De eeuw van Joos

Bruegel als renaissancekunstenaar

Bruegels werk: De Spreekwoorden

Nathalie Van Hamme (4 MTW)

bruegel_spreuken.JPG (68950 bytes)border= bruegel_spreukzw.JPG (66633 bytes)

De afbeelding in zwart-wit bevat de genummerde spreuken. Als je de "postzegels" aanklikt, start de uitvergrote foto in een nieuw venster, zodat je tekst en afbeelding kunt 'synchroniseren'.

Een variante: ondertussen werden de spreekwoorden ook uitgewerkt op de website
[Literatuurgeschiedenis]
(opent in nieuw venster)

 

1. Zij zou de duivel op een kussen binden. Zij is een echte helleveeg, ze kan iedereen de baas.
2. Een pilaarbijter. Iemand die overdreven druk naar de kerk loopt, die zich uitermate vroom voordoet, schijnheilige, femelaar.
3. Zij draagt water in de ene hand en vuur in de andere. Van twee wallen eten, onbetrouwbaar, dubbelhartig zijn, tegelijk vrede maken en twist zoeken, een wispelturig humeur hebben
4. Hier trekt de zeug de tap uit. Hier worden de zaken niet verzorgd zoals het hoort.
5. Hij braadt de haring om de kuit. Een opportunist. "Omwille van het smeer, likt de kat de kandeleer."
6. Zijn haring braadt er niet. Zijn opzet lukt niet. Men ziet hem liever gaan dan komen, hij is er niet welkom.
7. Hij heeft de koek op ’t hoofd. Hij heeft de boter gegeten, hij krijgt de schuld?
8. De haring hangt aan zijn eigen kieuw. Hij heeft zich dat nadeel zelf berokkend
9. Hij zit (of valt) tussen twee stoelen in de as. Hij weet geen besluit te nemen, van verslagenheid weet hij niets te doen,
hij wordt door beide partijen verstoten.
10. De hond in de schapraai vinden.

11. Open kot of open kuil, daarin steekt allicht de hond zijn muil.

Komen als het eten op is.

Een slecht bewaard geheim is vlug algemeen gekend.
12. Daar hangt de (gouden) schaar uit. Het is daar duur, men wordt er afgezet, "gesneden".
13. Altijd aan één been knagen. Een lang en moeilijk werk verrichten.
Steeds over hetzelfde zeuren.
14. De hennetaster




Ongelegde eieren zijn onzekere kuikens.
Iemand die zich met kleinigheden in de huishouding en de keuken bemoeit.
Ook: iemand die zijn handen niet kan thuis houden.

Iets waarvan het nog geheel onzeker is of het zal plaatshebben of zo uitvallen. De zaken kunnen eensklaps keren. Een belofte waar men niet veel aan heeft.

