S T I L - L E V E N

home


Inleiding


In deze scriptie tracht ik in de eerste plaats een beknopt overzicht te geven van verschillende fenomenen en evoluties die de laatste jaren mijn interesse wekten en dus zouden kunnen beschouwd worden als de context waarin ik en mijn werk zich bevinden. De stad, de aanhoudende urbanisatie en vooral de gevolgen ervan zijn fenomenen die tekenend zijn voor onze hedendaagse, westerse samenleving. Het zijn dan ook vooral deze elementen die me de belangrijkste inspiratie geven bij het maken en bedenken van mijn werk.

Ik zie mijn scriptie een beetje als een eigen analyse van de wereld waarin we leven. Dit is niet hetzelfde als een persoonlijke visie op die wereld. Ik vind persoonlijke visies saai en onbelangrijk, de groeiende belangstelling ervoor heeft reeds haar piek gekend en ik geloof dan ook dat de periode van doorgedreven individualisme weldra geschiedenis zal zijn. De tijd is rijp voor de hoogdag van het collectivisme! (Misschien een idee voor een volgende verhandeling.) Uiteraard is dit ook een uiting van een persoonlijke visie, maar het is dan ook in mijn geval de enige of de belangrijkste visie die hier relevant is. Het is mijn idee dat de doorgedreven individualiteit een belangrijke (zoniet de belangrijkste) rem is bij de ontwikkeling en dat we op termijn geen andere keuze zullen hebben dan deze drang te laten varen, teneinde de wereld leefbaar te houden, of beter gezegd leefbaar te maken. Verder in deze tekst kan je misschien enkele kleine, persoonlijke bemerkingen terugvinden, maar deze vormen allesbehalve de ruggengraad van de verhandeling.

Deze tekst is echter ook niet geschreven als een wetenschappelijke studie van het fenomeen. Het is dus niet de bedoeling in deze tekst wetenschappelijk correct te zijn, maar wel wil ik een juist en overzichtelijk beeld geven van de feiten en gebeurtenissen die me inspireerden bij het tot stand brengen van mijn werk. Dit wil niet zeggen dat je onjuistheden zal tegenkomen, integendeel, maar wat je ook niet zal tegenkomen zijn eindeloze opeenvolgingen van voetnoten of een bibliografie die trachten elk woord, elke zin, elke stelling te staven of te bewijzen. Waar ik dit zelf aangewezen vind zal ik naar een bron of naar achtergrondinformatie verwijzen, maar daar maak ik niet de regel van.

De meeste bronnen zijn ook gewoon zeer moeilijk te benoemen. Veel zaken weet ik gewoon doordat ik, als kind van mijn tijd, zeer veel informatie haal uit radio en televisie (documentaires in de eerste plaats), internet, actualiteit, cursussen op school en eventuele lezingen daarbuiten. Daarnaast zijn boeken als vanzelfsprekend nog steeds een belangrijke bron van informatie. Als beeldend kunstenaar echter, vind ik het beeld nog steeds de meest veelzijdige en de snelste vorm van communicatie. Het beeld is niet alleen de oudste, maar ook de meest natuurlijke en de best verspreide vorm van overdracht op aarde. De geschreven tekst en het gesproken woord zijn artificieel en eerder traag in vergelijking met veel andere media. Ikzelf geloof dan ook dat de geschreven tekst op termijn terug grotendeels zal verdwijnen en vervangen worden door (eventueel nieuwe) vormen van beeldcommunicatie. Jean Jaques Rousseau schreef over boeken in zijn 'Emile', een soort pedagogisch handboek avant la lettre uit 1762, het volgende: "Omdat heel Europa één boekenkast is, beschouwen de Europeanen boeken als onmisbaar, zonder ooit te bedenken dat op driekwart van de wereld boeken volstrekt onbekend zijn. Zijn niet alle boeken door mensen geschreven? Waarom zou de mens dan boeken nodig hebben om zijn plicht te kennen, en hoe kon hij dan zijn plichten kennen in de tijd dat al die boeken nog niet geschreven waren? Ofwel hij leert zich zelf zijn plichten, ofwel hij kan rustig zonder."

Op het eerste deel, de context, volgt een tweede deel: een beschrijving van het afstudeerproject en enkele voorafgaande werken. Die beschrijving zal vooral praktisch georiënteerd zijn en gaat in mindere mate over de inhoud, oftewel over de 'boodschap' achter het werk. In de eerste plaats omwille van de reden hierboven beschreven, want wanneer ik dit doe, dan verval ik snel weer in het vertalen, het kopiëren, en vrees ik dat het origineel, het werk of de installatie op zich, bijkomstig wordt of zelfs in de vergetelheid zou kunnen geraken. Ik vrees dat hierdoor vorm de overhand op de inhoud zou kunnen krijgen. Ik heb geen enkel probleem met kunstfilosofie, integendeel, ik hou ervan, maar ik vind ook niet dat kúnst daarom filosofie moet zijn. Daarbij, waar rest ons anders de kunst van het genieten, waar is de kunst van de ervaring gebleven? Kijken zonder denken… of, zoals Roberto Caeiro (Pessoa) schreef: "er is metafysica genoeg in denken aan niets."

 

Con-text (observaties)


Aan de oorsprong


Zoals dat voor zovele miljoenen mensen op aarde geldt is de stedelijke omgeving ook voor mij de natuurlijke leefomgeving geworden. We geraken meer en meer vervreemd van wat ooit de natuurlijke biotoop van de mens was: de wilde, vrije natuur of zoals we het vandaag wel eens met een populaire term benoemen, 'the Great Outdoors', de uitgestrekte vlaktes, bergketens, bossen, moerassen en woestijnen. De onmetelijke biotoop, gevuld met, behalve de leegte, een uitgebreid gamma aan zowel levensgevaren als levensbronnen is voor de meeste mensen op aarde ingeruild voor een stedelijke omgeving waarin deze begrippen een andere betekenis kregen. De uitgestrektheid, het ongerepte en het ritme van de natuur zijn dingen waar we vandaag niet goed meer mee overweg kunnen, maar het zijn wel die invloeden die het menselijke ras gevormd hebben tot de meest merkwaardige diersoort die er vandaag op aarde te vinden is.

Zoals reeds door meerdere psychologen en antropologen beschreven werd zijn al onze basisgedragingen terug te brengen tot onze primaire (dierlijke) behoeften en instincten, zoals we die ooit ontwikkelden ten behoeve van het overleven in de wildernis. In "The Naked Ape, a zoologists study of the human animal" beschrijft en analyseert Desmond Morris de gedragingen van de mens, met verwijzing naar onze voorouders de dieren en hun instincten, als leidraad doorheen de gehele studie (deze geschreven studie werd ook verfilmd tot een fantastische documentairereeks). Morris laat ons zien hoe ons onderbewuste na eeuwen, zoniet duizenden jaren, ondanks de grote steden en de vele machines, nog steeds niet van dat van de primaat vervreemd is. Niet enkel de overlevingsstrategie van het individu, maar vooral ook het overleven als soort, als kudde mensen, heeft ons gevormd tot wat we nu zijn.

Daarenboven geldt de (ongeschreven) wet dat, waar in de natuur de wet van 'survival of the fittest' geldt, 'the fittest' het niet enkel op sociaal vlak, maar vooral ook op landschappelijk niveau voor het zeggen heeft. Er is geen enkel ander levend wezen op aarde, behalve de mens, dat ooit het landschap zo sterk wist te beïnvloeden. Niet enkel onze eigen fysieke aanwezigheid, maar vooral ook de gevolgen van en de voorzieningen voor deze aanwezigheid tekenen het landschap heel sterk.

De mens was het beste in staat zich naar de overlevingswetten te voegen. Hij slaagde erin z'n eigen gebreken te 'genezen'. De wet van de survival of the fittest, het basisprincipe van de evolutietheorie door Charles Darwin, werd door de mens(heid) enigszins herschreven. Voortaan kon men ook 'the fittest' wórden door het vervaardigen van wapens en andere gereedschappen. Door het overleggen en het uitdiepen van systemen die het (over)leven gemakkelijker konden maken, dankzij zijn intelligentie, slaagde de mens erin de omgeving en diens bewoners opeenvolgens te overzien, te analyseren, te beheersen en te beheren. Dit heeft natuurlijk tot gevolg dat de mens steeds meer fysiek en zichtbaar aanwezig is in het landschap. De laatste tijd, sinds de technologische revoluties, heeft deze fysieke en zichtbare aanwezigheid een wel héél sterke expansie gekend, een groei waarvan het voorlopig niet lijkt dat deze de eerste jaren (eeuwen?) zal stoppen. Concreet heb ik het hier uiteraard over het ontstaan en het ongelooflijk snelle uitdeinen van de stedelijke gebieden tot zelfs het aaneengroeien van stedelijke kernen tot een groot, uitgestrekt stedelijk tapijt (sprawl), maar ook over de snelwegen die het landschap doorklieven, de dammen en kanalen die de wateren herleiden en herdefiniëren, de landbouw, de ontginning van energie en de industrie die de landschappen tekenen. Om natuurlijk nog maar te zwijgen over de -op het eerste zicht- onzichtbare ecologische veranderingen aan de omgeving, ten gevolge van voornoemde fenomenen.

