De eeuw van Joos

Handel

 

Maarten De Smet, Jeroen Huyck, Silvie Van De Voorde, Philip Van Weyenberg - 4eW


 

Inhoud

[Terug naar: De eeuw van Joos]

 


 

Inleiding

Vanaf de 11de eeuw kwamen er belangrijke ontwikkelingen in de economie op gang. Sommige steden werden welvarend dankzij de ontwikkeling van gespecialiseerde industrieŽn. Een goed voorbeeld hiervan is de wolindustrie in Vlaanderen. Italiaanse steden, zoals VenetiŽ en Genua, waren centra van de internationale handel. Een van de beroemdste Venetiaanse kooplieden was [Marco Polo], die in het oosten reisde. Er waren ook steden die hun welvaart aan de godsdiensten te danken hadden. Een stad met de graftombe van een beroemde heilige trok vaak veel pelgrims aan.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Ontstaan van de handel

Tussen de 11de en de 13de eeuw was er een enorme bevolkingsaangroei. het lossen van de wolbalenHierdoor kon men met alleen landbouw niet alle mondjes vullen. De mensen gingen op zoek naar andere mogelijkheden. Ze begonnen goederen verhandelen. Ze kozen als markt-, laad- en stapelplaats plekjes die geografisch gezien heel gunstig waren gelegen. Zo letten ze onder meer op de aanwezigheid van waterbronnen, natuurlijke havens, maar ook op de veiligheid. Er was dus meestal ook een burcht of abdij in de buurt. De handelaars lokten handwerkers met zich mee, want ze hadden toch mensen nodig die hen van goederen, voertuigen, eten en dergelijke konden voorzien, maar ook mensen die hielpen met het stapelen van goederen. Er ontstonden dus echte handelsstichtingen die uitgroeiden tot marktcentra.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Productie

Er werden handelsgoederen verkocht op de talrijke pleinen en markten van de stad of in overdekte verkoopshuizen of hallen. Ook verkochten de ambachtslieden hun koopwaar in de kleine winkeltjes onder hun huizen. Bij de ambachtslieden gebeurde de productie en de verkoop van de goederen in dezelfde ruimte. Dit had toch enkele voordelen, want er bestond nog geen elektriciteit en kaarsen waren zeer duur.

Enkele beroepen: kruidenier (apotheker), bontbewerker, slager, hoedenmaker en smid. Meestal verkocht de handelaar zijn goederen niet zelf, soms werkten er handwerkers in loondienst voor een meerster-ambachtsman of een handelaar die de afgewerkte producten verkocht. Dit gebeurde zeker in de lakenhandel. In de lakenhalle werden die afgewerkte lakens opgeslagen en verkocht. De productie gebeurde daar niet. Controle werd gemakkelijk omdat de verkoop op de plaats gebeurde. Er was veel verschil in kleding en de woningen van de armen en de rijken.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Handel: Waar? Wat? Hoe?

balen wolIn de Middeleeuwen dreef men handel op lange afstand dankzij de ontwikkeling van de landwegen. Ook de handel over waterwegen bloeide op. Door de handel over waterwegen en zeeŽn ontdekte men nieuwe werelddelen. Zo werd de handel nog meer vergroot. Men kon spreken van een echte wereldhandel. Rond de 16de eeuw was Antwerpen een echte wereldstad. Er werden producten in- en uitgevoerd Zo vond je er onder meer: laken, wijn, zout, zijde, fluweel, specerijen, edelstenen, juwelen, wol, suiker, zuidvruchten, ijzer, leder, hout, graan, metalen, textiel enz. Je ziet in de handelssteden kon je ver alles krijgen. Daarom was er ook altijd een drukke bedrijvigheid. De steden trokken dus heel veel verschillende mensen. Er waren dus heel veel verschillende beroepen. Mensen die een beroep uitoefende vestigden zich in dezelfde straat. Zo komt het dat je nu nog straten vindt zoals: Leerlooierslaan, Bakkersstraat enz.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Internationale centra

De steden van ItaliŽ en Vlaanderen behoorden tot de beroemdste middeleeuwse steden. Ze liepen voorop op het gebied van handel en zaken. In ItaliŽ werden het bankwezen en boekhoudsystemen ontwikkeld om het handeldrijven voor de kooplui te vereenvoudigen. De Florentijnse banken Bardi en Peruzzi waren wijd en zijd bekend.

