|
|
|
|
||||||
|
|
LETTERKUNDE |
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
Vanwaar onze belangstelling voor Streuvels ?Streuvels is een geboren Heulenaar. Iedere rasechte Heulenaar voelt zich wel een beetje met Streuvels verbonden. Reeds in het regentaat (1962) maakten we een bescheiden eindwerk over Streuvels, meer bepaald over het volkslied in zijn oeuvre. De beknopte versie hiervan is ooit verschenen in het tijdschrift Iepers kwartier, VII (1971,4) Bij de Streuvelsfeesten in Heule in 1971 – bij de 100ste verjaardag van zijn geboorte dus – hebben we gezorgd voor een genealogisch gedeelte bij de tentoonstelling en dit mondde ook uit op een uitgave: De voorouders van Stijn Streuvels, uitgegeven in 1971 bij Familia et Patria in Handzame. Voordien lieten we reeds de kwartierstaat van Stijn Streuvels verschijnen in Vlaamse Stam. We zijn de eerste geweest die voor onze opzoekingen naar Frankrijk getrokken zijn. Op die manier konden we een aantal zaken rechtzetten die Streuvels niet aanhaalt in zijn Kroniek van de familie Gezelle of in zijn autobiografische werken, o.m. in Heule. Niemand minder dan Professor Garmt Stuiveling wist ons opzoekingswerk te waarderen. Op 23 oktober 1971 schreef hij me hierover een briefje dat ik nu nog piëteitsvol bewaar. In de voetnoten van Streuvels Volledig werk, dl. 4 verwijst hij dan ook herhaaldelijk naar ons werk. Eigenlijk was dit ons debuut als genealoog. In het nr. 30 van Heulespiegel zijn we nog eens teruggekomen op de voorouders van Pieter Jan Gezelle. Dit zijn de vaderlijke voorouders van Louise Gezelle, de moeder van Streuvels. Alles is zeker nog niet uitgezocht. We hopen nog eens De voorouders van Streuvels en Gezelle te herwerken en er een uitgave van te verzorgen. Maar we vragen nog een beetje geduld ! Dit alles neemt niet weg dat we Streuvels in de eerste plaats als auteur blijven bewonderen. We zijn geen Streuvelsverzamelaar, al hebben we die onder onze vrienden, maar we hebben wel een kleine bibliotheek waarin toch iets van en over Streuvels steekt. Streuvels is in onze ogen geen heimat- of boerenschrijver, zoals er sommigen laatdunkend zeggen of schrijven. Hij heeft als geen ander de natuur beschreven, maar meer nog wist hij de mens in die natuur te typeren. Het is vooral zijn psychologische kijk op de mens die ons wist aan te spreken. We beseffen dat niet alles wat hij schreef van gelijke waarde is, Streuvels moest nu eenmaal van zijn pen leven, maar op zijn minst een paar werken behoren tot de wereldliteratuur. We zijn ervan overtuigd dat men binnen vijftig jaar nog altijd Streuvels zal waarderen, misschien meer dan sommigen die nu denken dat ze wereldveroveraars zijn. Voor de rest laat ik de letterkundige waardering over aan de mensen van ’t vak. Men moet trouwens niet alleen over Streuvels schrijven, men moet hem vooral (weer) lezen ! (Ondertussen verscheen van Tom SINTOBIN 'Wie schaft er op de woorden 6?' Vijf keer Streuvels lezen (Gent, 2005) het levend bewijs dat Streuvels wel te lezen is ! Ook zijn meer autobiografische werken blijven me als lokaalhistoricus en genealoog ten zeerste boeien. Met Heule bv. heeft hij een stukje verleden van ons dorp vastgelegd dat geen ander hem kan nadoen. Het gaat om een tijdsdocument van iemand die het zelf beleefde. Streuvels groeide trouwens op in dezelfde omgeving als wijzelf, maar dan wel met een tijdsverschil van 70 jaar ! Via zijn moeder had Streuvels een band met Brugge. We hadden ook hier weer dezelfde ervaring. En mijn vrouw werkte toen ik ze leerde kennen in Avelgem. Parallellen genoeg dus. In de recent uitgegeven briefwisseling van Kathryn SMITS "Een aardig bundeltje brieven". Stijn Streuvels en Emmanuel De Bom. De briefwisseling van de jaren 1900-1914, (Pelckmans), Kapellen, 2005 kan ik me als zoeker helemaal terugvinden. De boeken van Kathryn Smits tonen aan hoe biografisch werk moet aangepakt worden ! Streuvels blijft dus zeker een ereplaats bij ons innemen. En misschien wordt het bij jou ook het geval !
