Back to Jonas Programma

Brussel (Koninklijk Conservatorium, Regentschapstraat, 30) - 24 tot 28 maart 2003: "De week van het interbellum"

Het conservatorium van Brussel organiseert een volledige week rond de muziek uit het interbellum. Naast lezingen en tentoonstellingen zijn er dagelijks concerten met nogal wat Vlaamse/Belgische componisten op het programma: August Baeyens, August De Boeck, Paul Gilson, Albert Huybrechts, Joseph Jongen, E.L.T. Mesens, Marcel Poot.

 

MUZIEK EN GRAFIEK IN HET INTERBELLUM

Maandag 24 maart t.e.m. vrijdag 27 april 2003.

Tentoonstelling door de Bibliotheek Koninklijk Conservatorium Brussel

in samenwerking met Galerij Art &Paper Brussel.

 

I. MUZIEK IN HET INTERBELLUM

Verzameling: Bibliotheek Koninklijk Conservatorium Brussel

 

I.I. Het Koninklijk Conservatorium Brussel en het Belgische muziekleven

 

1. Foto Koninklijk Conservatorium Brussel, 1931.

 

Jongen, Joseph Marie Alphonse Nicolas (Luik 14.12.1875 - Sart-lez-Spa 12.07.1953)

 

4. Impromptu pour piano, Joseph Jongen

Autograaf 9-12 maart 1929. Opgedragen: "Pour ma chère élève et amie Marguerite en affectueux souvenir" (B Bc 68.603).

5. Joseph Jongen. Fotografie door Pardon. Brussel. 16 x 23 cm.

Met opdracht door Joseph Jongen aan Paula Declercq, ondertekend in november 1932 (B Bc 90.796).

6. Repetitiefoto Koninlijk Conservatorium Brussel

Gemengd koor en orkest o.l.v. Jongen. Concertzaal.

 

Joseph Jongen was een van de meest representatieve en gezaghebbende componisten van zijn generatie. Hij studeerde aan het conservatorium in Luik (hoogste onderscheiding harmonie, contrapunt, fuga en orgel). Hij wijdde zich zeer jong aan de compositie en behaalde in 1895 de tweede Prijs van Rome en in 1897 de eerste Prijs van Rome met zijn cantate ‘Camala’.

In 1902 vestigde hij zich in Brussel, ondanks zijn aanstelling als professor harmonie aan het conservatorium te Luik. In 1920 werd hij leraar contrapunt en fuga aan het Koninklijk Conservatorium Brussel, waar hij in 1925 directeur was tot 1939. Hij werd opgevolg door zijn broer Léon.

Joseph Jongen maakte zich in de jaren 1919-1926 verdienstelijk als dirigent bij de ‘Concerts spirituels’ te Brussel. Hij deed er pionierswerk door de nieuwe oratoria tot het publiek te brengen.

Hij componeerde 241 werken, maar kort voor zijn dood snoeide hij zelf in zijn oeuvre zodat er maar 137 werken overbleven.

 

Fernand Quinet (Charleroi 29.01.1898 - Luik 28.01.1971)

 

7. La Guerre, Fernand Quinet

Tekst van Valère Gilles, Prix de Rome — Grand Concours de Composition musicale. 1921, autografische partituur.

 

Quinet studeerde te Charleroi en aan het Brussels Conservatorium waar hij eerste prijzen behaalde voor cello, harmonie en fuga. In 1921 won hij de Prijs van Rome met zijn cantate ‘La guerre’. Hij behoorde in 1916-1922 tot het bekende Pro Arte-strijkkwartet. Hij doceerde harmonie aan het Brussels Conservatorium, was daarna tot 1938 directeur van het conservatorium van Charleroi en van 1938 tot 1963 van het conservatorium van Luik. In 1950 richtte hij het Stedelijk Orkest van Luik op, waarvan hij tot 1965 de leiding had. Zijn oeuvre omvat orkestwerken, vocale werken en kamermuziek.

 

Prijs van Rome.

De ‘Prix de Rome’ is een zeer bekende prijs, die uitgereikt werd door culturele instituten in verschillende landen. In België stelde de regering de tweejaarlijkse prijs van Rome in bij een ministerieel besluit van 19 september 1840.

De kandidaten, die in een voorbereidende proef (vierstemmig fuga en een koorwerk met orkestbegeleiding) werden geselecteerd, moesten een cantate componeren op een gegeven tekst. Ze werden hiertoe gedurende dertig dagen afgezonderd. De prijs omvatte een studiebeurs die de begunstigde in staat stelde om zijn studies in het buitenland verder te zetten, in kunstencentra naar keuze.

Alhoewel de Prix de Rome wettelijk niet werd afgeschaft, vond de wedstrijd in 1971 en 1973 niet plaats daar de enige kandidaat zich terugtrok. Sinds 1975 wordt hij niet meer georganiseerd.

 

Poot, Marcel (Vilvoorde 07.05.1901 - Brussel 1988)

 

9. Variations en forme de danses, pour Orchestre, Marcel Poot

Autograaf. I. Theme, II. Gavotte, III. Valse Viennoise, IV. Habanera, V. Danse exotique, VI. Final (B Bc 58.625).

10. Laetare: ouverture: à Mr. Pierre Diriken, sénateur, Marcel Poot

Roosendaal, Nederland: Tierolff-Muziekcentrale, 19xx, 8 p., 27 cm.

Met autografische aantekeningen in rode inkt (B Bc 01.413).

 

Marcel Poot kwam uit een artistiek en cultureel gezin. Hij studeerde piano en harmonie aan het Koninklijk Conservatorium Brussel (1916-1919) bij Arthur de Greef. Met zeven andere leerlingen van Gilson richtte hij in 1925 de groep Les Synthétistes op, die in het conservatieve muziekleven een eigentijds geluid wilde laten klinken. Deze componisten besloten elk hun eigen weg te gaan, in volledige onafhankelijkheid, maar sterk in eendracht in het zoeken naar nieuwe en originele schoonheid.

Poots eerste ware inspiratie dankt hij aan Charlie Chaplin aan wie hij drie symfonische schetsen wijdde onder de titel ‘Charlot’. Kort daarop ontdekte hij de mogelijkheden van de jazz. Hij had een enorme belangstelling voor alle moderne uitdrukkingsvormen. In 1930 behaalde hij de Rubensprijs waaraan een studiebeurs verbonden was die hem toeliet in Parijs verder te studeren. Marcel Poot is een componist met verscheidene mogelijkheden, die bijna alle grote muziekvormen op geslaagde wijze heeft beoefend: het oratorium, de opera, het ballet en de kamermuziek. Alleen het lied bleek hem minder aan te trekken. Bij Poot ontmoeten wij een voorliefde voor dansritmen, een zin voor technische vernieuwing, een zelfde intellectueel-artistieke geestigheid en tenslotte een gehechtheid aan eigen nationale waarde die van hem een Vlaams componist hebben gemaakt.