15. Tot de tanden gewapend zijn. Geheel gewapend zijn.
16. De kat de bel aanbinden. De eerste stap zetten om een gevaarlijk plan tot uitvoering te brengen, de kastanjes uit het vuur halen, de eerste zijn om iets naar voor te brengen.
17. Met het hoofd tegen de muur lopen. door te sterke tegenwerking niet kunnen bereiken wat men nastreeft. Met geweld het onmogelijke door willen zetten, wat tot pijn en verdriet leidt. Onzinnige pogingen doen.
18. Zijt u een krijger of zijt u een boer? Aan wiens zijde sta je eigenlijk? Wat is je ware gedaante? Ben je soms een wolf in schapenvacht? (soldatenbenden plunderden de boeren uit.)
19. Van buiten bont, van binnen stront. Uiterlijk fraai, maar onder de kleren vuil of innerlijk lelijk of verdorven
20. De ene scheert de schapen, de andere de varkens. De een krijgt veel, de ander weinig.
De een verdient veel, de ander blijft arm.
21. Geduldig als een schaap. Zeer geduldig.
22. Zie dat daar geen zwarte hond tussen komt. Benieuwd hoe lang die vriendschap zal duren.
Als dat maar goed afloopt.
23. De ene rokkent wat de andere spint. Konkelfoezen. De een plukt de vruchten van de ander zijn werk, voordeel halen van een ander zijn werk. Onder het spinnen (met spinrok en spinschijf of konkel) werd heel wat afgeroddeld.
24. Hij draagt de dag met manden uit. Onnodig werk verrichten.
25. Met twee monden spreken. Dubbelhartig, onoprecht zijn.
Naar ieders mond praten om hem te behagen.
26. De duivel een kaars ontsteken. Eer bewijzen aan een man met een boos karakter, uit vrees dat hij zich anders zal wreken. Zijn boze daden vergoelijken uit eigenbelang.
Iets met tegenzin, maar om bestwil doen.
27. Bij de duivel te biecht gaan. bij zijn vijand te rade gaan, hem een geheim verklappen enzovoort
28. De oorblazer. Kwaadspreker, opruier.
29. De vos en de kraanvogel hebben elkander te gast. Zij foppen elkander (verwijst naar een fabel van Aesopus).
30. Het vlees aan het spit moet begoten worden. Men moet de nodige zorg (en kosten) aan iets besteden.
31. Men moet het gebraad aan het spit leggen terwijl het vuur brandt. Men moet het ijzer smeden als het heet is. Men moet zijn kansen benutten als ze zich voordoen.
32. Daar is geen spit mee te wenden. Er is met hem niet samen te werken, niet op te schieten.
33. Op hete kolen zitten. Van ongeduld niet stil kunnen zitten, ongeduldig zijn.
34. Twee honden aan één been komen zelden overeen. Twee belanghebbende personen die over een zaak twisten, vechten.
35. Hij steekt het varken door de buik.
Het varken is door de buik gestoken.
Door een krachtig optreden, de moeilijkheden uit de weg ruimen.
36. Zij hangt haar man de blauwe huik om. Zij bedriegt haar man, ze pleegt overspel.
37. Dat past als een tang op een varken. Het past er helemaal niet bij, het heeft er niets mee te maken
38. Rozen voor de varkens strooien. Iets schoons geven aan hen die er de waarde niet van weten te schatten. Tegenwoordig: parels voor de zwijnen.
39. Als ’t kalf verdronken is, dempt men de put. Men verhelpt het kwaad, als het ongeluk gebeurd is; men treft maatregelen die men eerder had moeten nemen.
40. Men moet zich krommen, wil men door de wereld kom(m)en. Men moet zich weten te schikken, wil men er komen. (krommen = zich buigen, onderdanig maken)
41. Hij laat de wereld op zijn duim draaien. Alles naar wens doen gaan, over alles baas zijn.
42. Ons Heer een vlassen baard aanbinden. Het toppunt van schijnheiligheid zijn.
43. Zij trekken om het langste eind. Ruziën om zijn gelijk te krijgen, om zoveel mogelijk voordeel te verkrijgen, om de baas te blijven.
44. Een stok in het wiel steken. De uitvoering van iemands voornemen beletten, de vooruitgang belemmeren, iemand dwarsbomen.
45. Die zijn pap gestort heeft, kan niet alles weder oprapen. Niet alle schade, (die men aanricht) is helemaal te herstellen.
46. Hij zoekt het bijltje. Uitvluchten zoeken.
47. Die zoekt die vindt. Met vlijt en inspanning bereikt men zijn doel, de aanhouder wint.
48. Een harkje zonder steel. Een zaak die niet afgewerkt is.
49. Hij weet nauwelijks van ’t ene brood tot ’t andere te geraken. Arm zijn, nauwelijks weten rond te komen.
50. Hij gaapt tegen de oven.