Meer over Streuvels op de webstek van het Streuvelsgenootschap. Voor meer links naar Streuvels en de Nederlandse letterkunde zie onze links. |
n |
||||||
|
|
ENKELE CITATEN OVER STREUVELS’ WERK… we leven in een tijd waarin het denkbeeld wordt
gehuldigd dat alleen wat nieuw is goed is. Wie zitting heeft in een literaire
jury en daardoor verplicht is alleen het nieuwe te lezen, ziet meteen hoe
waanzinnig dat denkbeeld is. Daarom is het goed dat met een uitgave als deze de
Vlaming weer eens een idee krijgt van de rijkdom van zijn eigen literaire canon,
die hij bezig is in ijltempo in te ruilen voor de modieuze, snelle, nauwelijks
nog literair te noemen hap. Hij zal straks in elk geval niet kunnen beweren dat
hij er geen weet van heeft gehad. De Westvlaamse brood- en banketbakker Stijn Streuvels,
wiens prozatalent door De Bom werd ontdekt, zond niet minder dan twaalf
realistisch-naturalistische verhalen in, waaronder de uitgebreidere novellen Lente
en De oogst, die hij later bundelde in Lenteleven (1899) waarmee hij in
Zuid en Noord zijn faam zou vestigen. … … wat we dringend nodig hebben zijn objectieve kritische
studies over het werk van deze man, dat al te vaak in de schaduw van zijn
fascinerende en bijna legendarische persoonlijkheid is komen te staan. De jonge
Streuvels is, naar Europese maatstaven gemeten, een schrijver van formaat, waar
het Nederlandse taalgebied trots op kan zijn. … Over de laatste biografie … Wie zich kan ontdoen van Speliers’ betweterige knulligheid en oeverloze getetter, ziet nochtans een eenvoudig beeld ontstaan: Streuvels had weinig verstand van of belangstelling voor politiek, maar nam de schutkleur aan van het conservatief-katholieke en flamingantische milieu waarin hij zich bewoog, al botste dat wel eens met zijn vitalistische trek in zijn proza. … Een beetje historicus maakt zijn huiswerk, maar Speliers
dus niet.
Zie
voor nieuws over Streuvels ook
blog seniorennet. |
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
Paul Thiers
Omtrent Speliers, het einde van een mythe Voor niet ingewijden past bij de titel van deze bijdrage een woordje
duiding. Het einde van een mythe parafraseert de titel Omtrent Streuvels, het einde van een myte (sic), die Hedwig Speliers
in 1968 meegaf aan het spraakmakende essay dat hij toen over Stijn Streuvels
publiceerde. Over dit werk werd hier in 1996 in het opstel 'Stijn
Streuvels en de "biograaf" Hedwig Speliers'
[1]
met lof
geschreven. Met zijn Omtrent Streuvels
bracht Speliers een nieuwe kijk op het fenomeen Stijn Streuvels en op de –
volgens hem eenzijdige
[2]
– manier waarop de literair-critici en biografen tot dan toe de
figuur en het werk van Streuvels hadden voorgesteld. Naast wantrouwen en
afwijzing die hem te beurt vielen, werd zijn boek toch hoofdzakelijk, zowel
van links als van rechts, erg gewaardeerd en besproken. Hij wist zich in die
jaren een aureool van meest deskundige aller kenners van de figuur en het werk
van Stijn Streuvels, toe te eigenen. Aan die mythe is, vooral dan sinds de
uitgave van zijn 'biografische' studies over Streuvels, een eind gekomen. De
afgang begon ongeveer een jaar na de publicatie (in 1994) van zijn
aanvankelijk met veel lof ontvangen biografie Dag
Streuvels, ik ken den weg alleen. Literatuurwetenschappers haalden dit
boek zo goed als compleet onderuit
[3]
. 'Vooringenomen', 'ontelbaar veel foutieve gegevens', 'ten
overvloede geplagieerd zonder bronvermelding', 'tendentieus' en
'onwetenschappelijk' waren de predikaten die het boek meekreeg. Toch kwam Speliers enkele jaren
later, in 1999, met een nieuw 'Streuvelsboek' voor de dag: Als een oude Germaanse eik. Stijn Streuvels en Duitsland. Met dit
boek zette hij zijn 'operatie beschadigen van Stijn Streuvels' verwoed verder.
