![]()
1.a Kasa-Vubu
|
Geboren in Tshela in 1910 of 1917 in Beneden-Congo. |
|
Justine Kasa-Vubu
De dochter van de eerste president van Congo verbleef jarenlang in Brussel waar zij aanvankelijk als
woordvoerster optrad van de UDPS, de oppositiepartij rond Etienne Tshisekedi. Sinds november 1996 was zij gebrouilleerd met de partij. Kasa-Vubu, een Kongo uit de
Bas-Zaïre, trad na lang aarzelen toe tot de regering als minister voor Ambtenarenzaken. In augustus ging het gerucht dat ze gewipt was als minister.
Maar in september 97 streek ze in Brussel neer als nieuwe ambassadrice voor Congo.
1.b Mobutu, Joseph-Désiré, ook Mobutu Sese-Seko Kuku Ngbendu Wa Za Banga
|
Geboren te Lisala, Evenaarsprovincie op 30 okt. 1930. |
|
1.c KabilaLaurent-Désiré
|
Geboren te Ankoro in 1938, behorend tot de Luba-bevolkingsgroep uit Noord-Katanga (Shaba). Etnisch
is Kabila een "Luba-Kat", een lid van de Katangese tak van het Luba-volk,
dat ook in Kasaï dominant aanwezig is. |
|
Na de val van Stanleystad, de zetel van de ,,Volksregering'' van Gbenye, trok hij zich terug
in het maquis aan het Tanganyka-meer. Daar kreeg hij zeven maanden lang het
gezelschap van Che Guevara, de Latijns-Amerikaanse revolutionair.
In 1967 richtte Kabila de Revolutionaire Volkspartij (PRP) op en vanuit haar
basis in de bergen rond Fizi en Baraka voerde de militaire vleugel onder
leiding van Kabila 18 jaar strijd tegen het bewind van Joseph-Désiré Mobutu. Na
een offensief van het Zaïrese leger eind 1984 werd de PRP verdreven en Kabila
verdween. In oktober 1996 presenteerde Kabila zich als leider van de nieuwe
verzetsbeweging ADFL, (de Alliance des Forces Démocratiques pour la
Libération du Congo (AFDL)). een alliantie van zeker vier
oppositiebewegingen uit Oost-Zaïre waaronder Kabila's PRP. Kabila en het ADFL
brachten het bewind van Mobutu ten val.
Ondertussen bouwde hij in bijna vier jaar tijd een autocratisch regime uit dat
een doorslagje is van het Mobutisme in zijn hoogdagen. Hij bestuurt het
overblijvende derde van Congo dat nog niet veroverd is als zijn persoonlijk
bezit. Hij kan in deze oorlog rekenen op de steun van Angola, Namibië en
Zimbabwe. Angola en Namibië trokken hun soldaten terug in 2002.
(De Zimbabwaanse president Robert Mugabe verklaarde op 13 augustus 2002 op
televisie dat hij zijn soldaten uit Congo zal terugtrekken. Hij gaf wel geen
tijdschema voor de terugtrekking. Officieel zijn er zo'n 3.000 Zimbabwaanse
soldaten in Congo. Maar waarnemers schatten dat 8.000 a 10.000 een
realistischer cijfer is.)
Kabila bewapent ook de Mayi-Mayi, de "interahamwe" en Burundese Hutu-rebellen.
Vermoord door een lijfwacht op dinsdag 16 januari 2001.
Kabila is de 26ste Afrikaanse postkoloniale leider die vermoord werd. (
Sylvanus Olympio van Togo was de eerste in 1963).
1.d. Joseph Kabila
|
Joseph Kabila: een Luba uit Katanga, zoon van de in januari 2001 gestorven president. |
|
Vader Laurent Kabila, zelf geboren uit een Lunda-moeder en Luba-vader, allebei uit Katanga, was voor de derde keer in het huwelijk getreden, deze keer met Sifa Maanya. Die laatste behoort tot het Bango Bango-volk uit Maniema en heeft, net zomin als Laurent Kabila, ook maar één druppeltje Rwandees bloed. Onder de druk van de aanvallen van het leger van Mobutu vluchtte de familie naar Dar Es Salaam, waar ze bleef tot ongeveer 1996, met uitzondering van een intermezzo in Kampala. Om veiligheidsredenen hadden de familieleden Kabila wellicht een Tanzaniaans paspoort. En toch doet het gerucht de ronde dat Joseph de zoon is van een zeker Kanambe. Deze Kanambe bestond wel degelijk, maar het was een militair commandant van Kabila's maquis, van Rwandese afkomst maar komende uit Rutshuru (Noord-Kivu). Met zijn eerste vrouw had Kanambe een zoon: Selemani, ongeveer van dezelfde leeftijd als Joseph en tegelijk diens speelkameraad. Toen Kanambe stierf in 1985, nam Laurent Kabila zijn tweede vrouw Vumilia tot echtgenote - vandaar de verwarring.
Klik hier voor zijn regering op 14 april 2001.
Klik hier voor zijn toespraak op 16 mei 2005.
1.e. De vice-presidenten, juli 2003.
Yerodia Abdoulaye Ndombasi a été désigné par la composante gouvernement. Il
va superviser la Commission pour la reconstruction et le développement. Né à
Mbanza-Ngungu le 5 janvier 1933, Yerodia est originaire du village de Poko,
territoire de Madimba, district de la Lukaya, province du Bas-Congo. Il est
marié.
Il fit ses études primaires à Kisongi à Mbanza-Ngungu, à Saint-Pierre et à
Sainte Anne. Il poursuivit ses études secondaires à Sainte Anne, à Kinshasa et
au Lycée Savorgnan de Brazzaville. Il fit ses études universitaires à la
Sorbonne de Paris. Comme professions exercées, il est professeur psychanalyste
et a été directeur de cabinet du chef de l’Etat sous Kabila père et ministre
d’Etat d’abord aux Affaires étrangères puis à l’Education nationale.
Jean-Pierre Bemba Gombo, président du Mlc, J.P Bemba est né à Bokasa, le 4
novembre 1962. Il est originaire du territoire de Mbungu, district du
Sud-Ubangi (Equateur). Il est marié à Liliane et père de cinq enfants. Il fit
ses études primaires à l’école royale de Placide Rempels et à l’ Athénée de
Brege, en Belgique. Il se retrouva ensuite à l’Institut des hautes études
commerciales (Ichec) à Bruxelles. Il est diplômé en économie et développement.
Directeur général du groupe Scibe-Zaïre et administrateur de sociétés, il
embrassa sa carrière politique par la création du Mlc, ex-rébellion.
Azarias Ruberwa Manywa a été désigné par la composante Rassemblement
congolais pour la démocratie. Il est né a Rugeri , dans le Haut plateau de
Minembwe dans la province du Sud-Kivu, le 20 août 1964. Il est marié à
Namanyanga et père de trois enfants.
Il fit ses études primaires ainsi que son cycle d’orientation à Minembwe, ses
études secondaires à l’Institut de la Lukwa à Kalemie. Il décrocha son diplôme
de licence en droit à l’université de Lubumbashi.
Quant à sa carrière, il est avocat au barreau de Lubumbashi à partir du 7 août
1990, au barreau de Goma à partir de 2000. Concernant sa carrière politique, il
a été directeur de cabinet du ministre des Affaires Etrangères de 1997 à 1998 à
Kinshasa, il est membre du Rcd/Gorna depuis août 1998 où il a occupé
successivement plusieurs postes avant d’être désigné président.
Arthur Z’Ahidi Ngoma désigné par l’opposition politique, est né à Kalima en
Rdc, le 18 septembre 1947 et parle l’anglais, le français le swahili et le
lingala. Marié et père de 4 enfants, il est licencié en droit de l’université
d’Orléans en France, en 1966. Il est docteur d’Etat en droit à l’université de
Paris I et lauréat de l’université Panthéon en 1981.
Il s’est spécialisé en droit international public, droit international
économique, droit international financier à l’université de Paris I en 1997.
S’agissant de ses activités professionnelles, il a passé 20 années comme
fonctionnaire à l’Unesco. Il est président des états généraux de l’opposition.
2. Lumumba
|
Geboren te Onalua, territorium Katako Kombe, Sankuru-Kasai op 2 juli 1925. |
|
Begin september werd hij door president Kasavubu
van zijn functie ontheven.
Op 14 sept. werden de Kongolese politici 'geneutraliseerd' door kolonel Mobutu.
Gedurende twee maanden verbleef Lumumba in zijn residentie, bewaakt door een
leger van de Verenigde Naties. Op 27 nov. slaagde hij erin te ontsnappen, maar
hij werd op weg naar Stanleystad op 2 dec. 1960 aangehouden te Port-Francqui,
op 17 jan. 1961 naar Katanga overgebracht en in februari bij Lubumbashi om het
leven gebracht.
Gerard Soete, de Belg die aan het hoofd stond van de Katangese politie, kreeg
de opdracht om het lijk voorgoed te laten verdwijnen.
Lumumba werd, vooral door vele jonge Afrikaanse staten, als een martelaar voor
de Afrikaanse zaak beschouwd.
Ludo De Witte stelt in zijn boek "De Moord op Lumumba" dat de
toenmalige regering-Gaston Eyskens achter de moord zat.
Uit archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat Brussel al
in oktober 1960 een "plan-Barracuda" had om Lumumba uit de weg te
ruimen. "Belangrijkste na te streven doelstelling in het belang van Congo,
Katanga en België is natuurlijk de definitieve eliminatie van Lumumba",
schreef de minister van Afrikaanse Zaken, d' Aspremont Lynden, op 6 oktober in
een telegram aan zijn medewerkers in Elisabethstad (Lubumbashi) en
Congo-Brazzaville. En uit een reconstructie van de laatste dagen voor 17
januari 1961 blijkt volgens De Witte dat dezelfde d' Asprernont de uitlevering
beval van Lumumba aan de Katangese secessie, waarvan iedereen wist dat dit
gelijkstond aan de betekenis van een doodvonnis.
Oktober 2000 stelt Manu Ruys in zijn boek "Waarom Lumumba moest sterven" dat Lumumba nooit werd gesteund door ons land, zelfs werd tegengewerkt. De oppositie werd vrij spel gegeven om hem te liquideren.
In mei 2000 wordt er een onderzoekscommissie opgericht om de ware toedracht te achterhalen, voorzitter
is Geert Versnick. Zana Etambala ,
genoemd als een van de mogelijke experts voor de commissieleden, wordt
opzijgezet wegens een polemiek met Ludo De Witte, die Zana ervan verdenkt een
"CVP-onderzeeër" te zijn...
Op 30 mei 2000 werden de deskundigen aangeduid.
Een van de vier experts is professor Luc De Vos, hoogleraar aan de Koninklijke
Militaire School en de KU Leuven. Emmanuel Gerard is een historicus die het
departement politieke wetenschappen aan de KU Leuven leidt. Hij doceert onder
meer politieke geschiedenis van België.
Aan Franstalige zijde is, er Jules Gerard-Libois stichter van het Franstalige
onderzoekscentrum voor sociaal-politieke informatie, Crisp. Hij geldt als een
specialist van de Belgische instellingen. Hij is eveneens medestichter van het
Afrika Studie- en Documentatiecentrum CEDAF/ASDOC en publiceerde al over
Lumumba.
Philippe Raxhon is historicus aan de universiteit. van Luik. Hij is
aangetrokken voor de kritische doorlichting van het bronnenmateriaal.
Er komen drie ad hoc-experts: de specialisten internationaal recht Eric David
(ULB) en Eric Suy, emeritus van de KU Leuven en voormalig
adjunct-secretaris-generaal van de VN. Beiden hebben de Rwanda-commissie van de
Senaat begeleid. Ten slotte is er de Congolese historicus Jean Tshonda
Omasombo, die al over Patrice Lumumba publiceerde.
