componist, heette Albert. Maar toch werd te Antwerpen de Albert Grisarstraat naar hem vernoemd. Zijn naam werd volgens Speliers in 1909 door Streuvels overgenomen. Daarenboven was een andere Grisar, ene Hélène, de stichtster van een Antwerps meisjesweeshuis in de Albert Grisarstraat. Mogen we aannemen dat Streuvels de namen uitkoos als een hommage aan de Grisars, 'een van de voornaamste families uit de Duitse kolonie te Antwerpen', vraagt Speliers zich af. Een bewijs geeft hij niet, maar het stellen van de vraag is niet retorisch. Zijn vraag heeft enkel tot doel te insinueren dat Streuvels ongetwijfeld erg veel sympathie moet hebben gehad voor al wat Duits was. Opnieuw enkel maar stemmingmakerij. Het is bijgevolg niet toevallig, zo laat Speliers verder verstaan, dat Streuvels met zijn Duitse sympathieën voorbestemd was om na de oorlog de eis voor amnestie voor gestrafte activisten te onderschrijven of schriftelijk contact te onderhouden met een veroordeelde ex-docent van de Gentse Moritz von Bissing-Universiteit (p. 19), enz, enz. Voor Speliers komt het er enkel op aan Streuvels ook hier in een (uiteraard verdachte) Duitse context te plaatsen.

Speliers besluit zijn verhaal met de conclusie dat Streuvels een en ander heeft verborgen gehouden. Met zijn suggestieve verhaal wil hij laten uitschijnen dat Streuvels dit deed om zijn ingewortelde sympathie voor Duitsland en zijn latere activistische en collaborerende houding (waarvan Speliers hem in zijn inmiddels ontkrachte 'biografieën' beschuldigt) te verdoezelen. Daarom verzweeg hij de naam Grisar ontleend te hebben aan de familie die hij in Antwerpen zou hebben gekend, en dat De blijde dag in het Duitse weeshuis te Antwerpen moet gesitueerd worden en niet in Heule. De eerste stelling steunt op de ongetwijfeld sterke fantasie van Speliers en de tweede is, zoals hoger gezien, finaal onwaar. Speliers verwijt Streuvels een en ander nooit 'bekend' te hebben. Het antwoord daarop moet zijn: Streuvels situeerde De blijde dag terecht in Heule omdat het de waarheid is. De (overigens Franse) naam Grisar koos hij omwille van het wat bijzondere karakter van die niet zo courante naam. De fictieve familie Grisar in de roman is dan ook een uitgesproken 'bourgeoisfamilie'. Of de naam al dan niet gekozen werd naar die van een Antwerpse (Duitse) familie is onbewezen en niet relevant. Wellicht zal Streuvels die naam wel eens gehoord hebben, maar het is onbewezen dat daar meer achter te zoeken valt.  

Om al die redenen worden de drie 'biografische' boeken die Speliers over Streuvels schreef, geplaatst waar ze thuishoren. Dit is op de plank bij de fabeltjes. Met excuses aan de auteurs van fabeltjes.

Paul Thiers

 

 

   Top pagina

 

[1] P. THIERS in Heulespiegel, nr. 24, 1996, p. 10-11.

[2] In hoofdzaak verweet Speliers de belangrijkste critici van die tijd Streuvels en zijn werk als fundamenteel katholiek georiënteerd naar voren te brengen.

[3] Zie meer over de beoordelingen van dit boek in P. THIERS, 'Stijn Streuvels en de "biograaf" Hedwig Speliers', in Heulespiegel, nr. 24, 1996, p. 10-18.

[4] A. VAN DEN ABEELE: 'Speliers en Stijn Streuvels', in Stijn Streuvels en zijn biografen. Jaarboek 6 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 2000, Tielt, Lannoo, 2002, p. 151-190 (ISBN 90 209 4415 0). Deze bijdrage is ook te lezen op internet: http://user.online.be/~sk001007/AndriesVandenAbeele/streuvels_speliers.htm.

[5] M. REYNEBEAU: 'Hoe fout is de eenzame schrijver. Hedwig Speliers schreef een bedenkelijke studie over de "collaborateur"' Stijn Streuvels', in Knack, 30(2000)9, 1 maart, p. 38-39.

[6] H. SPELIERS: Met politiek bemoei ik mij niet, Antwerpen, Manteau/Standaarduitgeverij, 2003, 320 p. (ISBN 90 223 1773 0).

[7] In de 'Intro' onder de titel 'Deze keer is het niet voor mijn plezier. Stijn Streuvels en het verdronken verleden', p. 7-34.

[8] idem.

[9] Tactiek: 'bij de omstandigheden aangepaste wijze van doen om een bepaald doel te bereiken' (Van Dale Groot Woordenboek).

[10] Hedwig Speliers, de (gefrustreerde) mei 68-er, was vroeger zowel Vlaamsgezind als katholiek.

[11] Enkele voorbeelden van die handelswijze werden besproken in P. THIERS: 'Stijn Streuvels volgens Hedwig Speliers', in Stijn Streuvels en zijn biografen, (zie voetnoot 4), p. 133-150.

[12] Vandaar de titel Met politiek bemoei ik mij niet van Speliers' 'studie'.

[13] 'richtten zij (de zusters, p.t.) op 31 oktober 1834 een wezenhuis op voor meisjes'. Zie: L. SOENS: 'Honderd vijftig jaar klooster van Zusters van Liefde van Heule', in Heulespiegel, nr. 8, 1988, p. 7.

 

 

 
 
 
 
   Vorige pagina
 
 
 
   Volgende pagina
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

S T A R T P A G I N A | I N T R O | L I N K S |  F A M I L I E K U N D E | F A M I L I E K R O N I E K

N A A M K U N D E | W A P E N K U N D E | S T A M R E E K S | 

G E N E A L O G I E   R O E L S T R A E T E | KWARTIEREN WOUTER ROELSTRAETE

 | M A N N E K E uit de M A N E | 

HERMAN ROELSTRAETE

H E E M K U N D E | H E U L E S P I E G E L | H E U L E

 

   Top pagina

 
 
 

 

 

 
 
 

 

Voor info en commentaar kan je een e-mailtje sturen naar :

@ Johan Roelstraete
Kransvijver 41, 8501 Heule  -  Tel. 056 32 42 34
Gegevens uit de webstek mogen slechts overgenomen worden met toelating van de auteur.