Van 1949 tot 1966 was hij directeur van het Brussels Conservatorium. Zijn vroege muziek weerspiegelt in hoge mate de Vlaamse humor en levensvreugde, met als hoogtepunten de ‘Ouverture joyeuse’ (1934) en het ‘Allegro symphonique’ (1935), maar in de jaren vijftig begon de ernst een grotere rol te spelen. Hij schreef orkest- en koorwerken (o.a. oratoria), radiospelen, opera's, balletten, kamer- en pianomuziek en liederen. Hij behoorde tot de vooraanstaande Belgische componisten en bekleedde verschillende belangrijke functies (o.a. juryvoorzitter bij de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth).

 

de Greef, Arthur (Leuven 10.10.1862 - Brussel 29.08.1940)

 

13. Brief van A. de Greef aan Me Roger Midas 28/2/19xx (B Bc 39.778)

14. Foto A. de Greef, "A ma chère Berthe en souvenir d’un séjour en Angleterre"

Augustus 1917.

15. Bronzen buste A. de Greef

Ch. Samuel, 1931. "Arthur DE GREEF, pianiste (1862-1940), professeur au Conservatoire royal de musique de Bruxelles"

 

Arthur de Greef studeerde piano bij Brassin en compositie bij Geveart aan het Koninklijk Conservatorium Brussel. Naar Gevaerts advies zette hij zijn studies verder bij Franz Liszt in Weimar en Saint Saens in Parijs. Als pianovirtuoos trok hij door heel Europa. In 1887 werd hij pianoleraar aan het Koninklijk Conservatorium Brussel, waar hij vanaf 1920 een ‘cours de perfectionnement’ leidde. De Greef was ook actief als componist.

 

De Boeck, August (Merchtem, 09.05.1865 - 09.10.1937)

 

24. Valse dolente: à Marie de Merten, Aug. De Boeck

4 p., 31 cm (B Bc 02.032).

Dit werk behoorde vermoedelijk tot een wals bestaande uit twee delen en is geschreven voor piano. De partituur die de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Brussel in zijn bezit heeft is weliswaar een autografisch manuscript en behoort tot een van de schenkingen van zijn nicht Marie Mertens.

25. Prent, G. Jamotte

Les Gnomes du Rhin

26. Foto

 

Tijdens zijn jeugd bracht August De Boeck de meeste tijd door in de brouwerij of op de akkers. Zijn vader gaf hem zijn eerste muzieklessen. Toen hij vijftien geworden was, volgde hij les aan het conservatorium te Brussel (1880-1891). Hij heeft tal van prijzen gewonnen onder welke ‘Diplôme de capacité’‚ voor orgel. Een eerste vruchtbare periode valt in de jaren negentig, wanneer De Boeck zijn naam vestigt met liederen, cantates, toneelmuziek. In de volgende periode wijdde hij zich aan de opera. Omtrent 1909 componeert hij vooral pianowerken en liederen, o.m. de Cuisinier- liederen. August was een uitstekende improvisator. Zijn muziek is lyrisch en uiterst spontaan borrelt zij op uit weelde en overvloed van zijn sensibele natuur, zich schuilhoudend achter geestige, humoristische effecten, met een tikkeltje welgemeende ironie. De Boeck was een sterke persoonlijkheid in het Belgische muziekleven als componist, orgelvirtuoos en muziekleraar. De waarde van De Boeck ligt niet in de ophefmakende, vernieuwende maar wel in de stille werken voor eigen tijd. Enkele van zijn bekendste werken zijn ‘Het kerkske van te lande’ en ‘Mariacantate’.

Overige

 

45. Het Vlaamsche Lied, Jef Rheinhard

Gedicht van Edward de Keyzer. Brussel: F. Van den Eede. Ill: Jacobyne Niehof (B Bc 92.337).

 

I.II. Partituren in modernistische lay-out

 

Paul Gilson (Brussel 15.06.1865 - Brussel 03.04.1942)

 

2. Pièces pour piano, Les Synthétistes

Ill. Bois de ‘Georg Strens’. Editions de la Synthèse, 94, Rue Van Aa, 94, Bruxelles. Bernier rené: Berceuse Divine. Brenta Gaston: Marche Barbare. Dejonker Théo: Portique. Otlet Robert: Valse. Poot Marcel: Danse. Schoemaker Maurice: Nocturnale. Strens Jules: Ariette (B Bc 32.500).

 

Paul Gilson liet zich in 1886 inschrijven in het Koninklijk Conservatorium Brussel, waar hij studeerde bij F.A. Gevaert. In 1889 won hij de Prix de Rome. In 1899 werd hij er aangesteld als leraar harmonie. Later kreeg hij diezelfde functie aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen. In 1909 legde hij beide functies neer en werd hij inspecteur van het muziekonderwijs in Belgie.

Hij componeerde opera's (‘Prinses Zonneschijn’, 1903), kamermuziek en muziek voor orkest (‘La mer’, 1890), voor harmonie- en fanfareorkesten en voor amateurkoren.

Buiten zijn werken als componist, schreef hij ook een groot aantal didactische werken: ‘Studie der Chromatische en Diatonische afstanden’, ‘Quinten, octaven, seconde en polyfonie’, ‘Handleiding der militaire muziek’ (1926), een notenleer in acht delen en een monumentale harmonieleer (1919).

Zijn muziek werd beïnvloed door Wagner en door de Russische Vijf (o.a. Moessorgski) en munt uit door haar expressieve melodieën en kleurige instrumentatie. Gilson was de belangrijkste componist na het tijdperk-Benoit.

Tot zijn leerlingen behoren ondermeer: August de Boeck, Jef van Hoof , Marcel Poot, Jean Absil, Daniël Sternefield, Francois de Bourguignon, Gaston Brenta en Maurice Schoenmaker. Bij de zestigste verjaardag van hun meester, stichtten enkelen onder hen de groep der Synthesisten.

 

De Synthesisten.

In 1925 besloten Maurice Schoemaker en Marcel Poot een belgische componistengroep op te richten samen met enkele andere oud-leerlingen van Paul Gilson, ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag. In een artikel dat verscheen in Music beschreef Gaston Brenta hun artistieke bedoelingen als:

"al de verworvenheden van de hedendaagse muziek in welbepaalde vormen gieten. In een woord synthetiseren. Daarbij dient gevoegd te worden dat bepaalde musici de langere ontwikkeling der muzikale gedachte en de nuchtere pedante retorica verlaten, om een duidelijke en levendige kunst te scheppen."