De commissie vond het niet opportuun Omasombo als volwaardig expert in te
schakelen wegens van zijn uitgesproken standpunt in de problematiek. Dat
laatste lokt bij andere afrikanisten, die Omasombo als een onafhankelijke
wetenschapper en eminent Lumumba-kenner waarderen, wenkbrauwgefrons uit.
Een opinie hierover: klik hier
Een stand van zaken op 20 november 2000: klik hier
Een stand van zaken op 7 juni 2001: klik hier
Opinie van Jean Van Lierde, voormalige vriend van Patrice Lumumba: klik hier
Een artikel uit de Time, 22 juni 2001: klik hier
Koning Boudewijn trad buiten zijn rol in Congo-crisis, artikel 16 november 2001: klik hier
De deskundigen die door de parlementaire onderzoekscommissie "Lumumba" belast zijn met het
historisch onderzoek hebben op woensdag 6 juni 2001 tijdens de openbare vergadering van de commissie een synthesenota met de vaststellingen die hun
onderzoeken hebben opgeleverd, voorgesteld: 6juni01.pdf, 22kB.
Rapport van het parlementair onderzoek met het oog op het vaststellen van de
precieze omstandigheden waarin Patrice Lumumba werd vermoord en van de
eventuele betrokkenheid daarbij van Belgische politici; Belgische Kamer Van
Volksvertegenwoordigers, 16 november 2001: 16november01.pdf, 213kB.
Stand van zaken op 6 februari 2002: klik hier
Zie ook het Lumumba-dossier van de Standaard.
"Patrice Lumumba, Jeunesse et Apprentissage Politique (1925 - 1956)" is een boek van Jean Omasombo, Congolese professor en historicus.
Dit boek kost een 800 frank en is te bestellen bij het Afrika Instituut (tel: 02/768 19 93)
Daarin wordt o.a. verteld dat de ouders van Lumumba hem de naam Tasumbu Tawosa
hadden gegeven. Hij liet zich echter door zijn vriendjes in zijn geboortedorp
Patrice Osungu noemen, wat zoveel betekent als Patrice de blanke. Toen hij
later in Kindu ging wonen, liet hij die naam vallen en koos voor Lumumba.
Uit De Standaard van 10/08/2000:
"Eisenhower gaf opdracht moord op Lumumba." De voormalige Amerikaanse
president Dwight Eisenhower zou opdracht hebben gegeven tot de moord op Patrice
Lumumba, toenmalig premier van Congo. Dat meldde de Washington Post dinsdag. De
informatie komt volgens de krant uit een memorandum waarin indirect verslag
wordt uitgebracht van een bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad in 1960.
Dat memorandum werd deze week openbaar gemaakt door het Amerikaanse Nationale
Archief. Robert Johnson, verslaggever van de bijeenkomst van de Nationale
Veiligheidsraad op 18 augustus 1960, zei de voorzitter van de
inlichtingencommissie van de Senaat op 10 juni 1975 dat Eisenhower tijdens de
bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad in 1960 tegen CIA-baas Allen
Dulles, en terwijl iedereen het horen kon, zei dat Lumumba geëlimineerd moest
worden. Er viel een stilte van 15 seconden alvorens de zitting werd hernomen, aldus Johnson.
De CIA stuurde in 1960 een arts naar Congo om Lumumba te vergiftigen, aldus de
Post. Dulles stuurde ook een bericht naar de CIA-verantwoordelijke in Congo op
26 augustus 1960. Daarin zei Dulles dat "men het er op hoog niveau over
eens is dat het aanblijven van Lumumba zal resulteren in chaos of in het ergste
geval zal leiden tot een overname door de communisten". Het uit de weg
ruimen van Lumumba was volgens Dulles dus dringend en prioritair, aldus nog de Post.
De Haïtiaanse cineast Raoul Peck maakte een fictiefilm Lumumba. De nadruk ligt op de reconstructie
van de belangrijke momenten in het leven van Patrice Lumumba.
Productie: Jacques Bidou
Scenario: Raoul Peck & Pascal Bonitzer
Regie: Raoul Peck
Fotografie: Bernard Lutic
Acteurs:
Eriq Ebouaney (Lumumba) / Alex Descas (Mobutu) / Maka Kotto (Joseph Kasa Vubu)
/ Maram Kaba (Pauline Lumumba)
De film speelt vanaf oktober '00 in Antwerpen, Brugge, Brussel, Gent en Leuven
(verdeler: Cinélibre)
Vóór deze langspeelfilm maakte Raoul Peck in 1991 al een veelgeprezen
documentaire over Lumumba.
3. Tsjombe, Moïse Kapenda
Geboren te Musumba 18 nov. 1919.
Gestorven in Algerije op 29 juni 1969.
Kongolees politicus en voormalig premier, riep als leider van de in 1959 opgerichte CONAKAT-partij en als voorstander van een federatief Kongo op 11 juli 1960 de onafhankelijkheid uit van de provincie Katanga, waarvan hij na de onafhankelijkheid van Kongo (van 1971 tot 1997 Zaïre) premier was geworden.
Die secessie gebeurde zemfs met Belgische steun.
Door strijdkrachten van de Verenigde Naties tot capitulatie gedwongen, week Tsjombe in dec. 1962 uit, maar medio 1964 keerde hij terug als premier van Kongo. Met hulp van buitenlandse huurtroepen bestreed hij opstandige bewegingen van aanhangers van de in 1961 in Katanga vermoorde Patrice Emery Lumumba.
Tsjombe werd in okt. 1965 door president Kasavubu ontslagen, door het bewind van Mobutu begin 1967 wegens hoogverraad bij verstek ter dood veroordeeld en in juni 1967 vanuit Spanje naar Algerije ontvoerd, waar hij in gevangenschap stierf.
4. Abacost
Nationaal "kostuum" van het toenmalige Zaïre, ingevoerd door Mobutu. Komt van "à bas costume", weg met het kostuum en is afgekeken van de Chinezen.
RCD/Goma: De Rassemblement Congolais pour la Démocratic (RCD) is de oudste Congolese rebellenbeweging, opereert vanuit de oostelijke stad Goma en wordt gepatroneerd door het regime van de Rwandese president Paul Kagame. Door de felle oppositie van de interahamwe en de Mayi-Mayi controleert ze enkel de belangrijkste steden. Volgens de VN zijn de schendingen van de mensenrechten binnen het RCD-gebied nog erger dan in het territorium dat Kabila controleert. Omdat het interne gekrakeel binnen de bonte RCD wat te veel de spuigaten uitliep, benoemde Kigali Adolph Onusumba tot leider.
Hij werd minister van defensie in de regering Kabila.
|
MLC: De Mouvernent pour la Libération du Congo van Jean-Pierre Bemba controleert het noordwesten van Kongo en overleeft dankzij de militaire steun van Oeganda. De troepen van Bemba belegeren de strategische stad Mbandaka aan de Congorivier, maar kregen onder meer van de Angolese president Dos Santos te horen dat van een aanval op de stad geen sprake kon zijn. Als enige rebellenbeweging is de MLC populair bij de bevolking in de Evenaarsprovincie. |
|
RCD-ML: Mouvement de Libération.
De derde rebellenbeweging in het noordoosten stelt niets meer voor. Voorzitter Wamba dia Wamba, de eerste president van de RCD, is in een machtsstrijd verwikkeld met Mbusa Nyamwisi en Tibasima.
Momenteel is Mbusa Nyamwisi de baas en spreekt men van RCD-K/M-L, Rassemblernent Congolais pour la Démocratic, afsplitsing Kisangani.
Lendu-milities, eveneens bewapend door Ugandese soldaten kiezen zijn kant.
Mbusa werd minister in de regering Kabila.
De Hema, met steun van het Ugandese leger en de Hema-milities van Thomas Lubanga (die zich afscheurde van het RCD-ML) vechten tegen het RCD-ML en de Lendu. Nochtans was Mbusa de vroegere bondgenoot van Uganda.
De Congolese president Joseph Kabila onderhield de voorbije maanden (zomer 2002) betere relaties met de RCD-ML en stuurde Mbusa onder meer wapens. Dit moet hem helpen om vroeg of laat de steden Isiro (met luchthaven!) en Bafwasende te veroveren op Roger Lumbala.
Die krijgsheer staat aan het hoofd van de rebellenbeweging RCD-National en onderhoudt op zijn beurt goede banden met rebellenleider Jean-Pierre Bemba van de Mouvement pour la Libération du Congo. En alles wat Bemba verzwakt, komt Kabila goed uit…
Rassemblement Congolais pour la Démocratie-Nationale van Roger Lumbala.
Deze laatste drie vormden na de dood van Kabila senior een coalitie, het FLC, Front pour la Libération du Congo met als leider Bemba.
Lumbala werd minister in de regering van Kabila en werd later geschorst.
Masusu, een Banyamulenge en ex-commandant van Kabila senior (en bij hem in ongenade gevallen) is in
opstand getreden tegen Kagame en vecht dus nu tegen zijn eigen Tutsi - soortgenoten.
Naar verluid zou Rwanda Hutu gevangenen vrijlaten, die zich dan aansluiten bij de Interahamwe die binnenvallen in Rwanda zodat Rwanda een motief heeft voor een verdere bezetting in Oost-Congo, een Machiavellistische redenering…..
|
Krijgsheer Thomas Lubanga van de Union des Patriotes Congolais (UPC) steunt op de Hema-etnie en kon rekenen op de steun van Uganda. |
|
|
Kizza Besigye daagde in maart 2001 Museveni, de huidige Ugandese president uit bij de presidentsverkiezingen, verloor die en nam later de benen. Vanuit de Ituri zou hij met 1.500 Ugandese stoken tegen Museveni, ook weer met steun van Rwanda. |
|
|
Wie is bang van Laurent Nkunda?. |
|
Een van de grootste stoorzenders in Oost-Congo is de beruchte rebellenleider Laurent Nkunda, een Congolese Tutsi, die generaal was in het Congolese regeringsleger (FARDC). Hij deserteerde en verzamelde in het oosten van Congo enkele duizenden rebellen, naar eigen zeggen om de belangen van de etnische Tutsi-minderheid in Congo te verdedigen.
Nkunda wordt verondersteld nog altijd de militaire en financiële steun van Congo's kleine buur Rwanda te genieten, dat door de Tutsi-elite rond president Paul Kagame wordt geleid.
Nkunda's grote vijand in het oosten van Congo is het FDLR, extremistische Hutu-rebellen uit Rwanda met in hun gelederen een aantal oud-genocidaires, uit de volkerenmoord van 1994 in Rwanda.
De Tutsi-generaal Nkunda verwijt het Congolese regeringsleger in het oosten met het FDLR tegen hem samen te spannen. Waarnemers twijfelen echter aan de slagkracht van dat FDLR, dat sterk versnipperd zou zijn en zelfs geen commando-eenheid meer zou hebben.
Congo beschuldigt Laurent Nkunda van oorlogsmisdaden, en heeft in 2005 een aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd. Het grootschalige legeroffensief tegen Nkunda's militie heeft de rebellen de voorbije weken bijzonder zware slagen toegebracht. Nkunda, die begin deze week een kortstondig bestand verbrak, riep woensdagavond laat dan weer op het bestand te herstellen.
