DE EEUW VAN JOOS DE RIJCKE

Ziekte, sterven en dood

Bezeten door de doodsgedachte

Sedert de verschrikkingen van de Zwarte Dood in het midden van de veertiende eeuw, was er nauwelijks een jaar geweest zonder dat een of andere streek van Europa geteisterd werd door hongersnood, besmettelijke ziekten en oorlogen. Algemeen heerste de overtuiging dat de Zwarte Dood een straf was voor de [Babylonische Gevangenschap] en dat sindsdien niemand meer in de hemel was toegelaten. Het herstel van Rome als zetel van Petrus (na 1415) en het einde van de Honderdjarige Oorlog in 1453 brachten hoop op beterschap. In onze streken betekende de Bourgondische periode een Gouden Tijd: economische heropleving, welvaart, aangroei van de bevolking en betrekkelijke vrede. Maar het onheil lag steeds op de loer. In datzelfde jaar 1453 veroverden de Turken Constantinopel, de laatste jaren van Karel de Stoute werden vertroebeld door onophoudelijke oorlogen. In 1477 sneuvelde de hertog en een deel van zijn leger bij Nancy. Nauwelijks vijf jaar later stierf zijn geliefde dochter Maria na een val van haar paard en herbegonnen de Franse invallen, opstanden van de steden en nieuwe strijd onder Maximiliaan van Oostenrijk.

dood1.JPG (18206 bytes)


De mensen die ca. 1500 leefden hadden veel rampen gezien en verwachtten nog erger: het einde van de wereld, de komst van de antichrist, de appocalyps... Daar kon geen Heilig Jaar 1500 wat aan veranderen, zeker niet met een paus als Alexander VI Borgia (1492 - 1503) op de troon van Petrus. En tijdens het leven van Joos de Rijcke zouden de pessimisten hun ergste verwachtingen keer op keer werkelijkheid zien worden.

Zo is de dood een der grote thema's geworden in de beeldende kunsten van het [herfsttij der Middeleeuwen]. Drie motieven leverden de melodie voor die nooit volzongen klacht over het einde van alle aardse heerlijkheid. Daar was vooreerst het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vervulden met hun heerlijkheid?

dodendans_abt.JPG (13209 bytes)

 

Tenslotte het motief van de dodendans: de dood die de mensen met zich meesleurt uit elke bezigheid, uit elke sociale stand, uit elke leeftijd; de dood die niets of niemand spaart. De dodendans is een van de merkwaardigste uitingen van de morbide belangstelling die men voor de dood koesterde. Houtsneden en [blokboeken] verspreidden de hele vijftiende en zestiende eeuw macabere voorstellingen met zegevierende skeletten en de dood die "den trommele slaat".

dodendans_boer.JPG (12817 bytes)

Hans Holbein

Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing der verrotting van al wat eenmaal menselijke schoonheid was.   Bruegel heeft het thema meesterlijk uitgebeeld in zijn [Triomf van de dood], maar bijna anderhalve eeuw vroeger vinden wij het reeds in de [Très Riches Heures du Duc de Berry] (Deze link opent een site daarover in een nieuw venster).

St.-Jozef werd de patroon van 'de goede dood'. Stichtende boeken over "De kunst om goed te sterven" (Ars Moriendi) waren echte bestsellers. Ze werden op grote schaal uitgegeven als geïllustreerde blokboeken. De ziel werd hierin beschouwd als de inzet van een strijd tussen goed en kwaad. het strijdperk was het ziekbed, waar de engelbewaarder en de duivel het tegen mekaar uitvochten. Men meende dat de toestand van de ziel op het ogenblik van het sterven, beslissend was voor het leven in het hiernamaals.

dood2.JPG (55239 bytes)

Blokboek met voorstelling van de goede dood: een engelbewaarder voert de ziel van de overledene ten hemel in de vorm van een menselijke figuur. De duivels verbijten zich van woede.