De kooplui van een paar Duitse steden sloten een handelsverbond. Samen kochten en verkochten ze vis, hout, teer, graan en andere producten vanuit het gebied rond de Oostzee naar landen dan Vlaanderen en Engeland. Steden als deze stonden bekend om hun macht en rijkdom.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Koopmansgilden

Handelaars van dezelfde stad verenigden zich in een koopmansgilde. De gilden hadden heel veel macht. Ze hadden eigen statuten, eigen bestuur en rechtspraak. De statuten zorgden voor een vlot verloop van de handelsactiviteiten tussen hun leden en hun mogelijke klanten. Op de tochten van de gildenbroeders waren de karavanen sterk gewapend. Sommige gilden controleerden de handel met bepaalde buitenlandse gebieden en eisten, zowel van niet-leden als van gildenbroeders, een recht om er handel te drijven. Die gilden vervingen dus de functie van een hanze.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Hanzen

Om de handel in bepaalde buitenlandse gebieden te vergemakkelijken sloten handelaars zich aan bij hanzen. Om in de hanzen te mogen toetreden moest men een hoge entreegeld betalen. In Vlaanderen en aangrenzende gebieden waren hanzen oorspronkelijk private verenigingen van groothandelaars van dezelfde stad, die later onder voogdij kwamen te staan van een zelfde stad. LoopkraanIn de 13de eeuw waren er drie belangrijke hanzen: ‘De Vlaamse Hanzen van Londen’ die bestonden uit Vlaamse stedelijke hanzen die bevoegd waren voor handel op Engeland en Schotland; ‘De Hanzen der XVII steden’ groepering van in vloedrijke kooplieden van een aantal steden die uitgroeide tot een vereniging van 17 steden in Vlaanderen en Noord-Frankrijk (later kwamen er nog 8 bij), zij dreven handel met Champagne in ItaliŽ en hielden zich ook bezig met de export van de lakennijverheid; ‘De Duitse Hanzen’ bestaande uit kooplieden uit Noord-Duitse steden die handel dreven met elders gevestigde kooplieden daarbij geholpen door het bestaan van verschillende politieke bonden van Duitse steden. Het doel van deze hanzen was haar kooplieden in het buitenland en andere steden te beschermen en haar handelsactiviteiten uit te breiden.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Handwerkers verenigden zich

De handwerkers waren eveneens gegroepeerd, zowel zij die een zelfstandig beroep uitoefenden als diegenen die in loondienst waren bij de kooplui. Hun gilden noemt men ambachten. Ook zij hadden eigenbelang op het oog. De belangrijkste doelstelling was de regeling van de arbeid en de productie. En heel gedetailleerd reglement omschreef nauwkeurig ieder onderdeel van het productieproces. Zo kon het product van de allerbest kwaliteit zijn. Op die manier was men zeker van een grote afzet en dus van werkgelegenheid. Een nadeel was natuurlijk dat niemand het eens op een andere manier mocht proberen. Een tweede belangrijke doelstelling van de ambachten was het werk onder de leden zo eerlijk mogelijk te verdelen. Meestal hadden de ambachten ook een liefdadig doel. In hun schoot ontstonden broederschappen. Met de bijdragen van de leden werden werklozen, zieken, weduwen en wezen gesteund. De leden genoten dus een eenvoudige vorm van wat wij nu sociale zekerheid noemen. Wanneer een lid van een broederschap overleed, zorgden de andere voor de begrafenis.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Lakennijverheid