De rebellenleider verzekerde dat hij een staakt-het-vuren in de provincie Noord-Kivu ditmaal zou respecteren. Hij gaf ook toe dat zijn mannen de voorbije weken de controle over minstens vijf dorpen rond Goma, de provinciehoofdstad van Noord-Kivu, hebben verloren. Zijn militaire slagkracht heeft een zware dreun gekregen; in het oosten zou hij nog zo'n 4.000 manschappen tellen.
In Oost-Congo wordt het Congolese regeringsleger aangevuld met een groot deel van de 17.000 troepen van de Monuc, de stabilisatiemacht van de Verenigde Naties. De militair sterk verzwakte Nkunda houdt zich ergens in het oosten schuil, maar blijkbaar weet iedereen hem daar wel te vinden.
Waarom wordt Nkunda dan niet opgepakt? Het lijkt steeds evidenter dat Nkunda niet om een militaire, maar wel om een politieke reden op vrije voeten blijft.
De arrestatie van Nkunda door Congo zou volgens waarnemers veel te zwaar wegen op Congo's troebele relatie met Rwanda. Rwanda ziet voor Nkunda geen rol op lange termijn. Kigali zou bereid zijn hem helemaal te laten vallen, mits Kinshasa dan ook niet langer de Hutu-rebellen (FDLR) in het oosten ondersteunt.
Die ruil heeft de Rwandese president Paul Kagame zijn Congolese collega Joseph Kabila onlangs voorgesteld, tijdens hun ontmoeting in New York. Die diplomatieke dialoog mag zeer betekenisvol worden genoemd.
Ook positief is dat Kabila volgens waarnemers zelf steeds minder lijkt te geloven in de militaire interventie in het oosten. Uit vrees voor een totale ontsporing - de militaire bemoeienis van Congo's buurlanden Rwanda en Uganda, met een open oorlog in de regio tot gevolg - is minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht de voorbije maanden bij Kabila voor een diplomatieke oplossing blijven pleiten.
Kabila, tegelijk president en opperbevelhebber van het leger, lijkt daar meer open voor te staan, maar wordt gegijzeld door zijn machtige legertop en zijn eigen besluiteloosheid.
Door de diplomatieke stappen wordt de kans op een open oorlog in de regio wel geringer. Rwanda begrijpt steeds meer het belang van een stabiel Oost-Congo. En waarnemers menen dat zowel Rwanda als Uganda geen plannen heeft om (opnieuw) Congo binnen te vallen. Beide buurlanden beseffen dat een inval politiek zeer moeilijk te verkopen is. En daarnaast zijn Rwanda en Uganda nog altijd in grote mate afhankelijk van buitenlandse hulp.
Uit de Standaard, 12/10/2007
In januari 2009 liet Rwanda uiteindelijk zijn stroman, de rebellenleider Laurent Nkunda, als een baksteen vallen, om vlak daarna met het Congolese leger in de Kivu-streek op de Hutu-rebellen te gaan jagen.
Congo integreerde razendsnel, en zonder enige voorbereiding, Nkunda's Tutsi-militie in het Congolese regeringsleger.
Nkunda werd gearresteerd.
Germain Katanga, stond in 2003 aan het hoofd van het Front de Résistance Patriotique de l'Ituri (FRPI).
Katanga, ook bekend onder zijn oorlogsnaam 'Simba', zat al sinds maart 2005 in de cel in Kinshasa. De Congolese regering droeg hem in oktober 2007 over aan het Internationaal Strafhof in Den Haag..
Bosco Ntaganda
Bosco Ntaganda is anno 2012 de spin in het web van geweld en plundering in Noord-Kivu, Oost-Congo. De Terminator ontvoert mensen, smokkelt grondstoffen naar Rwanda en laat bos kappen in het Virungapark. Hoewel Ntaganda door het Internationaal Strafhof wordt gezocht voor misdaden tegen de menselijkheid, woont hij gewoon in Goma, op enkele meters van de Rwandese grens. De verklaring voor dit alles is dat Ntaganda de belangen dient van Congolees president Kabila en diens Rwandese collega Paul Kagame.
Ntaganda wordt in 1974 in het Rwandese Bigogwe geboren en trekt als kind naar Masisi(Nyamitaba). Als zeventienjarige valt hij in 1990 –samen met het Tutsi leger van Kagame– vanuit Oeganda Rwanda binnen, dat dan al dertig jaar bestuurd wordt door de Hutu meerderheid. Ze bezetten het noorden van het land. Vier jaar en een genocide later veroveren ze Rwanda.
In 1996 valt het Rwandese leger Congo binnen. Samen met Laurent Désiré Kabila veroveren ze Congo. Als de oude Kabila niet meer genoeg naar Kagame luistert, starten de Rwandezen vanuit Oost-Congo een nieuwe oorlog met hun eigen leger en allerlei “lokale” milities. In die laatste speelt Ntaganda een almaar belangrijker rol. Tegen 2008 is hij –na Laurent Nkunda– de nummer twee van het CNDP.
Wie is wie in Oost-Congo anno 2009?
FARDC (Forces Armées de la République Démocratique du Congo): het Congolese regeringsleger.
FDLR (Forces Démocratiques de Libération du Rwanda): de democratische strijdkrachten voor de bevrijding van Rwanda, ofwel Hutu-rebellen die vanuit het oosten van Congo het Tutsi-regime van de Rwandese president Paul Kagame bestrijden. Bij die Hutu-rebellen zit nog een aantal oud-genocidaires, extremistische Hutu's die deel namen aan de volkerenmoord op Tutsi's en gematigde Hutu's, in 1994 in Rwanda.
Het FDLR bestaat vandaag echter vooral uit jonge rebellen, die de genocide niet actief hebben meegemaakt. De FDLR-rebellen zijn inmiddels met de Congolese bevolking vermengd.
CNDP - Congrès National pour la Défense du Peuple: Pro-Rwandese Tutsi-militie van de Congolese rebellenleider Laurent Nkunda, die onlangs in het Congolesere regeringsleger is geïntegreerd. Nkunda zelf is in januari gearresteerd en verblijft in 'verzekerde bewaring' in een luxueuze villa in de Rwandese grensstad Gisenyi.
Mai Mai/Pareco - Coalition of Congolese Patriotic Resistance: Pro-Congolese milities in Oost-Congo.
Monuc- United Nations Mission DR Congo: De vredes- en stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in Congo.
Stand van zaken eind 2009.
Oost-Congo ving in 1994 een massale vluchtelingenstroom vanuit Rwanda op. Het waren vooral Hutu’s, die na de volkerenmoord met hun families op de vlucht sloegen. Een deel onder hen waren génocidaires, die zelf flink hadden deelgenomen aan de moordpartijen tegen Tutsi's en gematigde Hutu's in hun thuisland.
Invasies: na de genocide kwam in Rwanda een Tutsi-regime aan de macht, dat de aanwezigheid van de Hutu's, zo dichtbij zijn grens, tot tweemaal toe aangreep om Congo militair binnen te vallen.
Ook na die invasies hield Rwanda in Oost-Congo zowel militair als politiek een flinke vinger in de pap. Kigali ondersteunde milities zoals RCD-Goma, en gebruikte vorige herfst nog de Congolese Tutsi Laurent Nkunda (en zijn militie CNDP) als zijn marionet.
Rwandees-Congolees akkoord: precies de Hutu-rebellen van het FDLR (Fortis Démocratiques de Libération du Rwanda ), die al sinds1994 in de Oost-Congolese brousse schuilen, zijn het doelwit van de militaire operaties die Congo sinds begin dit Jaar voert in de Kivu-streek.
Tot ieders grote verrassing sloten de oude aartsvijanden Congo en Rwanda daartoe in januari zelfs een akkoord. Congo is het beu dat het FDLR in het oosten illegaal de mijnen exploiteert en de bevolking terroriseert, en voor Rwanda is het nu eens en voor altijd genoeg met die Hutu's aan de grens.
Militaire operaties sinds januari 2009:'Umoja Wetu', letterlijk'onze eenheid', werd de gezamenlijke militaire operatie van Rwanda en Congo tegen het FDLR genoemd. De operatie werd gevolgd door operatie 'Kimia' II ('Rust') van het Congolese regeringsleger, met de logistieke steun van de VN-macht Monuc.
De VN geven zelf toe dat het Congolese regeringsleger hoegenaamd niet is opgewassen tegen het FDLR. Bovendien zijn de praktische details van het akkoord tussen Rwanda en Congo in nevelen gehuld. Alleen de gevolgen ervan zijn bekend: Rwanda arresteerde in januari zijn eigen marionet Laurent Nkunda, en Congo integreerde razendsnel, en zonder enige voorbereiding, Nkunda's Tutsi-militie in het Congolese regeringsleger.
Het komt er eenvoudig op neer dat Congolese soldaten die vorig jaar rond Goma nog tegen Nkunda's mannen vochten, nu plots aan dezelfde zijde staan. Dat is de theorie. In de praktijk hebben de Congolese soldaten en Nkunda's mannen aparte kazernes en volgen de oud-rebellen een parallelle commandostructuur.
In grote delen van Rutshuru, Masisi en een stuk van Walikale (het zuiden van Noord- Kivu) voert Nkunda's CNDP ook een parallel administratief bestuur.
Oost-Congo behoort de facto Rwanda toe: de bevolking in Noord-Kivu is ervan overtuigd dat Rwanda in Oost-Conga nog altijd op militair, economisch en deels ook op bestuurlijk vlak de lakens uitdeelt, en pas bereid is enigszins de teugels te vieren wanneer Congo een groot aantal Congolese Tutsi s naar huis terug laat keren.
Het gaat om etnische Tutsi's, die soms al generaties in Congo woonden, en bij de opmars van de Tutsi-militie FPR in buurland Rwanda, begin jaren negentig, de grens zijn overgestoken. Nu willen ze weg uit dat kleine en overbevolkte Rwanda, en eisen ze hun oude land in Congo op. Voor hen zouden de Rwandese milities in Oost-Congo terrein vrijmaken, en de Kivu-streek dus de facto bij Rwanda aanhechten.
6. Hutu
Hutu of Bahutu, volk dat 80% van de bevolking van de Afrikaanse staten Rwanda en Boeroendi uitmaakt. In
1961 brak in Rwanda een Hutu-revolte uit, die gericht was tegen de heersende
minderheid van de Tutsi. Nadien waren er in Rwanda en ook in het buurland
Boeroendi vele strubbelingen, die leidden tot een burgeroorlog die
honderdduizenden het leven kostte.
De Interahamwe zijn extremistische Hutu's.
Deze Rwandese Hutu-rebellen worden bewapend en getraind door Kabila en nemen
het vooral in het oosten van Congo op tegen het Rwandees regeringsleger, dat op
zijn beurt de Congolese rebellen van de Rassemblement Congolais pour la
Démocratie (RCD) steunt. Hun aantal wordt geschat op 15.000. De kern van de
interahamwe bestaat uit officieren van het voormalige Rwandese leger dat in
1994 de genocide ontketende in Rwanda. Hun rangen zwollen aan met jonge Hutu's
die tijdens de opmars van het Rwandees Patriottisch Front (FPR) in 1994 naar
Congo werden verjaagd. Volgens bet Lusaka-akkoord moeten deze forces négatives
ontwapend worden. Kigali zegt dat het in Congo blijft zolang dat niet gebeurd
is. Kinshasa ontkent hun bestaan. Omdat ze geen soldij ontvangen, leven ze van plundertochten.
De Hutu rebellen vallen uiteen in twee grote groeperingen;
ALIR I: Armée pour la Libération du Rwanda I, in de Kivu actief.
(4.000 tot 6.000 man)
ALIR II: Armée pour la Libération du Rwanda I, in Katanga actief.
