DE EEUW VAN JOOS DE RIJCKE

1492, het jaar van Columbus

Voor de wereld een nieuw begin, voor Spanje het bloedig einde van een roemrijk tijdvak

 


 

1. DE SCHEEPSJONGENS VAN COLUMBUS

*Johan BALLEGEER, Een eiland zoeken, Averbode, Altiora, 1991, 199 blz.

*Wim DAEMS, De horizonjagers, Leuven, Davidsfonds, 1991, 271 blz.

Onvermijdelijk moest het Columbusjaar ook zijn sporen nalaten in de jeugdliteratuur. De scheepslijsten van de Grote Reis zijn slechts gedeeltelijk bewaard, wat voor een romanschrijver natuurlijk de ideale situatie is en hem de nodige marge bezorgt voor zijn fantasie als hij bijvoorbeeld de scheepsjongen van de Ontdekker ten tonele wil voeren.

Op 12 oktober 1492 zet Columbus voet aan wal op het eiland Guanahani, een van de Bahama's. Hij was, zoals iedereen nu wel voor een aantal jaren zal weten, op zoek naar een westelijke zeeroute naar IndiŽ. In maart 1493 arriveert hij terug in Spanje. Nauwelijks enkele maanden later drukt Dirk Martens in Aalst reeds de lange brief met zijn (verkort) reisverslag, dat hij onmiddellijk had gestuurd naar zijn geldschieter, de bekeerde jood en schatmeester van koning Ferdinand van Aragon, Luis de Santangel.

Rond deze twee gegevens heeft Johan Ballegeer een bijzonder intrigerend jeugdverhaal geschreven. Het verhaal verspringt voortdurend in tijd en locatie. Ballegeer gaat ervan uit dan Martens en Columbus elkaar reeds twintig jaar kenden, wat de snelle publikatie van het reisverslag verklaart. Zijn uitgangspunt is dat Columbus van joodse afkomst was - een hypothese die reeds in 1972 verdedigd werd door Simon Wiesenthal in zijn onlangs herdrukte Zeilen der hoop (zie verder) - en in opdracht van belangrijke joden op zoek ging naar een toevluchtsoord voor zijn vervolgde geloofsgenoten. In de loop van het verhaal maakt de lezer kennis met zowat de hele middeleeuwse ontdekkingsliteratuur, van Madoc en St.- Brandaan tot Marco Polo.

Slechts ťťn opmerking: Columbus' zoon Diego, vergezelde zijn vader niet op de eerste reis. Zijn onwettige zoon Fernando was er wel bij op de vierde reis!

regel.gif (4423 bytes)

Wim Daems is bijzonder sterk in sfeerschepping en weergave van gevoelens. Zijn verhaal begint wanneer de jonge Manuel en zijn oom - geneesheer in de eerste dagen van 1492 - getuige zijn van de inname van hun geboortestad Granada door de troepen van de Katholieke Koningen Ferdinand en Isabella. Manuels oom wordt naar het legerkamp geroepen om prinses Juana te verzorgen, de latere Johanna de Waanzinnige, die reeds vlagen van verstandsverbijstering vertoont. Hier ontmoeten zij een zekere CristÚbal ColÚn, die zegt dat hij al vijf jaar door de koningin aan het lijntje wordt gehouden. Manuel raakt smoorverliefd op de prinses. Als de druk op de Moren en 'Morenvrienden' toeneemt, zet zijn oom hem aan te vluchten.

Het vervolg laat zich raden: Manuel monstert aan voor de historische reis. Maar als ColÚn terugkeert naar Spanje, blijft hij achter. Dan kom je ook te weten waaraan het boek zijn titel dankt. Voor jongeren met leeservaring

 

2. COLUMBUS EN DE SPAANSE ENDL÷SUNG

*FUSON, R., Het scheepsdagboek van Christoffel Columbus, Bruna, Utrecht, 1991, 272 blz.