Hij moet lang gapen, die de oven overgapen zal.
De mond zeer wijd openspalken. Vergeefse moeite doen, spreken zonder aangehoord te worden; vechten tegen de bierkaai
Tegen een grote schreeuwer legt men het af, als men hem met grote woorden wil antwoorden.
51. Hij zit in zijn eigen licht. Hij werkt zichzelf tegen, hij belemmert zichzelf.
52. Niemand zoekt de andere in de oven, of hij is er zelf in geweest. Wie een ander van iets (kwaads) verdenkt, heeft het vroeger gewoonlijk zelf gedaan. Zoals de waard is, zo vertrouwt hij zijn gasten
53. Zij ziet naar het henneëi en ’t ganzeëi laat zij lopen. Ze is tevreden met een klein deel, terwijl, indien ze had opgelet, ze een veel groter deel had kunnen krijgen.
54. Door de mand vallen. Tenslotte moeten bekennen, betrapt worden, er niet in slagen iets tot een goed eind te brengen.
55. Tussen hemel en aarde zweven. in het onzekere zijn
56. Het is goed riemen snijden uit andermans leder. Het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over iets dat een ander toebehoort.
Het is gemakkelijk op andermans kosten royaal te zijn.
57. Hij heeft een paling bij de staart. Een onbegonnen of gevaarlijk werk beginnen.
58. Tegen de stroom opzwemmen. Ondanks verzet of weerstand, tegen de publieke opinie in, streven naar het bereiken van zijn doel.
59. De kap op de tuin hangen.
De kap over de haag werpen
Het kloosterleven, de geestelijke stand of ambt verzaken, een betrekking opgeven.
60. Gescheurde muur is saan ontset. Een huwelijk (relatie) met problemen is gemakkelijk stuk te maken.
61. Hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt. Hij is afgunstig op de voorspoed, het succes, het geluk van een ander.
62. Geld in het water gooien. Geld geheel nutteloos of op een dwaze manier uitgeven. Geld verspillen.
63. Zij schijten alle twee door één gat. Het zijn onafscheidbare vrienden, twee handen op een buik.
64. ’t Hangt als een kakhuis boven een graft (gracht). ’t Is vanzelfsprekend.
65. Grote vissen eten de kleine. De groten verdrukken de kleine.
66. Een bliekje werpen om een snoek te vangen. Zich een geringe opoffering getroosten om iets van waarde te verkrijgen.
67. Achter het net vissen. Te laat komen, zijn kans verkeken hebben.
68. Zijn gat aan de poort vegen. Er volstrekt niets om geven, er zich niets van aantrekken.
69. De deurring kussen. Als minnaar niet aanvaard worden.
70. Hij valt (springt) van de os op de ezel. Niet systematisch te werk gaan, van de hak op de tak springen, van het ene onderwerp op het andere overgaan.
Van het ene ambacht overgaan tot het andere (dat slechter is); achteruitgaan.
71. Hij speelt op de kaak. Zich iets onrechtmatig toeëigenen.
72. De gek zonder zeep scheren.
Met iemand de gek scheren.
Iemand voor de gek houden. De spot drijven met iemand.
73. Het zijn twee zotten (hoofden) onder één kaproen. Zij zijn het met elkaar volkomen eens. (vooral als er sprake is van boze bedoelingen.)
74. Hij heeft tandpijn achter zijn oren. Niet weten wat eraan hapert.
75. Tegen de maan pissen.
Hij heeft tegen de maan gepist.
Iets doen (of gedaan hebben) dat ongenoegen verwekt, het bij iemand verkerven.
76. Daar hangt de pot uit. Grote sier maken.
77. Een ei in het nest laten. Niet alles ineens verteren.
78. ’t Is naar ’t vallen van de kaart. Op het geluk af.
79. De gekken krijgen de kaart. Het geluk helpt de dwazen.
80. De verkeerde wereld.

81. Hij schijt op de wereld.

Alles staat hier op zijn kop; het is hier net het omgekeerde van wat het zou moeten zijn.

Hij lacht ermee.