De teneur van dit boek kan in één zin worden weergegeven: Stijn Streuvels
(en met hem de hele Vlaamse (katholieke) gemeenschap), was Duitsgezind en
fascistoïde en dat was hij al avant la lettre, het zat hem in de genen. Bij
het verschijnen van dit boek hielden de recensenten, zelfs zij waarvan mag
aangenomen worden dat zij tot Speliers' geestesgenoten behoren, zich op de
vlakte. Geen mens die zich positief uitsprak over de bevindingen en conclusies
die in het boek neergeschreven zijn. In het beste geval beperkte de 'kritiek'
zich tot het overnemen van citaten met omschrijvingen die kunnen herleid
worden tot 'Speliers beweert' en 'Speliers schrijft'. In Jaarboek VI
[4]
van het Stijn Streuvelsgenootschap verscheen van de hand van
Andries Van den Abeele een bijdrage waarin hij Speliers' boek kritisch
onderzoekt en weerlegt. Van den Abeele besluit: Uiteindelijk werd Speliers' Als
een oude Germaanse eik definitief naar het rijk der fabelen verwezen in
een bijdrage van Marc Reynebeau in Knack
[5]
. Het boek werd afgekraakt. Citeren uit Reynebeau's recensie is
onkies en te pijnlijk voor Speliers. Een paar dagen na de recensie in
't Pallieterke werd in de Standaard
der Letteren (van 2 mei 2003) een boekbespreking door Elke Brems als volgt
ingeleid:
Ter attentie van dhr. Sjoerd van Faassen De weesschool van Heule
Dichter bij huis is de stelling
die Speliers opbouwt rond het volgens hem niet bestaande Heulse weeshuis. Ook
hier probeert hij Streuvels in diskrediet te brengen. Hoe gaat hij daarvoor te
werk? In 1909 schreef Streuvels een korte roman, die in 1910 onder de titel De
blijde dag opgenomen werd in de bundel Najaar
I. Het verhaal speelt zich af in een meisjesweeshuis. Later situeerde de
auteur in een niet gepubliceerde notitie, het weeshuis – dat voor zijn roman
model had gestaan – in het nonnenklooster te Heule. Dat kan niet, zegt
Speliers (p. 14), want in Heule was
er alleen maar een klooster en geen weeshuis. Dat is natuurlijk onzin.
Speliers negeert (uiteraard) wat Streuvels zelf in zijn autobiografische boek Heule
(1942) als bijzonderheid geeft: 'Er was nog (in het kloostercomplex, waar
Streuvels schoolliep, p. t.) een oudemannenhuis met boerderij en hoving, een
afdeling voor wezenkinderen, (…)'. Betweter Speliers negeert niet alleen wat
Streuvels schrijft, maar ook de historische waarheid. In het Heulse klooster
was wel degelijk vanaf 1834
[13]
tot in de jaren 1950 een weeshuis voor meisjes gevestigd. Met
zoveel woorden zegt Speliers dat Streuvels liegt omdat het weeshuis waar hij
in werkelijkheid inspiratie haalde voor De
blijde dag er een was van (weeral volgens Speliers) bedenkelijk allooi.
Hierover verder meer. Er is meer: Streuvels gaf het
hoofdpersonage uit zijn De blijde dag
(verscheen voor het eerst in 1909) de naam Hélène Grisar. Ook een oom van
het meisje, 'Albert Grisar', komt in de roman voor. In Antwerpen woonde een
vooraanstaande Duitse familie Grisar. Een al in 1869 (!) overleden telg van
die familie, een toen al lang vergeten componist, heette Albert. Maar toch
werd te Antwerpen de Albert
Grisarstraat naar hem vernoemd. Zijn naam werd volgens Speliers in 1909 door
Streuvels overgenomen. Daarenboven was een andere Grisar, ene Hélène, de
stichtster van een Antwerps meisjesweeshuis in de Albert Grisarstraat. Mogen
we aannemen dat Streuvels de namen uitkoos als een hommage aan de Grisars,
'een van de voornaamste families uit de Duitse kolonie te Antwerpen', vraagt
Speliers zich af. Een bewijs geeft hij niet, maar het stellen van de vraag is
niet retorisch. Zijn vraag heeft enkel tot doel te insinueren dat Streuvels
ongetwijfeld erg veel sympathie moet hebben gehad voor al wat Duits was.
Opnieuw enkel maar stemmingmakerij. Het is bijgevolg niet toevallig, zo laat
Speliers verder verstaan, dat Streuvels met zijn Duitse sympathieën
voorbestemd was om na de oorlog de eis voor amnestie voor gestrafte activisten
te onderschrijven of schriftelijk contact te onderhouden met een veroordeelde
ex-docent van de Gentse Moritz von Bissing-Universiteit (p. 19), enz,
enz. Voor Speliers komt het er enkel op aan Streuvels ook hier in een
(uiteraard verdachte) Duitse context te plaatsen.