 

 

Architectuur in wildgroei


De grote verscheidenheid aan architectuur is wel het meest visuele kenmerk van de stedelijke gebieden. De stempel die architectuur op het landschap gedrukt heeft is niet meer weg te denken. De in eerste instantie geometrisch gevormde constructies en patronen lijken wel uitgestrooid en hier en daar een beetje samengeveegd op het natuurlijke, aardse, groene dekentje dat de aarde bedekt. Zo vormt de bebouwing een eerder rommelig, bijna organisch patroon. Het is een beeld dat we allen kennen van het kijken op een landkaart of van het zicht uit het vliegtuigraam. Niet alleen in de lucht, maar uiteraard bijna overal op aarde krijgen we de kans de menselijke ingreep op het landschap te aanschouwen. Er resten ons nog maar weinig plaatsen op aarde die nog niet geroerd zijn door het potlood van de architect. Overal zien we wegen, huizen, torens en andere architecturale verwezenlijkingen elkaar opvolgen, verbinden of aanvullen. Ook de plaatsen waarvan we denken dat ze weinig interessant zouden zijn voor dergelijke constructies, de oceanen, woestijnen, poolvlaktes en gebergten zijn dikwijls niet zonder architectuur gelaten (boortorens, weerkundige meetpunten, stuwdammen enz.).

Hooverdam (Nevada, V.S.)

De meeste steden zijn een soort wildgroei van dit fenomeen. Zij zijn namelijk het product van wat er gebeurt als je een enorme hoeveelheid mensen dwingt samen te leven. Wat ooit begon als een kleine nederzetting, een plaats waar enkele mensen zich installeerden omdat het er goed was, groeit vooral de laatste decennia ongelooflijk snel uit tot een complex kluwen van verkeer, productie, handel, consumptie en wonen. De mens bouwt een stad, gebruikt een stad en herbouwt een stad naar eventueel bijkomende behoeften. Ik vergelijk het fenomeen graag met een termietenhoop. Zoals het ingenieuze bouwwerk van een mierenkolonie is ook een stad of verstedelijking noch het product van een individuele wil, noch -en dat maakt het zo complex- van een overeenkomst of eensgezindheid onder de mieren. Een termiet is een puur organisch-chemisch machientje, ze heeft geen eigen wil of denkvermogen, op haar eentje weet ze niet waar ze heen moet of wat ze van plan is. Zo heeft geen énkele termiet het idee dat ze een termietenhoop zal bouwen in haar hoofd. Het enige wat ze doen is, zoals de andere termieten dat doen, een beetje aarde verplaatsen en zo slagen ze erin samen ongelooflijke bouwwerken tot stand te brengen, bouwwerken als kathedralen met zuilen, koepels en zelfs luchtbogen! Deze prachtige werken zijn de resultaten van zeer primaire interacties tussen de bouwers en hun omgeving. Ook het gedrag van de termieten buiten de bouwwerken is het resultaat van een primaire interactie. Een termiet volgt namelijk gewoon altijd het spoor van de termiet voor zich. Zo vormen ze een onophoudelijke ketting die haar baan doorheen het hindernissen parcours volgt. Wanneer de ketting verbroken wordt, zal de mier die nu plots de eerste geworden is, een beetje heen en weer zigzaggen en eventuele hindernissen ontwijken tot ze het spoor weer teruggevonden heeft. De rest van de mierentrein zal gewoon volgen.

termietenheuvels

Steden zijn dus ook het resultaat van dit soort gedrag. Wanneer we het ontstaan en de groei van steden doorheen de geschiedenis bekijken, zien we dat deze een evolutie van volgen, zoeken en soms uitproberen is. De natuurlijke landschapskenmerken zijn daarbij nog steeds de belangrijkste factoren die de vorm en het uitzicht van de stad beïnvloeden. Soms vormen water en reliëf hindernissen, maar dikwijls zullen zij ook door de inventiviteit van het menselijk brein omzeild en (of) overwonnen worden. Het menselijke gedrag bij het vormen van steden zouden we gedrag op 'macroniveau' kunnen noemen (het antropologische gedrag). Dat is het gedrag van de termiet: het onbewust, zonder individueel plan, bijdragen aan een groot geheel. Er bestaat natuurlijk ook nog het, wat ik dan maar het gedrag op 'microniveau' zal noemen: het gedrag van het individu. Het gedrag dus dat door de psychologie bestudeerd wordt. Het is dan ook meestal dit micro-gedrag dat de belangrijkste rem is bij het structureel en evenwichtig macro-gedrag. Hier onderscheiden wij ons van de termieten: waar een termiet blindelings uitvoert en haar leven ondergeschikt is aan het vervolledigen van het project (dat door haar onbewust gedrag eigenlijk geen project is), zal de menselijke individualiteit dikwijls boven het geheel geplaatst worden en op die manier de uniforme, gestructureerde (en meest functionele?) groei van de stad bemoeilijken. De mens beschikt echter over de nodige dosis intelligentie en communicatie om zich te organiseren en onderlinge afspraken te maken zodat er via eensgezindheid en compromissen toch meer grootschalige projecten gerealiseerd kunnen worden.

Een fenomeen dat zich de laatste jaren, vooral in Europa, steeds duidelijker manifesteert is 'sprawl', het aaneengroeien van stadskernen, oftewel het dichtslibben van de open ruimte tussen verschillende steden. De benaming voor dit fenomeen, sprawl, werd in 1964 het eerst gebruikt door Peter Blake in zijn uitgave 'Gods own Junkyard, the planned deterioration of America's landscape'. De gebieden waar dit fenomeen in West-Europa nu reeds ongelooflijke proporties heeft aangenomen zijn de Vlaamse Ruit (het gebied tussen Antwerpen, Brussel, Gent en Leuven), Londen, de Randstad in Nederland, de Veneto-regio in Italië, het Ruhrgebied en de driehoek Basel-Zurich-Bern. Het belangrijkste probleem dat sprawl met zich meebrengt is dat de ervaring van het landschap volledig verloren gaat. Alle vergezichten worden dichtgebouwd en de gebieden verliezen hun eigenheid. En toch is er open ruimte zat in deze sprawl-regio's; in de dichtst bebouwde gebieden is er nog steeds maar liefst 60 procent open ruimte! Het probleem is dat ze versnipperd is en dus niet te ervaren .

Lagos (Nigeria)

Architectuur is echter niet enkel het gevólg van menselijk gedrag, er bestaat ook een wederkerige relatie tussen beiden. Het is een fenomeen van wederzijdse beïnvloeding. Er bestaat namelijk een heel sterke relatie tussen mensen, hun gedragingen en de socio-psychologische sfeer enerzijds en de omgeving waarin deze plaatsvinden anderzijds. Mensen gaan variërend gedrag vertonen naargelang de ruimte waarin zij zich bevinden (bv. in extremis: claustro- en agorafobie, de ziekelijke angst voor hetzij kleine of grote ruimten). Deze relatie kan zich zowel op macro- als op microniveau manifesteren.

Stedenbouw en architectuur is een bewuste poging om deze relatie tussen mens en omgeving bewust te beïnvloeden. Door het plaatsen van gebouwen, door het aanleggen van bv. pleinen, parken, lanen en dergelijke kan de sfeer van een omgeving en dus ook het gedrag van de personen die zich in deze omgeving bewegen sterk gewijzigd worden. De omgeving kan aangepast worden aan bepaalde of algemene menselijke handelingen en activiteiten, maar nog belangrijker is dat mensen zich gaan aanpassen aan de omgeving waarin zij zich begeven. Wanneer we deze techniek vanop het landschappelijke niveau benaderen spreekt men eerder over 'landschapsarchitectuur'. Onder deze noemer plaatst men hoofdzakelijk het aanleggen van parken, pleinen, wegen, rotondes en andere kruispunten, maar ook bij het plannen van stedenbouwkundige projecten en bij het opstellen van bouwreglementen worden landschapsarchitecten dikwijls aangesproken.

