Harlinda Lox

 

Van stropdragers en de pot van Olen. 

Verhalen over Keizer Karel; Leuven, Davidsfonds, 1999, 272 blz.  

 

 

Historische antropologie

Lang geleden stonden in Het Kapoentje, de wekelijkse jeugdbijlage van de krant Het Volk, telkens vertelsels over domme stedelingen en slimme boertjes, of omgekeerd. Eerst veel later leerde ik dat ze kaderden in een algemene volkskundige traditie over de tegenstelling stad-platteland.

Of het blad bracht een verhaaltje over keizer Karel en de boeren van Olen, keizer Karel die anoniem de deugd beloonde, het kwaad bestrafte, pretentie beschaamde...

Toen ik vele jaren later voor de klas stond, vertelde ik mijn leerlingen dat uit die verhalen de populariteit van de keizer bleek, waarschijnlijk in tegenstelling tot de onpopulariteit van zijn gehate zoon, "de Spanjaard" Filips II, over wie geen volksverhalen overgeleverd zijn. Nog later, wereldwijzer geworden, vermeldde ik erbij dat het vermoedelijk meer te maken had met handige politieke public relations dan met spontane populariteit. (Televisie bestond nog niet!!) Hoewel in de tentoonstellingscatalogus Carolus te lezen valt dat Karel inderdaad bewust deed aan wat men nu "image building" noemt, had ik het in alle opzichten bij het verkeerde eind.

Harlinda Lox verzamelde alles wat zij kon vinden over Karel V in de volkse literatuur. Verwacht niet zomaar sappige vertelsels, die je zo voor de klas kunt brengen om je populariteit te vergroten. Lox is lid van het Europäische Märchengesellschaft. Recent publiceerde zij -in het Duits- een standaardwerk over Vlaamse sprookjes in een wereldwijd gerenommeerde Duitse wetenschappelijke reeks. Kortom, op haar terrein is zij een erkende autoriteit.

 

Vlaams en volks?

Harlinda Lox geeft de zowat 160 verhalen weer, zoals ze opgetekend werden, en voorziet ze van uitvoerige noten. Haar indeling berust op de internationale classificaties van het sagenonderzoek, wat haar boek een veel bredere historische en antropologische dimensie geeft dan de titel laat vermoeden.

Sprookjes, moppen, sagen behoren gemeenschappelijk tot de vertelselschat van een volk. Vergeet niet dat sprookjes pas de laatste anderhalve eeuw in de kinderliteratuur verzeild raakten; tot dan hoorden zij thuis in de mythologie. Het volk zelf had lak aan de etiketjes die later opgekleefd werden.

Bij verhalen uit een orale traditie speelt de verteller een primordiale rol. Hij transformeert zijn stof en past ze aan naargelang de tijd, de streek en de aard van zijn toehoorders. Tot mijn verrassing geldt dat eveneens voor de verhalen over keizer Karel.

Harlinda Lox vond slechts twee teksten die typisch Vlaams zijn: dat over de pot van Olen en dat over de stropdragers van Gent. Dat laatste, hoewel het in de titel staat, komt niet voor in haar boek. "Dat is geen volksverhaal, maar zuivere geschiedenis", zegt zij zelf. Waarschijnlijk is het in de titel beland naar analogie van het boek onder redactie van Johan Decavele, dat door dezelfde uitgeverij werd uitgebracht.

Achter de schijnbaar eenvoudige verhalen waarin Keizer Karel, meestal incognito, ergens in Vlaanderen de hoofdrol speelt, schuilen complexe processen van narratieve acculturatie via grensoverschrijdende mondelinge en schriftelijke verspreidingskanalen en een ingewikkelde overleveringsgeschiedenis van vertelpatronen en -motieven. De zeer geloofwaardige bon-mots of scherpzinnige spreuken, die Keizer Karel in de mond gelegd worden, werden in andere vertelrepertoires door andere beroemde keizers uitgesproken. Zelfs de anekdoten, die op private kwaaltjes of liefhebberijen van Keizer Karel zinspelen, zijn internationaal gemeengoed.

