De eeuw van Joos

Van Eycks "Het echtpaar Arnolfini" (44 Kb)

Van Eycks
"Het echtpaar Arnolfini" als informatiebron

Olieverf op paneel, 59,5 x 82 cm; geschilderd in 1434; authentiek; gesigneerd en gedateerd; Londen, National Gallery.


OVERZICHT

[Terug naar algemeen overzicht: De eeuw van Joos]


Inleiding

Net als Het Laatste Avondmaal van Dirk Bouts 
kan men "Het echtpaar Arnolfini"- schilderij bestuderen als kunstwerk, maar ook aanwenden als informatiebron voor kleding en mode, binnenhuisinrichting en mentaliteitsgeschiedenis.

Schilderijen interpreteren van Bouts, van Eyck en hun tijdgenoten omvat steeds 3 lagen:

1. Waarneming van het afgebeelde

2. Uitleg en achtergrondinformatie bij het afgebeelde

3. Uitleg over de symboliek achter het afgebeelde.

[Terug naar overzicht]


Beschrijving

Op de voorgrond: een man, die een jonge vrouw bij de hand houdt. De man draagt een lange, donkere, met bont afgezette tabbaard, korte laarsjes en een grote zwarte strohoed; de jonge vrouw, die zwanger lijkt, is gehuld in een zwaar gedrapeerd groen overkleed met wijde mouwen, waaronder ze een blauw kleed draagt. Op het hoofd heeft zij een hoofddoek afgeboord met een soort kant, waaronder een bruin kapje te zien is. Op de voorgrond, in het midden, een hondje; links een paar witte, houten ‘klompen’; rechts op de achtergrond een bed met open gordijnen; achteraan, naast het bed een gebeeldhouwde houten zetel met hoge leuning en daarnaast (niet zo goed zichtbaar) een bank, bedekt met een rood kleed en een rood kussen, met rode pantoffels ervoor; aan het plafond een prachtige koperen luchter met één brandende kaars; aan de muur een ronde, bolle spiegel met daarboven een tekst; links daarvan een soort kralensnoer met kwastjes; aan de leuning van de zetel bij het bed een handborsteltje, links voor het raam op de kist en op het raamkozijn: fruit.

[Terug naar overzicht]


Identificatie en duiding

Uit de inventaris van 1516 weten we dat dit schilderij toen in het bezit was van een goede bekende: Margaretha van Oostenrijk! Met de Très Riches Heures van de hertog van Berry was dat ook al het geval. (Zie: Elektronica en oude kunst) Het Lot maakt soms rare bokkensprongen!

1. Voorwerpen in het interieur

Het interieur is dat van een rijke Vlaamse patriciërsfamilie uit die tijd. De vloer is vervaardigd uit genagelde houten planken, waarvan elke nerf zichtbaar is. Het zou kunnen gaan om een vertrek op een bovenverdieping. Vergelijk even met twee andere schilderijen: [Het Laatste Avondmaal] (opent in nieuw venster) van Bouts, dat iets later en fBoodschap aan Maria, de Meester van Flémalle (22 Kb)De Boodschap aan Maria van de Meester van Flèmalle, dat iets vroeger is geschilderd. Op beide andere schilderijen hebben de kamers een tegelvloer; bij Bouts is dat een vloer van schitterende majolica-tegels. Op de drie panelen bezitten de kamers een fraaie gelambriseerde zoldering, die rust op zware eikenhouten balken. Op de bovenverdiepingen legde men bijna nooit een stenen vloer, omwille van het gewicht. Dat zal duren tot na de Tweede Wereldoorlog, wanneer de toepassing van holle welfsels ook in gewone huizen op bovenverdiepingen tegelvloeren toelaat.

Archeologische opgravingen bewijzen dat de schilders zich op werkelijk bestaande tegelvloeren inspireerden (De Belie 1985).