Daar het wereldbevolkingscijfer de eerste decennia zal blijven stijgen en zo goed als alle bebouwbare grond op aarde vandaag reeds in beslag is genomen door bebouwing zal deze bevolkingsgroei in de toekomst vooral de landschapsplánning noodzakelijk maken. Volgens het in 1998 verschenen rapport van het VN-bevolkingsfonds zal de wereldbevolking vermoedelijk halverwege volgende eeuw stagneren. Met hoeveel we dan zullen zijn is moeilijk te voorspellen omdat kleine misschattingen grote gevolgen hebben, maar men verwacht dat het bevolkingscijfer in het jaar 2050 9,4 miljard zal bedragen en in 2150 zouden we dan uiteindelijk de top bereiken met een cijfer tussen (afhankelijk van het geboorte- en sterftecijfer) de 10 en de 15 miljard (ter informatie: de VN noteerde op 16 juni 1999 dat de grens van de 6 miljard was overschreden). Als we deze wereld de komende jaren nog een beetje leefbaar willen houden, dan zullen de begrippen stedenbouw, wonen, landschap, milieu, natuur en architectuur opnieuw ingevuld moeten worden en zal er een globaal, streng- en goedgestuurd, maar vooral haal- en leefbaar plan op tafel moeten komen.

Eén ding is zeker: architectuur en vooral de noodzaak aan een gestructureerde stedenbouw zal in de toekomst het landschap nog sterker gaan beïnvloeden, maar ook de invloed die architectuur uitoefent op ons leven, hetzij in groep, hetzij individueel, zal weldra nóg zwaarder doorwegen dan dat dit vandaag reeds het geval is.

 

Interactie


Wanneer je in een stad bent kan je gaan winkelen of gewoon door de straten kuieren, met een voorbijganger praten of naar een parkje wandelen om daar op een bankje tot rust te komen. Er ontstaat dan een interactie tussen jezelf en je omgeving. De omgeving kan een reactie opwekken, maar nog belangrijker is dat ook jij je omgeving kan beïnvloeden. Bijvoorbeeld: een steentje ligt op het pad in het park, je raapt het op en gooit het in de vijver iets verderop, er ontstaan prachtige cirkels in het water. Door deze opeenvolging van acties en reacties ontstaan een soort klein 'feestje' in ons hoofd. De idee en het gevoel dat we door een kleine actie als het gooien van een steentje, zulk een prachtig schouwspel van licht en geluid kunnen veroorzaken fascineert onze zintuigen ongelooflijk. Het is als een soort snoep voor de zintuiglijke perceptie. In de computerwereld kent men de term 'eye-candy', snoep voor de ogen, het zijn stukjes grafische software die automatisch beelden genereren, dikwijls onder invloed van de acties die door de gebruiker uitgevoerd worden met de muis of het toetsenbord. Maar het werkt ook subtieler dan dat. Gewoon in een omgeving rondwandelen en rondkijken zorgt reeds voor een schouwspel van licht, schaduwen en vormen. Voorwerpen zijn klein als ze veraf zijn, maar worden groter wanneer we ze benaderen. Dus eigenlijk zijn we altijd in interactie met onze omgeving en wanneer deze interactie er 'mooi uitziet', door een ideale prikkeling van onze zintuigen, kunnen we eventueel zelfs echt van deze ervaring genieten, zoals we kunnen genieten van een wandeling over één van prachtig aangelegde Boulevards in Parijs of van een wandeling door het bos.

Ook in de beeldende kunst tracht men soms dit spel van beïnvloeding te spelen. Dit wordt meestal Land Art of landschapskunst genoemd, maar de term 'omgevingskunst' sluit hier beter bij aan: installaties of sculpturen in een omgeving en/of installaties die als omgeving fungeren. Het gaat hier om de interactieve relatie tussen mens en omgeving. Of beter: het interactieve aspect van de subject-object relatie. Rondwandelen in een omgeving en ze voelen en zien. Het is een soort van dialoog met licht, wind, temperatuur, geluid en vele andere elementen, maar ook met abstractere begrippen zoals tijd en ruimte. Het verschil met andere disciplines is dat je als toeschouwer zelden buitenstaander blijft, maar meestal deelnemer wordt, je wordt als het ware in het werk opgenomen. Je gaat deel uitmaken van de omgeving of van de installatie. Sommige kunstenaars gaan zelfs de toeschouwer op áctieve wijze bij het kunstwerk, -project, betrekken. Op die manier steunt de installatie of het project opnieuw op een wederzijdse relatie tussen mens en omgeving (of moeten we hier dan toch weer over de mens-mens relatie spreken?).

Zoals de impressionisten er resoluut voor kozen hun ateliers te verlaten en de natuur in te trekken, zo besloten in de jaren zestig een aantal kunstenaars, hoofdzakelijk beeldhouwers, hetzelfde te doen. Zij vonden dat kunst niet in galerijen, musea of andere witte dozen thuishoorde, zoals ook mensen niet in dozen thuishoren. Onze natuurlijke habitat is buiten en zo is dus ook kunst iets wat buiten hoort, dachten zij en voegden de daad bij het woord. Vanuit de idee dat één van de grondbeginselen van het bestaan de fysieke aanwezigheid in het landschap is kwam men tot de conclusie dat dus het nalaten van sporen die van deze aanwezigheid getuigen, één van de essentiële behoeften van de mens is (en misschien is dat ook wel de essentie van kunst, getuigen van de aanwezigheid nalaten). Artiesten besloten het landschap en de natuur in te trekken en hun sporen erin na te laten. Zij noemden hun projecten 'landschapskunst'. Ikzelf gebruik liever de term 'omgevingskunst' omdat deze duidelijker vertelt wat deze stroming inhoudt. Het gaat hier om de kunstuitingen die omgeving, de omliggende ruimte rondom de toeschouwer manipuleren en als een volwaardig medium zien. Het gaat mij hier om veel meer dan gewoon een beeld in een ruimte plaatsen of het aanbrengen van een wijziging in de omgeving. Waar ik de term omgevingskunst gebruik, denk ik eerder op het creëren van een ruimte dan om het wijzigen ervan.

Ook de locatie was dikwijls van een groot belang en kon zelden van een installatie losgekoppeld worden. Een werk ontstaat op een locatie en sterft op die locatie zoals ook architectuur dat doet. Men zocht dikwijls verafgelegen, moeilijk te bereiken gebieden op. De installaties werden dan met plattegronden en foto's gedocumenteerd en deze documenten kwamen uiteindelijk in de galerijen terecht. Op die manier trachtte men de aandacht te vestigen op de steeds groeiende afstand tussen mens en natuur of tussen mens en omgeving. Men experimenteerde veel met de ideeën rond aan- en afwezigheid in een omgeving. Behalve door de locatie werd deze discipline meestal gekenmerkt door de enorme afmetingen van de werken. De meeste werken getuigen van een sterke monumentaliteit. Afmetingen van enkele honderden meters waren zeker geen uitzonderingen. Het spreekt vanzelf dat, wanneer we onze stempel zichtbaar op een landschap willen plaatsen, de afmetingen in verhouding met die van het desbetreffende landschap moeten staan. Door de enorme, uitgestrekte gebieden in Noord- en Zuid Amerika (waar deze artiesten dikwijls actief waren) werd men gestimuleerd tot het maken van grote werken. Reusachtige afmetingen die de rol van de toeschouwer opnieuw in vraag stelden. Moeten monumentale werken als deze vanuit de lucht of van op de grond bekeken worden? Moeten we erbuiten blijven of kunnen we het werk betreden en er middenin gaan staan?

In de jaren zeventig en tachtig ontstond de trend deze discipline ook in meer stedelijke gebieden vorm te geven. Het is hier dat zij terug dicht bij stedenbouw en architectuur zal aanleunen. Enkele kunstenaars werden dan ook door de bevoegde instanties aangesproken omwille van hun esthetische en frisse vorm van ruimtelijk inzicht. Dit kwam hen namelijk goed van pas bij onder andere het organiseren van de ruimtelijke ordening. Deze trend was eigenlijk niet eens nieuw; de Romeinen, Grieken en Egyptenaren, zij deden dit al eeuwen geleden bij het bouwen van hun architectonische kunstwerken. Het plaatsen van installaties in of gewoon het vormgeven van een omgeving, het zijn allemaal vormen van "environmental art".

Maar ik zou liegen moest ik beweren dat het hier enkel om esthetische en praktische doeleinden ging. Vele artiesten wilden in hun werk meer bereiken dan alleen dat. Zij gaven dikwijls een socio-culturele meerwaarde aan hun werk. Want al van bij het ontstaan in de jaren zestig trachtten zij hiermee de aandacht op natuur en leefmilieu te vestigen. In het begin deden zij dat door gewoon de esthetische waarde ervan te benadrukken, maar later ook door meer doelgerichte projecten uit te bouwen. Artiesten vorderden uitgeputte steengroeves en mijnen terug, terreinen die om de één of andere reden onbenut waren achtergebleven. Sommige van die terreinen waren verontreinigd en in andere gebieden dreigden andere ecologische problemen.

Herbert Bayer wist op artistieke wijze de verdere erosie van een rivierbedding te voorkomen door ze opnieuw vorm te geven door er een soort van parkje in aan te leggen en de waterstroom te kanaliseren. Op die manier werd de verder gelegen gemeente gevrijwaard van gevaar voor overstroming. Problemen zoals bedreigde biotopen, bodem- en waterverontreiniging, het waren allemaal vervelende, maar dankbare onderwerpen voor deze kunstenaars om rond te werken. De ene deed dit door ter plaatse installaties of andere beeldende projecten uit te bouwen en anderen deden dit door zelf naar rechtstreekse oplossingen op zoek te gaan. Het werden projecten van een hoge conceptuele aard, maar het beeldende element verdween en de interactie kwam op een ander, eerder theoretisch niveau te liggen.