*DYSON, J. en P. CHRISTOFFER, Columbus, voor goud, God en glorie, Unieboek, Houten, 1991, 228 blz.

*THEUNISSEN, Ph. en L. CUMPS, De reis van de ontmoeting. Logboek van Christoffel Columbus ( 3 augustus - 15 maart 1493 ), Acco, Leuven, 1992, 283 blz.

*WIESENTHAL, S., Zeilen der hoop. De geheime missie van Christoffel Columbus, Becht, Haarlem, 1992, 3de druk, 232 blz.

*COHEN, J., De vier reizen van Columbus, Weert, M&P, 1991, 238 blz.

*GRANZOTTO, G., Christoffel Columbus: een biografie, Kwadraat, Utrecht, 1992, 375 blz

*FROHLICH, N., 1492 - De droom van Columbus, De Standaard, Antwerpen, 1992, 367 blz.

*KONING,H., Columbus: einde van een mythe, Antwerpen, EPO, 1992, 111 blz.

 

Het logboek: oorsprongkritiek

Van Columbus' scheepsdagboek verschenen in korte tijd tot nog toe zes versies in het Nederlands.

Geen kwaad resultaat voor een boek dat verloren is gegaan! Het verdween misschien wel opzettelijk, menen Theunissen en Cumps, omdat het voor die tijd ultrageheime informatie bevatte (p.69). Bij zijn thuiskomst overhandigde Columbus het oorspronkelijke logboek aan koningin Isabella, waarna zij hem een afschrift bezorgde. Lange fragmenten werden later door zijn onwettige zoon Fernando gebruikt in een levensbeschrijving van zijn vader. [Bartolomť de Las Casas], de 'apostel van de Indio's', kopieerde het journaal eveneens, waarbij hij sommige gedeelten samenvatte en andere vanuit zijn eigen achtergrondkennis van persoonlijke commentaar voorzag. En hier begint de discussie. Men weet niet wanneer Las Casas het afschrift maakte. Volgens Fuson kreeg hij het waarschijnlijk reeds omstreeks 1530 op Hispaniola in leen van Diego, Columbus' wettige zoon. Anderen zijn van mening dat hij het kopieerde na zijn definitieve terugkeer naar Spanje, eind 1547. Ook over de betrouwbaarheid van Las Casas' redactie lopen de meningen uiteen: Fuson noemt hem 'een man van een aan heiligheid grenzende eerlijkheid; hij was verslaafd aan nauwkeurigheid.'(p.25) Dyson trekt die betrouwbaarheid dan weer in twijfel. Las Casas was immers een vriend van de familie. Zijn vader en ooms hadden de admiraal vergezeld op zijn triomfantelijke tweede reis ( zie afzonderlijk artikel). Daarom zou de beroemde dominicaan de hele zaak wat bijgekleurd hebben ten voordele van Columbus, in het licht van de processen die zijn erfgenamen voerden tegen de Spaanse kroon.

Kluns of geleerde

Dit alles kan niet los gezien worden van alle andere polemieken rond de grote ontdekker. Wie was hij? Dat weten wij niet en zullen wij vermoedelijk nooit met zekerheid weten. Columbus zelf trok rond zijn persoon een mistgordijn op, van naam veranderend in elk land waar hij verbleef (in Spanje heette hij CristÚbal ColÚn). Hij zou van nederige Genuese afkomst geweest zijn. (Volgens Theunissen en Cumps is dat vermoedelijk de grond van zijn geheimdoenerij.) Maar hoe valt dat te rijmen met zijn degelijke opleiding, die niet alleen praktisch doch ook theoretisch op zeer hoog niveau stond: dat getuigen de resterende folianten uit zijn persoonlijke biblioteek, waarin zijn eigenhandige notities nog te lezen staan (en die klaarblijkelijk door alle hier voorgestelde auteurs zijn geraadpleegd ). Gianni Granzotto, in Christoffel Columbus: een biografie,( Italiaans: 1984 ) zoekt de oorzaak van 'de kolossale fouten' die Columbus in zijn berekeningen maakte, niet alleen bij de verschillende geografische hypotesen van zijn tijd, maar ook in het feit dat hij 'praktisch een autodidakt was, met veel lacunes in zijn kennis en een onvolledige basisontwikkeling. Het is typisch voor autodidakten om te volharden in hun fouten, om blindelings te vertrouwen op wat ze menen ontdekt te hebben' ( p.77 ) Op de praktisch bewezen aspecten van die Genuese achtergrond en op Columbus' biblioteek gaan Theunissen en Cumps gefundeerd in, alsmede op het taalgebruik in het logboek: dat vertoont veel Portugese en Italiaanse invloeden, zodat Las Casas gemakshalve vele passages gewoon omwerkte in de hij-vorm, daar waar de tekst hem te uitgesponnen leek.