De "Vlaamse" populaire narratologie wordt aan de hand van één kristallisatiegestalte belicht en geherwaardeerd. Want in alle vroegere literatuur die over het onderwerp verschenen is, wordt de echtheid van die verhalen en vooral hun exclusief Vlaamse karakter niet of nauwelijks in vraag gesteld. Dat hangt samen met het romantische Grimmgesternte, waaronder het Vlaamse volksgoed ooit verzameld werd. Het optekenen en publiceren van de volksverhalen gebeurde in de vorige eeuw immers in functie van het opbouwen van een echte, eigen "Vlaamse identiteit". (p. 11)

 

Karel V en kalief Haroen al-Rasjid

Sprookjes en aanverwante genres reizen doorheen de tijd en de ruimte. In de loop van honderden jaren leggen zij onnoemelijke afstanden af. De verhalen in het boek zijn vaak afkomstig, niet alleen uit verre streken, maar ook uit verre tijden. (En dat was een tweede verrassing). Vaak zijn ze zeer oud, bijna ongelooflijk oud, en lang na de dood van Karel met zijn persoon verbonden. De oudste verhalenbundel in het Nederlands is die van J. De Grieck en dateert eerst uit 1675. De meeste zijn dus pas opgetekend in de tweede helft van de vorige eeuw, in het kader van het toen heersende nationalisme. (Hier passen ze perfect in het kader van wat getoond werd op de Gentse tentoonstelling "Mise-en-scène", over de beeldvorming door de 19de-eeuwse historieschilders.) Dat verklaart ook de uitzuivering door de toenmalige volkskundigen, die in de eerste plaats aan "volksverheffing" wilden doen. Zo is "de grootste hoer" uit een der histories in de gedrukte versie "de grootste zottin" kunnen worden. Zij werden in hun nieuwe gedrukte vorm zeer snel verspreid door goedkope, geïllustreerde tijdschriften of in bundels, waarna ze opnieuw verder werden verteld en zo aan verse loopbaan als orale literatuur konden beginnen.

Het oudste origineel in het boek van Lox stamt uit een Perzische cyclus uit de 7de eeuw. Vele incognitovertelsels hoorden oorspronkelijk bij kalief Haroen al-Rasjid, een tijdgenoot van Karel de Grote, ca. 800, dat is 700 jaar voor ‘onze’ Karel! Of gaan nog veel verder terug, op de omzwervingsverhalen van Zeus en Hermes! Soms dalen wij via Karel V zelfs af in de krochten van Jungs ‘collectief onbewuste’ en wordt de al te menselijke keizer een alter ego van de machtige, gepersonifieerde dood.

Zelfs de zo historisch lijkende oorsprongssagen zijn meestal ouder dan Karel V. Nemen wij één voorbeeld: het wapenschild van Mechelen (nr. 83, p. 91). In de opgenomen versie hebben de verticale rode strepen op gouden veld een bijzonder scabreuze herkomst. In haar noten, p. 205 vermeldt ze de heel wat heroïscher versie van de Duitse onderzoeker Johan Wilhelm Wolf (1845), die grotendeels is overgenomen door de volkskundige K.C. Peeters: Wouter Berthout, heer van Grimbergen en Mechelen, zou voor zijn heldhaftig optreden tegen de Saracenen van de koning van Aragon het voorrecht verworven hebben het vorstelijk wapenschild gedeeltelijk over te nemen (Peeters 1975: 116). "De geschiedenis van Mechelen" bevestigt dit, maar voegt eraan toe dat het hartschild met de keizerlijke adelaar werd verleend door keizer Frederik III in 1490 omwille van de trouw, betoond aan zijn zoon Maximiliaan van Oostenrijk.

Rest nog de vraag waarom bijna al de verhalen pas lang na de dood van Karel V voor het eerst opdoken. Het antwoord is o.i. maar al te prozaïsch: waarschijnlijk hadden zijn onderdanen-tijdgenoten weinig reden tot lachen met hun heerser!

Harlinda Lox heeft haar bundel verlucht met illustraties uit vroegere verzamelingen en diverse stijlperioden, wat het boek bijkomend de speciale attractieve charme verleent van sepia-kleurige foto’s in een oud album.

 


[Terug naar artikel: De pot van Olen]