Herbert Bayer, Mill Creek Canyon

De omgevingskunst een discipline die nog steeds veelvuldig beoefend wordt en niet enkel in de vrije natuur, maar dus ook in stedelijk gebied en zelfs binnenin de gebouwen. Ook schilderkunst heeft vandaag een sterke omgevingsvorm gekregen. Een schilderij blijft natuurlijk plat, maar kunstenaars als bv. Marthe Wéry besteden zeer veel aandacht aan de ruimtelijke presentatie van hun werk. Een schilderij bestaat niet op zich, maar maakt altijd deel uit van zijn omgeving en is dus in wezen een ruimtelijk werk.

 

Het sociaal dier in zijn nieuwe omgeving


Er zijn ook andere, minder vormelijke gevolgen van de toenemende urbanisatie en het leven in de stad die het onderzoeken waard zijn en die ook in de kunst, te pas en te onpas, zullen worden of reeds werden aangewend.

Wanneer mensen, soms met miljoenen, samenleven op een zeer beperkte oppervlakte als die van een stad, kan het niet anders dan dat dit een uitwerking heeft op het karakter, het gemoed en de gedragingen van het individu. Er ontstaan nieuwe fenomenen of bestaande verschijnselen nemen nieuwe vormen aan ten gevolge van deze nieuwe vorm van samenleven. Doordat we als het ware 'op elkanders lip' leven, zijn we verplicht geworden onze gedragingen hieraan aan te passen. Hoewel we het niet altijd zouden durven denken, is de stadsmens een zeer tolerant wezen geworden. Het vraagt een grote vaardigheid om in (relatieve) vrede met honderden of zelfs duizenden mensen in één appartementsblok samen te leven. Vooral nu door de hedendaagse, zeer kapitalistische maatschappijsfeer de individualiteit meer en meer gepromoot wordt en kuddegeest een soort van taboe geworden is, zou ik het een klein wonder durven noemen dat in miljoenensteden als Londen of New York mensen elkaar nog niet uitmoorden in burgeroorlogen of rellen. Ook de mix van culturen in de grote steden zorgt voor een instabiliteit die veel aanpassingsvermogen van mensen vraagt. De gemeenschappelijke normen en waarden zijn sinds het ontstaan van grootsteden sterk verschoven zoniet hier en daar verdwenen. Onze tolerantie tegenover nachtlawaai, openbare verloedering en vervuiling zijn maar enkele voorbeelden van de aanpassingen die de mens heeft moeten maken om het leven in de stad mogelijk te maken. Het verkeer in westerse steden is een mooi voorbeeld van een gedrag waarin we verplicht worden onze individuele wil te laten varen voor een soort blindelings kuddegedrag.

De communicatie met anderen is één van de belangrijkste fenomenen die een ongelooflijke (r)evolutie heeft meegemaakt. Natuurlijk mede dankzij de vorderingen van wetenschap en technologie, is communicatie een begrip met vele bijklanken geworden. Het is in de eerste plaats een tijd- en plaatsloos gegeven geworden. Gsm's, e-mail, radio en televisie, het zijn voorbeelden van technologische evoluties die ons communicatiegedrag grondig gewijzigd hebben. De mogelijkheid om 24 uur op 24, vanop om het even welke locatie met mensen over de hele wereld te kunnen communiceren, heeft veelal het gevolg dat we onze communicatie veel strenger gaan selecteren. We gaan als het ware zelf onze sociale omgeving vormgeven. Er ontstaat een sterke private sfeer in het openbare leven. Een vrienden- of kennissenkring wordt een soort privé-club waar nieuwe leden door gevestigde leden geïntroduceerd dienen te worden. We moeten zorgen dat we deze 'vriendenbus' niet missen, want anders zijn we verloren. Het wordt dan uitermate moeilijk om een sociale achterstand in te halen. Er ontstaat dan ook een nieuwe vorm van marginaliteit, de sociale uitsluiting ten gevolge van zaken zoals tekort aan communicatiemiddelen of -vaardigheden. Deze sociale uitsluiting werkt als een vicieuze cirkel. Heb je geen vrienden, dan zullen zij je bijgevolg ook niet kunnen introduceren bij nieuwe vrienden. De langdurige eenzaamheid en het besef van deze marginaliteit leidt dan ook dikwijls tot zware depressies en soms zelfs tot zelfmoord. De relatiebureaus, datingcafé's die de laatste jaren als paddestoelen uit de grond schieten en andere kunstmatige ontmoetingskanalen zoals we die tegenwoordig vooral op het internet terugvinden zijn dikwijls slechts een pleister op een houten been.

Eenzaamheid in de grootstad is een veelvoorkomend, maar daarom niet minder merkwaardig verschijnsel. Mensen geraken, ten gevolge van de toenemende anonimiteit in de massa, geïsoleerd van de buitenwereld. In de eerste plaats bejaarden en invaliden (ten gevolge van hun beperkte mobiliteit) maar ook vele perfect gezonde en mobiele mensen krijgen met dit probleem te kampen. Juist omdat er zoveel mensen in een stad samenleven, vermindert de behoefte om met een van hen te gaan praten. De overvloed aan medemensen zorgt ervoor dat we niet meer gedwongen worden met bepaalde mensen om te gaan. Zoals we op materieel niveau in een consumptiemaatschappij gerold zijn, zo gaan we ook met menselijke relaties om als volleerde 'fast-food-consumenten': verbruiken en, indien uitgeput, vervangen.

Het meest merkwaardige hieraan is dat deze sociale kloof tussen mensen niets meer met werkelijke, fysieke afstand te maken heeft. We slagen er wel in een bankje in het park of op de bus te delen, maar een babbel met een 'wildvreemde' voelt onwennig en zelfs dikwijls een beetje beangstigend aan. We kennen allemaal de doodse stilte die soms in een overvolle treincoupé kan weerklinken.

Sinds enkele decennia heeft de informatica haar intrede gedaan. Een gevolg van de informatica en het internet als synthese van de belangrijkste troeven van de computer is het ontstaan van de virtuele omgeving. Ik zie het als een gigantisch, openbaar, maar ontastbaar landschap. Mensen trachten zich te positioneren in deze nieuwe, virtuele ruimte door bijvoorbeeld een persoonlijke homepage uit te bouwen of door het versturen en ontvangen van e-mail. Er is bijgevolg een soort van sub-wereld ontstaan, een parallelle wereld die op verschillende plaatsen en punten de reële wereld raakt of zelfs doorkruist. Er ontstaan nieuwe waarden en normen omtrent sociaal contact. Zo is de fysieke aanwezigheid niet langer een vereiste om over sociaal contact te spreken. Maar wellicht heeft de natuur het zo niet bedoeld… Misschien is juist dat fysieke aspect één van die primaire behoeften, één van die instincten ten behoeve van de overleving (lees: de voortplanting).

 

Back to the roots


Sinds de eerste nederzettingen en steden bleven mensen het liefste ver weg van de 'ongerepte natuur'. Men vreesde de wouden, bergketens en kustlijnen, want daar woonden de geesten en demonen. Zij die zich te dicht waagden kwamen zelden terug, anderen getuigden van monsters en ander onbekend leven. Het is pas sinds enkele eeuwen dat het verlangen naar de open ruimte en vrije natuur haar intrede deed. De Lorris beschrijft in zijn "Roman van de roos" (13e eeuw) een tuin vol leven, spel en liefde. Hij gebruikt hier de fauna en flora als allegorie voor de liefde en associeert op die manier de natuur niet langer met het kwade, maar promoot ze daarentegen als een soort goddelijke hoorn des overvloeds. Van wilde natuur is hier echter nog absoluut geen sprake. De dieren zijn er tam en de bloemen en planten worden zoals in die periode alle adellijke tuinen in strakke vormen en patronen gewrongen. Dit geheel wordt omarmd door de essentiële tuinmuur, een stevige muur die de tuin en haar bewoners (bezoekers) goed beschermt tegen al het gevaar dat de natuur erbuiten met zich meebrengt.

