De eeuw van Joos

Klederdracht en Mode


 

Van wol tot laken

 

In Vlaanderen kocht men de wol voor de duurste lakens bij voorkeur aan in Engeland, omdat de Engelse schapenrassen een bijzonder glanzende wol met lange vezels leverden. Al eeuwenlang voerden de Engelsen hun beste kwaliteit uit naar Vlaanderen en behielden voor hun eigen textielindustrie de wol van tweede keus.De wol moest van volwassen, levende dieren komen: dode wol, evenals wol van beige, bruine of grijze schapen werd geweerd. Voor de mindere en goedkopere kwaliteit laken, werd ook inlandse wol gebruikt.

 

Typisch voor de textielindustrie was de ver doorgevoerde werkverdeling.

 

Om te beginnen werd de wol uit de balen gesorteerd, geslagen en ontvet. Dat laatste was nodig omdat het huidvet in de wol de vezels belet kleurstof op te nemen. Dan werd hij gekamd of, als de vezel kort was, gekaard.

Vrouwen, dikwijls boerinnen, sponnen daarna als bijverdienste de wol tot garendraden. De handelaars kochten het garen bij hen terug op. Zij betaalden tegen stukloon. Voor meer informatie over [spinnen, klik hier].

De wevers spanden het garen als ketting op houten weefgetouwen en joegen het als inslag met de schietspoel heen en weer tussen de kettingdraden door. Met voettrappers bracht de wever beurtelings de pare en onpare scheringdraden omhoog of omlaag, om zo de inslag er doorheen te ‘vlechten’. Omdat de wever snel, zonder van positie te veranderen, de schietspoel moest kunnen terugwerpen, konden er geen brede weefsels geweven worden. Wilde men dat toch doen, dan moest een tweede wever, meestal een ‘gezel’, een leerling, de spoel terugwerpen. Het zou duren tot de uitvinding van de vliegende schietspoel in 1730, een even vernuftig als eenvoudig toestel, vooraleer één man zeer brede stoffen kon weven.

naar uitleg weefgetouw

Het resultaat was een half afgewerkt product: een wollen weefsel of laken, ook ‘stuk’ genoemd. Kwaliteit en gewicht werden streng gecontroleerd. In de 12de eeuw kwam een nieuw, horizontaal weefgetouw in gebruik dat met de handen en voeten bediend werd en waarop stukken van 20 tot 30 meter lang geweven werden. Het getouw versnelde het proces gevoelig. Maar het opspannen, vóór men kon beginnen weven, duurde wel een volledige dag.

De wevers beperkten zich niet tot de eenvoudige weeftechniek; vaak weefden zij stoffen in ruitjes- of streepjesmotieven in meerdere kleuren. Na het weven werden de knopen in het weefsel weggewerkt en daarna werd de stof gekaard: ze werd bewerkt met zaadbollen van de kaardedistel. Hierdoor ontstaat op het weefsel een laagje vrijhangende wolvezels. Die worden weggeplukt, waarna het kaarden zonodig een paar keer herhaald werd.

In het volgende stadium kregen de volders de stukken in bewerking. Dit hield in dat ze het weefsel in een met water, urine en klei (later speciale aluinaarde) gevulde trog legden en er met blote voeten urenlang op trapten. Een volgende belangrijke handeling was het insmeren van het weefsel met boter of reuzel, waarna het gespoeld werd. Hoofddoel van het vollen was het laken te laten krimpen en te vervilten. Dat maakt het kledingstuk meer weerbestendig. Het totale vollen nam drie dagen in beslag, maar al in de 11de eeuw was er een volmolen bekend die echter met succes door de meeste volderambachten buiten de stadsmuren werden gehouden uit angst voor werkloosheid en kwaliteitsverlies.

Daarna werd het laken weer schoongewassen en geverfd. Uiteindelijk werd het geverfde laken op de voorgeschreven maten gerekt en effen geschoren. Voor de duurste stoffen, met de volste kleuren, werden de garens geverfd vóór ze op het weefgetouw gespannen werden. Het verven van geweven lakens was goedkoper, maar de kleurenpracht was dan minder diep en de kleurvastheid kleiner. Voor het verven beschikte men over een aantal plantaardige kleurstoffen. Voor blauw gebruikte men wede, voor geel wouw. Voor een rode kleur had men de keuze tussen meekrap, roodhout of kermes. Voor bruine of beige tinten maakte men een afkooksel van schors en wortels van de els of notelaar. Sommige andere kleuren verkreeg men door oververven.

Al met al kon de productie van een laken wel uit 30 verschillende bewerkingen bestaan, het versjouwen van het weefsel van de ene naar de andere werkplaats inbegrepen. Al die bewerkingen gebeurden aan huis bij handwerkers, soms geholpen door gezellen en leerjongens, d.w.z. geschoolde arbeiders die zij in loondienst hadden.

Tenslotte verknipte de kleermaker de stoffen, om met naald en draad kledingstukken op maat te naaien. Confectie bestond nog niet. Pas na de uitvinding van de naaimachine door Singer, ca. 1850, zouden de methodes grondig veranderen, voor het eerst sinds de prehistorie. Grappig is wel dat er van de (niet-elektrische) naaimachine van meetaf twee systemen bestaan, die kunnen vergeleken worden met de twee vormen van spinnewiel: een met een voettrapplank en een, waarbij het aandrijfwiel in beweging gebracht wordt met de hand, via een hendeltje. Om een of andere onnaspeurbare reden is dat laatste type nog steeds het meest populair in Afrikaanse landen als Congo, waar elektrische naaimachines weinig nut hebben omdat er in het binnenland geen elektriciteit is, of omdat de stroom vele uren per dag uitvalt.

Deze reconstructie van een textielatelier toont de voornaamste fasen van de productie. Links legt een gezel de meesterproef af. Een tweede gezel, rechts, assisteert om de schietspoel terug te werpen. Achter hen: het meer gebruikelijke smalle weefgetouw.
Rechts vooraan: de leerjongen links spint op een handspinnewiel een kluts wol, die hij uit de mand voor hem haalt. De leerjongen rechts windt wolstrengen op een haspelmolen om ze te drogen.
Achter hen twijnt een andere leerjongen reeds geverfde spoelen garen tot dikkere draden, die op het getouw kunnen gespannen worden.
In de kamer rechts achteraan: twee volders vollen het laken, al trappelend in een kuip.
(Bron: Geschiedenis van de kleine man, BRT, Brussel, 1979.)

Bron bij dit artikel:
De Keyser, R. & I. Honoré, Didactisch dossier bij de tentoonstelling Leven te Leuven in de late Middeleeuwen, Leuven, 1998, p.40-47

 

Vergeleken met Vlaanderen, gebeurde de [textielproductie in het gelijktijdige Tawantinsuyu] met eenvoudigere middelen. De fasen van het proces zijn dezelfde; de verschillen kunnen haast alle verklaard worden door de mechanisering die in Europa in toenemende mate haar intrede doet en het productieproces aanzienlijk zal versnellen en verlichten.

 


[Terug naar: Klederdracht en Mode: overzicht]