Geen enkel van de zeven toetredende leden gaf zijn eigen persoonlijkheid prijs. Zij wensten enkel in de praktijk te brengen wat Jean Cocteau als volgt formuleerde in zijn boek Le secret professionel:

"Er bestaan geen esthetische groepen. Er bestaan alleen maar enkelingen die een aantrekkende werking op elkaar uitoefenen. Maar aangezien de groep de kracht uitmaakt, dienen zij een individualistische groep te vormen."

Deze samenwerking duurde 5 jaar.

 

Mesens, Edouard (Léon Théodore) (Brussel 27.01.1903 - Brussel 13.05.1971)

 

11. Danse pour piano: pour le peintre Jan Cockx.E.L.T. Mesens

Illustratie door Pierre Flouquet. Brussel: Fernand Lauweryns, ca. 1920 (Soc. An. Dogilbert). 6 p., 1 ill. 35 cm. Met kubistisch portret van de componist. Jaar van compositie: 1920. Uitg./Plaatnr.: F 705 L. (B Bc 66.717)

12. Garage: A Evelyne Brélia: Les éléphants de la campagne.E.L.T. Mesens

Gedicht van Philippe Soupault. Brussel: Edition Music, 1921 (Grav. et imp. J. De Vleschouwer). 3 p., 35 cm. Beperkte oplage in 500 exemplaren naar ontwerp van Man Ray en gerealiseerd door Marcel-L. Baugniet. Jaar van compositie: 1921. Uitg/Plaatnr: 4563 (B Bc 85.700)

 

Edouard Mesens schreef zich in aan het Conservatorium van Brussel in 1919. Tijdens zijn studies ontmoette hij daar Satie, die Brussel aandeed voor een aantal lezingen en concerten. Mesens werd een van Satie’s protégés en ging in op diens uitnodiging om naar Parijs te verhuizen. Daar kwam hij in contact met de dadaïsten en later de surrealistische beweging. Vanaf 1926 voelde hij het als onmogelijk aan om zijn surrealistische ideeën te combineren met het componeren.

Hoewel hij volgens eigen woorden de muziek achter zich liet in de jaren twintig, suggereren zijn latere muzikale activiteiten, vooral tijdens de oorlog het tegendeel. Zijn werken vertonen vanaf 1921 de invloed van Satie en de Groupe des Six.

 

Honegger, Arthur (Le Havre 10.03.1892 - Parijs 27.11.1955)

 

16. Pacific 231, Arthur Honegger

Mouvement symphonique pour orchestra, réduction pour piano à 4 mains. Cop. 1924 éditions Maurice Senart, Paris. Paris Editions Maurice Senart, 20, rue de Dragon. Plaatnr: E.M.S. 6550 (B Bc 38.434). Exemplaar afkomstig uit de collectie René Vannes.

 

Honeggers protestantse ouders kwamen uit de omgeving van Zürich, waar hij zijn eerste muzikale opleiding kreeg. Na het voltooien daarvan, vestigde hij zich in 1913 in Parijs. Daar sloot hij zich aan bij een groepering rond Erik Satie, les Nouveaux Jeunes. Uit deze groep componisten kwam in 1920, op inspiratie van Jean Cocteau, de Groupe des Six voort. De groep - met o.a Francis Poulenc en Darius Milhaud - wendde zich af van de ‘zware’ componeertrant van de negentiende eeuw en wilde terug naar de meer doorzichtige stijl van bijvoorbeeld Haydn.

Mede door zijn afkomst en aanleg, nam Honegger een aparte plaats in in deze stroming. In tegenstelling tot de spitsvondige pikanterieën van Poulenc of de puur muzikanteske spontaneïteiten van Milhaud, zijn in de Honeggers werken duidelijk romantische, negentiende-eeuwse elementen aanwezig. Dit geldt vooral voor zijn oratoria.

Soms zijn er duidelijk religieuze bindingen zoals de koraalachtige thema's in de finale van zijn tweede symfonie (1942) en de ‘Symphonie liturgique’ (1946). Een compositie als ‘Pacific 231’ (1923), een impressie van een op gang komende stoomlocomotief, is in opzet verwant aan sommige koraalbewerkingen.

Tegelijkertijd stond hij open voor alle eigentijdse verworvenheden, zoals jazz en dodecafonie (twaalftoontechniek) en heeft hij elementen daaruit in zijn stijl verwerkt.

 

Poulenc, Francis (Jean Marcel) (Parijs 1899 - Parijs 1963)

 

17. Poèmes de Ronsard, Pour Mezzo-Soprano. Francis Poulenc

Ill: Pablo Picasso. Cop. 1925 Heugel. Heugel Editeur, Paris. Plaatnr: H29,028

Geschreven 1924-1925, opgedragen aan Madame Charles Peignot. Inhoud: I. Attribute, II. Le Tombeau, III. Ballet, IV. Je n’ai plus que les os, V. A son Page. Kaft van P. Picasso: ´Couverture spécialement desinée pour l’auteur par Pablo Picassoª(B Bc 33.592).

 

Poulenc studeerde compositie bij Charles Koechlin en piano bij Ricardo Viñes. Als componist maakte hij zijn debuut op een avant-gardeconcert te Parijs, waar zijn ‘Rapsodie nègre’ meteen een groot succes was. Internationaal vermaard werd hij met zijn subtiele ‘Mouvements perpétuels’ (1918), drie korte pianostukken, die hij in militaire dienst schreef. Ook een ander, niet minder beroemd werk, ontstond in dienst: de liederencyclus ‘Le bestiaire’ (1919).

Toen hij terugkeerde in het burgerleven, sloot hij zich aan bij de Groupe des Six. Samen met Milhaud reisde hij kort daarop door Europa. In Wenen ontmoette hij de grootmeesters van de Tweede Weense School (Schönberg, Webern, Berg).

Behalve als componist van lyrische, lichtvoetige, soms cynische, maar zeer vaak humoristische muziek, was Poulenc ook bekend als pianist en begeleider van de bariton Pierre Bernac.

 

Auric, Georges (Lodève 1899 - Parijs 1983)

 

18. Adieu, New-York!, Georges Auric

Fox-trot pour piano. Cop. 1920 Les éditions de la sirène, Paris. Les Editions de la Sirène, 12, rue de La Boëtie, Paris VII. Plaatnr: E.D.22L.S. (B Bc 34.177)

 

Auric studeerde aan het conservatorium van Parijs bij G. Causcade en aan de Scola Cantorum te Parijs bij o.a. Vincent d'Indy. Door bemiddeling van zijn vriend Darius Milhaud kwam hij al vroeg in contact met Eric Satie en de dichter Jean Cocteau. Met Durey en Honegger werd hij medeoprichter van de Groupe des Six. Zij distantieerden zich zowel van Wagner als van Debussy en streefden naar zoveel mogelijk eenvoud. Deze reacties openbaarden zich zeer duidelijk in de ontwikkeling van Auric, die ook met de schrijverspen een welsprekende propaganda heeft gevoerd voor de inzichten van de Groupe de Six, waarin hij zich als overtuigd en strijdbaar woordvoerder onderscheidde.