Niet alleen door prenten, maar ook door preken en door de voorstelling van het Laatste Oordeel zette de Kerk de gelovigen aan goed te leven. Beeldhouwwerken met het Laatste Oordeel prijkten reeds sinds de Romaanse periode op de timpanen van de kerken. Deze traditie kende nu een roemrijke voortzetting door grote, geschilderde panelen, zoals die van Dirk Bouts, Rogier van der Weyden (in het Maison-Dieu te Beaune), of Memling (Het Laatste Oordeel van Gdansk, in Brugge geschilderd, 1467 - 1471). Net als hun gebeeldhouwde voorgangers muntten ze uit in de zeer aanschouwelijk voorstelling van verschrikkelijke duivels, die de verdoemden in de hel de gruwelijkste martelingen laten ondergaan.

Mensen poogden de dood te bezweren door allerhande 'magische' praktijken. Zo was het geloof wijd verspreid dat je niet zou sterven op de dag dat je het opheffen van de hostie tijdens de consecratie in de mis had aanschouwd. Het testament, de geschreven laatste wil, werd zeer belangrijk. Men liet tijdens zijn leven een begraafplaats aanleggen, bij voorkeur een familiekelder, om zeker te zijn van een laatste rustplaats, liefst omringd door de geliefden uit het aardse bestaan. In het testament liet men dat graf verzekeren voor eeuwen, zodat het niet na enkele tientallen jaren zou opgeruimd worden. In het testament werd tevens geld vastgelegd voor missen, de jaargetijden. De armste priesters voorzagen in hun levensonderhoud door het lezen van deze jaargetijden.

Een aparte vermelding verdienen de praalgraven. Dit van de Bourgondische hertog door Claus Sluter vond veel navolging. Dit soort tomben had men reeds eeuwen gekend. De machtigen der aarde lieten zich in al hun heerlijkheid afbeelden, alsof ze zo de dood konden trotseren. Doch in deze zelfde tijd doet een nieuw mode opgang: in plaats van de overledene in prachtige gewaden, komt nu de voorstelling van zijn rottend en ontbindend kadaver, wriemelend van de wormen.

Een belangrijke middeleeuwse begraafplaats in Leuven was eeuwenlang de ruimte rond de Sint-Pieterskerk. Alleen mensen die belangrijk of van hogere stand waren, werden in de kerk zelf begraven.
Daarentegen de dodenwereld strikt gescheiden werd van de wereld van de levenden, was een middeleeuws kerkhof zeker geen lege ruimte, want op deze plaats werden, hoe eigenaardig het ook mag klinken, regelmatig markten, kermissen en dansfeesten georganiseerd.
Toen het plein tussen de kerk en het stadhuis in Leuven heraangelegd werd ,werd er een dwarse archeologische proefsleuf gemaakt. In deze sleuf heeft men in het totaal een vijftigtal lijken blootgelegd. Die dateerden van de elfde tot de veertiende eeuw. Opvallend bij deze opgravingen was dat ze allemaal dezelfde oriëntatie hadden. Namelijk het hoofd was naar het Oosten gericht en de voeten naar het Westen. Dit had een symbolische betekenis: namelijk de geboorte in het Oosten (het opkomen van de zon) en de dood in het Westen (ondergaan van de zon).

Twee van deze lijkjes konden we ondermeer bezichtigen in de tentoonstelling 'Leven te Leuven in de Late Middeleeuwen'. Wat opvallend was bij één van de twee stoffelijke overschotten dat het gebit nog zo goed bewaard was gebleven.
Wat we ook in het museum zagen, was een middeleeuwse doodskist of tenminste wat ervan overbleef. Deze doodskist zag er redelijk eenvoudig uit en was gemaakt van hout. Boven deze doodskist hing er een groot schilderij waarop we een begrafenisprocessie in de Sint-Jacobsparochie te Leuven zagen.

Op de [Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren] is (april 2005) een volledige "ars moriendi", een sterfboek uit 1500 gepubliceerd. De volledige titel luidt: "Een scone leeringe om salich te sterven". De incunabel, gedrukt in 1500, bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. 


[Terug naar Inhoud: Ziekte, sterven en dood]