Fuson noemt Columbus 'zonder twijfel de beste zeeman van zijn tijd, ja, misschien zou men hem zelfs wel de beste gegist-bestek-navigator kunnen noemen, die ooit heeft geleefd' (p. 48-49). En zijn journaal is volgens hem een korrekte weergave van de werkelijkheid en 'een getuigenis van zijn zeemanschap'. Cohen beschouwt hem als een uiterst middelmatig zeeman, die alleen maar een pak geluk heeft gehad, een slecht leider en iemand met geringe botanische kennis. Dit laatste is het enige waarover alle auteurs het eens zijn! Over zijn leiderschap zijn de meningen nogal verdeeld. Allen gaan akkoord dat het soms beslist beter kon. Maar de meesten geven toe dat de moeilijkheden veroorzaakt werden door de bemanning, die niet alleen in angst leefde voor de afschuwelijke monsters die in deze onbekende zeeŽn op de loer moesten liggen, maar hem beschouwde als een buitenlandse betweter. Toch benadrukken zij dan weer zijn charisma, als hij de mannen bezweert om verder te zeilen. Fuson bewondert zijn nauwkeurig waarnemingsvermogen en noemt hem een antropoloog, die geenszins moet onderdoen voor zijn moderne opvolgers , iets wat Theunissen en Cumps bijtreden. Zij hebben de sequenties over de (grondig uitgeroeide) Caribische Indianen geÔllustreerd met foto's van de Braziliaanse Kaiapo, die op hun relevantie zijn geselecteerd door de gerenommeerde Vlaamse antropoloog G. Verswijver. Luis Coin, en met hem John Dyson, is ervan overtuigd a) dat het grootste gedeelte van het journaal een bewuste vervalsing is, b) dat Columbus beschikte over een nauwkeurige kaart met de kusten van de Nieuwe Wereld. Columbus zou een veel zuidelijkere route hebben gevaren dan hij opgaf, omdat hij daardoor in Portugees gebied belandde en bij gevangenneming moest kunnen bewijzen dat hij niet moedwillig de overeengekomen demarcatielijn had overschreden. (p.153). Het verhaal van de kaart, die hij van een stervende (Portugese) zeeman zou hebben gekregen, dateert al van tijdens zijn leven en was een van de vele door nijd ingegeven (Spaanse) argumenten om zijn verdiensten afbreuk te doen. Het duikt voor het eerst op in de Historia general y natural de las Indias van Oviedo ( 1535).

Over de plaats waar Columbus voet aan wal zette in de Nieuwe Wereld, bestaat na 500 jaar al evenmin consensus, behalve dat het op een van de Bahama's moet geweest zijn. Tussen 1625 en 1987 zijn er negen verschillende eilanden naar voren geschoven als kandidaat voor zijn San Salvador. Fuson opteert voor de keuze van het gezaghebbende National Geographic : Samana Cay. Morison kiest voor het eiland dat ook heden nog San Salvador heet.

Columbus, een 'converso'?