Auric componeerde vooral veel film- en toneelmuziek, o.a. voor de films van Cocteau. Internationale bekendheid verwierf zijn chanson voor de film ‘Moulin Rouge’ (1952) van John Huston. Voorts schreef hij balletten (‘Phèdre’, 1950), pianomuziek, liederen en kamermuziek.

 

Baeyens, August L. (Antwerpen 05.06.1895 - Antwerpen 17.07.1966)

 

19. Zes Van Ostaijen-liederen, August L. Baeyens/Karel Albert

Voor piano en zangstem. Uitgave ´De Sikkelª, kruishofstraat 223, Antwerpen. Plaatnr: 7109

Inhoud: 1. Baeyens: Melopee (april 1930), 2. Baeyens: Herfstlandschap (april 1930), 3. Baeyens: Zeer kleinespeeldoos (april 1930), 4. Karel Albert: Berceuse presque nègre (april 1924), 5. Karel Albert: Oude Bekenden (januari 1930), 6. Karel Albert: Rust (januari 1930) (B Bc 37.718).

 

August L. Baeyens studeerde aan het koninklijk Vlaams conservatorium te Antwerpen en maakte aanvankelijk carrière als altviolist. Na enkele laat-romantische werken te hebben gecomponeerd tijdens de oorlogsjaren1914-18, gooide hij omstreeks 1920 het roer om, en behoorde hij samen met Marcel Poot tot de eerste Vlaamse componisten die braken met het verleden en de meest vooruitstrevende opvattingen inzake muziek verdedigden.

In 1931 werd hij secretaris van de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen, waarvan hem van 1944 tot 1948 de directie werd toevertrouwd. In 1953 werd hij opnieuw tot directeur benoemd. In 1958 trok hij zich terug uit het actieve muziekleven om zich uitsluitend te wijden aan compositie.

 

Van de Woestyne, David (Llanidloes, Wales 18.02.1915 - Brussel 18.05.1979)

 

20. Toccata pour piano, David Van de Woestyne

Ill. Gve Van de Woestyne. Cop. Brussels December 1935. Les Editions Modernes. 25, Rue de la Régence, Bruxelles (B Bc 41.963).

 

David Van de Woestyne, zoon van de Latemse kunstschilder Gustaaf Van de Woestyne (cfr. illustratie) en neef van de letterkundige Karel Van de Woestyne, studeerde notenleer en piano aan het Koninklijk Conservatorium Brussel van 1925 tot 1929, behaalde diploma’s voor piano, harmonie en kamermuziek aan het Stedelijk Conservatorium te Mechelen en volgde privélessen bij Paul Gilson en de Spaanse componist Oscar Esplà.

Hij oogstte in binnen- en buitenland succes als virtuoos concertpianist en vertolker van eigen werk.

 

Pelemans, Willem (Antwerpen, 06.04.1901)

 

21. Drie Vlaamsche dansen, Willem Pelemans

S.l.: L.J. Kryn, cop. 1927 (Brussel: Dogilbert). 7 p., 36 cm. I. Allegro. 4/4. "O.R. 10", II. Andante. 5/4."O.R. 12", III. Andante. 2/4. "O.R. 44".

Titelpagina in zwart/wit, gesigneerd "P. De Boeck 27". Jaar van compositie: 1927. Uitg/Plaatnr: 5456 (B Bc 00.145).

Dit driedelig werk is gecomponeerd voor piano. De titelpagina in zwart/wit en kubistische stijl van de tekening geven een duidelijke gevoelloosheid weer. Deze gevoelloosheid is ook in Pelemans werken te merken.

22. Architectonische Muziek. Een studie, Willem Pelemans

Brussel: Uitg. L.J. Kryn, 1927 — ill: P. De Boeck (B Bc 42.484)

Volgens Pelemans moet muziek de melodie van de hand wijzen. Hij verkiest daarenteggen gewone intervallen. De kracht van de muziek is de techniek en moet zo objectief mogelijk zijn. Alles draait om een zuiver klankenstelsel waarin logica het gevoel vervangt. Enkel nog het geslinger van de partijen zetten zangerige golving in waarin we lijn vinden die de architectuur van het toonstuk aftekent. Architectonisch gaat de vorm aan, melodieën zijn lijnen in beweging gebracht door deze vorm met haar ritme.

 

Willem Pelemans was Belgisch componist en muziekcriticus. Tijdens het interbellum behoorde hij tot de avant-gardebeweging in Vlaanderen. Hij zette zich af tegen het versleten Romantisme en wilde veeleer een zogenaamd objectieve muziek schrijven, ontdaan van alle pathos, literatuur en overtollige versieringen. Hij sloeg aanvankelijk de weg in van een compromisloos modernisme. Later wijzigde Pelemans zijn houding en zwakt het agressieve karakter af. Hij schreef werken voor nagenoeg alle bezettingen en genres.

 

Tansman, Alexandre (Lodz, Polen, 12.06.1897 - 1986)

 

23. Sextuor: Ballet-bouffe, d' après une nouvelle de Alexandre Arnoux,. Alexandre Tansman

Paris: Max Eschig, cop. 1929. 23 p., 33 cm.

Klavierreductie van dit ballet van Alexandre Tansman (1897-1986). Oorspronkelijk voor kamerensemble: sextet + stemvork: fluit (Armance), grote trom (Bouldoul), viool (Le Marquis de Santa-Lucia), cello, trombone (Dom Allergando), piano (L' Esprit du Piano), stemvork (Le Diapason). Scenario staat vooraan apart afgedrukt. Première: Chicago, 26/12/1926, choreografie van Adolph Bolm. Jaar van compositie: 1923. Uitg/Plaatnr: ME 2377 (B Bc 87.418).

Dit ballet is gebaseerd op een kortverhaal van Alexandre Arnoux. Het getoonde werk is een reductie van het eigenlijke werk tot een werk voor piano. Dit werk bestond oorspronkelijk uit een sextet, fluit, grote trom, viool, cello, piano en trombone, en merkwaardig genoeg een stemvork. Het stuk dateert van 1923. Vermoedelijk is de eerste opvoering reeds geweest in 1924 te Parijs maar daarover bestaat nog twijfel. Het is wel zeker dat er een opvoering dateert van 1926 die is opgevoerd te Chigago.