De lakennijverheid was lange tijd de belangrijkste exportindustrie. In Vlaanderen en ItaliŽ bereikte ze een enorme bloei in de 13de en 14de eeuw, maar er waren ook talrijke centra voor de plaatselijke handel. In gilden verenigde kooplui leverden de grondstof, de wol. In Vlaanderen kocht men die bij voorkeur aan in Engeland omdat de Engelse schapenrassen een bijzonder glanzende wol met lange vezels leverden. Typisch voor deze industrie was de ver doorgevoerde werkverdeling. ( zie: mode en klederdracht) Gedurende de hele bewerking bleef de wol of het laken eigendom van de koopman-ondernemer. Hij gaf het product voor een bepaalde bewerking uit aan een gespecialiseerde handwerker die hij na verrichte arbeid per stuk betaalde. Daarna werd het aan een andere vakman uitgegeven voor de volgende stap in de afwerking. Vaak gingen de kooplui zich te buiten aan misbruiken t.o.v. de handwerkers. Zij bedrogen hem i.v.m. de geleverde hoeveelheid grondstof, betaalden het afgesproken loon niet of betaalden niet met geld maar in natura, bijvoorbeeld koopwaren die ze zeer duur aanrekenden. Pas toen de handwerkers zich verenigden in zelfstandige beroepsverenigingen of ambachten, konden ze krachtiger reageren tegen deze vormen van uitbuiting.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

De ordening van het economische leven

De belangrijkste organisatievorm van de middeleeuwse verre handel waren de jaarmarkten. De middeleeuwse jaarmarkten hadden een grote omzet in geld en een groot assortiment in waren. Engelse jaarmarkten zorgden voor de afzet van Engelse wol en laken naar het Europees vasteland en voor de bevoorrading van Engeland met producten uit West-Europa en het Oosten. Deze jaarmarkten werden bezocht door Fransen, Nederlanders en Noord-Duitsers. In Champagne ontstond doordat er zes jaarmarkten van meerdere weken werden gehouden een bijna onafgebroken markt, waarop de goederen uit het Middellandse-Zeegebied, meerbepaald uit het Oosten, tegen die van Noordwest-Europa werden uitgewisseld. De verkoop had plaats volgens een bepaalde volgorde van de waren; textielmarkt, leder- en pelsmarkt, markt voor waren bij het gewicht te verkopen, vooral specerijen en ten slotte regeling van zakelijke transacties. De betaling gebeurde in baar geld, of werd uitgesteld tot een volgende jaarmarkt; of met wissels of een 'lettre de foire'. Dat is een erkenning van de verplichting tot betalen ten overstaan van de schepenen van de stad. In dat geval maakte de schrijver op ,,n formulier twee verklaringen op, daartussen schreef hij in hoofdletters een spreuk en sneed de stukken van elkaar: ,,n kreeg de schuldeiser, het andere stuk van het schriftuur bewaarde de schepenen. De samenvoeging bewees de echtheid van de schuldbrief. Het stadsarchief van Ieperen bewaarde meer dan 7000 van zulke 'lettres de foire', die in 1914 verbrand werden. Door het verkopen van de waren werden de jaarmarkten echte afrekenings- en betaalplaatsen en daardoor ontstond ook voor het eerst een regelrechte internationale geldhandel, die voornamelijk door Italianen werd gedreven. De oudste specialisering van de middeleeuwse koopman werd niet bepaald door zijn handelswaren, maar door de plaats van bestemming. De kooplieden met hetzelfde reisdoel sloten zich aaneen tot een hanzen. Het woord 'hanzen', dat oorspronkelijk een schaar, groep, verband van personen betekende, werd in de middeleeuwen de benaming van reisgezelschappen van kooplieden. Als hanzen betitelde men echter ook de bijdrage die men aan of voor zo een koopliedengemeenschap betaalde. De hanzen van Gent stamde uit de 12de eeuw. Ook uit de 12de eeuw was de hanzen van Sint Omaars, die de handel naar de Britse eilanden en Frankrijk ten zuiden van de Somme trachtte te monopoliseren. Een groter aantal steden waren in de Vlaamse hanzen in Londen opgenomen. Kooplieden uit Vlaanderen, Artois, Ponthieu, Vermandois, Champagne en Neder-Lotharingen hadden zich speciaal met de bedoeling gezamelijk de jaarmarkten in Champagne te bezoeken, aaneengesloten tot de 'Hanzen der 17 steden'. In werkelijkheid was het aantal groter. Met het verval van de jaarmarkten verloor deze hanzenn ook haar commerciŽle betekenis. In Londen bestonden er naast de Vlaamse hanzen ook de hanzen van Duitse kooplieden.