Arnolfini: trippen (6 Kb)Links op de voorgrond staan een paar witte, ongeverfde overschoenen, die men trippen of patijnen noemde. Ze komen ook voor in de [Spreekwoorden van Bruegel] (opent in nieuw venster), links, in een vensteropening van de taveerne. Trippen zijn een soort voorlopers van de klompen. Zij lijken op wat men in japan heden nog draagt als sandalen bij de traditionele klederkracht. Bij ons werden ze gedragen in de modderige straten van de steden, om de fraaie leren laarzen of puntschoenen te beschermen. Tussen het paar in kan je op de achtergrond nog een stel rode schoentjes zien. Dit zijn waarschijnlijk geen trippen, maar slippers (van de vrouw) voor binnenshuis. Zij symboliseren huiselijkheid (tegenover uithuizigheid, beschouwd als een ondeugd).

Links, naast de man, staat een kist, met daarop fruit. In de weerspiegeling van de spiegel kan je de vorm van de kist beter zien. Het is een dekenkist, een voorloper van de kleerkast, waarin men beddengoed en kleren bewaarde, met geurige en mottenwerende kruiden ertussen gelegd.

Op de kist en het raamkozijn liggen sinaasappelen. Die kwamen in deze periode voor het eerst bij ons op de markt. Het is duur luxefruit uit Zuid-Europa, en dus een statussymbool, zoals zoveel op dit schilderij. Maar zij hebben tevens een symbolische betekenis: vruchtbaarheid (= kinderzegen). Zij zouden ook verwijzen naar de zondeval van Adam, en zo de appel van Eva vervangen.

arno_ruit.gif (28410 bytes)Uit Rien Poortvliets "De Tresoor" p. 74

Het raam is alleen bovenaan voorzien van glas; het onderste deel is open. Het glazen gedeelte bestaat uit dik cirkelvormig glas dat lijkt op flessenbodems, met groene, dunne ruitvormige stukken daartussen. De zijkanten zijn afgezet met veelkleurig glas-in-lood, zoals dat in de kerken voorkwam. Rond 1430 kon men nog geen grote stukken uit zuiver glas gieten. Rond 1500 sneed men uit een schijf geblazen glas van ongeveer 1 m diameter ruitjes (dat geeft de meest economische verdeling). Vandaar ons woord ruiten.

De houten luiken zitten aan de binnenkant. (Dat zou de gewoonte blijven tot na 1600.) Zij staan hier open, om licht binnen te laten. In de winter werden zij gesloten. Om dan toch nog licht te krijgen en de koude buiten te houden, werden de openingen afgespannen met een raam van perkament of varkensblaas. Dit is waarschijnlijk het geval bij De Boodschap van de Meester van Flémalle. Toch moet het dan een koude, tochtige bedoening gebleven zijn!

Arnolfini: luchterDe koperen luchter lijkt op die bij Het Laatste Avondmaal van Bouts. Hier is niet duidelijk of hij, zoals bij Bouts, kan neergelaten worden om de kaarsen te ontsteken.

Bij van Eyck brandt er slechts één kaars uit bijenwas. Die staat symbool voor de goddelijke aanwezigheid bij het sacrament van het huwelijk. Bij Bouts brandt er geen kaars, omdat Christus zelf op het schilderij aanwezig is.

Bij de Meester van Flèmalle zie je een andere vorm van verlichting: kandelaars, die via scharnieren in de beste positie gedraaid kunnen worden. Op andere schilderijen is achter de kaars een glazen karaf met water gezet. Die diende om het licht te versterken. Daarvoor gebruikte men bij wandkandelaars ook glimmend gepoetste koperen spiegels, zoals je bijvoorbeeld nog kunt zien in het Antwerpse Rockoxhuis. Merk op dit laatste schilderij tussen de twee kandelaars de gekleurde prent. Het is een afbeelding van Sint-Christoffel, de patroon van de reizigers. En tevens een voorbeeld van de vroege verspreiding van blokdrukken, in de eerste helft van de vijftiende eeuw reeds.

Onder de luchter en onder de Latijnse tekst (waarover dadelijk meer) zie je een bolle spiegel die de kamer weerkaatst en twee personen op de drempel van het vertrek. [Voor meer info en achtergrond, klik hier]. Het is een der vroegste, beroemdste en meest nagevolgde voorbeelden van een spiegel in de schilderkunst. 