 

Alexandre Tansman was componist, pianist en dirigent en studeerde aan de conservatoria van Lodz en Warschau. In 1919 behaalde hij de eerste en tweede prijs in de Poolse nationale muziekwedstrijd, met composities onder verschillende schuilnamen. In 1921 vestigde hij zich in Parijs. Tijdens de tweede wereldoorlog verbleef hij in Amerika, maar keerde in 1946 terug naar Frankrijk. Tansman maakte talrijke concertreizen als pianist en dirigent. In zijn werk komt de invloed van Chopin en soms zijn bewondering voor de jazz tot uiting. Lyrische inspiratie, bewegelijkheid en kleurrijke orkestratie zijn typerend voor zijn werken.

 

Cuvillier

 

32. Troublante volupté de La Reine Joyeuse: Valse lente: Pour Piano: à Jane Marnac, Charles Cuvillier

New edition. Paris: Enoch; London: Ascherberg Hopwood & Crew, cop. 1919. 7 p.: 1 ill. 35 cm. Wals uit ‘La reine s' amuse’ (première Marseille, 31/12/1912), later ook gekend als ‘La reine joyeuse’ en vertaald als ‘The Naughty Princess’. Werk van Charles Cuvillier (1877-1955). Oorspr. uitg.: cop. 1913. Titelpagina gesigneerd ‘C. Gesmar, [19]18’. Met voormalige eigendomsaanduiding in potlood: ‘W. Van Stappen, 1928’. Jaar van compositie: 1912. Plaatnr.: E&C 7841 (B Bc 89.402).

Dit stuk komt uit ‘la reine s’amuse’ later beter bekend onder de naam ‘la reine joyeuse’, een van zijn belangrijkste operettes. Het is een trage wals geschreven voor piano. De première van het stuk vond plaats te Marseille op 31 december 1912, het jaar van compositie.

 

Cuvillier Charles was leerling van Gabriel Faurré en Jules Massenet. Het zwaartepunt van zijn omvangrijke oeuvre wordt gevormd door operettes. Hij schreef er ongeveer dertig. Zijn belangrijkste werken waren: ‘Avant hier matin’, ‘La reine qui s’amuse’. Hij heeft veel filmmuziek geschreven alsook pianostukken en talrijke liederen en canons die indertijd ook buiten Frankrijk grote opgang hebben gemaakt.

 

De Boeck, August

 

27. Soir sur l’eau, Aug. De Boeck

(B Bc 36.265)

Dit werk behoort tot een van de Cuisiner-liederen, opgedragen aan Jeanne Cuisiner. Het werk bevat een pianopartituur van acht pagina’s. De lay-out is gemaakt door Magritte. De groene kleur en de vormgeving van deze lay-out beschrijven reeds de gemoedelijke klank en het verloop van het stuk. Een stuk waarbij de beweging van het water te volgen is en dat je meesleept in een verhaal.

28. Deuxième Menuet... des grâces d’antan, Aug. De Boeck

Brussel: Les Editions Modernes (B Bc 35.784).

Het stuk is geschreven voor piano. De kaft is ontworpen door René Magritte en toont het karakter van de Franse dans aan, met de vrouw in de schaduw van haar danspartner, sierlijk en stijlvol.

30. Epitaphe/hulde, Aug. De Boeck

Gedicht van Charles van Lerberghe, ill: Emair. Nederlandse vertaling van Raymond Herreman — Bruxelles: Vriamont, 1938 (B Bc 46.175).

Het stuk, gebaseerd op een tekst van Charles van Lerberghe, is geschreven voor sopraan en piano. Het stuk is geschreven in 1937 en een laatste eer aan de overleden Gaston Heux. De illustratie van Magritte toont een urne waarachter zich de grafsteen bevindt.

I.III. Pedagogische partituren

 

Hindemith, Paul (Hanau, 16.11.1895 — Frankfurt, 28.12.1963)

 

33. Wir bauen ein stadt: Spiel für Kinder, Paul Hindemith

Tekst Robert Seitz, ill. R.W. Heinisch; Musik. Mainz: B. Schott’s Söhne, 1930. 23 p., 28 cm.

Tekstincipit: Wir bauen eine neue Stadt. Titelpagina in kleur, binnenin 10 zwart-wit illustraties. Met aparte poster in kleur. Plaatnr: 3242; BSS 32761; 2200 (B Bc 91.759).

Dit stuk voor kinderen, geschreven in 1930, was een van Hindemiths vele pedagogische werken. Hij vond het als pedagoog enorm belangrijk dat kinderen tijdens hun opvoeding ook enige vorm van muziek opleiding te maken kregen.

 

Paul Hindemith was componist en pedagoog. Hij is een van de hoofdfiguren van de nieuwe toonkunst. Hij doet ons aan Bach denken, niet alleen door zijn traditionele houding maar ook door zijn productiviteit. Hindemith wortelt in de laat-romantiek in de lijn van Brahms ‘Reger’. Hindemith trachtte zich uit deze invloeden los te werken en nam een anti-romantische houding aan. Hij zocht een dynamische uitdrukking en zijn muziek kreeg iets voortvarends, onbeteugelds. Hij nam deel aan de reacties van het naoorlogse: het luchtig-ironische, het gewild oppervlakkige spel. Ook liet hij zich meevoeren met de jazz die net in Europa was gearriveerd.

Tevens schreef hij pedagogische werken waaronder: ‘Schulwerk für instrumental’, ‘Zusamenspiel opus 45’, ‘Plöner Musiktag’ en ‘Wir bauen ein Stadt’.

 

Overige

 

3. Traité d’orchestration

Manuscript (B Bc 61.369)

29. Jardin d’enfants/kindertuin

(B Bc 35.783)

Dit stuk is geschreven voor piano. Op de tweede pagina begint het eerste deel ‘Petite Marche’ dat is opgedragen aan Helène en Jean. Zwart en rood zijn de overheersende kleuren die door Magritte in de lay-out gebruikt zijn. Het kan gezien worden als een soort droomwereld waarin het kind zich bevindt en het staat ons daarmee ook toe de wereld door de ogen van een kind te bekijken.

31. Les belles chansons de vieille France pour les enfants, illustrées par Adrien De Keyser

Ca. 1940. 32 fol.; 36 cm. Bevat 17 kinderenliederen. Illustraties in inkt en aquarel. In handschrift op map genoteerd: "Adrien De Keyser/9 rue des Sablons Bruxelles" (B Bc 87.959).

46. Labyrinth Musicale

Dedié à sa majesté la reine Elisabeth de Belgique, 500 Thèmes connues, Jeu de musiciens. Cop. Zlica, 1923.

47. Vlaamsche Muziek

Uit: "Een muziekuitgave voor iedereen".

I.IV. Jazz en lichte muziek

Buiten de zogenaamde ernstige muziekwerken, kwamen ook de jazz en blues overgewaaid vanuit Amerika. Dit laat zich ook merken in de vele uitgaven voor zogenaamde lichte muziek van zowel bekende als onbekende componisten.