Zoals jaarmarkten en handelsgenootschappen organisatievormen van de middeleeuwse handel waren, waren de gilden de organisatievorm van de nijverheid. De middeleeuwse ambachtsman werkte vaak niet voor een klantenkring, doch met eigen grondstoffen voor de vrije markt. Hij opereerde zelfstandig en niet als loontrekker en was zijn eigen koopman. De ambachten werden in grotere mate onderverdeeld. Ieder beroep had het monopolie op de vervaardiging van een product. Dat was de oorzaak van de voortreffelijke kwaliteit van het middeleeuws handwerk. De nijverheidsbedrijven waren klein. Om hen klein te houden werd het aantal productiemiddelen (zoals weefgetouwen en ovens) en arbeiders (gezellen en leerlingen) vaak uitdrukkelijk beperkt. Bij de textiel- en metaalverwerkende bedrijven ging men pas in de late middeleeuwen over tot concentratie onder leiding van rijke gildenmeesters en kooplieden.

In het kader van de hanze onderscheiden wij de sendeve, de handel in commissie en de vera societas, vrije selschop of contrapositio, respectievelijk wedderlegginge. Bij de contrapositio waren er verschillende mogelijkheden: de ene koopman zorgde voor het geld, de andere voerde de onderneming uit. Winst of verlies werden gelijkelijk gedeeld, soms werd het verlies alleen door de geldschieter gedragen. Het was een goede gelegenheid voor jonge mensen om in zaken te gaan. Dan was er de tweede mogelijkheid, dat was de meest gebruikelijke. Alle betrokkenen brachten geld in, ,,n of twee belastten zich met de uitvoering van de onderneming en de winst werd naar verhouding van de inbreng gedeeld. Bij de derde mogelijkheid, de vulle mascoppei brachten de deelnemers hun hele of althans een groot gedeelte van hun vermogen in. Dat kwam vooral voor bij gemeenschappelijke erfenis van broers. Iedere hanzekoopman was reeds vanwege de risicospreiding lid van vele van zulke genootschappen. De grote, voor onbepaalde tijd opgerichte firma met een eigen gebouw en een net van filialen was kenmerkend voor Zuid-Duitsland. Iets dergelijks als het huis Diesbach-Watt en de Grosse Ravensburger Gesellschaft bestond in het hanzegebied nauwelijks. Pas in de 16de eeuw was het huis Loitz in Stettin met de Zuidduitse firma's te vergelijken. De hanze bemoeide zich ook door algemene voorschriften met deze ondernemingen. Het kantoor in Brugge gebood ca. 1350 om een venootschap, die een hanzekoopman had aangegaan met iemand die van de hanze uitgesloten was, binnen een jaar en een dag op te heffen en verbood vennootschap en wedderlegginge met Vlamingen. De stad Keulen verbood haar burgers op straf van opsluiting in een toren het stichten van handelsfirma's met vreemden in de wijnhandel en spande zich in om de tussenhandel aan haar burgers te verzekeren, dus de handel tussen gast en gast te verbieden. Dat stond Brugge wel toe. Keulen breidde daarom zijn jaarmarkten niet verder uit, doch verwierf een stapelrecht met sanctie, dat in 1259 door de aartsbisschop werd bevestigd: alle vreemde kooplieden die Keulen passeerden, moesten hun waren eerst in Keulen aanbieden. Aangezien de Rijnschepen uit de zuidelijke streken in Keulen moesten worden omgeladen op die voor de noordelijke, met een andere scheepsinhoud, had het stapelrecht een natuurlijke grondslag.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Handelsactiviteiten vroeger en nu