 

arno_spiegel.gif (50066 bytes)

Links van de spiegel hangt een gebedssnoer uit bergkristal, een voorloper van de paternoster, rechts bij de leuning van de zetel, een handborsteltje. Zij verwijzen samen naar de verplichting ora en labora, bid en werk. Het gebedssnoer is een typisch verlovingsgeschenk van een bruidegom aan zijn verloofde. Het kristal symboliseert zuiverheid, de deugden van de bruid en haar plicht om trouw te blijven.

De zetelleuning naast het bezempje is bekroond door het beeldje van een vrouw met een draak aan haar voeten. Het is Sinte-Margaretha, patrones van de zwangere vrouwen, of de Heilige Martha, patrones van de huisvrouwen, die ook de draak als attribuut heeft.

Het hemelbed is het belangrijkste meubel in de kamer. Het kon in de winter in een knus kamertje veranderd worden door middel van de zware gordijnen, niet alleen voor de intimiteit, maar vooral voor de warmte. Nu zijn de gordijnen weggeschoven en opgeborgen in een zak van dezelfde stof. Het rood symboliseert de passie van de huwelijksliefde.

De houten zitbank is bedekt met een rood doek, dat tot over de bijbehorende voetbank hangt. Erop ligt een kussen in dezelfde kleur. De Meester van Flèmalle heeft een gelijkaardige bank afgebeeld. Op andere schilderijen zie je een "strijcsitten", een bank met verstelbare leuning. (Zie: Woning van een welstellend burger.)

Op de grond, tussen het echtpaar komt een tapijt piepen. Kostbare tapijten speelden in deze tijd een voor ons niet meer zo goed te begrijpen rol als onmisbare statussymbolen voor de vorsten en de hogere standen.

 arno_tapijt.jpg (7683 bytes)

Tapijt uit Van Eycks "Madonna met kanunnik Van der Paele"

Van Eyck en zijn tijdgenoten hebben herhaaldelijk exotische tapijten afgebeeld, zo gedetailleerd dat ze gemakkelijk kunnen geïdentificeerd worden. Het zijn telkens tapijten uit Anatolië, in het huidige Turkije. Of, nog exacter, uit Cappadocië, een landstreek in Anatolië. De tapijten zijn herkenbaar aan hun typische patronen, die soms traditioneel zijn overgeleverd tot in onze tijd toe. Bij de Brugse Memlingtentoonstelling in 1994 werden geschilderde tapijten geconfronteerd met identieke museumstukken uit Boedapest. De wollen tapijten zijn zo degelijk vervaardigd, dat hun kleuren vijfhonderd jaar later nog zo fris zijn ‘als van vers geplukte bloemen’ (Batari 1994).

Blijft de vraag via welke weg en welke tussenpersonen die tapijten in de Nederlanden belandden. Anatolië was in deze tijd, ook voor de val van Constantinopel in 1453, in handen van de Osmaanse Turken. Blijkbaar liet de bittere vijandschap nog ruimte voor commerciële contacten, ongetwijfeld via Venetiaanse of Genuese handelaars.

Vergeleken met Het Laatste Avondmaal en De boodschap aan Maria is één voorwerp manifest afwezig op van Eycks schilderij: de open haard. Een bijkomend argument om de kamer te situeren op de bovenverdieping of minstens als een binnenkamer, ingesloten tussen andere plaatsen. Gezien de onvolkomen afsluiting van de vensters, had men hier in de winter toch veel last van koude en tocht. Voor verwarming kon men dan een draagbaar houtskoolkomfoor inschakelen. Maar daarop zullen we terugkomen in Interieurs bij Bruegel.

[Terug naar overzicht]

2. Personages

Eerst een niet-menselijk personage: het charmante hondje op de voorgrond, dat een lichtvoetige toets geeft aan het plechtstatige schilderij. Het is dit soort tafereeltjes dat de Vlaamse schilderkunst (en de retabels) internationaal zo geliefd maakte. De gedetailleerde weergave van zijn vacht is een technisch hoogstandje te meer. Hoogstwaarschijnlijk is dit een portret van een echt bestaande huisdier. Maar de hond is ook symbool van de huwelijkstrouw.