Maurice Yvain (Parijs, 28.01.1891)

 

34. Machinalement: Fox-Trot-Shimmy pour piano seul: toute la presse a célébré le succès de ce fox-trot sur le motif de la chansons ‘Machinalement’ de la célèbre operette ‘Ta Bouche’, Maurice Yvain

Parijs: Francis Salabert, cop. 1922. 3 p., 36 cm. Onderaan de pagina's ook muzikale incipits uit twee andere werken ‘La Java’ en ‘En douce’ van Maurice Yvain. Titelpagina in Art Déco-stijl. Plaatnr: EAS 2229. (B Bc 85.746).

 

De jazz wervelde over Europa en bereikte haar hoogtepunt in de jaren twintig. De foxtrot was gearriveerd. Deze nieuwe stijl bood nieuwe dansvormen als de shimmy, de boston en de ragtime. De instrumenten kregen een andere betekenis, zo werd de piano als een soort percussie-instrument gebruikt. Een van de componisten die gebruik maakten van dit genre was Maurice Yvain. Hij schreef ook operettes en muziek bij talrijke films zoals ‘La belle équipe’. Vervolgens componeerde hij vele liedjes, in het bijzonder voor ‘Mistingutt’.

Overige

35. Chopinata: Fantaisie musicale dans un rythme de Fox sur les motifs de Chopin, Clement Doucet.

Paris: Sam Fox, cop. 1927, 6 [i.e. 7] p., 35 cm. Maestoso e Tempo di Fox-trot. 2/2. De titelpagina vermeldt: "enregistrée par l' auteur sur disque Columbia N° 13009". Plaatnr SF 152 (B Bc 89.403).

Clement Doucet schreef o.a Chopinata, een zekere sarcastische aanpak van de thema’s van Chopin. Hij gebruikte hiervan enkel de motiefjes en maakte hierrond een vrije interpretatie van vrolijke, muzikale fantasietjes.

36. Les clochettes d' amour: mélodie habanera, Herpin

Paris: Herpin: Répertoire Franco Espagnol, cop. 1920. 2 p., 35 cm. Andantino. Onderaan de partituur twee muzikale incipits van werk van deze componist. Titelpagina getekend "Clérice freres [19]12" (B Bc 85.724).

Een Habaneramelodie met veel standvastigheid maar eveneens veel fantasietjes. Eveneens gebaseerd op het sterk karakter van de overkomende jazzinvloeden.

37. Cinquième Album Maillochon: 25 danses à la mode

Paris: L. Maillochon, cop. 1924. 51 p., 30 cm. Dansmuziek voor piano op basis van cabaretliederen. O.a. ‘Quand on s' est aimé d' amour’ en ‘Elle aime’ van René Mercier, ‘El papavero’ van Peter Brown, ‘Poopie’ en ‘Around the bordj (An Arabian Idyll): fox trot’ van Harry W. Hampton, ‘La Valse des Fratellini’ van Philippe Parès. Plaatnr.: WS 1080 (B Bc 85.751).

38. Ja kocham cie!: Wegierski blues, Jerzego Petersburskiego

Tekst Edwarda A. Domanskiego. Warschau; Riga: J. Altschuler, cop. 1927. 3 p., 35 cm.

Moderato. Tekstincipit: "Nad jej glówka nimb lsni sloty ...". Titelpagina links bovenaan gesigneerd "Anto". Een fondslijst van uitgever Altschuler op de achterzijde van de partituur. Plaatnr: JA 70 (B Bc 85.707).

39. Twe smutne oczy ...: tango z rewji "Perskiego Oka": fascynujace tango z teatru "Perskie Oko [sic]", J. Kagana

Tekst van Andrzeja Wlasta. Warschau: Gebethnera Wolffa [= Gebethner & Wolff], cop. 1928. 2] p., 33 cm. Tekstincipit: "Tanga upojny spiew ...". Tango uit het theaterstuk "Perskie Oka" (Op p.2 wordt "Perskie Oko" aangegeven). Titelpagina gesigneerd "Walenzenowice". Op de achterzijde van de partituur een fondslijstje met muzikale incipits van de uitgeverij Gebethner & Wolff. Plaatnr: G 6712 W (B Bc 85.708).

40. Czarne oczy: tango: wydanie 5, A. Golda

Tekst van Harrymana. Warschau: Gebethnera Wolffa [= Gebethner & Wolff], cop. 1929. 2 p., 33 cm. Tekstincipit: "Oczy czarne, oczy twe ...". Tempo di tango. Titelpagina gesigneerd "M. Walenzenowice". Op de achterzijde van de partituur een fondslijstje met muzikale incipits van de uitgeverij Gebethner & Wolff. Plaatnr.: G 6795 W (B Bc 85.709).

41. Charme d' Amour: valse intermezzo op. 94 pour piano: dédié à Madame Irma Jönsson, F. C. Costers

Ill: Heijden. Bruxelles: Maison de Aynssa: E. De Saedeler& Cie Editeurs, 37 Boulevard du jardin Botanique, Bruxelles. ca. 1929. 7 p., 35 cm. Plaatnr: 5155 (B Bc 85.763).

42. Delilah, Horatio Nicholl

Paris : Salabert, 1917. Ill: R. De Valerio (B Bc 92.338).

43. Collection of 25 Selected Famous Negro Spirituals

Transcribed and arranged by Hugo Frey. New York : Robbins-Engel, 1924 — Roland (B Bc 92.335).

44. Les Chansons de Miarka, la Fille à l’Ourse, Alexandre Georges

Gedicht van Jean Richepin. Paris: Enoch, 1923 (B Bc 92.336).

48. Marche officielle des parachutistes belges: Who dares wins: enregistré par les "Royal Grenadier Guards" Disques Columbia, Pieter Leemans

Ill: Degreef. Bruxelles: J. Buyst, 19xx. Klavierreductie, 6 p., 35 cm. Mars van Pieter Leemans (1897-1980). Titelpagina gesigneerd "Degreef". In het midden het motto "Who dares wins". Herkomst: Aankoop 1996: Brussel (B Bc 85.765).

II. GRAFIEK IN HET INTERBELLUM

Verzameling: Galerij Art &Paper Brussel,

Grote Zavel 8, 10000 Brussel

0478 / 98 98 93

 

Jac(ques) Boonen (Tongerlo 03.07.1911 - Brussel 06.04.1968)

49. Jac(ques) Boonen, "Kermis" (1933)

Ets 66 x 72 cm. Gesigneerd r.o. JacBoonen, l.o. Kermis.