(4.000 tot 6.000 man)
Het Rwandese leger heeft ook af te rekenen met Burundese Hutu-rebellen van de
Forces pour la Défense de la Démocratie (FDD) en het Front pour la Libération
Nationale (FNL), die geregeld meevechten aan de zijde van ALIR II, het
Congolese regeringsleger en de Mayi-Mayi.
7. Tutsi
Tutsi of Batutsi, Bantoetalig volk in Boeroendi en Rwanda, waar zij resp. ca. 15% en ca. 10% van
de bevolking uitmaken. De Tutsi vormden een veehoudende aristocratische
heersersklasse, die de landbouwende Hutu aan zich ondergeschikt gemaakt hadden.
Vanaf het midden van de jaren vijftig hebben zich bloedige botsingen voorgedaan
tussen de Hutu en de Tutsi.
De Banyamulenge, (mensen van de heuvels) zijn Congolese Tutsi's in Zuid-Kivu.
Lees "Hutu en Tutsi, eeuwen strijd" van Peter Verlinden, uitgeverij het Davidsfonds (1995).
8. Mayi-mayi
Congolese gewapende groepen in het oosten van Congo - vormen met hun spirituele gebruiken een eigenaardig fenomeen. Ze hebben eigen dokters die middeltjes (drankjes en water - vanwaar de naam Mayi = water in het Lingala) maken die hen 12 jaar lang onkwetsbaar maken voor kogels.
Dit ook mede door het gebruik van tatoeages, ze mogen nooit het pad kruisen van een vrouw en geen voedsel eten dat door een vrouw is bereid. Sex is taboe. Maar hun commandanten staan in verbinding met elkaar met satelliettelefoons. En hun ideologie is simpel: momenteel zijn de Tutsi's de vijand.
Maar met hun guerrilla-acties bezorgen ze de Congolese rebellenbeweging RCD/Goma en haar broodheren van het Rwandese leger steeds meer moeilijkheden.
"Kabila bezorgt de Mayi-Mayi sinds maart 1999 wapens via vliegtuigjes die op kleine pistes landen. Ze opereren steeds minder in geïsoleerde groepjes, hun interne organisatie wordt steeds beter. En omdat iedereen geloof hecht aan hun spirituele overtuiging dat ze onkwetsbaar zijn voor kogels, heeft iedereen schrik van hen - ook de Rwandezen", zegt Koen Vlassenroot, assistent aan het Studiecentrum voor de Derde Wereld van de Universiteit Gent. Een van hun leiders, Sylvain Luecha, werd onlangs door Kabila aangesteld tot stafchef van het Congolese leger.
Bovendien sloten de Mayi-Mayi een tijdelijk en precair verbond met de Interahamwe, Rwandese Hutu's van wie een deel betrokken was bij de genocide in 1994. Zij viseren het regime in Kigali. In de Ruzizi-vlakte kunnen de Mayi-Mayi dan weer rekenen op de steun van Burundese Hutu-rebellen, die het regime van president Buyoya in Bujumbura bevechten. Buyoya steunt dan weer de Banyamulenge, Congolese Tutsi's met Rwandese wortels in Zuid-Kivu.
"Een Burundese boot met ongeveer 200 militairen en munitie is tot zinken gebracht door de nationalistische Mayi-Mayi tussen Kabimba en Wimbi", is een van de (moeilijk te controleren) berichten die steeds vaker vanuit Zuid-Kivu, op de redactie belanden.
Zeker is dat de Mayi-Mayi een campagne begonnen zijn tegen de Banyamulenge. Kigali gebruikte hen zowel in 1996 als in 1998 als een soort van vijfde colonne om Congo binnen te vallen. "De Mayi-Mayi houden de plateaus waar de Banyamulenge leven omsingeld", zegt Vlassenroot. In Bukavu en Uvira komen de jongste tijd steeds meer gevluchte Banyamulenge aan. De Mayi-Mayi slaagden er recentelijk in Lemera in te nemen en controleren de weg tussen Lemera en Uvira en zitten op zo'n 20 kilometer van Bukavu.
"Er heeft in het oosten van Congo altijd een soort verzet bestaan tegen externe indringers" zegt Vlassenroot.
De jongste beweging ontstond begin de jaren negentig in Kasindi, vertelt Vlassenroot, toen gemarginaliseerde jongeren zich gingen verzetten tegen het wegzinkende Mobutu-regime.
Het grondsysteem in de Kivu is strikt geregeld en maakt het niet makkelijk om aan een lapje landbouwgrond te komen, terwijl de slabakkende economie geen alternatieven bood.
"Het gaat om een soort verwerping van de moderniteit en een sociale orde waarin zij toch geen plaats hebben", aldus Vlassenroot. "Ze zochten bijgevolg alternatieven in de illegale exploitatie van goudmijnen en in de vorming van milities. De machetes maarten plaats voor echte wapens toen traditionele en politieke leiders hen gingen mobiliseren in hun strijd tegen de Hutu's van Rwandese oorsprong in Noord-Kivu vanaf 1993.
En nu zijn er krijgsheren die dit fenomeen organiseren om hun belangen te verdedigen. Het gevolg is een militarisering van de economie én van het sociale leven: de traditionele leiders verloren hun invloed aan de jongeren die wapens dragen."
De Mayi-Mayi kunnen in het algemeen rekenen op de steun en sympathie van de Congolezen, hoewel de plattelandsbevolking ook vaak te lijden heeft van hun acties, "Ze stelen voedsel, ze heffen taksen op markten en doen mensen aan barrières betalen."
Maar vooral betaalt de plaatselijke bevolking de prijs doordat soldaten van het Rwandese leger en van de RCD wraakacties uitvoeren na aanslagen door de Mayi-Mayi: moorden, brandstichtingen, plunderingen. Ze straffen de dorpsbewoners zo voor de steun die ze de Mayi-Mayi geven.
Terzelfder tijd staan Kigali en de RCD in contact met de leiders van de Mayi-Mayi, waarbij ze hen ervan pogen te overtuigen hun samenwerking met de Interahamwe en Kabila te staken: het zoveelste voorbeeld van het kluwen dat de Kivu is geworden.
Gelezen in De Standaard van 29 april 2000
De Mayi-Mayi bestaan uit drie groeperingen, het Congolees verzet (20.000 tot 30.000 man) de Padiri-groep (6.000 man) en de Dunia-groep (4.000 tot 5.000 man).
Wie zijn de Mayi-Mayi?
Ze zijn moeilijk onder één noemer te vatten omdat ook andere groepen claimen dat ze Mayi-Mayi-rebellen zijn.
Het zijn lokale verzetsgroepen die zich vooral sinds de jaren '60 verenigen om hun territorium te verdedigen.
In Oost-Congo zijn ook nog Hutu-rebellen en rebellen van krijgsheer Nkunda actief.
De Mayi-Mayi zijn voornamelijk aanwezig in het oosten van Congo, in Noord- en Zuid-Kivu. In die twee gebieden zijn ze naar schatting met 20 tot 30.000.
Hun militaire capaciteit en politieke oriëntatie verschilt onderling zeer sterk en kan ook zeer snel veranderen.
Ze staan erom bekend dat ze allianties afsluiten naar gelang hun belangen van dat moment. Dat leidt tot interne conflicten en helpt te verklaren waarom er geen duidelijk patroon in de allianties terug te vinden is.
Niet alle Mayi-Mayi-rebellen waren bereid om te ontwapenen en te reïntegreren in de Congolese maatschappij.
Tijdens de jarenlange conflicten in Congo hebben veel Mayi-Mayi zich teruggetrokken in de brousse en in natuurreservaten zoals het nationaal park van Virunga, waar de overval van 20 mei plaatsvond.
Veel Mayi-Mayi weigeren uit de wouden te vertrekken.
De Mayi-Mayi staan van alle rebellengroepen het dichtst bij de bevolking, omdat ze de boeren steunen die tijdens de conflicten ook naar de natuurgebieden trokken en nu niet willen terugkeren naar hun oorspronkelijke woonplaatsen.
Gelezen in De Standaard van 1 juni 2007
De Congolese Mayi-Mayi-rebellen zijn verspreid over de provincies Noord- en Zuid-Kivu, Maniema en Katanga. In de Kivu's zitten nog naar schatting 30.000 Mayi-Mayi. Toch is inmiddels ook een groot aantal strijders in het reguliere leger opgenomen. In 2005 stelden internationale organisaties nog vast dat bij de Mayi-Mayi in Zuid-Kivu heel wat kindsoldaten zaten. Ze stellen zich voor als een Congolese verzetsbeweging die strijdt tegen de inmenging van Rwanda en de door Rwanda gesteunde gewapende groeperingen in Oost-Congo. Maar de Mayi-Mayi hebben zich tijdens de tweede Congolese oorlog ook aan banditisme en plunderingen bezondigd. In Maniema was er een grote groep Mayi-Mayi rond Kindu. De Mayi-Mayi worden ook als een paraplubeweging beschouwd, die krijgsheren en dorpsoudsten, maar ook politiek gemotiveerde verzetsstrijders omvat. Ze gaan ook vaak allianties aan, volgens hun belangen van dat moment. Daarom zijn de Mayi-Mayi moeilijk onder één noemer te vatten.
Gelezen in De Standaard van 29 oktober 2007
Krijgsheer Padiri :
De oorlog in Congo mag dan al officieel voorbij zijn, in het oosten worden grote gebieden nog altijd bestuurd door krijgsheren. Maar in Kisangani hoor je geen slecht woord over generaal Padiri. De voormalige Mayi-Mayi-leider uit Zuid-Kivu kreeg in het Congolese overgangsproces de militaire verantwoordelijkheid over de Oostprovincie, met als hoofdstad Kisangani. Niet niets dus. En hij brengt het er verbazend goed vanaf.
Padiri, een Mutembo, kan op gratie rekenen in Kisangani omdat hij rust bracht en de stedelingen bevrijdde van de wegbarrières. De versperringen bestonden op verschillende plaatsen: in de stad moesten de toleka's of fietstaxi's 250 Congolese frank per dag betalen, de barrières rond de stad bezorgden de bevolking het gevoel opgesloten te zitten.
Die versperringen waren het werk van de door Rwanda aangevuurde rebellenbeweging RCD/ Goma, die Kisangani controleerde. Maar Padiri heeft hen diets kunnen maken dat dit uit moest zijn. Dat ze dit pikten, is mee te wijten aan het feit dat de Rwandezen, en president Kagame in het bijzonder, veel internationaal krediet verspeelden. “En”, werpt Padiri op, “Rwanda en Uganda blijven ondertussen wel de diamanthandel in de stad controleren. Als militair kan ik niet tussenbeide komen in deze commerciële aangelegenheid”.
Ook elders in de provincie is het gros van de wegversperringen verdwenen. Padiri hield de verschillende rebellenbewegingen, zoals de Mayi-Mayi, de RCD/National en het MLC aan de ondertekening van het Congolese vredesakkoord en ging als militair vaak diplomatisch te werk. Zo bemiddelde hij in Kinshasa opdat Jérome Kakawavu, een krijgsheer uit de Ituri (in het stadje Aru tegen de Ugandese grens) niet over het hoofd gezien zou worden bij de verdeling van de posten bij de hereniging van het land. In Congo is dat vandaag de manier om militieleiders in de pas te doen lopen.
Gemakkelijk heeft de 38-jarige Padiri het niet. Hij vreest voor zijn veiligheid en voor die van zijn vrouw en vier kinderen, die hij in Kinshasa onderbracht. Niet onterecht, er werden al aanslagen op Padiri gepleegd. “De angst houdt mij evenwel niet tegen mijn taak uit te voeren.”, zegt hij.
