De eeuw van Joos

Landbouw: gebonden aan de seizoenen


1a. Inleiding

klik voor de foto op originele grootte De Vier Jaargetijden in de kunst van de Nederlanden, 1500-1750, 
tentoonstellingscatalogus, 
Leuven, Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens - 
‘s-Hertogenbosch, Noorbrabants Museum, 
2002, 244 blz. 
Kiwi's uit Nieuw-Zeeland, struisvogel- en krokodillensteak, aardbeien in de winter, schaatsen in de zomer. De moderne westerse mens met al zijn technische kennis is zich nauwelijk meer bewust van de mate waarin zijn voorouders afhankelijk waren van de natuur. Om te overleven moest de mens zich aanpassen aan het ritme van de tijd en de seizoenen. In de lente moest er gezaaid worden, in de zomer geoogst; geslacht werd er in november of december, in de winter werd er gerust en het alaam hersteld. Zo bepaalde het ritme van de natuur ook het ritme van een mensenleven.

In de oude voorstellingen van de Jaargetijden en de Maanden staat de werkende mens centraal. De verschillende activiteiten die bij elk seizoen horen, worden gekozen om de maanden te symboliseren. Zo is juli de hooimaand en oktober de wijnmaand. De levensloop van de mens wordt gekoppeld aan de seizoenen. In de lente is iedereen jong en bloeit de liefde. In de winter zijn de dagen kort en voelt men zich oud.

De tentoonstelling "De Vier Jaargetijden" en het bijhorende boek bieden een overzicht van de representatie van de tijd en de seizoenen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden van 1500-1750. Dit gebeurt aan de hand van religieuze getijdenboeken, schilderijen, tekeningen, prenten en almanakken, voorwerpen uit de toegepaste kunsten zoals zilver, textiel en beeldhouwwerken. De afgebeelde objecten laten zien hoe onze voorouders omgingen met het begrip "tijd" en hoe zij aankeken tegen de opeenvolgende levensfasen en het ouder worden.

Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens, Leuven van 10 mei tot en met 3 augustus 2003.

1b. Oorsprong

Het afbeelden van de seizoenen, verbonden zowel met de menselijke levensloop als met de sterrenbeelden, is onnoemelijk veel ouder dan de Mideleeuwen. In een eerste essay overloopt Anne de Snoo de iconografie van de jaarcyclus in de kunst van de Egyptische Oudheid tot aan het begin van de vijftiende eeuw (p.13).

In het tweede essay, "Het sprokkelen van de tijd" gaan Brigitte Dekeyzer, Bert Cardon en An Kenens de tijdsbeleving na in de Zuid-Nederlandse kalenderminiaturen (p.25). De middeleeuwse mens leefde in een veelvuldig gelaagd tijdsbesef en wereldbeeld. De kalender representeert niet alleen de lineaire tijd, die zich in ieder mensenleven voltrekt, maar ook en misschien vooral de religieuze, de kosmische en de circulaire tijd. Het is een uiterst complex begrip dat zeer nauw met het wereldbeeld is verbonden. Want in de Middeleeuwen ervaart men nog steeds, anders dan vandaag, de kosmos, de wereld en de tijd als een onlosmakelijk geheel. In die zin is de middeleeuwse mens vooral in duurzaamheid en minder in verandering geïnteresseerd. Sporen van dat holistisch denken zijn in de kalenders van religieuze handschriften terug te vinden. Deze kalenders zijn anders dan de onze, geen jaar- maar eeuwigdurende kalenders: zijn zijn geconcipieerd tot het einde der tijden (p.29). Deze opvattingen bleven overheersen totdat de Renaissance en het rationalisme een denkpatroon doorbraken dat in wezen gedurende millennia het collectief onderbewuste van de mensheid beheerste. Onze tijd is daardoor nog nauwelijks in staat het concept te begrijpen dat erachter steekt, net zoals de fantasmagorische hallucinaties uit de helse visioenen van Jeroen Bosch zonder toelichting hermetisch afgesloten blijven voor de hedendaagse toeschouwer.

Vanwaar komt dit klaarblijkelijk universeel kosmologisch wereldbeeld? Overal ter wereld treft ons in de verder zo verschillende culturen de samenhang tussen kosmologie en kalender. Het vermogen om van de hemel de kalender af te lezen was immers letterlijk een kwestie van leven of dood. Het opnieuw verschijnen van de wassende maan na de duisternis van de nieuwe maan, de terugkeer van de zon na een totale eclips, haar opkomst 's morgens na haar nare afwezigheid 's nachts werden overal waargenomen. Hoe nauwkeuriger men de positie en de omloop van zon, maan en sterren kende, des te betrouwbaarder kon worden voorspeld wanneer men moest jagen, zaaien en oogsten. Ook de astrologie, dit is de mening dat de bewegingen van de hemellichamen het menselijk leven beheersen en bepalen, is vrij algemeen verspreid. Vandaar naar de godsdienst, is slechts een kleine stap.

Het beroep op een sacrale kosmische orde vindt zijn oorsprong in het verlangen van de mens om aan de door hem opgebouwde cultuur een stevige en onaantastbare grondslag te geven. Hij heeft een ingeboren behoefte om zijn leven te grondvesten op een coherent wereldbeeld. Om de aardse constructie die hij moeizaam heeft opgebouwd een stevige fundering te geven, gaat hij ze vergelijken met de orde die hij in de kosmos meent te ontwaren. Zoals de sterrenbeelden en planeetstanden steeds terugkeren, zo keren op aarde de seizoenen terug in een vaste volgorde. De cyclus van de vrouw stemt duidelijk overeen met de cyclus van de maan. Zo komt de menselijke ordening van de wereld voor als de voortzetting van de kosmische orde. Daar deze laatste het werk is van de Schepper, krijgt meteen de door de mens geschapen orde een sacrale betekenis en wordt zij ontrukt aan de menselijke willekeur. Voortaan krijgen de wetten en instellingen een dieper, religieus fundament : zij zijn de uitdrukking van de wil van de Schepper en de weerslag van de orde die Hij in alle dingen heeft neergelegd. Het door de mens ontwikkelde socio-culturele paradigma verliest zijn toevallig en voorbijgaand karakter en krijgt de gedaante van een door God gewilde en onveranderlijke orde, waaraan de mens absolute eerbied en onderdanigheid verschuldigd is. Een opstand tegen deze ordening wordt aldus een opstand tegen God zelf. In het religieuze ritueel komt dit samenvloeien van ethos en wereldbeeld op symbolische wijze tot uitdrukking.


Overzicht

1 2 3 4 5 6 7