Tekenaar en graficus. Opleiding aan het Hoger Instituut te Antwerpen o.l.v. onder meer Jules De Bruycker. Debuteerde in de lijn van zijn leermeester meestal volkstaferelen met een wriemelende, feestvierende menigte en figuren uit de arbeidende klasse. Zijn ontstuimigheid en zijn spontane opwellingen verwijderen hem echter steeds meer van de invloed van de Bruycker. Graveerde ook portretten o.m. van J. Ensor, De Ghelderode en Verschaeve.

Geboren in een zeer christelijke omgeving was Jac het tweede kind in een rij van elf. Zijn vader Jaak, geboren te Opitter in 1875 was dokter in de letterkunde en huwde in 1909.

Het leven van Jac Boonen kan ingedeeld worden in vier periodes:

Jac Boonen was een van de belangrijkste etsers van zijn tijd. Er zijn verschillende albums met werken van hem verschenen.

Naast deze albums bestaan er ook een groot aantal losse etsen.

Geo Henderick (Tongerlo 03.07.1911 - Brussel 06.04.1968)

50. Geo HENDERICK, "Temple de sérénité" (ca. 1927)

Aquarel, 26.5 x 18 cm. Gesigneerd met monogram GH.

 

Op het einde van de twintiger jaren vervaardigde Henderick een reeks aquarellen met imaginaire, ijle architectuur, droombeelden in symbolistische kleuren, merkwaardig uit de tijd.

De relatie natuur-architectuur en de gewenste inbreng van de plastische kunsten in de architecturale omgeving, vallen op te maken uit de thema’s van deze pentekeningen. Vooral rijzige beeldhouwwerken, die kroonlijsten, koepels en allerhande dakornamenten hemelwaarts schijnen te verlengen, verraden zijn mystieke inborst. Hendericks tekeningen van tempels met koepels en torens zijn als het ware uit de natuur geboren, uit dominerende rotspartijen, met een architectuur op harmonische wijze groeiende uit bergmassieven tot op zichzelf staande bouwvolumes.

 

"L’homme n’a jamais été aussi grand que quand il s’est servi de la nature. Les plus belles œuvres humaines sont celles qui s’inspirent de la nature ou qui s’en servent. Les anciens l’ont si bien compris en plantant leurs meilleures œuvres au sein des sites les plus beaux".

(G. Henderick)

 

1906 - Henderick studeerde af aan de Koninklijke academie voor Schone Kunsten in Gent. Hij was teleurgesteld in het academisch architectuuronderwijs dat hij spottend archeologie noemde, waardoor hij in conflict kwam met zijn leermeester Van Rysselberghe. Met zijn progressieve, non-conformistische architectuur ging hij in tegen de neostijlen van het burgerlijke behoudsgezinde Gent en hij vond een bondgenoot in de Belgische architect Achiel Van Hoecke-Dessel.

Aanvankelijk ging hij meer de geometrische richting van de late Art-Nouveaustijl uit. In zijn werk zijn invloeden merkbaar van de Oostenrijkse Wiener Sezession en de ermee verwante Schotse School van Mackintosh.

Rond 1916 sloot hij zijn Art-Nouveauperiode af en koos hij voor eerlijkheid van de materialen. Daarvoor waren zijn gepleisterde gevels een noodzaak voor het aanbrengen van de decoratieve elementen.

In de periode 1916-1925 ontstaat er een kloof in zijn architecturaal oeuvre en concentreert hij zich vooral op het lesgeven. In die context maakt hij veel educatief bedoelde tekeningen die hem van het symbolisme naar het expressionisme zullen voeren.

In de daarop volgende productieperiode wordt hij beïnvloed door het Duitse architecturale expressionisme, dat hem naar een plastisch-pittoreske richting in de Art Deco stuurt, en door de Amsterdamse School (De Klerk, Kramer, Wijdveld) naar een meer expressionistische baksteenarchitectuur. Maar hierbij zuivert hij de barokke ornamentiek wel uit zijn realisaties. Dit zal uiteindelijk resulteren in zijn persoonlijk vorm van functionalisme. Hiermee zette hij zich af tegen de ‘Nieuwe Zakelijkheid’ die volgens hem alleen tot vervlakking, eentonigheid en middelmatigheid moest leiden. Ondertussen blijven zijn totaalconcepten toch nog doordrongen door de Art-Nouveaugeest: de architect als totaalkunstenaar, meester van zijn schepping.

In al zijn werken, ook zijn grafische, valt op dat hij belang hecht aan de relatie natuur-architectuur en een zekere inbreng van de plastische kunsten in de architecturale vormgeving vanzelfsprekend vindt. Hij benadrukte ook de sociale architectuur.

Bron: De Bruyne S. C.(oktober 2000), Analyse.

 

De Bruycker Jules (Gent 29.03.1870 - Gent 1945)

51. Jules De Bruycker, De Sint- Niklaaskerk, Gent (ca 1928)

Ets op koper, 458 x 313. Gesigneerd (potlood) r.o. JdBruycker, l.o. l’Eglise St-Nicolas Gand.

 

Omstreeks 1928 maakte De Bruycker een reeks prenten van de St-Niklaaskerk gezien vanop de Sint-Michielsbrug met op de achtergrond het belfort. Op de voorgrond is de Sint-Michielsbrug afgebeeld omgeven door staketsels en stellingen en voor de ingang van de kerk staat een werkmansloods. Het gaat hier echter om een anachronisme. De aanbesteding en de aanleg van de Sint-Michielshelling dateren immers uit 1906-1907. Waarschijnlijk zijn de etsen gemaakt naar vroegere tekeningen.

De Bruycker had een afkeer van de brug en vond het bouwsel een miskleun. Net zoals vele Gentenaars ging hij niet akkoord met deze stadsvernieuwing en noemde de brug spottend de "dromedarisbrug". Met deze reeks prenten wou de kunstenaar de statigheid van de Sint-Niklaaskerk confronteren met de volgens hem verkeerde ingreep in het stadsbeeld.

52. Jules De Bruycker, De kathedraal van Antwerpen (1929)

Zink, ets en aquatint, 605 x 495cm, Le Roy 163. Gesigneerd (potlood) r.o. JdBruycker 1929, l.o. de Kathedraal van Antwerpen.

Kunstenaarsproef.

Na een reis door Frankrijk graveerde De Bruycker rond het jaar 1930 een aantal kathedralen waaronder die van Amiens, Rouen, Reims, Bourges en Antwerpen. De nadruk ligt steeds weer op de overheersende monumentaliteit van de architectuur tegenover de nietigheid van de mens.

 

Jules De Bruycker exposeerde voor het eerst in het Salon van Gent in 1902. Zijn belangstelling voor de etskunst werd gewekt door het grafisch werk van A. Baertsoen. De techniek werd hem bijgebracht door zijn vriend Florimond Van Loo. Vanaf 1906 is de etskunst zijn geprefereerd uitdrukkingsmedium.