Het schilderij is lang beschouwd als een zelfportret van Jan van Eyck en zijn vrouw Margaretha. Tegenwoordig wordt aangenomen dat het een huwelijksportret is van de rijke Italiaanse koopman-bankier Giovanni Arnolfini en zijn bruid Giovanna Cenami (hoewel de controversen nog steeds voortduren). Het leven van Giovanni laat zich vrij volledig reconstrueren uit de archieven. Hij was afkomstig uit Lucca, vestigde zich in 1420 in Brugge, waar hij de grote concurrent was van Tommaso Portinari van de Florentijnse Medici-bank. Hertog Filips de Goede benoemde hem tot ridder en tot raadsheer bij de Grote Raad te Mechelen (alleszins vóór juli 1454) en hij bleef deze positie behouden onder Karel de Stoute. Zijn bank leende aanzienlijke sommen aan de Bourgondische hertogen en zal waarschijnlijk veel geld verloren hebben in de militaire avonturen van Karel de Stoute. Maar anders dan de Medici-bank, ging ze er niet aan failliet. Zijn vrouw, Giovanna Cenami, was eveneens afkomstig uit Lucca en zou in 1490 nog in leven geweest zijn. Zij is niet zwanger, zoals men op het eerste gezicht zou denken, doch draagt een met [bont] gevoerde groene "houppelande" uit zwaar Vlaams laken, die volgens de heersende mode vooraan is opgenomen en aan de gordel bevestigd. Onder het overkleed is haar blauw gedamasseerd kleed zichtbaar. Haar haar is opgebonden in twee vlechten, die opgeborgen zitten in een kap, bestaande uit twee lederen ‘horens’, zoals we ook kunnen zien op het portret van Margaretha van Eyck uit 1439. Het kapje is bedekt door een witte hoofddoek met gepijpte rand.

Boven de spiegel is heel opvallend in gotische kalligrafie geschilderd: Johannes de Eyck fuit hic 1434 (Jan van Eyck was hier). De spiegel weerkaatst twee personen: een man in een blauw kostuum (die geïdentificeerd wordt met de schilder) en een jongeman in het rood.

Alles duidt erop dat het schilderij een plechtig huwelijksportret is, waarin alle onderdelen verwijzen naar de heiligheid van het sacrament van het huwelijk: de zegenende hand van de echtgenoot, de uitdrukkelijke handtekening van de getuige op de muur, de twee getuigen in de spiegel (voor het Concilie van Trente (1560) was een priester bij een huwelijk niet strikt nodig), tenslotte de talrijke symbolen.

Tel dit alles samen en je begrijpt waarom men dit schilderij vroeger betitelde als ‘De hymne aan de echtelijke trouw.’

Nu wil de ironie van de geschiedenis dat in de archieven van de Grote Raad enkele stukken berusten die Arnolfini, dit voorbeeld van echtelijke trouw, in een ander daglicht plaatsen. In 1458 doodde een Vlaamse koopman te Brugge iemand tijdens een twist. Hiervoor werd hij levenslang verbannen. Zijn mooie jonge vrouw, Christina van der Wijc, riep de hulp in van raadsheer Arnolfini, die toen reeds meer dan 60 jaar oud was. Zij belandde in het bed van Arnolfini. (Volgens haar versie nogal letterlijk: zijn bedienden grepen haar beet, kleedden haar uit en deponeerden haar tussen de lakens.) Dit leidde tot een verhouding met de raadsheer. Hij nam haar driemaal mee op zakenreizen naar Italië en tekende een verbintenis waarin hij beloofde haar na zijn dood te begiftigen met een aanzienlijke lijfrente en twee rijk gestoffeerde paleizen, een in Brussel en een in Brugge. Korte tijd later brak Arnolfini de verhouding af. Zij verweet hem dat hij haar eerst nog onder valse voorwendsels haar juwelen had ontnomen en eiste die in 1471 op, samen met de beloofde lijfrente en de beide woonhuizen, in een vordering voor de Grote Raad. De Raad wees eerst de eis op de huizen af en later die op de juwelen. In 1472 overleed Arnolfini in Brugge. Christina heeft de zaak dan blijkbaar laten rusten. (Tentoonstellingcat. 500 jaar Grote Raad 1473-1973, Mechelen, 1973, p. 94, nrs. 47 ) 47 quat.)

Jos Martens


[Terug naar overzicht]

[Terug naar algemeen overzicht: De eeuw van Joos]