Daarnaast is in Kinshasa niet iedereen blij met de successen die hij boekt. Padiri verwijt minister van Defensie Jean-Pierre Ondekane (RCD/Goma) stokken in de wielen te steken door de soldij en het voedsel voor zijn manschappen niet te betalen. Padiri kan dat niet voorschieten: hij staat erom bekend dat hij als rebel (hij voert al sinds `95 strijd) niet in de eerste plaats aan zijn eigen zak gedacht heeft.
Toch kunnen onaangename zaken uit Padiri's verleden in het maquis opduiken: er bestaan aanwijzingen dat rebellen die aan hem rapporteerden, aan het verkrachten sloegen. De wreedheden van andere Mayi-Mayi-groepen, vooral in Noord-Katanga, houden Padiri tegen om zichzelf als leider van al deze Congolese verzetsstrijders voor te stellen. Al speelt hij duidelijk met die gedachte, “maar eerst moeten alle misdaden berecht worden”.
Voor sommige politici in Kinshasa is er nog andere hoop om de Mayi-Mayi-generaal op zijn bek te zien gaan. De volgende maanden moet hij met de eerste brigade van Kisangani, die een opleiding in vredeshandhaving krijgt van de Belgen, geleidelijk de Monuc-troepen van de VN in en om Bunia vervangen. Normaal komt in maart het eerste bataljon aan, begin juli moet de hele brigade de plaats van de Monuc-troepenmacht hebben ingenomen.
De Belgische majoor William Breuer in Kisangani durft niet garanderen dat de operatie zal slagen. Hij wijst op enkele troeven van de troepen in opleiding: “De Congolese soldaten spreken de taal van de bevolking en de meesten zijn nationalisten in hart en nieren.”
Padiri is vastbesloten ook in Ituri te slagen. Hij onderhoudt veel contact met de Monuc om de nodige steun los te weken. En de militair-diplomaat is van plan om de studenten uit de Ituri die in Kisangani verblijven, in te zetten om met de bevolking te bemiddelen.
Gelezen in De Standaard van 10 februari 2004
Uit de Standaard 11 en 12/8/2002:
Tientallen doden bij gevechten. Bij aanhoudende gevechten tussen Congolese
rebellen van het RCD-ML van Mbusa Nyamwisi ( die het gebied rond Beni, Butembo
en Bunia controleert ) en strijders van Hema-stam die hulp krijgen van Ugandese
militairen en de Hema-milities van Thomas Lubanga die zich afscheurde van het
RCD-ML, zijn zeker 48 doden gevallen. Een woordvoerder van de waarnemersmissie
van de Verenigde Naties in Congo heeft dat vrijdag bekendgemaakt.
De gevechten woeden sinds dinsdag in Bunia, in het noordoosten van Congo. De
partijen vechten voor de beheersing van het belangrijke handelscentrum. De
rebellen hadden tot voor kort de stad in handen. Tot dusver zouden de gevechten
het leven hebben gekost aan 37 burgers en 11 Ugandese soldaten.
In Bunia werden echter twee massagraven gevonden met 75 lichamen van vrouwen en
kinderen, met hakmessen om het leven gebracht….
Onlangs braken ook al gevechten uit tussen de Hema- en de Lendustam in de
omgeving van Bunia. De twee stammen vechten van oudsher om de beheersing van
veebedrijven en thee- en koffieplantages in het gebied.
De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, zei tijdens een
bijeenkomst van de Veiligheidsraad dat de internationale gemeenschap al het
mogelijke moet doen om de vrede in Congo te doen terugkeren.
De relaties tussen de Hema grootgrondbezitters en veeteIers - en de Lendu - boeren - zijn al
decennialang gespannen en draaien essentieel rond grondgeschillen.
Zolang Congo nog min of meer bestuurd werd, hielpen palavers en toegevingen
(van vooral de Lendu) een labiel evenwicht in stand houden.
Maar de oorlog in Congo, de ineenstorting van elke structuur en de implicatie
van Ugandese bezetter aan de kant van de Hema maakten dat het conflict ontspoorde.
De jongste twee jaar zijn al naar schatting 7.000 mensen vermoord, terwijl
enkele honderdduizenden op de vlucht sloegen.
Analyses van de gevechten van 19 januari 2001 in Bunia (naar schatting 250
doden) maken duidelijk dat ook dit keer het Ugandese leger een dubieuze rol speelde.
Na een aanval van Lendu en Ngiti op Ugandese militaire posities in Bunia,
"zette het Ugandese leger de Hema aan om wraakacties uit te voeren en de
Lendu- en Ngiti-milities te achtervolgen", verklaart Roberto Garreton. De
speciale rapporteur van de VN inzake mensenrechten voor Congo beschuldigt
Uganda ervan "de spanning tussen de twee etnische groepen aan te
wakkeren".
En Human Rights Watch (HRW) merkt op dat de Ugandese kolonel Edison Muzoora
niet gereageerd heeft op oproepen om een einde te maken aan de slachtingen".
"Vreemde troepen zouden niet mogen deelnemen aan de burgeroorlog in
Congo", verklaarde Alison Des Forges van HRW. "Maar als ze ter plekke
zijn, zouden ze zich zeker niet medeplichtig mogen maken aan aanvallen tegen de
burgerbevolking."
Daar komt bij dat Uganda zowel Lendu- als Hema-militanten bewapende, zelfs op
het moment dat de etnische spanningen al duidelijk waren. Kampala wou zo een
legertje in elkaar boksen voor de RCD-ML, de Congolese rebellenbeweging van
Wamba dia Wamba. Toen de RCD-ML uit elkaar viel in drie kampen - waarvan een
onder controle van de Hema Tibasima Atenyi - deserteerden de Lendu-rekruten en
gingen ze de rangen versterken van de milities. Dit zou verklaren waarom de
Lendu-milities sinds kort ook over automatische wapens beschikken, bovenop de
traditionele machetes en speren.
Suleiman Baldo van HRW wijst erop dat een nog gevaarlijker evolutie aan de gang
is: "De twee groepen identificeren zich nu met de categorieën Hutu-Tutsi
van de Rwandese genocide. De Lendu beschouwen zich nu als ouders van de Hutu,
terwijl de Hema zich met de Tutsi identificeren. Die identificatie en de band
met de genocide riskeren de strijd om te vormen tot iets wat nog veel
verwoestender is."
De Congolese bevolking betaalt zoals steeds het gelag. In een jaar tijd is de
koopkracht er met de helft gedaald. Gouddelvers zijn nog altijd actief in de
mijnen van Kilo Moto maar kunnen niet anders dan hun vondsten verkopen aan
Ugandese opkopers, tegen minderwaardige prijzen. Hetzelfde gebeurt met koffie
en tropisch hout.
De gewone Lendu en Hema willen drie dingen. Een: de Ugandezen buiten. Twee: het
herstel van de eenheid van Congo En drie: vrede, zodat ze opnieuw hun velden
kunnen bewerken en ontsnappen aan de economische wurging.
Uit De Standaard 7/3/2003:
Het Ugandese leger veroverde gisteren na zware gevechten in het noordoosten van
Congo de stad Bunia op de Congolese rebellen van het UPC, die steun krijgen van
Rwanda. "Volgens de Ugandese president Yoweri Museveni spelen de Rwandezen
een spel waarbij ze het grootste deel van de Kivu en de lturi willen innemen
via bondgenoten", zegt Europarlementslid Johan Van Hecke (VLD) vanuit Kampala.
Volgens een VN-functionaris in Kampala viel het UPC gisterenmorgen de Ugandese
soldaten aan die de luchthaven van Bunia controleren. Daarop viel het Ugandese
leger rond 6 uur plaatselijke tijd Bunia binnen. "Tegen 11.30 uur
passeerden soldaten van het Ugandese leger en militieleden gewapend met
geweren, pijl-en-boog en machetes", aldus een bron in Bunia. "Ze
droegen maskers over het hoofd en trokken in de richting van het centrum van de
stad. Van tijd tot tijd weerklonken overwinningsliederen."
RCD/ML en Lendu-milities gingen half februari 2003 in de aanval en vielen onder
meer Bogoro aan, een Hema-dorp op 40 kilometer ten zuidoosten van Bunia.
Daarbij zouden honderden doden zijn gevallen. Twee dagen later viel het stadje
Tchayi, op 12 kilometer van Bunia.
13. De Vlaamse Leeuw
|
Zij zullen hem niet temmen, de fiere Vlaamse Leeuw, |
|
|
Le Chant des Wallons Tchant dès Walons Nous sommes fiers de notre Wallonie, II. Entre Wallons, toujours on fraternise. III. Petit pays, c'est pour ta grandeur d'âme |
|
15. Lingala
Is een artificieel ontstane taal in Congo die dan ook oorspronkelijk door niemand werd gesproken
als moedertaal.
Ondertussen heeft deze taal zich verspreid van Kinshasa tot Kisangani en in het Centrale landsgedeelte.
Enkele oefeningen:
Verbuiging van het werkwoord "zijn":
|
ik ben |
nazali |
wij zijn |
tozali |
|
jij bent |
ozali |
jullie zijn |
bozali |
|
hij is |
azali |
zij zijn |
bazali |
Verbuiging van het werkwoord "hebben":
|
ik heb |
nazali na |
wij hebben |
tozali na |
|
jij hebt |
ozali na |
jullie hebben |
bozali na |
|
hij heeft |
azali na |
zij hebben |
bazali na |
Tellen:
|
1 moko |
2 mibale |
3 misato |
4 minei |
5 mitano |
|
6 motoba |
7 nsambo |
8 mwambe |
9 libwa |
10 zomi |
Men noemde mij dan ook soms in de brousse, yowane motoba...
16. Ngbaka
In de streek van Bwamanda zijn de mensen Ngbaka's.
Het Lingala wordt door oudere vrouwen, die weinig school gezien hebben, niet of
weinig gesproken. Hun moedertaal is het Ngbaka, een nasale vooral
éénlettergrepige taal en totaal verschillend van het Lingala.
Water betekent "li" in het Ngbaka, maar "mai" in het
Lingala..
17. Maniok
|
Maniok behoort tot de wolfsmelkfamilie.
Voor veel bewoners van het Afrikaanse evenaarswoud is dit nog altijd een
basisvoeding. |
|
Qua uitzicht en soort zijn ze dezelfde plant, maar het glucosegehalte is verschillend. Het
onderscheid hangt ook af van het feit of de glucose in de buitenzone van de
wortels gelokaliseerd is of gelijkvormig verdeeld voorkomt over de weefsels van de plant.
De wortels zijn 30 tot 50 cm lang, hebben een diameter van 5 tot 10 cm en wegen
2 tot 4 kilogram. Soms zijn ze langer en wegen dan tot 20 kg. Deze wortels zijn
rijk aan zetmeel en hebben een bruinroodachtige schors. Hoewel de bittere
maniok giftig is, wordt die het meest gekweekt in het regenwoud. De mensen
vinden die immers het lekkerst. Bij de bereiding wordt het gif echter
geëlimineerd. Dat gebeurt bij het pellen en het roten.
De jonge blaadjes van de plant worden als groente gebruikt en bereid als
spinazie.
In de hele wereld leven 1,3 miljard mensen in armoede, onder wie de helft van alle Afrikanen. Meer, dan
drie miljard mensen hebben een dagelijks inkomen van minder dan zeventig frank.
De rijkste tien mensen van deze planeet bezitten meer dan 600 miljoen mensen
uit de armste landen. De vierhonderd multimiljardairs zijn even rijk als 45
procent van de totale wereldbevolking. In de VS is 39 procent van 's lands
rijkdom in handen van één procent van de bevolking. In Frankrijk, Duitsland,
Engeland en Italië bezit de armste 20 procent van de bevolking 6 procent van de
nationale koek. De rijkste 20 procent bezit 46 procent. De inwoners van de VS
nemen een kwart van het energieverbruik van de hele wereld voor hun rekening.