Toen echter Petrarca de Mont Ventoux beklom en zijn bevindingen hierover neerschreef in zijn bekende (fictieve) brief aan Diogini da Borgo, bij wijze van allegorische biecht of morele bekentenis, kwam er langzaam een ommekeer. Langzaam aan steeg de interesse voor het ongerepte en brak men uit de beschermende biotoop van de ommuurde tuin. Mensen begonnen gelijkaardige beklimmingen en ontdekkingsreizen naar de uithoeken van het landschap. Men ontdekte dat de monsters geen monsters, maar totnogtoe ongekende, hoogst interessante diersoorten waren die enkel in deze extreme omstandigheden leefden. Zij werden uitgebreid bestudeerd en gecatalogeerd. In de achttiende en zeker in de negentiende eeuw werd het avonturisme steeds populairder en was het niet langer voorbehouden aan enkelingen met een sterk doorzettingsvermogen en veel moed, maar werd het dé ideale uitstap voor het welgestelde burgerlijke gezelschap. Met een picknick op een maagdelijk wit laken, met het mooiste servies, kwam zo 'n uitstap tot een hoogtepunt op de top van een berg of aan de voet van een klaterende waterval.

Deze evolutie is blijven doorgaan tot op vandaag. Inmiddels is vakantie in de bergen of aan de zee de normaalste zaak van de wereld geworden, de wetenschap onderzoekt nu volop de diepste oceanen en in 1961 landde de eerste ruimtereiziger veilig en wel terug op aarde. Maar waar komt die drang naar de open, niet bebouwde ruimte vandaan?

De verklaring voor dit gedrag moet waarschijnlijk bij onze hedendaagse manier van wonen en leven gezocht worden. Sinds de opkomst van het industrieel kapitalisme heeft de natuur ook haar functie als bron van energie en grondstoffen grotendeels verloren. Door het samenbrengen van wetenschap en industrie werd het begrip technologie tot leven geroepen en werd de mens diegene die de natuur ging controleren in de plaats van omgekeerd. Door de industriële en technologische revoluties groeiden de steden die voorheen enkel handelscentra waren, plots zeer snel uit tot grootsteden vol fabrieken. De stad werd een erg drukke bedoening, een kluwen van beweging en lawaai, dag in, dag uit. De nood aan rust en een open landschap is dan ook groter geworden dan ooit tevoren. De beschaving biedt ons de nodige voorzieningen en veiligheden die we vroeger niet kenden, maar we geraken vervreemd van de oorspronkelijke taken en gevaren die het leven impliceerde. Het lijkt wel of we willen onze roots terug gaan opzoeken, alsof 'beschaving' niet kan bestaan zonder de herinnering aan de basisinstincten. Mannen gaan jagen en vissen of vechten fictieve oorlogen uit met een paint-ballgeweer, vrouwen gaan met de kinderen bv. bessen of paddestoelen plukken in het bos of zij gaan schelpen rapen op het strand. Ook dit is een algemeen maatschappelijk verschijnsel, dat zich bijvoorbeeld uit in de massale trek naar het buitenland tijdens de zomermaanden en de exploitatie ervan. Mensen zoeken in hun vrije tijd doelbewust de vrije natuur op, hoewel deze ook in het buitenland dikwijls ver te zoeken is. Jammer genoeg stoten wij ook daar tegenwoordig dikwijls op volgepakte stranden, picknickplaatsen en platgelopen wandelpaden.

 

Project


Ik zie mijn werk een beetje als het product of een soort synthese van een persoonlijke, mentale studie van het urbanisme, die ik doorheen m'n leven maak. Vanuit de hierboven gesitueerde context, met observatie als belangrijkste werkinstrument en de studie van beeldende en geschreven werken van stedenbouwkundigen, urbanisten, kunstenaars en theoretici zoals in de eerste plaats Le Corbusier, maar ook bv. Aldo Rossi, Christo, Richard Serra, Luc Deleu en anderen als back-up vorm ik eigen producten, projecten of installaties.

Deze installaties zijn meestal zeer omgevingsgericht. Ik bedoel hiermee dat ze lichamelijk interactief zijn. Je kan er in op of onder. De toeschouwer wordt omgeven door de installatie, gaat er deel van uitmaken, is als het ware een essentieel onderdeel van het werk. Ik zie deze gecreëerde ruimtes-omgevingen dan ook meestal als een soort metafoor voor de sociale omgeving die de realiteit ons aanreikt: de sociale omgeving die meer en meer getekend wordt door de aanhoudende verstedelijking en haar gevolgen zoals hierboven beschreven.

Wat volgt is een beschrijving van enkele 'bakens', werken-installaties uit vorige jaren die min of meer representatief zijn voor de evolutie die mijn project de afgelopen jaren doormaakte. In chronologische volgorde opgesomd, hoop ik dat deze bakens een beetje kunnen aantonen hoe ik tot dit afstudeerproject gekomen ben.

 

Kunstmatige baarmoeder of 'Dortoir' (2000)


Deze installatie kwam tot stand naar het einde van het eerste kandidatuurjaar in het kader van een tentoonstellingsproject 'Kunsttoorn', een initiatief van de beeldhouwklas dat de leegstaande, derde verdieping van de kunsttoren een bestemming moest geven. Door de locatie geïnspireerd kwam volgende installatie tot stand.

Een halfronde ruimte doet dienst als een rustplaats. In deze met doeken en kussens aangeklede kamer kan men terugkeren naar het baarmoedergevoel. Doordat deze ruimte zich vlakbij de verwarmingsinstallatie van het gebouw bevindt baad ze in een zwoele temperatuur en weerklinkt een zacht geronk op de achtergrond. De ronde zijde van de ruimte is bijna volledig in glas, 'geblindeerd' met kalkpapier, en verspreidt dus zonder doorkijk toe te laten een diffuus, wit licht, waarvan de intensiteit variabel is. De stoffering van de ruimte is vaalblauw, een kleur die door haar grijsheid een medische en erg onnatuurlijke sfeer opwekt. In combinatie met het witte licht wordt deze sfeer nog meer benadrukt.

Het is de bedoeling dat men in deze ruimte kan gaan zitten of liggen om even weg te zijn van de buitenwereld, om te knuffelen, te mediteren, te slapen of om gewoon even 'te zijn'. De enige regel die dient gerespecteerd te worden is de stilte.

Bij deze installatie wordt de bezoeker actief betrokken bij het project. De installatie is niet volledig zonder de actieve deelname. De toeschouwer (deelnemer) krijgt de kans om met alle zintuigen de installatie te ervaren en wordt er dus als het ware in ondergedompeld. Op deze manier wordt het idee realiteit en blijft het niet langer een afbeelding…

 

Project 01 (2000)


In de tweede kandidatuur ontstond een volgend project. Het is een soort remake van het 'Dortoir' uit de eerste kandidatuur. De basisidee blijft hetzelfde, alleen wordt de installatie beweeglijk en verplaatsbaar. In dit project wordt de nadruk ook meer gelegd op het alleen-zijn. Het is de bedoeling tot een soort meditatie te komen. Dit project moet de zelfexploratie bevorderen. De isolatie van elke externe invloed, behalve die van het werk zelf, is hier dus heel belangrijk. Ook wordt hier veel meer aandacht besteed aan het ritueel als hulpmiddel om tot concentratie te komen.

Het project bestaat uit een grote 'ton', een performance, een gele broek en vest, een bassin, handdoeken en een stoel. In de performance zien we het fysiek voorbereiden (wassen en aankleden) en het 'alleen zijn' in de ton voor onbepaalde duur. Na het ontkleden moeten de handen, het gezicht en de voeten goed met water gespoeld en daarna afgedroogd worden. De kledij moet zorgvuldig en met de nodige kennis van het kledingstuk aangetrokken worden. Dit kan men leren van een ander, de techniek van het knopen van de lintjes moet mondeling van mens op mens doorgegeven worden. Het wassen en het aantrekken van de kledij zie ik als fysieke bezigheden die de mentale inleving stimuleren, zodat de volledige concentratie kan bereikt worden. We moeten te alle tijden vermijden dat te veel gedachten en andere invloeden van buitenaf de zelfexploratie zouden verstoren. Het is dan ook ten strengste verboden lectuur, muziek of andere zaken in de ton binnen te brengen. Het ontkleden en wassen van handen, gezicht en voeten zal de zuivering fysiek maken. Om in de ton binnen te dringen is een inspanning noodzakelijk, de wil om de rand te overschrijden zal de prestatie volbrengen.

Het doel van het verblijf in de ton is dus zich op een soort rituele wijze aan de buitenwereld te onttrekken en door de vervaging van het tijd- en ruimtebesef dichter tot zichzelf te komen. Zelfexploratie zou tot een beter eigenbesef en dus een andere gemoedstoestand moeten leiden. De circulaire interne redeneringen die mede door het kleur geel ontstaan en de herhaling van tegenstellingen in de eigen gedachtewereld zouden tot herkenning van de ik figuur leiden. Dit met eenzaam dwalen en ontdekken als gevolg. In de ton is men koning in eigen rijk. Op de bovenstaande restricties en de verplichte eenzaamheid na is alles toegelaten. De ik-dimensie is uw rijk.