Van 1914 tot 1919 leeft Jules de Bruycker in ballingschap in Londen, waar hij Frank Brangwyn ontmoet en in het voormalig atelier van Whistler aan zijn visionaire oorlogsallegoriën (danses macabres) werkt.

In 1923 wordt Jules de Bruycker tot 'Membre Correspondant de l'Académie Royale de Belgique' verkozen en een jaar later werd hij benoemd als Professor van het 'Hoger Instituut van Schone Kunsten te Antwerpen.

Een reis naar Parijs in 1925 waar hij een andere Gentenaar ontmoet, Frans Masereel, inspireert hem voor een reeks etsen die verschillende monumenten van Parijs voorstellen.

Lid van De Koninklijke Academie van België (1925) en van La Gravure Originale Belge. In 1927 ontvangt hij van de Belgische regering de ‘Grote Prijs van Plastische Kunsten’.

Zijn werkt bevindt zich in vele Prentenkabinetten en ook in de musea van Antwerpen, Brussel, Gent en Luik.

Bron: Jules De Bruycker etsen, Monie Nagels. Tentoonstellingscatalogus, Museum voor Schone kunsten Gent, 1995.

 

Max Liebermann (Berlijn 20.07.1847 - Berlijn 08.02.1935)

53. Max Liebermann, "Eislauf" (1923) Ijsschaatsers

Ets, 13 x 17,8 cm. Gedrukt op velin. Cat.: Achenbach nr 59 c.

 

Max Liebermann is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits impressionisme. Hij had al vroeg belangstelling voor de kunst en nam naast zijn studies privé schilderlessen.

 

Van 1869 tot 1872 studeerde hij aan de Kunstschule van Weimar. Zijn enthousiasme voor hedendaagse kunst bracht hem in 1873 in Parijs en enkele jaren later in Nederland. In 1889 werd hij mede-organisator van de Duitse bijdrage aan de Wereldtentoonstelling van Parijs. Liebermann, die intussen onder de invloed van de Franse moderne kunstenaars werkte, nam in 1894 deel aan het Parijse ‘Salon’. In 1898 was hij medestichter van de ‘Berliner Secession’ en vanaf 1899 voorzittter.

 

Toen in 1910 enkele werken van expressionistische kunstenaars door de ‘Berliner Secession’ afgewezen werden, kwam het tot zulke heftige discussies dat er een scheuring ontstond. Hierbij verliet onder anderen ook Max Pechstein de groep en stichtte met andere kunstenaars de ‘Neue Secession’. Het jaar daarop liet Liebermann het voorzitterschap over aan Lovis Corinth en in 1914 sloot hij zich ook aan bij de ‘Neue Secession’.

Na de machtsovername van de NSDAP door Hitler kreeg de jood Liebermann, die in 1932 nog tot erepresident van de Pruisische Kunstacademie benoemd was, werk- en tentoonstellingsverbod.

Max Pechstein (Zwickau 1881 - Berlijn 1955)

55. Max Pechstein, "Weib vom Manne begehrt" (1919)

Houtsnede, 26.5 x 18 cm. Gedrukt op vélin. Uit "Deutsche Grafiker der Gegenwart", Leipzig 1920.

Cat.: Kruger H 224, Fechter 157.

Door de studie van de kunst van primitieve natuurvolkeren nam hij archaïsche elementen ervan over bij zijn composities. Zoals duidelijk te zien is bij deze houtsnede gebruikte hij vooral hun sculpturen als voorbeeld voor zijn houtsneden en hij was er trouwens zelf een verwoed verzamelaar van.

 

Max Pechstein begon in 1898 zijn studies als decoratieschilder. Vanaf 1900 bezocht hij de Staatliche Kunstschule en was vanaf 1902 meesterleerling bij Otto Gussmann aan de Dresdner Kunstakademie. In 1905 creëerde hij zijn eerste houtsnede.

 

Een jaar later ontmoette hij Erich Heckel die hem ertoe bewoog zich bij de expressionistische kunstenaarsvereniging ‘Die Brücke’ aan te sluiten. Nog een jaar later verbleef hij drie maanden in Italië en negen maanden in Parijs, waar hij de Parijse kunstenaars ontmoette van het Fauvisme, les Fauves — de wilden.

 

Samen met Ernst Ludwig Kirchner leidde hij het MUIM-Instituut — moderne schilderles - maar dit iniatief was geen lang leven beschoren. ‘Die Brücke’ scheidde zich in 1912 af van de ‘Berliner Secession’. Pechstein nam datzelfde jaar deel aan de tentoonstelling van de ‘Berliner Secession’ en werd daarop van ‘Die Brücke’ uitgesloten.

 

In 1904 ondernam Pechstein een reis door Europa die hem uiteindelijk via Hongkong naar de Palau-eilanden in de Stille Zuidzee voerde, toen nog een kolonie van het Duitse Rijk. Daar bestudeerde hij de kunst van de natuurvolkeren die hem later bij de vormgeving van zijn werk inspireerden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vielen de eilanden in Japanse handen en keerde hij naar Duitsland terug.

 

In 1918 stichtte hij samen met Rudolf Belling en Erich Mendelsohn de ‘Novembergruppe’, die zich aansloot bij het politieke doel van de Novemberrevolutie, namelijk het einde van de monarchie en de oprichting van een Demokratische Republiek. Deze kunstenaars hoopten hierbij op een vernieuwing in de kunst.

 

In 1923 werd Pechstein lid van de Preusische Akademie der Künste maar na de machtsgreep van de Nationaalsocialisten moest hij zijn leerstoel als professor opgeven. Op de tentoonstelling van ‘Entartete Kunst’ werd een werk van Pechstein getoond waarna er 326 schilderijen uit musea werden verwijderd.

Nele van de Velde (Zwickau 1897 - Berlijn 1965)

56. Nele van de Velde, Het huis van Kirchner (ca. 1921)

Houtsnede op dun Japans papier, 38 x 30.5 cm.

Gesigneerd met gestempeld rood monogram.

57. Nele van de Velde, Mythologische voorstelling (ca. 1922)

Monotype in kleur op dun Japans papier, 21.5 x 17.5 cm.

Gesigneerd met gestempeld rood monogram.

Oudste dochter van Henry van de Velde. Autodidact schilderes en graficus.

Zij maakte kennis met Kirchner in het jaar 1918.

In oktober 1920 kwam ze verschillende weken met haar moeder bij Kirchner op bezoek. Daar maakte ze een elfdelige reeks houtsneden met de titel ‘Ein Tag bei Kirchner auf die Staffelalp’, gepubliceerd in het tijdschrift Genius (vol.2, Berlijn 1921).

Galerij Art &Paper Brussel

Grote Zavel 8, 1000 Brussel

Info: 0478/98 98 93

Back to Jonas Programma

Meer informatie: 02/513 45 87 - www.kcb.be