Als we de armste twintig procent van de wereldbevolking vergelijken met de
rijkste twintig procent, zien we dat de armsten het moeten doen met 17 keer
minder energie, 11 keer minder vlees en 145 keer minder auto's.
En hoe evolueert die situatie nu? De polarisering tussen rijk en arm groeit
bijzonder snel. In 1960 ,beschikte 20 procent van de rijkste landen over een
inkomen dat dertig keer hoger was dan dat van de 20 procent armste landen. In
1995 was dat al 82 keer hoger. In meer dan tachtig landen is het inkomen
vandaag lager dan twintig jaar geleden.
In 1930 waren er dertig armen voor één rijke, nu zijn het er vierenzeventig.
Het aantal extreme armen in Latijns-Amerika is in de laatste vijftien jaar
verdubbeld. In Mexico komen er jaarlijks een miljoen armen bij. Tussen 1970 en
1995 steeg het aantal armen in Chili van 17 naar 27 procent. Jef Vuchelen van
de Vrije Universiteit Brussel heeft vastgesteld dat de rijkste tien procent in
België in 1984 46,8 procent van alle vermogens controleerde. In 1994 was dat
cijfer gestegen tot 49,5 procent. Tijdens de periode 1985-1994 daalde het
gemiddelde loon van een werknemer met 0,4 procent, terwijl de uitbetaalde
winsten met 136 procent stegen.
De armen worden tot radicale bezuinigingen en inleveringen gedwongen, terwijl
de rijken zich kunnen overgeven aan een ongeremd verbruik en een mateloze
verspilling. Er varen steeds meer plezierbootjes van tientallen miljoenen rond.
In Europa en de Verenigde Staten bedragen de jaarlijkse uitgaven voor
dierenvoeding ruim 715 miljard frank en de alcoholische dranken slorpen in
Europa 4.420 miljard frank op. Japanse managers besteden jaarlijks 1.473
miljard frank aan feesten en vermaak.
Niet alleen de mensen in de Derde Wereld worden getroffen door inhumane
levensomstandigheden. Ongeveer honderd miljoen personen in het Noorden delen
hetzelfde lot. In Europa leven vijftig miljoen personen in armoede. In
Groot-Brittannië hebben anderhalf miljoen gezinnen niet genoeg te eten.
Duitsland telt zes miljoen onbemiddelden. In de Verenigde Staten wonen 45
miljoen armen. Daar heeft een kwart van de kinderen onder de twaalf jaar
honger. Bijna de helft van de zwarten leeft onder de armoedegrens.
De Verenigde Naties, die 185 landen van de wereld verenigen, steunen al
jarenlang de Werelddag tegen de Armoede in de Wereld. Maar ondertussen is sinds
1990 het aantal armen continu gestegen en is de internationale steun aan de
arme landen gedaald.
WASHINGTON - Afrika is nog niet helemaal verloren. Als er een fundamentele
ommezwaai komt in het beleid, kan het continent de vicieuze cirkel van gemiste
kansen en aanhoudende conflicten doorbreken, zegt de Wereldbank in een nieuw
rapport. (uit De Standaard van 5 juni 2000)
Het rapport, dat de titel "Can Africa claim the 21st century" meekreeg, is het resultaat
van een studie die gezamenlijk werd uitgevoerd door de Afrikaanse
Ontwikkelingsbank, het Afrikaans Economisch Onderzoek Consortium, de Global
Coalition on Africa (GCA), de Economische Commissie van de VN voor Afrika en de Wereldbank.
Het rapport geeft de Afrikaanse leiders wel stapels huiswerk mee: ze moeten
resoluut een einde maken aan de oorlogen die hun continent teisteren, hun
economisch beleid bijsturen, meer investeren in hun bevolking, hun economische
productie diversifiëren en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevorderen.
Het totale inkomen van Afrika is niet meer dan dat van België, het gemiddelde
bbp van een Afrikaans land stemt overeen met dat van een kleine stad in een
westers industrieland.
Het rapport verwijst naar Uganda, Mozambique en Ghana als landen die essentiële
economische hervormingen hebben doorgevoerd, waar het economische beleid
verbeterd is, waar markten en handel werden geliberaliseerd en waar de
particuliere sector groeide met als gevolg verhoogde inkomens.
Mozambique, één van de armste landen van de wereld, is een mooi voorbeeld van
succesvolle conflictbeheersing. Het land kende sinds het vredesakkoord van 1992
dat een einde maakte , aan bijna 20 jaar burgeroorlog een jaarlijkse
economische groei van 10 procent. Spijtig genoeg stak de natuur een stok in de
wielen. Het zal jaren duren voor het land hersteld is van de zware
overstromingen van de voorbije maanden.
Afrika moet volgens de Wereldbank minder afhankelijk worden van zijn snel
uitdunnende natuurlijke bronnen en meer steunen op het grote arsenaal aan
arbeidskrachten. Het zijn voornamelijk de Afrikaanse vrouwen die voor de
reserve aan arbeidskrachten zorgen, meldt het rapport. Zij werken immers meer
dan de Afrikaanse man, zeker in de landbouw. Ten gevolge van lokale gewoontes
en wettelijke beperkingen hebben zij echter minder toegang tot hulpmiddelen als
grond, kredieten, bemesting en onderwijs.
Tussen 1960 en 1990 groeide de gemiddelde scholing van de Afrikaanse vrouw met
slechts 1,2 jaar - de laagste groei ter wereld. Volgens onderzoeken zou de
nationale economische groei minstens 0,8 procent per jaar hoger liggen indien
vrouwen er dezelfde mogelijkheden zouden krijgen als mannen. De economische
groei moet in Afrika minstens 5 procent bedragen om te voorkomen dat het aantal
armen groeit. Wil men het percentage van mensen in bittere armoede tegen 2015
halveren, dan moet de jaarlijkse groei zelfs over de 7 procent, gaan zegt het
rapport. Op dit moment kent het gemiddeld Afrikaans land teen groei van 4 procent.
Het continent zal ook moeten profiteren van een verbeterde efficiëntie.
Een andere belangrijke uitdaging waar Afrika mee kampt, is de vraag hoe de
inkomens kunnen worden verhoogd. Het totale inkomen van het continent is niet
meer dan dat van België. Het gemiddelde bbp van een Afrikaans land bedraagt
niet meer dan 2,15 miljard euro (86,7 miljard frank), wat overeenstemt met dat
van een stad van 60.000 inwoners in een rijk land, merkt het rapport opa. Het
totale bbp van Afrika is slechts 1 procent van het wereld-bbp en het continent
participeert voor maar 2 procent aan de wereldhandel.
Een manier om inkomens te vergroten is de toegang van Afrika tot: markten in
ontwikkelde landen te verhogen. Zo juicht het rapport de Africa Growth and
opportunity Act toe die de Verenigde Staten onlangs hebben goedgekeurd, waarmee
de markt van de VS meer wordt geopend voor Afrikaanse producten.
Maar over het algemeen blijven de geïndustrialiseerde landen Afrikaanse
producten uitsluiten. Zo belopen landbouwsubsidies in westerse industrielanden
rond de 320 miljard euro (12.910 miljard frank) per jaar, een bedrag even hoog
als het totale Afrikaanse bbp.
20. Gezondheid
Er zijn in de hele wereld 840 miljoen mensen verstoken van alle geneeskundige zorgen. In de minst
ontwikkelde landen haalt een op de drie inwoners het veertigste levensjaar
niet. Jaarlijks overlijden 17 miljoen mensen aan geneeslijke ziekten wegens
gebrek aan hulp, onder wie twaalf miljoen kinderen beneden de vijf jaar.
Belangrijke ziekten die voortwoekeren of oprukken zijn malaria, cholera,
difterie, slaapziekte, longontsteking, tuberculose, difterie,
cryptosporidiosis.
De opsomming van de droge feiten is eentonig en verpletterend. In veel landen
sterven 200 kinderen op 1.000 vooraleer ze vijf jaar oud zijn. Het
vergelijkbare cijfer bedraagt 53 voor OostAzië en 9 voor de rijke landen.
Jaarlijks sterven meer dan 2 miljoen kinderen van minder dan een jaar oud. Om
de drie seconden sterft een kind, meestal aan een besmettelijke ziekte.
Elke dag sterven 3.000 mensen aan malaria -drie op vier onder hen kinderen. De
aids-catastrofe zal in sommige landen een verkorting van de levensverwachting
met 20 jaar tot gevolg hebben. De hele vooruitgang sinds de jaren vijftig kan
daardoor worden tenietgedaan.
Meer dan 250 miljoen Afrikanen hebben niet de beschikking over gezond water.
Meer dan 200 miljoen blijven verstoken van gezondheidszorg. Meer dan 140
miljoen jongeren zijn analfabeet, en minder dan een kwart van de meisjes uit
arme gezinnen gaat naar de lagere school.
Als men wil voorkomen dat het aantal armen verder toeneemt, is meer dan 5
procent groei per jaar vereist, nagenoeg tweemaal het tempo van de afgelopen
dertig jaar. Als de prijzen van Afrika's exportproducten blijven dalen, zal de
groei nog hoger moeten uitvallen om hetzelfde magere resultaat te bereiken.
Wat met aids:
Er zijn 33 miljoen mensen die aan die ziekte lijden. 23 miljoen daarvan leven
in Midden- en Zuid-Afrika. Verder zijn er zes miljoen in Zuidoost-Azië en 1,3
miljoen in Latijns-Amerika. Tot dusver zijn 16 miljoen mensen aan die ziekte
gestorven. Dat zijn er zo'n 5.500 per dag.
De wereld is een stinkende puinhoop geworden. Meer dan een miljard mensen heeft
geen woning. De helft van de wereldbevolking beschikt niet over behoorlijke
sanitaire voorzieningen. De laatste decennia zijn miljoenensteden met
kilometerslange krottenbuurten in Latijns-Amerika, Afrika en Azië als
paddestoelen uit de grond gerezen. In de Verenigde Staten leven 70 miljoen
personen zonder medische verzekering en zijn er 52 miljoen analfabeten. In de
Europese Unie zijn er 40 miljoen armen en 18 miljoen werklozen. Nooit is er in
de wereldgeschiedenis zo'n schrijnende ellende, zoveel ontoelaatbare onrechtvaardigheid,
zo'n gebrek aan zorg, zoveel geweld en onderdrukking geweest.
Wat de voedselsituatie betreft, stellen we vast dat de wereldproductie
voldoende zou moeten zijn om iedereen te spijzen. Toch leven achthonderd
miljoen mensen in een chronische toestand van ondervoeding. Dertig miljoen
mensen lijden honger, een situatie die vaak eindigt met de dood. Twintig
procent van de kinderen in de Derde Wereld krijgt onvoldoende calorieën en
proteïnen.
De ontwikkelingshulp zou 0,7 procent van het bruto nationaal product (bnp) van de donorlanden moeten
bedragen. In werkelijkheid is dat maar 0,22 procent. België houdt het bij 0,36 procent.
In '99 is dit tot een dieptepunt gezakt van 28,26 miljard frank of 0,3 procent.
Een groot deel van het geld gaat naar militaire hulp en steun voor
infrastructuurwerken. Slechts een tiende gaat effectief naar
armoedebestrijding, gezondheidszorg en onderwijsprojecten. Veel
ontwikkelingsgeld keert terug naar de donorlanden door bestellingen bij
bedrijven in het Noorden en via de lonen voor de coöperanten. Gewezen
staatssecretaris Reginald Moreels liet zich ooit ontvallen dat van elke honderd
frank Belgische steun er 88 frank naar ons land terugkeert.