82. Zij hebben elkander bij de neus. Ze hebben elkaar beetgenomen, bedrogen.
83. Door het oog van de schaar halen. Zich iets oneerlijk toeëigenen, oneerlijk zijn.
84. Hij ziet door de vingers. Doen alsof men het niet opmerkt, oogluikend toelaten, het vergeven, lichte vergrijpen niet al te zwaar beoordelen.
85. Te patijne staan. Wankel, niet vast in zijn schoenen staan. (Afgebeeld zijn patijnen of trippen, houten overschoenen voor modderige straten - zie Arnolfini)
86. De bezem uitsteken. Feestvieren.
87. Zij zijn onder de bezem getrouwd.
Vrijen onder één dak, is het schande, ‘t is gemak.
Ongehuwd samenleven.
Het is gemakkelijk vrijen als men in hetzelfde huis woont of vertoeft. Geliefden zijn liefst bij elkaar. (Geliefden mochten niet onder hetzelfde dak overnachten.)
88. Daar zijn de daken met vlaaien gedekt.
De vlaaien wassen op het dak (als in luilekkerland)
Het gaat hen voor de wind, ze hebben het goed.
89. De ene pijl na de andere verschieten.
Men moet niet al zijn pijlen verschieten.
Alles ineens zeggen of verbruiken, niets voor later bewaren.
90. Waar het hek open is (van de dam is), lopen de varkens in ’t koren.
Mindert de schoof, zo wast het varken.
Als er geen gezag, geen toezicht meer is, doet ieder wat hij wil.
91. Zij heeft het vuur in de aars.
Wie vuur eet, schijt vonken.
Zij is manziek. Ongedurig zijn.

Men wordt gestraft waarvoor men gezondigd heeft.

92. De huik naar de wind hangen. Van partij veranderen volgens de omstandigheden.
93. Hij want pluimen (koren) in de wind. Een zaak verkeerd aanpakken.
94. Hij kijkt naar de ooievaar. Luieren.
95. Hij slaat vliegen.
Hij slaat twee vliegen in één klap.

Twee voordelen ineens behalen.
96. Hij steekt zijn huis in brand om zich aan de kolen te warmen.
Als het huis brandt warmt men zich aan de kolen.
Hem is ’t evenveel wiens huis er brandt, als hij zich maar aan de kolen warmt.
Onverstandige zelfzucht, egoïsme.



97. Goede soldaten vrezen geen vuur. Een goede kracht schuwt het werk niet.
Wie met het gevaar vertrouwd is, wordt niet gemakkelijk bang.
98. Waar rook is, is ook vuur. Er is niets zonder oorzaak. Er schuilt ook wel wat waarheid in hetgeen verteld wordt.
99. Angst doet de oude rennen. De juiste maatregel doet iedereen bewegen.
100. Als de ene blinde de andere leidt, vallen zij beiden in de gracht. Als een onkundige een ander moet voorlichten, zullen beide er schade van ondervinden
101. Paardekeutels zijn geen vijgen. Zich niets laten wijsmaken.
102. Het blok slepen. Vrijen zonder succes.
103. Hij ziet de beren dansen. Hij heeft honger.
104. Hierom en daarom gaan de ganzen barrevoets. Dit is de reden.
105. Ben ik niet geroepen om ganzen te houden, laat het dan ganzekens wezen.
Kan ik geen ganzen hoeden, laat het dan gansjes zijn.
Men doet wat men kan.
106. Hij beschijt de galg. Aan de galg geraken. Door de galg aan zijn einde komen.
107. Een oog in ’t zeil houden. Op iets of iemand toezien, erover waken.
108. Voor de wind is het goed zeilen.
Men moet zeilen terwijl de wind waait.
Het leven is gemakkelijker als men welvarend is.
Men moet de gelegenheid waarnemen.
109. De reis is nog niet gedaan, al ziet men kerk en toren staan. Er moet nog werk verricht worden, ook al is het einde al in zicht. "Prijs de dag niet voor de avond valt."
110. Alles komt aan de zon.
(Alles komt aan het licht)
Alles, vooral wat verkeerd of slecht is, komt uit. De waarheid komt steeds aan het licht.

 

Ook wij zijn niet zeker dat alle verklaringen correct zijn. Lichte twijfel hebben we in het blauw gezet, zwaardere onzekerheid in het rood.

Wie ons wil helpen (liefst met verwijzing naar de bron), kan ons altijd via e-mail bereiken: Jos.Martens@village.uunet.be

 

[Terug naar Inhoud Bruegel]