Toch zijn deze discussies slechts klein bier, vergeleken met de controverse over de persoon van de admiraal. Fuson zegt dat het nu wel vast staat dat Columbus joods bloed had, hierin schoorvoetend bijgetreden door Cohen, wat dan weer kordaat wordt afgewezen door Dyson/Coin, die benadrukken dat de admiraal zich in alle omstandigheden gedroeg als een zeer vroom katholiek. En hier komt Simon Wiesenthal op de proppen. In zijn Zeilen der hoop  verdedigde de befaamde nazi-jager reeds in 1972 de stelling dat Columbus een converso  was, wat verklaart waarom hij zich gedroeg, 'katholieker dan de paus'. Conversos zijn onder dwang bekeerde joden, die, samen met de marranen  (schijnbaar bekeerden, letterlijk: varkens) door de Spanjaarden gediscrimineerd en gewantrouwd werden als 'schijnchristenen'. Hij wijst erop dat niet koningin Isabella - zoals de legende vertelt - doch Luis de Santangel, schatmeester van Aragon, een machtige en gefortuneerde converso, de expeditie financierde. Deze hoopte dat Columbus een nieuw Beloofde Land zou vinden, waar de joden aan de gruwelijke vervolging door de inquisitie zouden kunnen ontsnappen (een stelling die Johan Ballegeer als uitgangspunt nam voor zijn recent jeugdboek Een eiland zoeken). Van Santangel staat onomstootbaar vast dat hij jood was. Nog in 1491 ontkwam hij alleen aan de brandstapel door rechtstreekse tussenkomst van koning Ferdinand. Daarbij is het opvallend dat Columbus zijn bemanning (waaronder een aantal conversos) aan boord haalde voor middernacht van 2 augustus 1492. Op dat ogenblik werd immers het uitwijzingsbevel tegen alle sefardische joden van kracht. Dit aspect raken Theunissen en Cumps nauwelijks aan. Jammer. Voor andere twistpunten diepen zij uit diverse bronnen in origineel de stemmen van tijdgenoten op.

Gedurende eeuwen was 'Al Andalus', het Moorse Spanje, het 'land van de drie godsdiensten' geweest, waarin christenen en joden door de islam met verdraagzaamheid werden bejegend, als 'de volkeren van het Boek'. In Sevilla ligt het graf van koning Ferdinand III, die in 1248 Sevilla veroverde op de Moren. Op zijn tombe staan inscripties in de vier talen van Spanje: Latijn, Spaans, Arabisch en Hebreeuws. Want Ferdinand beschouwde zich als 'de vorst van de drie godsdiensten'. Alfonso X van CastiliŽ stichtte in 1254 de universiteit van Salamanca. Alfonso verzamelde aan zijn hof joodse geleerden, Arabische vertalers en Franse troubadours. Hij liet de heilige geschriften van joden en islam vertalen. Niet voor niets ging hij de geschiedenis in als 'de Wijze'.

Hier ontbreekt de ruimte om op Wiesenthals uitvoerige argumentatie in te gaan. De belangrijke verdienste van zijn boek is, dat hij een tijd evoceert, die in meer dan een opzicht reminiscenties oproept aan de naziperiode. Een tijd, waarin de inquisitie zo brutaal te keer ging, dat de paus de grootinquisiteur in de ban sloeg, zonder dat dit diens 'brandende' geloofsijver kon blussen. Een tijd waarin met grof cynisme in naam van het geloof onnoemelijk veel leed werd berokkend aan duizenden mensen, omdat de vorsten geld nodig hadden voor hun oorlog tegen Granada. In zijn degelijke en stilistisch zeer literaire Biografie wuift Granzotto Wiesenthals hypotese ( die afkomstig was van Salvador de Madariaga, Kolumbus, Bern, 1966) over de herkomst van de explorator luchtig weg. Krasser, je krijgt de indruk dat hij van de weeromstuit alle toespelingen op joden en inquisitie zoveel mogelijk vermijdt. Wat hem regelmatig onverklaarbare hiaten oplevert in diens levensloop.