Vergeten we ten slotte niet dat elk jaar minstens 33.687 miljard frank van het
Zuiden naar het Noorden vloeit als gevolg van de kapitaalvlucht, de slechte
ruilvoeten, de schuldenafbetaling, de ontduiking van de belasting door de
megasystemen en de te lage lonen in het Zuiden.
Als westerse beleggers beslissen hun kapitalen terug te trekken uit
ontwikkelingslanden, komen die gebieden in dramatische moeilijkheden terecht en
hebben zij geen verweer. Het is zover gekomen dat de rijken op aarde over de
macht beschikken om het bestaan van honderden miljoenen mensen onmiddellijk te
bedreigen. Dat schept uitbuitingsmogelijkheden die vroeger nooit hebben
bestaan.
22. Een oplossing ?
Op de agenda voor de komende jaren staan volgens het rapport "Can Africa claim the 21st century" vier hoofdopgaven.
|
Geboren in Congo, Kinshasa 5 februari 1955 . Hij woont vanaf 1962 in Vlaanderen. Zana is doctor in de Geschiedenis, was twee jaar journalist bij Wereldwijd, drie jaar
studieprefect aan het Hoger Instituut voor Religieuze Wetenschappen in Bwamanda (Centre Lendisa) en is momenteel als wetenschappelijk medewerker
verbonden aan het departement Geschiedenis van de KU-Leuven. |
|
24. Kadogo
Betekent "kindsoldaat" en is ook de titel van een boek geschreven door Stefaan Broeckx.
Steeds meer kinderen worden in oorlogen ingelijfd en verplicht te vechten en te moorden, soms zelfs hun eigen familieleden af te slachten...
Stefaan Broeckx schreef hierover het indringende verhaal KADOGO na een bezoek in de streek van Bwamanda.
Hij is trouwens een ex-medewerker van het project. Wie wil weten wie er achter de schuilnaam "schuilt", kan mij een e-mailtje sturen !
25. Abos
Het vroegere Algemeen bestuur voor Ontwikkelingsamenwerking werd in juli 1999 vervangen door
de DGIS, de Directie-Generaal Internationale Samenwerking. Dat orgaan moet instaan voor de voorbereiding van het beleid en voor de coördinatie van de
Belgische ontwikkelingssamenwerking.
De Belgische Technische Coöperatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid.
29. Malaria
Paludisme is een infectie die door de zogenaamde «malariamuskiet» wordt doorgegeven. Deze
muggensoort vindt men vooral in vochtige, tropische gebieden. In het begin van deze eeuw trof men nog malaria aan in het Middellandse Zeegebied. Dit was nog
voordat de moerassen werden drooggelegd en er grote bestrijdingscampagnes met insecticiden werden georganiseerd. De naam «malaria» komt overigens uit het
Italiaans: «mal aria», wat letterlijk «slechte lucht» betekent.
Deze benaming werd gegeven door de bewoners van de streek ten zuiden van Rome waar zich de bekende "Pontino" moerassen bevinden.
Meer info over malaria vind je op onze website van het project C.D.I. Bwamanda !
33. De Tobin-taks
James Tobin, een Amerikaans hoogleraar en latere Nobelprijswinnaar, lanceerde in 1971 het idee om een belasting te heffen op speculatieve valutatransacties. De taks zou
schommelen tussen de 0,1 en de één procent. Met zijn taks beoogde Tobin een einde te stellen aan de speculatie en aan de volatiliteit van de financiële markten.
Bovendien zou de enorme opbrengst aangewend worden ten voordele van de derdewereldlanden. Broederlijk Delen verdedigt in ons land deze taks met vuur.
Alle info op site van 11.11.11: www.11.be en type tobintaks in het zoekveld.
Komt er dan toch een tobintaks?
Tot voor kort waren het vooral andersglobalisten die financiële transacties wilden belasten. Dat het IMF hen daarin nu volgt, heeft volgens IVAN VAN DE CLOOT echter niets te maken met andersglobalisme.
Het kan verkeren. Tien jaar geleden werd je in financiële kringen nog beschouwd als een nestbevuiler als je wel merites zag in een taks op financiële transacties, vandaag pleit het Internationaal Muntfonds, toch het nec plus ultra van de financiële orthodoxie, voor een belasting op de financiële activiteiten. Dat de heilige huisjes van weleer sneuvelen, heeft uiteraard veel, zoniet alles te maken met de financiële crisis. Tot voor de crisis was de stelling altijd dat een dergelijke taks de liquiditeit van de financiële instrumenten zou verminderen en liquiditeit werd als heilig beschouwd. Dankzij de toename van de handel daalden immers de transactiekosten, nam het verschil tussen aan- en verkoopprijzen af en kon ook in het financieel systeem het prijsmechanisme optimaal werken.
Achteruitblikkend zijn we echter niet meer zo zeker dat meer liquiditeit altijd beter is. We kunnen toch moeilijk volhouden dat de voorbije twintig jaar de allocatie van kapitaal efficiënt was als door de financiële crisis meer kapitaal is vernietigd dan er over gans die periode aan winsten werd gegenereerd in het financieel systeem. Vandaag vragen economen zich opnieuw af of er zoiets bestaat als excessieve liquiditeit die instabiliteit in de hand werkt. Het wordt ook erkend dat sommige financiële activiteiten enkel vanuit individueel perspectief renderen, maar maatschappelijk geen waarde hebben.
Economen spreken van een nulsomspel wanneer bijvoorbeeld louter wordt gestreefd om de gemiddelde beleggersprestatie te kloppen. Ten eerste omdat per definitie iemand minder dan het gemiddelde zal verdienen als iemand anders meer dan het gemiddelde rendement haalt. Vooral als in dergelijke wedijver heel veel middelen worden geïnvesteerd in de vorm van transactiekosten lopen we het risico om op die manier vanuit maatschappelijk standpunt middelen te verspillen.
Nobelprijs.
Het idee van een belasting op financiële transacties was al eerder enigszins intellectueel salonfähig geworden doordat Nobelprijswinnaar James Tobin er al in 1971 voor pleitte. Dat het er nu wel eens van zou kunnen komen, in tegenstelling tot de voorbije veertig jaar, ligt aan het feit dat het motief voor het invoeren van de belasting veranderd is. Tobin zag zijn belasting vooral als een poging om de speculatieve transacties af te remmen, met andere woorden als een beetje 'zand in de machine' om het kapitaal dat de wereld rond flitst wat te vertragen.
Er was echter grote discussie onder economen of een klein korreltje zand hierin ooit ging slagen. Echte speculanten, die gigantische rendementen in het vizier hebben, zouden niet afgeremd worden door een taks van 0,1 procent.
Tobin zelf zat er erg mee verveeld dat het in de jaren 1990 vooral de zogenaamde andersglobalisten waren die zijn belasting hoog in het vaandel voerden. Ten eerste was Tobin een groot aanhanger van de vrijhandel en had hij het instrument nooit in de eerste plaats beschouwd als een middel om inkomsten te genereren, maar om de wisselmarkten te stabiliseren.
Vandaag is het echter voor de goegemeente wel acceptabel geworden om een financiële taks in de eerste plaats te beschouwen als een extra bron van inkomsten. Zowel het IMF als de denktank Oeso en de groep van 20 belangrijkste landen (G20) meent vandaag immers dat de banken minstens voor een deel moeten opdraaien voor de kosten van hun redding.
Opnieuw stelt zich echter de vraag of een belasting twee objectieven tegelijkertijd kan bereiken. Kan een dergelijke taks zowel excessieve kapitaalstromen reguleren als inkomsten genereren? Vergelijk het met het idee van rekeningrijden, waarbij een auto die in de spits Brussel binnenrijdt, een congestietaks betaalt. Als de maatregel het gedrag verandert zijn er minder files, maar wordt er bijgevolg ook minder aan verdiend. De politieke logica leidt in tijden van gigantische begrotingstekorten ongetwijfeld vooral naar een maatregel die geld in kas moet brengen. Het regulerend motief zal als een schaamlapje gehanteerd worden om het werkelijke motief te verdoezelen.
In Europa bestaat er vooral onenigheid over wie de belasting dan wel mag innen. Kleinere lidstaten bepleiten dat de banken fondsen spijzen die ingezet kunnen worden bij bankencrisissen. Vooral de grote lidstaten wensen echter vooral met het belastinggeld de gaten in de nationale begroting te dichten die door de financiële crisis geslagen zijn.
Vandaag gebruikt België alvast zijn bankenheffing niet om een specifiek fonds te spijzen om banken in problemen bij te staan, maar om lopende uitgaven te dekken. Ons land is het voorbeeld bij uitstek dat het regulerend karakter in de praktijk volledig ondergeschikt is aan de staatsinkomsten. De bankentaks in ons land wordt domweg geheven op de spaardeposito's, waardoor vooral kleinere banken zwaar meebetalen. De banken die wereldwijd in de problemen kwamen, waren net de grootbanken die erg afhankelijk waren van de interbancaire markten in plaats van zich te financieren met spaargeld.
Gezien deze politieke logica lijkt op korte termijn vooral een belasting op de winst en de loonmassa van de financiële instellingen een kans te maken om gerealiseerd te worden. Hierbij is het minder essentieel dat de maatregel gelijktijdig wereldwijd ingezet kan worden. Dit is wel een zeer punt als het over een transactietaks pur sang gaat. Maar als bedenkingen hebben bij bepaalde derivaten waarvan tot op vandaag de vraag wordt gesteld of ze niet meer waarde vernietigen dan creëren, kan directe regulering misschien gerichter en sneller werken. De lessen uit de financiële crisis zijn veelvuldig en laten zich in geen geval vervangen door het innen van welke belasting dan ook. In elk geval bereiden de banken er zich beter op voor dat ze meer en meer de belastingontvangers van de toekomst worden.
Uit De Standaard 23 september 2010.
Zie uitgebreide (nederlandstalige) uitleg op de website van Attac, www.attac.org/
Association pour une Taxation des Transactions financières pour l'
Aide aux Citoyens.
Vreemd genoeg deelde Tobin zelf niet de mening van de anti-globalisten:
Tobin laakt anti-globalisten: (uit De Standaard, 3/09/2001)
De anti-globalisten, voorstanders van de zogenaamde Tobintaks, "verdraaien mijn naam". Dat verklaart een geërgerde James Tobin, professor en Nobelprijswinnaar voor economie, in een interview in het Duitse weekblad Der Spiegel dat vandaag verschijnt. (3 september 2001)
De Tobintaks, een belasting op speculatieve wisseltransacties, is een idee van de Amerikaan James Tobin en dateert al van dertig jaar geleden. "Ik heb niets te maken met die 'straatschender'-antiglobalisten", onderstreept de econoom.
Volgens James Tobin is voor veel militanten van de anti-globalisatiebeweging de strijd tegen de expansie van de vrije markten het hoofddoel. Professor Tobin noemt zichzelf daarentegen een "voorstander van de vrije markteconomie" en organisaties als het IMF en de Wereldbank, die door de anti-globalisten worden verketterd.
Tobin meent dat de standpunten van bewegingen als het Franse Attac ,uitgaan van een goede bedoeling maar ondoordacht zijn."Een beweging als Attac wil de taks op de wisseltransacties aanwenden om haar projecten voor een betere wereld te financieren."
Tobin hamert erop dat het niet in zijn bedoeling ligt om middelen vrij te maken om de armoede te bestrijden maar om de internationale kapitaalspeculaties af te remmen. Tobin zelf twijfelt eraan of de Tobintaks er ooit zal komen. "De grote financiële centra zijn tegen".