Bij dit project ontstond ook de idee dat deze ton reproduceerbaar zou kunnen zijn en op die manier, in grote oplagen geproduceerd, onder de bevolking zou kunnen verdeeld worden. De ton zou (zoals de auto) gemeengoed kunnen worden. Op die manier zou de meditatie en interne zelfexploratie tot een evenwichtiger bestaan kunnen bijdragen. Door op frequente basis een rustpauze, een moment van totale isolatie in het leven in te brengen, zou de samenleving gematigder en verdraagzamer kunnen worden.

 

Babel (2001-2002)

Een houten trap wentelt rond haar as en reikt naar de hemel. Een toegang tot de trap is nergens te vinden…

In het voorlaatste jaar van de opleiding bouwde ik dit baken. Het is het icoon van de mensheid: het streven naar vooruitgang. Het werd geselecteerd voor deelname aan het kunstproject 'Ithaka', georganiseerd door de cultuurraad van de Leuvense universiteit.

Naar het voorbeeld van vele legendes en de bekende bijhorende afbeeldingen ging ik aan de slag. De bedoeling was een frustrerend gevoel op te wekken, de frustratie die ontstaat wanneer men tracht een doel te bereiken, maar jammergenoeg moet vaststellen dat dit doel niet te bereiken valt. Het deksel op de neus zoals de bekende zegswijze zo mooi verwoordt.

Dit werk betekende voor mij een belangrijke ommezwaai. Het idee dit werk te bouwen ontstond mede onder invloed van een reis die ik in de zomer ondernam. Samen met enkele anderen werd ik, onder deskundige begeleiding, ondergedompeld in de derde wereld. Haïti is, als één van de drie meest achtergestelde landen ter wereld, het schoolvoorbeeld van een derdewereldland. De Haïtiaanse bevolking moet elke dag afrekenen met meerdere problemen die armoede met zich meebrengt. Uitbuiting, kinderarbeid, ondervoeding, ziekte, dood, geweld, politieke instabiliteit en onverdraagzaamheid zijn maar enkele voorbeelden van wat armoede met zich meebrengt, maar ook ecologische problemen dreigen rampen te worden. De verwoestijning van het prachtig tropische eiland ten gevolge van ontbossing en de zware verontreiniging van land en zee om maar enkele te noemen. Het land bevindt zich in een neerwaartse spiraal die zonder structurele maatregelen in een humanitaire ramp zal eindigen.

Dit soort ervaring zet je aan het denken. Waar zijn we mee bezig? En is het wel relevant? Is een fenomeen als kunst, dat in een derdewereldland nauwelijks tot onbestaande is, relevant? Of is het louter een luxeproduct dat ontstaat uit een tekort aan zorgen? Zouden wij (ik) in dergelijke omstandigheden nog met dit soort zaken bezig zijn?… Maar vooral: wat trachten wij te bereiken… en lukt dit ook? Er ontstonden vele vragen, maar bitter weinig antwoorden. Mijn belangrijkste antwoord was 'Babel'.

In dezelfde periode kwam ook de 'Ivoren Toren' tot stand.

 

Beach Project (2002)


Buiten de school-context nam ik deel aan een kunstproject in het West-Vlaamse Wevelgem. In het kader van Anno'02, een overkoepelend cultuurproject dat als doel had de Guldensporenslag van 1302 op een hedendaagse manier te herdenken, organiseerde de fusiegemeente Wevelgem onder de naam 'Overbruggen' een wandel-fietsroute doorheen de verschillende deelgemeenten. Deze route trachtte de kruispunt-brugfunctie van de omgeving eens in de verf te zetten. Groot Wevelgem is namelijk uitgegroeid tot een soort groot, bewoond kruispunt. Binnen een straal van slechts enkele kilometers zijn een vliegveld, treinstation, verschillende snelwegen en secundaire wegen met de nodige bruggen en kruispunten, waaronder twee klaverblad-kruispunten, gesitueerd. Wevelgem is niet alleen een kruispunt van infrastructuur, maar ook een samenkomst van activiteiten geworden. Er zijn verschillende sport- en cultuurcentra, industrieterreinen, landbouw- en veeteeltbedrijven alsook woonwijken in hetzelfde, relatief kleine gebied te vinden. Rond dit bijzonder karakter van de gemeente werd dus een route uitgestippeld die je langsheen onder andere enkele interessante vergezichten leidde. Op deze route werden ook enkele locatiegebonden, artistieke installaties opgezet. Na het leegstaande zwembad gezien te hebben kon ik nog onmogelijk neen zeggen.

Het leegstaande vijfentwintigmeterbad deed me nadenken over de functie van een zwembad in het algemeen. Ik besloot de link te leggen naar de zee en het strand. Het zwembad is eigenlijk een soort reproductie van de zee of een ander natuurlijk bassin. Doordat het niet langer gebruikt werd en er dus ook geen water meer aanwezig was werd ik verleid het virtuele pad te kiezen. Dit was een experiment. Het was de eerste maal dat ik multimedia in een ruimtelijke installatie verwerkte.

Aan de hand van een interactieve multimedia-installatie heb ik geprobeerd zowel de fysieke als de functionele kloof tussen prototype en origineel te overbruggen. Dit project was een experiment waarin ik het zwembad op deels tastbare en deels virtuele wijze terug tot strand en zee heb omgebouwd.

Op de bodem van het bassin lagen verschillende strandhanddoeken willekeurig verspreid, het ruisen van de zee overspoelde de ruimte en centraal in het bad was een reddersstoel geplaatst. Op een van de binnenwanden van het bad was een projectie van een strand te zien. Wanneer hij de stoel besteeg kreeg de toeschouwer de mogelijkheid de projectie te bedienen. Er waren verschillende mogelijkheden om het virtuele strand te personaliseren: veel volk of geen volk, veel zon, weinig zon, een parasolletje. Je kon ook iets actiever deelnemen door een virtuele vlieger op te laten, een zeilboot voorbij te laten varen of door een spelletje met de strandbal te spelen. Tenslotte was er ook een draagbare radio te vinden waarop enkele zomer klassiekers te horen waren.

Daar dit project in de zomermaanden te bezichtigen was en de ruimte op wat kunstlicht na volledig verduisterd werd (ten behoeve van de projectie) kreeg de installatie een extra tintje. De bezoekers kwamen, meestal per fiets, in volle zon bij het gebouw aan en moesten vervolgens het donkere gat in om een strand te bezoeken… Bovendien steeg de temperatuur binnen dikwijls tot enkele graden boven de buitentemperatuur doordat de zon langs de buitenkant op de grote met zwart plastiek verduisterde ramen scheen.

 

Afstudeerproject 'Stil-leven'


Door voortdurend bezig te zijn met kunst, zowel actief als passief, en door anderen in deze discipline bezig te zien, maar ook sterk beïnvloed door de realiteit buiten de kunstwereld zoals mijn bezoek aan de ontwikkelingsprojecten in Haïti, maar ook het verlies van mijn eigen, jongere broertje die als zwakke weggebruiker door een tientonner van de baan werd gemaaid, ben ik meer en meer gaan concluderen dat kunst voor velen een vorm van masturbatie is. In mijn ogen zijn weinig kunstprojecten maatschappelijk relevant en het dat is nu net wat ik zo belangrijk vind. Kunstenaars moeten actief meewerken aan maatschappelijk relevante projecten en zouden daar dan ook goed voor mogen gesubsidieerd worden. De realiteit leert me echter dat vele kunstenaars in een gesloten atelier kruipen om daar niet-functionele voorwerpen te maken en die binnen een gesloten circuit van musea, galerijen en kunstkenners tentoon te stellen. Het is zichzelf bevredigen door aan 'cultuur' te doen en zo alle samenlevingsproblemen proberen goed te maken, te vergeten of te negeren. Dit geldt zowel voor zij die de kunst bedrijven, als voor zij die er geld mee verdienen en de vele andere die het fenomeen met regelmaat aanschouwen. Met "schoonheid" hoog in het vaandel bedrijft men een lelijke bezigheid: de ontkenning van de realiteit.

Daarom krijgen de sociaal-artistieke projecten met een hoog functioneel karakter steeds meer mijn bewondering. Ook al gaat dit soms ten koste van mijn verwondering door het schone. Als er iets is dat zowel in de derde wereld als in de rijkste landen zwaar doorweegt, dan is het wel het tekort aan levenskwaliteit. Meewerken om de kwaliteit van het leven voor ieder mens op aarde te verbeteren door alternatieven te formuleren en voorstellen uit te werken, zou dus ook de plicht van ieder kunstenaar moeten zijn, zoals het ook voor een dokter de sociale plicht is mensen in nood te helpen. Ook op ecologisch vlak zouden er vanuit de kunstwereld meer initiatieven mogen komen.