In een middeleeuwse stad kwamen koper en verkoper op verschillende plaatsen samen. De handelsactiviteiten vonden meestal plaats op de talrijke pleinen en markten van de stad of in de overdekte verkoophuizen of hallen. Verder waren er heel veel ambachtslieden die hun koopwaren verkochten in de kleine winkeltjes onder hun huizen. In de middeleeuwen gebeurde daar de productie en verkoop in ťťnzelfde ruimte. Het atelier bevond zich dus tevens in de kleine winkelruimte. Hierdoor kon er heel gemakkelijk controle worden uitgevoerd op de kwaliteit van de waren. Met als gevolg dat de kwaliteit heel hoog lag. Degene die de producten produceerden, brachten ze evenwel niet altijd zelf aan de man. Zo kon het zijn dat de handwerkers in loondienst werkten voor een meester-ambachtsman of een handelaar. Deze laatsten zorgden dan voor de verkoop van de vervaardigde goederen.

Ook nu kan je nog steeds inkopen doen op de markten en in winkelstraten. De handelaars vestigen zich dan ook aan de drukste en meest bezochte plaatsen en straten waar ze hun koopwaar in mooie etalages te pronken leggen. Door reclame en het mooi aankleden van de producten maar ook door de lage prijzen (concurrentie) proberen ze cliŽnteel te winnen. (Dit soort concurrentie was in de middeleeuwen onmogelijk wegens de strenge reglementen en controles.) Hoe men de dag van vandaag de handelsgoederen vervaardigt, wordt evenwel onttrokken aan het oog. Dit komt zo doordat de productie en verkoop van de goederen al lang niet meer op dezelfde plaats gebeurt. Meestal gebeurt de productie zelfs in het buitenland. De kwaliteitscontroles worden nu uitgevoerd door de interne regelgeving en de overheidscontrole.

Je ziet het, de handel in de Middeleeuwen en nu komen in de grote lijnen overeen. Onze handel is nu wel veel uitgebreider dan in de middeleeuwen, maar zonder de handel in de middeleeuwen waren we zeker niet zo ver geraakt.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Markten

Marktdagen: vroeger - nu

Aalst: zaterdagmorgen - zaterdagmorgen

Baasrode: woensdagmiddag - woensdagmiddag

Buggenhout: donderdagmorgen - donderdagmorgen

Dendermonde: maandagmorgen - maandagmorgen

Lebbeke: zaterdagmorgen - zaterdagmorgen

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

Uit het leven van een middeleeuwse familie

Op een dag in het jaar 1595 horen we boven het straatlawaai door: "Sorry jongens, maar vandaag is het droog brood, ik heb geen vlees kunnen bemachtigden. Morgen hebben we misschien meer geluk."

"Maar mama", sputtert klein Pietje tegen, "sinds dat papa gestorven is aan de pest, krijgen wij nooit een stukje vlees te eten."

"Je zal eten wat de pot schaft! Als het je niet aanstaat ga je maar ergens anders te eten zoeken, dan heb ik te minste een mond minder te voeden", vliegt moeder uit.

Pietje zijn ogen vullen zich met tranen. Elsje, zijn 1 jaar oudere zus, probeert hem te troosten. Moeder staat op en gaat naar de enige andere kamer. Iedereen is stil geworden aan tafel. Plots horen ze moeder huilen. Hans, de oudste, staat op om zijn moeder te troosten. De kleintjes horen Hans iets murmelen, waarop moeder met haar hoge stem radeloos antwoord: "Ik weet echt niet meer wat te beginnen, we hebben amper geld om brood te kopen. De kleintjes worden met de dag magerder en doen niets anders dan klagen. Liesje is de laatste tijd heel stil en ziet er ziek uit, maar ik heb geen geld om de dokter te betalen. En tot slot is er nog de kleine die niets anders doet dan huilen.

Plots zet Wartje zijn keel open, alsof hij gehoord had wat moeder zonet gezegd had. Moeder zuchtte en dacht: "Was Hans nu al maar meester-timmerman, maar ja het duurt nog wel een tijdje voor zijn meesterwerk af is. Hoe lang was hij er nu al aan bezig? 18 maanden? Ja, zo lang moet het ongeveer zijn. Hopelijk heeft hij niet voor niets gezwoegd. Het hysterische gekrijs van de baby onderbreekt haar gedachten. Ze haalt de baby van de haak waar hij altijd in doeken gewikkeld hangt, ver weg van de muizen, ratten en ander ongedierte.