Op maandag 11 maart 2002 overleed James Tobin. En woensdag 13 maart 2002 was er in het Belgisch parlement een wisselmeerderheid voor een wetsvoorstel om een Tobin-taks in te voeren!
Het blijft voorlopig nog een symbolisch gebaar, want de taks wordt pas effectief ingevoerd als alle 12 Eurolanden ermee instemmen. Maar dat lijkt ook de goeie richting uit te gaan: blijkbaar zijn een vijftal landen al overtuigd van het nut ervan.
Na de Tobin de Spahn-taks, augustus 2003. Lees hier.
Tobintaks is wet, 1 juli 2004. Lees hier.
EU. ,,Vervanging Tobintaks is nepoplossing'', mei 2005. Lees hier.
Leterme praat in Parijs over Tobintaks , oktober 2009. Lees hier.
Comité van experts onderzoekt haalbaarheid Tobintaks, oktober 2009.Lees hier.
Daar is Tobin weer, september 2009 en september 2010. Lees hier.
EU dringt aan op Tobintaks , december 2009.Lees hier.
EU enorm verdeeld over ‘Tobintaks', september 2011. Lees hier.
Eurozone kan variant op Tobintaks al invoeren, oktober 2011. Lees hier.
34. Bedenkingen
De vaststelling dat de armen in de Derde Wereld armer en talrijker zijn
dan bij het begin van de miljardenstroom aan hulp, is gemeengoed geworden. Dat
voedselhulp aan rampgebieden de plaatselijke landbouw kapot kan maken of de
oorlogen tussen de krijgsheren juist verlengt, is eveneens bekend. Kleine
projecten door particuliere organisaties, de ngo's, met partnerorganisaties in
de Derde Wereld opgezet, zijn succesvoller, maar hebben weinig effect op grote
problemen als armoede.
Armoede is geen gevolg van gebrek aan geld, maar van gebrek aan kennis. Hoe
leer je een jonge boer zijn eigen hulpbronnen beter gebruiken? En hoe leer je
vrouwen overtollig voedsel van het land zo te bewaren dat het niet verrot, maar
verkocht kan worden op de lokale markt?
De resultaten van hulp zijn moeilijk te meten. Vaak zijn er onvoorziene,
negatieve bijeffecten. Een bekend verschijnsel is het vertrek van de
intelligenste mensen uit een streek. Na hun opleiding trekken ze naar de stad,
gaan ze werken voor een hulporganisatie of verhuizen ze naar het Westen. Werken
in het onderwijs, de gezondheidszorg of op een ministerie is voor losers, of
voor ontwikkelingswerkers.
Westerse hulp verdwijnt vaak in bodemloze putten. Je ziet ze overal rondrijden,
de prachtige witte 4x4 wagens. Het geld moest op en de veelgeplaagde fabriek in
Europa kon een order voor 25 jeeps goed gebruiken.
Een meer gespecialiseerde ontwikkelingshulp moet zich dan ook toespitsen op
de twee grootste problemen van arme landen: de enorme kennisachterstand en
de aids-epidemie. Het herstel van het onderwijs en gezondheidszorg. Niet alleen
via de ministeries in de ontvangende landen, maar ook via lokale overheden,
onderzoeksinstellingen en maatschappelijke groepen, die gespecialiseerde
cursussen geven in landbouwtechnieken, boekhouden of het gebruik van kredieten.
Dan kan een generatie opgroeien die het heft in eigen handen neemt.
Eenderde van de hulp aan Afrika ten zuiden van de Sahara bestaat uit technische
assistentie; de plaatselijke arbeidsmarkt wordt gebombardeerd met buitenlandse
experts, wat leidt tot een brain drain. Er zijn enorme verschillen: de
assistentie varieert van dure deskundigen van internationale organisaties tot
ontwikkelingswerkers op een lokaal contract . Hoe nuttig hun werk is en hoe
lang ze nog nodig zijn, verschilt van geval tot geval. De verantwoordelijkheid
moet overgedragen worden aan de ambtenaren van de ontvangende landen,
maar die moeten er wel zijn, kennis van zaken hebben en een concurrerend
salaris zodat ze niet weglopen.
36. Slaapziekte: geneesmiddelen moeten winst opleveren...
De fabrikant van eflornithine - een doeltreffend geneesmiddel voor de
behandeling van slaapziekte stopte de productie in 1994, eveneens omdat het
geneesmiddel niet voldoende winst maakte. Na onderhandelingen met Artsen Zonder
Grenzen en de WHO stemde de vorige fabrikant ermee in een laatste voorraad van
10.000 doses eflornithine te produceren en de licentie voor eflornithine over
te dragen aan WHO. Er moet echter nog een nieuwe fabrikant worden gevonden voor
de productie van het geneesmiddel op lange termijn.
Meer info over de slaapziekte vind je op onze website van het project C.D.I. Bwamanda !
38. Max Havelaar koffie.
Info over de Max Havelaar koffie vind je op de site van C.D.I. Bwamanda, een intgraal
ontwikkelingsproject in Congo waar wij zelf een 11-tal jaar hebben gewerkt. De
link vind je in de linker knoppenbalk of hier op, C.D.I. Bwamanda
Onder de rubriek Nederlands vind je "C.D.I. en Max Havelaar koffie".
41. De Matongewijk.
De Matongewijk strekt zich uit van de Elsensesteenweg en het Marsveldplein over de Waversesteenweg
tot aan het Londenplein. Niet eens de helft van de bewoners komt uit Afrika,
maar met al zijn winkels, reisbureaus en Afrikaanse restaurants is Matonge
sinds jaar en dag de vaste ontmnoetingsplaats voor de Afrikaanse koloniaal in Brussel.
Vanaf de jaren vijftig verzamelen de Congolese beursstudenten in het Afrikaanse
Huis in de Elzas Lotharingenstraat. De Congolese ambassade ligt een beetje verderop.
Matonge wordt een ontmoetingsplaats voor studenten, politieke opposanten en
reizigers uit het thuisland. Elke Zaïrees die Europa bezoekt, doet als
verplichte stop Elsene aan. Op het einde van jaren tachtig slaat de stemming
om. In het Zaïre van Mobutu woedt de crisis. Minder gegoede jongeren en steeds
meer asielzoekers verzamelen zich in de Matongewijk. Chique boetieks zouden
maken plaats voor louche handelszaken. Hopelijk wordt de verloedering in deze
mooie wijk tegengehouden.
43. . Van Lusaka naar Pretoria.
2 augustus 1998: Rwanda en Uganda vallen Congo binnen in een poging om president Laurent-Désiré Kabila
van de macht te verdrijven.
Hun Congolees schaamlapje is de relbellenbeweging Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD/Goma).
Met de hulp van
Angola, Zimbabwe en Namibië slaagt Kabila erin de opmars van zijn tegenstanders
tegen te houden. Later krijgt Kabila nog de hulp van Tsjaad.
10 juli 1999: zes Afrikaanse landen sluiten in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka een vredesakkoord dat voorziet in een staakt-het-vuren, de organisatie van een Congolese politieke dialoog en de terugtrekking van de buitenlandse legers. Een maand later tekenen ook de RCD/Goma en de Mouvement pour la Libération du Congo (MLC), de tweede grote rebellenbeweging die met de hulp van Uganda de Evenaarsprovincie controleert.
30 november 1999: de VN-Veiligheidsraad keurt de oprichting goed van een VN-vredesmacht, Monuc genaamd, die moet toezien op de uitvoering van het Lusaka-vredesakkoord.
16 januari 2001: de Congolese president, Laurent-Désiré Kabila, wordt vermoord door een lijfwacht. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon, Joseph Kabila, die onmiddellijk kiest voor meer samenwerking met het Westen.
17 april 2002: in het Zuid-Afrikaanse Sun City sluiten de Congolese regering en de MLC van Jean-Pierre Bemba een akkoord over machtsdeling. Kabila mag president blijven, Bemba kan premier worden. De RCD/Goma en een deel van de ongewapende oppositie weigeren zich bij het akkoord aan te sluiten.
30 juli 2002: de Rwandese president Paul Kagame en Joseph Kabila sluiten in het Zuid-Afrikaanse Pretoria een vredesverdrag. Rwanda belooft zijn soldaten terug te trekken uit Congo, Congo zegt dat het zal helpen bij de ontwapening en repatriëring van Rwandese Hutu-rebellen, van wie sommigen in 1994 deelnamen aan de genocide in Rwanda.
7 september 2002: Kabila ondertekent in de Angolese hoofdstad Luanda een vredesakkoord met de Ugandese president, Yoweri Museveni, die belooft zijn troepen definitief uit Congo terug te trekken.
16 december 2002: in Pretoria zetten alle Congolese partijen hun handtekening onder een akkoord voor de vorming van een overgangsregering.
46. Viva Bomma
De 53-jarige Papa Wemba, de Congolese Elvis Presley die eigenlijk Hungu Wembadio Pene Kikumba heet en de
Belgische nationaliteit heeft zong ooit “ Viva Bomma
” tijdens een bezoek van ex-premier Leo Tindemans aan het toenmalige Zaïre.
Tenminste zo denken velen, maar op 9 maart 2006 kreeg ik dit bericht!:
"Bij de weetjes over het bezoek van Tindemans aan Mobutu staat dat de viva bomma en andere liedjes gezongen werden door Papa Wemba. Dat is een veel gemaakte en hardnekkige vergissing. De zanger was namelijk niet Papa Wemba, wel Gérard Madiata, klinkt minder sexy, maar 't is wel 'de waarheid'."
van Frodo Daems.
50. LRA, Verzetsleger van de Heer.
Het Lord's Resistance Army (LRA), ofwel het Verzetsleger van de Heer, bestaat al meer dan twintig jaar. De rebellengroep is verantwoordelijk voor het langst aanslepende gewapende conflict in Afrika.
De leider van het LRA is Joseph Kony, een Ugandees die sinds 2005 wordt gezocht door het Internationaal Strafhof in Den Haag. De nummer twee van de beweging, Vincent Otti, is drie jaar geleden op Kony's bevel geëxecuteerd. Otti had Kony aangespoord aan vredesgesprekken deel te nemen.
In oorsprong is het LRA een rebellenbeweging uit Noord-Uganda, die het bewind van de Ugandese leider Yoweri Museveni omver wilde werpen. In de plaats wilde Kony in Uganda een theocratie installeren, waarbij de tien geboden wet zouden worden.
Opgejaagd door het Ugandese leger - dat hen in 2008 in Noordoost-Congo rake klappen toebracht - hebben de LRA-strijders zich vandaag ver buiten Uganda's grenzen verspreid. Het LRA opereert sindsdien in kleine cellen, en zaait terreur in het noordoosten van Congo, in de Centraal-Afrikaanse Republiek en in het zuiden van Sudan. Het LRA zou vandaag over 200 tot 400 strijders beschikken, aangevuld met honderden ontvoerde burgers. Op het hoogtepunt van de beweging, in 2003, telde het LRA 3.000 strijders. Toch blijft het LRA wegens zijn onvoorspelbaarheid extreem gevaarlijk.
Joseph Kony zelf houdt zich naar verluidt schuil in het zuiden van Darfour, in Sudan. Het moslimfundamentalistische regime van de Sudanese leider Omar el-Bashir heeft Kony van 1994 tot 2005 met zware oorlogsmunitie bewapend, en het LRA op die manier enorme slagkracht geschonken.
Gevreesd wordt dat Sudan Kony vandaag nog altijd als pion achter de hand houdt. Een herbewapening van Kony door Sudan kan verstrekkende gevolgen hebben voor de hele regio.