Zo is, hoewel hij eigenlijk architect is van opleiding, Luc Deleu voor mij een groot kunstenaar. In zijn recente uitgave 'Urbi et Orbi' doet hij een uiteenzetting van zijn modelstad. Het is een ingrijpend alternatief voor de hedendaagse stad en haar voorzieningen. Hij creëert een nieuwe vorm van leven en werken, waarin alle voorzieningen langs een soort stadsas geplaatst worden en ook het begrip wonen gedeeltelijk herzien wordt zonder aan de natuurlijke nood aan zelfbeschikking afbreuk te doen. Hij beschrijft het als het opleggen van een orde op macroschaal om op microniveau chaos toe te laten. Een aantal van Deleus basisprincipes zijn trouwens niet nieuw. Het idee om de stad langs een centrale verkeersas te organiseren leende hij bij Le Corbusier.

Van Le Corbusier werd een gelijkaardig project zelfs in realiteit omgezet. Voor Noord-India tekende hij de stad Chandigarh, hoofdstad van Punjab, de eerste geplande stad van het onafhankelijke India. Hij verdeelde de stad in verschillende woongebieden (sectoren), waarbinnen telkens opnieuw alle nodige voorzieningen terug te vinden zijn. Zo kan de stad in verhouding tot haar aantal inwoners gecontroleerd groeien zonder dat (zoals in bv. Gent, een historisch gegroeide, niet geplande stad) het centrum, waar zich nog steeds de meeste voorzieningen bevinden, te klein wordt en op termijn ontvolkt. Ook de verkeersaders zijn bij een geplande stad veel minder een probleem: hoofdwegen zijn en blijven hoofdwegen. Nog belangrijker is dat de kleinere straten en wegen geen grote doorgangswegen worden die de grote stroom niet aankunnen, dichtslibben en files vormen. Het scheiden van wonen, werken en verkeer zijn belangrijk, ten voordele van de levenskwaliteit.

Hier in België en Nederland waar we met zovelen gedwongen worden om op zo'n kleine oppervlakte samen te leven, wordt de nood aan degelijke stadsplanning zeer hoog. Het verschil hier met een stad als Chandigarh en de projecten van Deleu is natuurlijk dat we hier een probleem lieten groeien en nu moeten oplossen, terwijl Le Corbusier en Deleu van nul konden beginnen en zo een geheel nieuwe stad konden opbouwen.

In het boek 'After-Sprawl' doet het bureau Xaveer De Geyter Architecten een onderzoek naar de hedendaagse stad in West Europa. Hier constateren ze (zoals reeds eerder in deze tekst even aangehaald werd) dat het verschijnsel 'sprawl' tekenend is voor deze regio. 'After-Sprawl' doet enkele voorstellen om van het noodzakelijke kwaad 'sprawl' een deugd te maken. Verschillende voorstellen om de versnipperde, open ruimte zinvol op te vullen worden naar voor geschoven. Sommige suggereren bijvoorbeeld een soort masterplan, dat boven op het bestaande bouwpatroon gelegd wordt en zo alle 'gaatjes' gestructureerd opvult met bebossing. Als voorbeeld tonen ze hier de tekening van de tuin van Versailles op monumentale schaal. Op die manier krijgt de omgeving opnieuw een eigen karakter en zal de ervaring van een landschap terug kunnen plaatsvinden. Andere voostellen trachten via groepering van de bebouwing in sectoren op langere termijn terug afwisseling en eigenheid in het landschap te brengen. Ook het verbinden van bestaande groene zones wordt voorgesteld.

Het is dit soort onderzoek waar ook ikzelf mij wil wil bezighouden. Ik voel me aangetrokken tot deze problematiek en wil zelf op termijn voorstellen gaan doen om ze te proberen oplossen. Ik besef maar al te goed dat dit een grote ambitie is. Het vraagt veel kennis van zaken een goed voorstel te doen. De studie van de materie is dan ook de belangrijkste opdracht voor iemand die, zoals ik, wil meewerken aan het beter organiseren en het opwaarderen van de verstedelijkte omgeving.

Zoals elke studie, begint ook deze met observatie. Dit is iets wat niet enkel aan het bureau, maar vooral op het terrein moet gebeuren. Op het terrein ontdekt men de ware problemen van het fenomeen en kan men ze ook ervaren zoals ze zich in het ware leven voordoen. Het volstaat hier niet om zich te beperken tot de eigen omgeving. Het is belangrijk dat cultuur-, klimaat- en geografische verschillen vastgesteld worden, indien men een zo objectieve kijk op het verschijnsel wil hebben. Veel reizen en zo verschillende uitingen van het fenomeen waarnemen is dus aangewezen. Mijn reis naar Haïti was dus al een goed begin voor wat ik hoop dat nog meermaals komen zal. Zo zou ik graag ook Azië, waar men wat bevolkingsevolutie betreft een heel andere cultuur kent dan hier in West Europa, eens doorkruisen.

Uiteraard is ook de studie van de geschiedenis van de bouwkunst in het algemeen en de stedenbouw, alsook verschillende stedenbouwkundige voorstellen van anderen zeer belangrijk. Naast het bestuderen van boeken en studies van onder andere Le Corbusier heb ik ook een reeks lezingen van bekende en minder bekende landschapsarchitecten, over de geschiedenis van hun vakgebied, bijgewoond. In het eerste deel van deze scriptie heb ik hiervan reeds een snelle, maar onvolmaakte doorsnede gebracht, dit om een beeld te geven van de materie en enkele links te bieden naar het beeldend werk.

Met het beeldende werk dat ik voor dit afstudeerproject maakte probeer ik een visualisering te maken van de besluiten - de tweede stap in de studie - die ik uit die observatie trok. Deze vaststellingen in een beeld of een installatie omzetten betekent voor mij dan ook de dérde stap in het proces. Deze helpt mij bij het voorbereiden van een volgende fase: het vormen van eigen ideeën en voorstellen. Tenslotte is er natuurlijk de vijfde en laatste stap en dat is die van het concretiseren, het uitwerken van de eigen plannen en voorstellen in reële of realiseerbare projecten. Op die manier zijn we bij de stedenbouwkunde en landschapsarchitectuur aanbe-land. Logischerwijs zal ik dan ook volgend jaar waarschijnlijk een opleiding landschapsarchitectuur aanvatten en hoop ik zo op een zinvolle wijze een steentje bij te dragen bij het opkrikken van de levenskwaliteit op aarde. Het klinkt misschien dromerig of naïef, maar ik geloof erin en het is nu misschien net dat geloof dat zovelen missen…

De werken die ik vorige jaren gemaakt heb, zijn dus ook de beeldende reflecties, een soort 'snapshots' van waar mijn mentale studie op dat moment stond. Zij verschillen echter nog van wat ik dit jaar maakte omdat de snapshots van vorige jaren ook nog een stuk de weergave zijn van de zoektocht die ik toen voerde naar het pad dat ik wilde volgen,. Dit jaar heb ik een besluit gevormd over waar ik heen wil, waar ik mijn 'talenten' aan wil verbruiken. 'Stil-leven' is dan ook een snapshot van de laatste fase vóór dat ik me volledig op de eigenlijke studie van het ontwerpen richt. Dit betekent niet dat ik in de toekomst niet langer dit soort werken zal maken, maar deze zullen waarschijnlijk niet meer prioritair zijn, maar eerder occasioneel tot stand komen.

 

Stil-leven


Dit afstudeerproject toont hoe ik bij het spelen met architecturale basisvormen en -begrippen aanbeland ben. Geïnspireerd door het werk van Morandi ben ik vormelijk aan het denken gegaan en ben ik zelf een stilleven beginnen bouwen. Wat mij zo intrigeerde aan de stillevens van Morandi zijn twee zaken. In de eerste plaats ben ik gefascineerd geraakt door de sterke architecturaliteit die hij met wat verf en enkele potjes en dozen op doek kon opwekken. Door deze voorwerpen zo centraal in de belangstelling te plaatsen, door ze in al hun geometrische eenvoud op doek te zetten, geeft zijn werk mij het gevoel dat ik tussen die voorwerpen door zou kunnen wandelen. Dit is een idee dat al door velen zoals bijvoorbeeld Claes Oldenburg met onder andere zijn immense schroeven, dikwijls op platvloerse wijze, is aangeraakt, maar zelden was het resultaat zo subtiel en meesterlijk als dat van Morandi. Met de meest eenvoudige middelen deed hij vormelijk onderzoek dat sterk lijkt op dat van een architect of een stedenbouwkundige. Zo komen we dan ook bij het andere aspect van Morandi's werk dat ik zo bewonder, het doorzettingsvermogen in zijn onderzoek. Morandi heeft zijn hele leven niets anders gedaan dan het schilderen van stillevens. Elke dag een nieuw schilderij, elke dag een nieuw snapshot van zijn studie. Het is niet één schilderij dat het oeuvre van Morandi vormt, het is de opeenvolging van dag na dag een nieuw experiment. Zo moet ook een landschapsplanner of een architect elke actie telkens opnieuw in vraag stellen en mag hij vooral niet vergeten spelen. De grootste pest in de stedenbouw is volgens mij de routine, het tekort aan vernieuwing en verrassing. De enige manier om dit te bereiken is blijven spelen en experimenteren met vormen en volumes, zoals Morandi dat zijn hele leven lang heeft gedaan.