Newton Frohlich, in 1492 - De droom van Columbus, kiest voor zijn op jarenlange opzoekingen gebaseerde roman over de ontdekker en zijn tijd - hij eindigt met het vertrek uit Palos op 3 augustus - resoluut voor de andere aanpak. Hij maakt van Columbus' geliefde Beatriz de Harana een conversa. Zij werd de moeder van zijn onwettige zoon Fernando. Het door hem afgedrukte memorandum uit 1490 van grootinquisiteur Torquemada (zelf een converso!) aan Isabella over de EndlŲsung, de verbanning van alle Spaanse joden is dan weer geen fictie, doch een reŽel historisch document! 1492 betekende niet alleen de ontdekking van de Nieuwe Wereld, maar voor Spanje tevens het einde van een eeuwenoude waarlijk multi-culturele en multi-religieuze samenleving, die in het verleden zo bevruchtend op het land en op heel Europa had ingewerkt.

regel.gif (4423 bytes)

Columbus, en de genocide van de Taino

Met Columbus. Einde van een mythe  wilde de in het Engels schrijvende Nederlandse auteur Hans Koning reeds in 1976 komaf maken met de heiligenverering rond de ontdekkingsreiziger, zoals die vooral tot uiting kwam in de schoolboeken. Ter gelegenheid van het herdenkingsjaar is ook dit boekje (opnieuw ?) uitgegeven. Koning ziet Columbus als de man die uit goudzucht het moordende Spaanse uitbuitingssysteem introduceerde tijdens zijn tweede reis. Inderdaad, de verslagen van de explorator en zijn medereizigers wemelen misselijkmakend van "goud, goud , goud", dat door de inheemse bevolking als dwangarbeid moest ingeleverd worden. Wie onvoldoende inbracht, "werd ter plekke onthand" (p. 77). Dat Columbus zelf dit beval, vind ik nergens terug. Noch Cohen (De vier reizen), noch Bartolomť de las Casas vermelden dit. Columbus spreekt inderdaad van 'bestraffen' van de nalatigen zonder details. De illustraties van De Bry uit Las Casas, waaraan Koning refereert en die hij ook opneemt, horen bij berichten van latere Spaanse wreedheden op Hispaniola. Dat Columbus verantwoordelijk was voor het einde van het idyllische paradijs, dat hij op zijn eerste reis aantrof, staat echter buiten kijf. Bij zijn verschijnen zorgde dit boekje voor flink wat ophef. Ook nu blijft het een zeer geŽngageerd en leesbaar verslag.

In de Dominicaanse Republiek maakte Ottho Kikkert kennis met resten van de Taino-cultuur, afkomstig uit sluikopgravingen. De Taino waren de naakte, vriendelijke natuurmensen, die Columbus in zijn scheepsjournaal beschrijft wanneer hij voet aan wal zet op Guanahani, dat hij omdoopte tot San Salvador. Kikkert las het journaal en de reisverslagen van de eerste conquistadores na op alles wat zij over deze Taino meldden. Dit levert het schrijnende relaas op over de mensonwaardige manier waarop zij behandeld werden. Verdienstelijk is zijn samenhangend verslag van de gebruiken, de voeding, het religieuze systeem en de sociale organisatie van de Taino, waarvoor hij natuurlijk een beroep kan doen op de verworvenheden van de archeologie. Observaties van Columbus kan hij zo duiden. Bijvoorbeeld wat de ontdekker schrijft over het balspel wijst op invloeden van het Mexicaanse vasteland, die groter waren dan men tot nog toe aannam. Net als Hans Koning tekent hij de in onze ogen onbegrijpelijke psychologie van de Spanjaarden: hun onvoorstelbare arrogantie, hun absolute afkeer van elke vorm van handenarbeid, en hun onvermogen de 'andere' als volwaardig mens te zien.

Jos Martens

[Terug naar overzicht: De eeuw van Joos]

[Terug naar artikel: Nicolaas Cleynaerts]