Speliers besluit zijn verhaal
met de conclusie dat Streuvels een en ander heeft verborgen gehouden. Met zijn
suggestieve verhaal wil hij laten uitschijnen dat Streuvels dit deed om zijn
ingewortelde sympathie voor Duitsland en zijn latere activistische en
collaborerende houding (waarvan Speliers hem in zijn inmiddels ontkrachte
'biografieën' beschuldigt) te verdoezelen. Daarom verzweeg hij de naam Grisar
ontleend te hebben aan de familie die hij in Antwerpen zou hebben gekend, en
dat De blijde dag in het Duitse
weeshuis te Antwerpen moet gesitueerd worden en niet in Heule. De eerste
stelling steunt op de ongetwijfeld sterke fantasie van Speliers en de tweede
is, zoals hoger gezien, finaal onwaar. Speliers verwijt Streuvels een en ander
nooit 'bekend' te hebben. Het antwoord daarop moet zijn: Streuvels situeerde De
blijde dag terecht in Heule omdat het de waarheid is. De (overigens
Franse) naam Grisar koos hij omwille van het wat bijzondere karakter van die
niet zo courante naam. De fictieve familie Grisar in de roman is dan ook een
uitgesproken 'bourgeoisfamilie'. Of de naam al dan niet gekozen werd naar die
van een Antwerpse (Duitse) familie is onbewezen en niet relevant. Wellicht zal
Streuvels die naam wel eens gehoord hebben, maar het is onbewezen dat daar
meer achter te zoeken valt.
Om al die redenen worden de drie
'biografische' boeken die Speliers over Streuvels schreef, geplaatst waar ze
thuishoren. Dit is op de plank bij de fabeltjes. Met excuses aan de auteurs
van fabeltjes.
Paul Thiers
|
|
||||||
|
|
[1] P. THIERS in Heulespiegel, nr. 24, 1996, p. 10-11. [2] In hoofdzaak verweet Speliers de belangrijkste critici van die tijd Streuvels en zijn werk als fundamenteel katholiek georiënteerd naar voren te brengen. [3] Zie meer over de beoordelingen van dit boek in P. THIERS, 'Stijn Streuvels en de "biograaf" Hedwig Speliers', in Heulespiegel, nr. 24, 1996, p. 10-18. [4] A. VAN DEN ABEELE: 'Speliers en Stijn Streuvels', in Stijn Streuvels en zijn biografen. Jaarboek 6 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 2000, Tielt, Lannoo, 2002, p. 151-190 (ISBN 90 209 4415 0). Deze bijdrage is ook te lezen op internet: http://user.online.be/~sk001007/AndriesVandenAbeele/streuvels_speliers.htm. [5] M. REYNEBEAU: 'Hoe fout is de eenzame schrijver. Hedwig Speliers schreef een bedenkelijke studie over de "collaborateur"' Stijn Streuvels', in Knack, 30(2000)9, 1 maart, p. 38-39. [6] H. SPELIERS: Met politiek bemoei ik mij niet, Antwerpen, Manteau/Standaarduitgeverij, 2003, 320 p. (ISBN 90 223 1773 0). [7] In de 'Intro' onder de titel 'Deze keer is het niet voor mijn plezier. Stijn Streuvels en het verdronken verleden', p. 7-34. [8] idem.
[9]
Tactiek: 'bij de omstandigheden aangepaste
wijze van doen om een bepaald doel te bereiken' (Van Dale Groot
Woordenboek). [10] Hedwig Speliers, de (gefrustreerde) mei 68-er, was vroeger zowel Vlaamsgezind als katholiek. [11] Enkele voorbeelden van die handelswijze werden besproken in P. THIERS: 'Stijn Streuvels volgens Hedwig Speliers', in Stijn Streuvels en zijn biografen, (zie voetnoot 4), p. 133-150. [12] Vandaar de titel Met politiek bemoei ik mij niet van Speliers' 'studie'. [13] 'richtten zij (de zusters, p.t.) op 31 oktober 1834 een wezenhuis op voor meisjes'. Zie: L. SOENS: 'Honderd vijftig jaar klooster van Zusters van Liefde van Heule', in Heulespiegel, nr. 8, 1988, p. 7. |
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
S T A R T P A G I N A | I N T R O | L I N K S | H U I S B I B L I O T H E E K | F A M I L I E K U N D E | F A M I L I E K R O N I E K
N
A A M K U N D E G E N E A L O G I E R O E L S T R A E T E V O L K S K U N D E | M A N N E K E uit de M A N E | E G L A N T I E R |
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
Voor info en commentaar kan je een e-mailtje sturen naar :
@ Johan
Roelstraete |
|
||||||
|
|
|
|
||||||