Ik ben voor dit project eerst zelf wat tekeningetjes gaan maken, een beetje zoals Morandi dat deed. Alleen ben ik niet van bestaande voorwerpen vertrokken, maar ben ik ze daarentegen zelf gaan verzinnen. Naargelang de tekening daarom vroeg kwam er een nieuwe vorm bij of werd er eentje aangepast. Zodoende ben ik zelf aan het ontwerpen gegaan en heb ik uiteindelijk enkele basisvolumes ontworpen en heb ik deze in kleine, handelbare maquettesjes omgezet. Met de maquettes kan ik, doordat ze klein en handelbaar zijn, vanalles uitproberen en zo proberen tot enkele mooie gehelen te komen. Een snelle en makkelijke manier om deze verschillende mogelijkheden op papier vast te leggen was ze op het glas van een fotokopieerapparaat te plaatsen en op de knop te drukken, ze anders te zetten, iets te veranderen en opnieuw op de knop te drukken, er eentje bij te plaatsen of weg te nemen enzovoort.

De ontworpen basisvolumes noem ik architecturale modules. Deze modules kregen elk een nummer in plaats van een titel. Dit doe ik enerzijds om de universele functionaliteit en dus een zekere anonimiteit van deze (simpele) volumes te benadrukken. Anderzijds doe ik dit ook om te laten aanvoelen dat ze niet eenmalig of uniek zijn. Ze zijn een soort schakels in een lange reeks waar de ene module niet primair is aan de andere of omgekeerd. Ze zijn slechts enkele blokken uit mijn blokkendoos.

De modules kunnen ook alleen staan maar werken hoogstwaarschijnlijk beter in groep, omdat ze zo meer band met het stedelijke uitstralen. Daarom plaats ik ze samen, dicht bij elkaar. Op die manier ontstaat ook een meer uitgesproken, negatieve ruimte die vervolgens ook duidelijker door menselijke aanwezigheid zal worden ingevuld. Deze negatieve ruimte krijgt op haar beurt ook een sterk architecturaal karakter, doordat ze zich tussen de verschillende volumes een weg baant en zo een nieuw patroon veroorzaakt. Wanneer deze installatie zich op bijvoorbeeld een grasgrond bevindt zal op termijn een spoor tussen de volumes ontstaan, een spoor dat de activiteit van het menselijke bestaan in de ondergrond graveert en dus eigenlijk vereeuwigt. Het is een zichtbaar spoor van de interactie die tussen mens en omgeving ontstond.

Ik heb ook een paar voorbeelden van uitingen van stadscultuur vastgelegd en verwerkt in het project. Ik heb hier vooral een iets subtieler verschil tussen verschillende culturen willen benadrukken. Wanneer we aan het denken gaan om een stedenbouwkundig voorstel te doen, is het zeer belangrijk dat we de eigenheid van een stad of een regio erkennen en respecteren. Daarom dus heb ik deze verschillen op twee verschillende manieren extra in de verf gezet, zodat ik ze niet uit het oog zou verliezen. Eerst is er de geluidsinstallatie in de modules 2a en 2b (samen: project02). Binnenin deze twee modules zijn stadsgeluiden te horen. In de ene module (2a) kunnen we de stadsruis van een noordelijke metropool horen, de stadsruis die in België overal te horen is: het geruis en gebrom van auto's. Deze ruis overspoelt hier het dagelijkse leven en is alomtegenwoordig in de meeste westerse, welvarende landen, doordat hier het gemotoriseerd vervoer sinds de jaren '50 een ongelooflijke expansie heeft meegemaakt.

In de tweede module (2b) kunnen we daarentegen de stadsruis van een zuidelijke metropool vaststellen. Bij mijn bezoek aan Haïti had ik de kans om op een gelijkaardige plaats een geluidsopname te maken. Op een druk kruispunt tapete ik het geroezemoes van een echte derde wereldstad. Port-au-Prince is een miljoenenstad die alle kenmerken van een zuidelijke metropool met zich meedraagt. Hier is het hoofdzakelijk de menselijke aanwezigheid die de stadsruis kleurt. Wanneer je van een reis naar zo'n land terug thuiskomt, is het eerste wat opvalt dan ook dat de menselijke aanwezigheid hier veel minder merkbaar is. Het lijkt wel of er is een of andere giframp gebeurd en iedereen is dood of blijft veilig binnen in huis. In een derde wereldland zijn de mensen altijd buiten en maken ze veel lawaai. Het gebabbel, gezang en geschreeuw zijn in de installatie duidelijk te horen, terwijl het gemotoriseerde verkeer, doordat het veel minder sterk aanwezig is, nauwelijks boven het lawaai van de mensenmassa uitkomt. Van de claxons echter, wordt in dergelijke landen altijd vol enthousiasme en gretig gebruik gemaakt!

Op twee billboards toon ik het bouwpatroon van een krottenwijk (Cité Soleil, de grootste en tot voor kort meest achtergestelde wijk van Haïti) enerzijds en een bouwpatroon zoals het in een Belgische stad zou kunnen voorkomen anderzijds. Beiden op dezelfde schaal afgebeeld, tonen ze uiteraard een groot verschil, niet alleen in grootte, maar ook en misschien vooral in organisatie, ordening en samenwerking. Waar bijvoorbeeld bij ons toch minstens de straten als een soort masterplan dienst doen, gaat men daar in een krottenwijk, als er al straten zijn, zelden rekening mee houden. Meestal ontstaan de verkeersaders in dit soort wijken eerder ten gevolge van de bebouwing dan dat de bebouwing zich naar de wegen zou organiseren.

In de derde module die in haar conische vorm afwijkt van de anderen hoop ik het werk 'Babel', de utopie als een soort monument in mijn eigen stadsstudie een plaatsje te kunnen geven. Hier moet wat mij betreft dan ook niet meer toelichting bij gegeven worden.

De module 4 kreeg de bijnaam 'archetype voor een stadspark' omwille van haar vorm en het gedrag dat ze uitlokt. Dit schooljaar vond in het beeldhouwersatelier een merkwaardig verschijnsel plaats. Bij de aanvang van het academiejaar namen wij met enkele studenten het initiatief om een installatie die haar diensten reeds had bewezen, om te bouwen tot een soort bar. Van de kubus werden twee zijden halverwege doorgezaagd en zo ontstond een toog en dus een bar. De rest was afwerking. Wat kort daarvoor een weinig aantrekkelijke gesloten vorm was, trok nu alle aandacht. Als vliegen naar een taart, zo voelden andere atelierstudenten zich onmiddellijk tot het ding aangetrokken en gingen ze er in bosjes omheen hangen. Drank had er niets mee te maken, want ook nadat al snel het verbod op alcohol werd benadrukt en nog steeds, bijna een jaar later, blijven de mensen zich rond het voorwerp verzamelen. Het is een sociaal ankerpunt geworden, men staat of zit er om met anderen te babbelen, men gaat er heen om van gezellige groepssfeer te kunnen genieten. Het is op die manier dat ik de vierde module ook zou willen invullen, als een soort ankerpunt in een drukke, verstedelijkte omgeving. Het zou een plaats kunnen worden die dienst doet als stadsoase, geen plaats van absolute stilte, maar wel een moment om er even uit te stappen en een gezellig babbeltje te doen.

Oorspronkelijk getekend als een gewone blokvorm van 250 x 250 x 200 centimeter werd deze module na veel zoeken omgevormd tot wat ze nu is opdat ze haar functie als stadsoase, het 'archetype voor een stadspark' beter zou kunnen invullen. De zijwanden werden beweeglijk gemaakt zodat ze kunnen opengetrokken worden en zo de band met de omgeving niet volledig verloren gaat. Binnenin werd een soort ronde zitbank ontworpen, om op die manier de sociale functie van de module te benadrukken.

Hoewel module 4 iets specifieker is van vorm en karakter doordat ze, nadat ze haar functie kreeg toegewezen, verder werd uitgewerkt, zien we dat de verschillende modules door hun plaatsing en invulling een eigen functie toegewezen krijgen. De basisvorm die ze hebben is dikwijls van minder groot belang en dankzij hun primaire vorm blijven ze steeds universeel inzetbaar.

Op deze manier wil ik een beetje laten aanvoelen dat de vorm van architectuur meestal onbelangrijk is, maar dat wel de plaatsing, de organisatie en de invulling van het volume garant moeten staan voor de leefbaarheid en de integratie van die architectuur in het landschap. Samen met de stedelijke cultuurkenmerken die de verschillende regio's van elkaar onderscheiden en dus moeten gebruikt en niet ontkend worden, is dit voor mij de belangrijkste conclusie van dit project.
Wat deze scriptie betreft, wens ik het dan ook hierbij te laten.

Ik dank u voor uw aandacht bij het lezen van deze tekst.

 

Jonas 2003

 

printvriendelijke versie

home