Later op de avond geeft ze de kinderen nog een glas bier en samen gaan ze slapen. De volgende morgen stond Hans al heel vroeg in zijn atelier te zwoegen. Zijn meesterwerk was bijna af. Het was een mooie kast met ontelbaar veel schuifjes die heel mooi versierd waren met ingewikkelde figuurtjes. Een kast kwam je nog niet vaak tegen. Hij hoopte hiermee de gildenoversten te overtuigen dat hij een perfecte meester-timmerman zou zijn. Plots hoorde hij de klokken van het belford luiden. Hij vluchtte naar buiten, om te kijken wat er aan de hand was. Buitengekomen werd hij bevangen door een roetzwarte rook: zijn ogen prikten. Met tranen in de ogen liep hij op de brandende huizen af. Het vuur was nog geen halve straat van zijn atelier verwijderd. De mensen vormden lange rijen en gaven kommen water door, maar er was te weinig water en het vuur naderde snel zijn werkplaats. Hopeloos keek hij toe. Plots kreeg hij een klap op zijn hoofd van een neerstortende balk. Alles werd zwart. Hij voelde zelfs niet meer hoe het plots begon te regenen en zo zijn meesterwerk gered werd. Pas toen hij weer bijkwam, vernam hij het goede nieuws.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

regel.gif (4423 bytes)

ONZE BRONNEN:

MARTENS, J. & STEENSSEN, J. (1991). Fundamenten: De agrarische- stedelijke middeleeuwen. Leuven: Wolters, p. 13.

MARTENS, J. (1991). p. 14-16.

Ulens, J. & Neutelaers. (1992). Fundamenten: De nieuwe tijd. Leuven: Wolters, p. 98-103.

Ulens, J. (1992). p. 136-143.

"Marco Polo", ģ Encartaģ 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. © 1993-1997 Microsoft Corporation/ Elsevier. Alle rechten voorbehouden.

HOWARTH, S. (1993). De middeleeuwen. Amsterdam, De Lantaarn, p.36-37.

[Terug naar overzicht: Inhoud]

 

regel.gif (4423 bytes)

UITLEG

Marco Polo werd geboren in 1254 in het plaatsje VenetiŽ in ItaliŽ. Hij was een koopman en ontdekkingsreiziger. Marco PoloHij was de eerste Europeaan die het Verre Oosten beschreef en doorkruiste. Zijn vader, Niccolo Polo, een handelsman had ca. 1260 samen met zijn broer Matteo een reis naar China gemaakt, maar waren in 1269 teruggekeerd met een verzoek van de groot-chan Koebilai aan de paus om missionarissen te zenden. In 1271 vertrokken Niccolo Polo en diens broer samen met Marco als kooplieden terug naar China. In Peking won Marco Polo de gunst van de groot-chan Koebilai. Hij diende er als officiŽle gouverneur van de grote stad Nanking. Hij bleef ook door het Verre Oosten reizen als handelaar, militair en diplomaat in dienst van groot-chan Koebilai. Terwijl zijn vader en oom dienden als militaire adviseurs voor Koebilai Khan. Zij bleven er 17 jaar. Zij vertrokken er als geleide van een Mongoolse prinses naar de koning van PerziŽ. In 1295 keerden zij rijk geworden te VenetiŽ terug. In 1298 Marco als kapitein van een Venetiaanse gallei. De Venetiaanse vloot was toen in oorlog met de Genuaanse. Hij werd gevangen genomen en opgesloten. Van september 1298 tot juli 1299 was hij gevangene van de Genuezen. In de gevangenis leerde hij een Franse schrijver kennen, Marco Polo vertelde hem al zijn reizen. De Fransman schreef alle verhalen op. En verwerkte het tot een boek: "De reizen van Marco Polo". In 1324 stierf Marco Polo, hij was 70 jaar oud.

[Terug naar artikel: Inleiding]

 

[Terug naar: De eeuw van Joos]